Arsacal
button
button
button
button


Hoe leerling van Christus zijn?

Catechese van de tweede dag van de wereldjongerendagen

Overweging Bezinning - gepubliceerd: woensdag, 31 juli 2013 - 4354 woorden
Hoe leerling van Christus zijn?

Tijdens de drie catechese-bijeen­komsten van de Wereld­jon­ge­ren­dagen - op 24, 25 en 26 juli - mocht ik de tweede catechese ver­zorgen die ging over: Hoe leer­ling van Christus zijn? Dit was het thema dat door de organi­sa­tie van de wereld­jon­ge­ren­dagen aan deze tweede dag was toegewezen. Hier­on­der volgt die catechese, die begeleid werdt door een beeld­pre­sen­ta­tie (de cijfers met de teksten ver­wij­zen naar die pre­sen­ta­tie)

1. Wow!

2. ben verliefd...

3. ... op Hem!

Ik weet na­tuur­lijk niet uit wat voor gezin jij komt. Mis­schien heb je het katho­lie­ke geloof van huis uit mee­ge­kre­gen, werd er thuis gebe­den, gingen jullie naar de kerk en werd er thuis wel over ge­spro­ken. Maar mis­schien werd er bij jou thuis helemaal niets of heel, heel weinig aan geloof en kerk gedaan en heb je er later iets van ontdekt. Hoe dan ook, er is een moment geweest of er is een gelei­de­lijke ont­wik­ke­ling geweest, waardoor geloven niet langer iets was wat je ouders je had­den geleerd of wat je juist niet had mee­ge­kre­gen, maar dat het iets van jezelf werd, waardoor jij kon zeggen: Hij is er, God bestaat, IK geloof!

Zo ging het ook bij mij. Er werd bij ons thuis gebe­den en dat was na­tuur­lijk heel goed (al was het vaak een beetje gehaast en mecha­nisch) en zon­dags na de Mis probeerde mijn moeder meestal nog wel even na te praten over de preek. Allemaal heel goed, maar het was nog maar een patroon. Maar toen ik heel klein was gingen we in de mei­maand het Maria­beeld versieren en de rozen­krans bid­den en dat raakte mij ineens; en toen ik mis­die­naar werd en de pries­ter de consecratiewoor­den – de woor­den van Jezus – zei over brood en wijn en hij de hostie ophief, dat raakte mij, dat raakte ik niet meer kwijt; en toen ik na jaren van tame­lijk puberen op mijn bed in een boek zat te lezen over de oorlog en de zinloos­heid van het leven – zo van: alles is nergens goed voor –kwam het ineens over mij dat God bestaat en dat ik voor Hem moest leven; dat raakte mij!

Geloven is dus uit­ein­delijk niets iets van je hoofd alleen, het is aller­eerst iets van je hart.

4. Geloof/chris­ten­dom is niet een filo­so­fie, een spiri­tua­li­teit of een moreel systeem van regels. Geloven is een relatie.

Het is niet het be­lang­rijk­ste of je over alle zin­vra­gen hebt nage­dacht en een knap systeem van denk­beel­den hebt over allerlei zaken, chris­ten­dom is niet een soort levensfilo­so­fie; het geloof gaat ook niet aller­eerst over een soort gees­te­lij­ke “mind-set” waar­mee je de wereld en je leven bekijkt en het is ook niet een soort lange lijst van regeltjes over wat je allemaal wél moet doen of wat je niet mag doen. Daar gaat geloven niet over, tenminste niet direct. Na­tuur­lijk ga je als je gelooft je leven meer afstemmen op Jezus en bijna als van­zelf zul je bepaalde dingen anders gaan doen, omdat je het niet meer wilt op die manier die je vroeger mis­schien voor zoete koek hebt aan­ge­no­men en wil je je inzetten om je geloof in praktijk te brengen. Dat is eigen­lijk net als met topsport. De sport is niet een voe­dingsschema, een trai­ningsschema en een op- en afbouwschema, dat komt er mis­schien bij, maar de basis is dat je een passie hebt en je in die topsport iets wilt bereiken. En als je die passie niet hebt, wordt het gewoon niks.

Dat is ook zo bij geloven. Geloven is een relatie, een relatie met een Persoon, een prach­tige liefdes­re­la­tie en na­tuur­lijk ga je dan bepaalde dingen doen om dat goed en mooi te hou­den en het te laten groeien en te verdiepen. Zoals je ook tegen je vriend of vriendin niet kunt zeggen: “Ik houd van jou” terwijl je ver­vol­gens geen contact houdt, niets leuks verzint om samen te gaan doen, niet praat over wat je beweegt, over je diepere gevoelens en visies. Na­tuur­lijk doe je dat wél. Dat vloeit allemaal voort uit het feit dat je een relatie hebt, anders houd je jezelf en die ander voor de gek.

Je hebt het geloof niet uit jezelf. Dat zul je wel dui­de­lijk merken als je voor jezelf probeert na te gaan hoe jouw geloof gegroeid is. Het gaat er dan eigen­lijk altijd om dat je in gebeur­te­nissen, in woor­den iets “meer” hebt mee­ge­maakt dan alleen het gebeuren zelf, dat er een soort vonk is overgesprongen, dat het je raakte, dat het je iets te zeggen had. Dat noemen we “genade”. Dat is wat God heeft gedaan om jou voor Hem te winnen.

5. Hij heeft jou “veroverd”. “Niet jij hebt mij uit­ver­ko­ren, maar ik jou en ik heb je de taak gegeven op weg te gaan en vruchten voort te brengen”(Jo. 15,16). “Je bent verlost door het kost­baar bloed van Christus” (1 Petr. 1,19).

Als je dus terug­denkt aan wat er gebeurd is en hoe en waar die vonk is overgesprongen (of mis­schien wacht je ook nog wel op die vonk, was het jouw tijd daarvoor nog niet. Het komt, het zal komen! Hij is een “lover” die met Zijn liefde over de brug komt, heus!); als je terug­denkt aan hoe en waar die vonk is overgesprongen en je probeert je die momenten weer te beseffen, dan kan het bijna niet anders of je voelt een dank­baar­heid in je hart. Het is gewoon heel erg mooi om te mogen ervaren en beseffen dat er Iemand is die van je houdt en voor je gaat, die er juist voor je is als jij alleen bent, als het mis­schien niet zo goed gaat, als je voor een moei­lijke opgave staat, Iemand die jou door Zijn kost­baar bloed heeft verlost; en dat je niet zomaar toevallig ergens op deze wereld bent neergekwakt, maar dat er een bedoeling is met jouw leven, dat je een taak, een roe­ping en een zen­ding hebt!

Als je die “klik” hebt ervaren, als je hebt gemerkt dat er ergens toch iets van zo’n vonk of vonkje is overgesprongen – en dat kan ook hier en nu gebeuren -, dan komt een volgende stap:

6. “Volg Mij...” “Goede Meester, wat moet ik doen....”(Mc. 10,17).

Je wordt uit­ge­no­digd om Jezus te volgen. Dat begint mis­schien eerst even alleen maar fan­tas­tisch en mooi, zoals bij de apos­te­len. En zoals bij de rijke jonge man in het evan­ge­lie: iemand die het in het leven gemaakt heeft, die geld heeft, zeg maar: een jonge man die als enige onder de der­tig in de top tien van de Quote 500 staat. Het evan­ge­lie zegt wat droogjes dat hij vele goe­de­ren bezat. Ik denk dat de mensen dit best wel bij­zon­der hebben gevon­den: zo’n rijke jonge man die komt aangelopen, die zich op zijn knieën voor Jezus gooit en die Hem vraagt wat hij moet doen. Hij is en­thou­siast, hij is blijk­baar geraakt, die vonk is overgesprongen, hij wil daar ook wel verder mee, maar dan....

Ja, dan komt het moment dat Jezus een ant­woord geeft en hem zegt wat hij zou moeten doen: zijn bezit verkopen, het aan de armen geven en dan terug­ko­men om Jezus te volgen. Dat is na­tuur­lijk niet niks, dat is een hele stap en die jongen trekt wit weg en helemaal in de war gaat hij er snel weer vandoor. Hij loopt weg.

Zo zal het gaan en zo kan het ook bij jezelf gaan, al sta jij mis­schien niet in de Quote 500: je bent geraakt, je verdiept je er wat meer in wie Jezus is en dan zal Hij wel niet let­ter­lijk voor je staan om je te zeggen dat je je schatten moet verkopen, maar als je relatie met Jezus zich ontwikkelt, voel je van binnen, in je eigen hart, ook al zonder dat iemand er iets over zegt, dat je bepaalde dingen niet meer moet doen, dat je je leven op dit of dat punt moet gaan bijsturen, dan voel je een schaamte over bepaalde dingen die zijn gebeurd of nog aan de gang zijn, weet je dat iets anders moet maar voel je mis­schien tege­lijker­tijd dat dat best wel las­tig is. Je kunt proberen er gauw weer de deksel op te doen, die vragen die in je opkwamen weg te stoppen, weg te lopen en over te gaan tot de orde van de dag. Zoals die rijke jonge man.

Dat is heel onbevre­digend. Vaak wor­den mensen dan heel nega­tief over Jezus en de Kerk. Ik ben een maand of twee gele­den bij iemand geweest van een eind in de vijf­tig die uit een heel katho­lie­ke familie kwam: zijn vader was een toegewijde katho­liek, maar hij moest er niets meer van weten. Die man stuurde me allerlei e-mails waarin hij goed en tame­lijk grof dui­de­lijk maakte hoe verschrikke­lijk de katho­lie­ke kerk wel niet is: mis­bruikers, huiche­laars, machts­mis­bruikers zijn het allemaal. Hij kon op de kerk schel­den als de beste! Toen ben ik hem een keer gaan bezoeken en hij ver­telde over zijn leven. Ik kreeg een verhaal over hoe goed het is om helemaal voor jezelf te gaan, op je eigen kracht te varen en vrij te zijn van de beper­kingen die die huichelach­tige kerk je oplegt, een verhaal ook over seks­clubs en pros­ti­tuees die hij regel­ma­tig bezocht – hij leek vrouwen­handel niet zo’n probleem te vin­den -, dat hij was ge­schei­den van zijn vrouw en tussendoor kwam naar voren dat hij agressief en geweld­da­dig was geweest. En ik dacht: hij heeft de bood­schap van de Kerk en van Jezus moei­lijk gevon­den, hij liep weg en is be­gon­nen zich­zelf te recht­vaar­digen door de bood­schap aan te vallen en redenen te vin­den om niet bij die kerk te hoeven behoren die zo op zijn geweten had gewerkt.

Zo kan het gaan: als er iets is dat je per se niet ver­an­de­ren wilt in je leven, ook al weet je in je hart dat het niet goed is wat je doet of zegt of vindt, dan wordt dat wat je niet ver­an­de­ren wilt, jouw God.

Het is niet erg als iets niet lukt, ook al wil je het nog zo graag. Er wordt van jou niet meer gevraagd dan dat je je best doet. Het is goed om je klein­heid te aan­vaar­den. OK, je maakt fouten, je doet zon­den, daar hebben we zelfs een sacra­ment voort. Als je aanvaardt dat je nu eenmaal een mens met zwak­he­den bent, een gewone, kleine mens, als je geen opgeblazen mega-stand­beeld van jezelf maakt, maar open en bereid blijft, dan ga je goed, zelfs als je een periode hebt dat het niet zo gewel­dig gaat, dat het allemaal wat moei­lijker gaat.

Maar het kan ook heel anders gaan dan bij die rijke jonge man.

7. Mattheüs. “Hij richtte zijn blik op een tolle­naar... Hij zei tot hem: Volg mij” (Lk. 5,27).

Mattheüs zat ook in de geld­we­reld en hij zal fi­nan­cieel niet tekort geko­men zijn. Hij was een tolle­naar, iemand die van de Romeinse bezetters van Israël wegen of plaatsen pachtte waar hij tol­geld mocht heffen. Dat soort mensen had geen goede naam in Jezus’tijd; onder de dek­king van de bezetter vroegen zij vaak meer dan het normale tarief om zich­zelf te verrijken. De zo­ge­naamde goede mensen von­den tolle­naars verachte­lijk. Mattheüs was dus altijd met geld bezig en waar­schijn­lijk niet zo’n brave figuur als die rijke jongeman waar we het daarnet over had­den. Maar de vonk springt over: Jezus kijkt hem aan, Mattheüs staat op, laat alles achter en volgt Jezus. Hij doet het! Hij laat zijn oude leven los en wordt een leer­ling van Jezus Christus.

8. Leer­ling (discipel). “Doe maar wat Hij u zeggen zal” (Joh. 2,5)

Dus als je ergens ooit geraakt bent, als die vonk is overgesprongen, dan kun je ver­schil­lende kanten opgaan: mis­schien vind je het moei­lijk, zie je er tegen op en vraag je je af hoe anderen zullen reageren, of je vrien­den je mis­schien niet meer zullen willen, of je niet in moei­lijk­he­den komt; maar mis­schien begin je gewoon vol en­thou­sias­me Jezus te volgen. Ook dan komt er op een gegeven moment wel een moei­lijk punt, dat hoort er nu eenmaal bij. Voor de apos­te­len, de leer­lin­gen van Jezus, kwam dat toen de Heer over Zijn lij­den begon te spreken en hun vooruit­zicht niet een mooie carrière met geld en macht bleek te zijn, maar het lij­den en de kruis­dood van Jezus en de mar­tel­dood voor hen­zelf. Gelei­de­lijk werd hen dui­de­lijk dat dit het was waar ze op inge­te­kend had­den en dat was effe slikken....

Maar dat is het typische van leer­ling of discipel zijn (die twee woor­den betekenen precies het­zelfde; discipel klinkt in het Neder­lands alleen een beetje meer pro­tes­tants): een leer­ling, een discipel is er om te leren van een leer­mees­ter. Er is er dan één die het weet – zeker als die leer­mees­ter Jezus is - en één die het nog moet leren en dat ben jij! Je moet jezelf dus al een beetje nederig, een­vou­dig bekijken om je daarin te gaan storten. Als je denkt: ‘Ik weet het en niemand hoeft mij iets te ver­tellen’, dan is dit gewoon niks voor jou!

Wat ga je precies leren? Ja, dat weet je nog niet, dat is het ‘m net: dat moet je nog leren en dat is voor ie­der­een anders. Wat je moet leren van Jezus hangt samen met de persoon die jij bent. Leer­ling of discipel van Jezus zijn is dus ergens een sprong in het diepe. Je moet maar afwachten waar je dat naar toe gaat brengen! Het is een kwestie van ver­trouwen. De moeder van Jezus, Maria, is degene die ons dat ver­trouwen kan geven. Je kent mis­schien het verhaal van de bruiloft van Kana wel, dat je in het evan­ge­lie van Johannes kunt vin­den: dat feest loopt in het honderd, want er is geen wijn meer. En dan moet je niet denken: neem dan een keer een biertje of een cola, want dat was er dus niet; wijn was gewoon dé drank; ja, water kun je ook nog krijgen, maar om een heel feest allemaal alleen op een Spa’tje blauw te zitten...! Kortom, er is een probleem, het feest gaat als een nachtkaars uit, er is geen oplos­sing voorhan­den: er is gewoon geen wijn meer. En dan neemt Maria het heft in han­den. Haar laatste woor­den in het evan­ge­lie van Johannes gaan over Jezus, wijzen naar Hem en ze geven ver­trouwen: Wees niet bang, het komt goed, Hij zal ervoor zorgen: “Doe maar wat Hij u zeggen zal”, zegt ze. Dat is dus leer­ling zijn: ver­trouwen en geloven dat het goed komt als je doet wat Hij je zegt. Christus is het licht en Hij is er ook aan het einde van een tunnel.

9. Woor­den en daden

Mis­schien gebeurt dat jou ook weleens: soms krijg je te maken met mensen die zich als een vriend laten zien: ze waar­de­ren je heel erg, vin­den je fan­tas­tisch en mooi en ze beloven je gou­den bergen. Maar een echt goede vriend, wie is dat? Dat is degene die er is als je in de shit zit, als het moei­lijk is. Mis­schien staat die juist niet zo te dringen als je het prima maakt. En wat doet Jezus, je beste vriend? Sorry, Hij belooft je geen gou­den bergen. Jezus is geen jackpot. Het gaat dus echt niet zo van: even bid­den en dan krijg ik wat ik verlang of denk nodig te hebben. Zal ik nog even een paar woor­den voorlezen die Jezus Zijn leer­lin­gen meegeeft? Zo maar een paar teksten uit het tiende hoofd­stuk van het Mattheüs-evan­ge­lie: “Ik zend jullie als schapen tussen wolven.... Ze zullen jullie overleveren aan recht­banken en jullie geselen... Jullie zullen een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van Mijn Naam....De leer­ling staat niet boven zijn Meester... voor de leer­ling moet het voldoende zijn behandeld te wor­den zoals zijn meester.... Wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waar­dig....”. Maar het is niet alleen maar kommer en kwel, want - dat zou ik bijna vergeten -: Hij belooft je ook het eeuwig leven. En over al het goede wat je doet, zegt Jezus: “Jouw loon zal je zeker niet ont­gaan”(Mt. 10, 42).

Maar Jezus laat het niet bij woor­den over ons en over lij­den en tegen­slag die ons te wachten staan. Hij kiest zelf de weg van het lij­den om dat voor ons te offeren: Hij wordt geslagen, vernederd, bespot en bespuwd, ter dood gebracht als een mis­da­diger. Zijn lichaam wordt gebroken voor ons, zijn bloed wordt vergoten voor ons...

En tege­lijk - bij alles wat Hij zegt, bij al die moei­lijk­he­den die Hij ons voorspelt en die over ons komen -, zegt Hij ook telkens weer: “Maak je toch niet bezorgd als ze je overleveren.... op dat ogen­blik zal je wor­den inge­ge­ven wat je moet zeggen... Wees niet bang voor hen, wees niet bevreesd voor degenen die wel je lichaam kunnen doden, maar niet jouw ziel...; wees niet bang want iedere haar op je hoofd is geteld, je bent veel meer waard dan een hele zwerm mussen...” (Mt. 10). God is geen God van woor­den alleen maar ook van daden. En Hij is er voor je. Dus: blijf altijd ver­trouwen, ga, als je in de put zit, altijd weer terug naar het ver­trouwen.

10. Wees trouw met ver­trouwen: Aanvaar­ding, Beke­ring, Re­flec­tie, Avon­tuur­lijk, Heilig, Apos­to­lisch, Maria (Abraham).

Wees een Abraham. Abraham is in de bijbel hét beeld van een gelovig mens. Hij moest zijn land en zijn familie verlaten, omdat God het vroeg: “Trek weg uit je land, je stam, je familie, naar het land dat ik je zal wijzen. Ik zal een groot volk van je maken” (Gen. 12,1). Zijn nakomelingen zou­den zo talrijk wor­den als de zand­kor­rels aan het strand van de zee, maar zijn vrouw was al oud en zij kon­den geen kin­de­ren krijgen; het leek dus allemaal op niets uit te lopen, maar dát was nu juist de be­proe­ving: hij moest ver­trouwen op Gods beloften, terwijl het men­se­lijk ge­spro­ken onmoge­lijk was dat die beloften vervuld zou­den wor­den. En Abraham deed dat: hij blééf trouw, hij blééf ver­trouwen op God, terwijl ie­der­een hem voor gek verk­laarde. Dus ga ik maar uit van de naam van Abraham om je aan te geven hoe je als leer­ling van Christus trouw kunt zijn met een groot ver­trouwen: het eerste punt is aanvaar­ding: probeer in je leven inner­lijk te aan­vaar­den wat je over­komt en wat je niet kunt ver­an­de­ren. Mis­schien heb jezelf best wel moei­lijke dingen mee­ge­maakt, die je pijn hebben gedaan. Uit­ein­de­lijk is het niet de weg om alles te blijven weg­stop­pen met een soort van putdeksel op jouw riool. Dan begint dat riool ineens smerig stinkend op te borrelen en over te lopen op het moment dat je dat het minst kunt gebruiken. Je moet het juist open leggen, het milieu verbe­te­ren, het riool reinigen, de stank laten uitwasemen. Uit­ein­de­lijk geneest de pijn pas als er mag zijn wat er is gebeurd. Als je het aankunt - mis­schien met de hulp van anderen -: doorleef dan wat je is over­ko­men en probeer het uit­ein­delijk zelfs te aan­vaar­den, het aan te nemen uit Gods hand. Het kruis dat je weg wilt gooien, gaat het zwaarste wegen. Het kruis dat je probeert te dragen, wordt lichter.

Een tweede punt is: beke­ring. We kunnen alleen maar leer­ling van Christus zijn als we ons willen bekeren, ons leven willen ver­an­de­ren. Dat was zelfs de eerste oproep van Jezus: “Bekeert U” (Mt. 4,17). Dat is niet alleen iets wat je doet, dat je je leven ver­an­de­ren moet, maar het is op de eerste plaats een inner­lijke hou­ding: dat je jezelf niet ziet als een soort ongenaak­ba­re rots, een bastion dat geen kri­tiek verdraagt, afgesloten, maar dat je open staat voor ver­be­te­ring, ver­an­de­ring, vernieu­wing, een “open mind” voor wat je tot een beter mens en christen maakt, open voor zelfkri­tiek en opmer­kingen van anderen.

Het derde punt is: re­flec­tie. Een christen, en zeker een katho­liek, moet doen als Maria: “Zij bewaarde alles in haar hart en overwoog het bij zich­zelf”, zegt het evan­ge­lie over haa (Lc. 2,19 en 2,51). Neem wat afstand van je eigen gevoelens, je emoties en vraag je regel­ma­tig af bij wat je over­komt: waarom reageer ik zoals ik reageer? Was het goed wat ik deed of zei of had ik het beter anders kunnen doen? Wat is beter: dat ik dit doe of dat. Wat moet ik ver­an­de­ren? En: hoe is dit bij anderen over­ge­ko­men? Heb ik voldoende reke­ning gehou­den met die gevoelens? Enzo­voorts. Een christen kan niet zonder re­flec­tie, zonder na te denken en te over­we­gen, af te wegen.

Een vierde punt is: Avon­tuur­lijk zijn. Mis­schien zit jij thuis liever lekker bij de kachel, maar om christen te zijn moet je toch een beetje avon­tuur­lijk zijn, pelgrims­bloed hebben, op weg kunnen gaan zoals Abraham. Want stel dat God je iets vraagt, stel dat Hij je het roer om wil laten gooien, om iets nieuws te beginnen, om een uit­daging aan te gaan. Ga dan voor dat avontuur! En met Hem weet je nooit precies waar je uit­komt. Maar je hebt een kompas. God, de Vader, Jezus, de heilige Geest, Hij is je kompas!

Een vijfde punt is heilig wor­den. Be­lang­rijk is je voor te nemen een heilige te wor­den. Nee, na­tuur­lijk moet je nu niet gaan denken aan een wat zoe­tig beeld van jezelf hoog op een sokkel waar mensen voor buigen en kaarsjes voor komen bran­den. Geen gipsen hei­lig­heid! Echte hei­lig­heid is juist een beetje stoer en onaangepast. Een heilige durft tegen de stroom in te gaan van wat mensen vin­den en doen. Een heilige denkt zelf na in het licht van goed en kwaad. Hij neemt zelf beslis­singen en laat zich niet in een beslis­sing manoeuvreren. Hij houdt het roer in eigen hand, of liever: Hij probeert God aan het roer van zijn leven te laten staan. Na­tuur­lijk gaat dat regel­ma­tig fout: je hebt passies, begeerten, verlangens, soms ben je het zat en zit je er door­heen, enzo­voorts. Dan gaat het effe mis. Maar voor God is eigen­lijk het verlangen van je hart het aller­be­langrijkste. Wat wil je nou echt? Na­tuur­lijk gaat dat met vallen en opstaan, je bent een mens! Maar, sta op en ga door; ook al val je duizend keer: geloof in jezelf, geloof in je eigen inner­lijke schoon­heid en in de kracht die je krijgt om die schoon­heid uit de verf te laten komen. Geloof in jezelf omdat God je zoveel mooie gaven heeft gegeven.

Wees apos­to­lisch, dat is het zesde punt. Let­ter­lijk betekent dat “uitgezon­den”. Wees dus een mens met een zen­ding, die staat in het leven om het goede, de liefde, de hoop en het geloof te ver­sprei­den. Wat is het prach­tig als er iets moois, iets goeds van je mag uit­gaan.

De laatste van het rijtje is Maria. Maria is je voor­beeld en zij bidt voor jou. Als je het doet zoals zij het deed, is dat fan­tas­tisch! Kijk naar Maria, vraag haar om je te be­scher­men en bij je te zijn. Trek je op aan haar moed, aan haar geloof, aan haar liefde voor Jezus.

11. Trouw en ver­trouwen: Ga door!.

Nog een paar tips voor wie een leer­ling van Christus wil zijn:

  • Bij twijfel wachten
    (probeer eerst meer inner­lijke zeker­heid te krijgen voordat je stappen gaat zetten).
  • Als je “down” bent ook
    (als je down bent heb je weinig goede inzichten; probeer liever met alles wat je doet zo goed moge­lijk verder te gaan en wacht tot je het wat beter maakt om beslis­singen te nemen).
  • Vreugde is je kracht
    (Dus geen somber geloof, een somber geloof is eigen­lijk niet in orde; het is een grote kracht als er vreugde is in je hart; als die vreugde er is, waar je echt heel blij van wordt, kun je veel aan en ga je niet gauw echt ver­keerd. Het is dus een goed idee om op te zoeken wat je vreugde geeft, wat je van binnen blij maakt).
  • “Wees niet bang”
    (laat je niet afschrikken, Jezus zegt het tal­loze keren tegen zijn leer­lin­gen in het evan­ge­lie, dus het zal wel nodig zijn: we zijn gauw bang en schrikken terug. Dus zeg het ook tegen jezelf: wees niet bang!).
  • Offers maken je sterk
    (het is niet perse nega­tief of ver­keerd als je offers moet brengen, als je dingen moet doen die je niet zo leuk vindt, als je iets weggeeft wat je eigen­lijk niet wilt missen, iets niet neemt wat je eigen­lijk toe­komt, enzo­voorts).
  • Vlucht niet voor het kruis
    (Voor heel veel mensen is het: Lang leve de lol! Maar die lol leeft niet zo lang, dat gaat voorbij en dan komt de kater; je leeft veel plezieriger als je je er een beetje op hebt voor­be­reid dat je ook een kruis moet dragen)..

12. Sacra­menten: Kracht van Jezus voor je pelgrims­tocht. Verge­ving om op te staan; de communie om verder te gaan.

Op je weg als leer­ling van Christus word je geholpen door de sacra­menten, vooral door de vie­ring en het sacra­ment van de Eucha­ris­tie – om je gees­te­lijk te sterken - en door het sacra­ment van boete en ver­zoe­ning, van ver­ge­ving: de biecht, waardoor je weer op kunt staan als je gevallen bent, als er dingen zijn gebeurd waar je niet zo trots op bent en een nieuw begin kunt maken...

13. De heiligen bid­den voor ons!

Je staat niet alleen, je wordt gedragen door het gebed van velen!

 

+ Jan Hendriks
Hulp­bis­schop van Haar­lem-Am­ster­dam
Tit. Bis­schop van Arsacal

Vragen

  1. Wat spreekt jou aan in Christus en in het katho­lie­ke geloof?
  2. Zijn er momenten waarop je iets van God/ Gods lei­ding hebt ervaren in je leven?
  3. Wat maakt jou sterker en helpt je om te geloven en leer­ling te zijn?
Terug