Arsacal
button
button
button
button


Niet om te oordelen, maar om uit te nodigen....

het evangelie van Zacheüs (31e zondag door het jaar C)

Overweging Preek - gepubliceerd: maandag, 4 november 2013 - 1417 woorden
Dankwoord aan de kok tijdens de ouderdag
Dankwoord aan de kok tijdens de ouderdag

Zondag 3 no­vem­ber was de jaar­lijkse ouder­dag/familie­dag op het semi­na­rie De Tilten­berg. Veel ouders, broers en zussen en hun kin­de­ren waren geko­men om een dagje semi­na­rie mee te maken. De dag begon met de zon­dagse Eucha­ris­tie­vie­ring waarbij ik on­der­staan­de homilie heb gehou­den. Na de Mis is er na­tuur­lijk koffie en een heer­lijke maal­tijd, bereid door de kok van het semi­na­rie, die zijn vrije dag daarvoor had opge­ge­ven en terecht nog eens extra harte­lijk werd bedankt (zie foto).

’s Middags heb ik nog een lezing gehou­den over het thema: “Pries­ter wor­den - pries­ter zijn”, waarin ik iets ver­teld heb over het ontstaan en de groei van een roe­ping, de 'ups en downs" van de ge­roe­pene, voor en na de wij­ding, de fun­da­men­ten of wor­tels van pries­ter-zijn en - wor­den in het trouw en met inzet vervullen van je opdracht, het gebed, gees­te­lij­ke lei­ding, het belang van vriend­schap en col­le­giali­teit enzo­voorts. Tenslotte heb ik iets gezegd over het belang van de studie en de pas­to­rale vor­ming en over het missio­nair karakter dat het pries­ter­schap in de toe­komst steeds meer zal moeten krijgen en... over de bood­schap op het ant­woord­ap­pa­raat van een pries­ter. Die zegt vaak al veel over hoe iemand pries­ter wil zijn!

Ik hoop dat jonge mensen - ook in ons bisdom - de moed zullen hebben om in ant­woord op een roe­ping hun leven aan Christus te geven!

homilie

De verbin­ding tussen de eerste lezing uit het boek Wijs­heid
en het evan­ge­lie over Zacheüs
is de hou­ding die God aanneemt tegen­over de zon­daar:
“Gij let niet op de zon­den der mensen,
opdat zij tot inkeer komen.
Gij houdt immers van alles wat bestaat”.
Dat zien we vandaag in het evan­ge­lie
heel concreet gebeuren,
wanneer Zacheüs probeert om Jezus te zien.
Zacheüs is een tolle­naar
en niet zomaar een tolle­naar:
hij is hoofd­ambte­naar bij het tolwezen.
Zoals we weten waren de tolle­naars
nu niet direct geliefd en geëerd bij de bevol­king,
in het bij­zon­der de Fari­zeeën en de Schrift­ge­leer­den
noem­den hen in één adem met de zon­daars:
“Tolle­naars en zon­daars”.
Dit oor­deel van buitenaf wordt ook hier in het evan­ge­lie gegeven:
“Hij is bij een zon­daar zijn intrek gaan nemen”,
is het alge­meen oor­deel
als Jezus het huis van Zacheüs binnen gaat.
Tolle­naars ston­den in de kwade reuk van
meer te vragen dan aan hen toekwam,
geld af te persen van de bevol­king
onder de be­scher­mende dek­man­tel
van de bezettende Romeinse macht.

En Zacheüs was rijk.
Hij was een vermogend man.
Nu is het voor de rijken sowieso al moei­lijk
het Rijk Gods binnen te gaan:
het is ge­mak­ke­lijker voor een kameel
door het oog van een naald te kruipen
dan voor een rijke het ko­nink­rijk Gods binnen te gaan.
Hét voor­beeld van een zelf­ge­noeg­zame rijke
in het evan­ge­lie volgens Lucas
is wel die rijke vrek bij wie de arme Lazarus aan de poort lag.
En aan die parabel van Jezus
zien we meteen wat Hij bedoelt
als Hij zegt dat het voor een rijke erg las­tig is
om binnen te gaan in het rijk van God.
Rijkdom leidt ge­mak­ke­lijk tot zelf­ge­noeg­zaam­heid,
tot de gedachte dat je niemand nodig hebt,
rijkdom kan ge­mak­ke­lijk lei­den tot ongeloof,
zoals we ook kunnen zien in onze wel­vaarts­maat­schap­pij.

Zacheüs is een tolle­naar
- en dan nog wel een hoge, be­lang­rijke -
en hij is een rijk man,
kortom: hij is wel echt een geval
dat je alleen maar hoofdschud­dend kunt bekijken:
die is rijp voor de hel!

Maar dit is allemaal bekeken van de buiten­kant.
Het is een oor­deel van het soort
waar­van Jezus zegt dat je het niet moet geven
opdat je zelf niet ge­oor­deeld wordt.
Het is de buiten­kant,
een oor­deel zonder begrip en aanvoelen
van wat er binnen in Zacheüs leeft.

Maar in zijn hart leeft een verlangen:
hij wil Jezus zien!
Hij wil zien wie Jezus was.
Dat is nog iets meer dan een louter uiter­lijk zien,
hij wil Jezus leren kennen.

Dit mis­schien nog heel kleine verlangen is genoeg,
Gods genade doet de rest.

Hier wordt een heel be­lang­rijk punt aangeraakt:
iets dat van cruciaal belang is voor een pries­ter
en ook voor ons allemaal.

Wij zijn geneigd mensen in te delen in cate­go­rieën:
goed of fout,
ver­keerd bezig of goed bezig,
aar­dig en aangenaam
of onpret­tig en opd­ringerig
om zomaar enkele cate­go­rieën te noemen.

Voor pries­ters - maar net zo goed voor andere mensen -
kan dit een grote beko­ring zijn:
je ontmoet een bede­laar of iemand die aan de drank is,
of een overdui­de­lijke homo­sek­su­eel,
of mensen die ge­schei­den zijn en met een ander sa­men­le­ven,
of iemand die in de ge­van­ge­nis heeft gezeten
voor een of andere mis­daad,
of iemand die je kwaad heeft gedaan,
of iemand die katho­liek is, maar zijn kin­de­ren niet heeft laten dopen.
Dit zijn allemaal ‘cate­go­rieën’ van mensen
die absoluut niet met elkaar te ver­ge­lij­ken zijn,
behalve op één punt:
ze voldoen niet of hebben niet voldaan
aan de wet van God of de wet van de Kerk,
ze zitten of zaten ‘fout’.

Hoe ga je die persoon bena­de­ren?
Of ga je die persoon mis­schien
maar liever helemaal uit de weg,
wil je niets met hem of haar te maken hebben?

Doe wat Jezus deed,
kijk hoe Hij sprake en handelde.
Toen Jezus bij de plaats kwam
waar Zacheüs in zijn vijgen­boom zat te kijken,
had de Heer gewoon door kunnen lopen.
Er waren zoveel mensen,
de massa’s ston­den rijen dik.
Hij kon naar Zijn men­se­lijke natuur
niet eens aan ieder per­soon­lijk aan­dacht geven.

Maar Hij keek omhoog
en met wat voor blik Hij keek
wordt dui­de­lijk uit de woor­den
die Hij daarbij zei en die door het evan­ge­lie wor­den weerge­ge­ven:
“Zacheüs, kom vlug naar bene­den
want vandaag
moet ik in uw huis te gast zijn”.
Het was dus een barm­har­tige, liefde­volle blik.

En dan gebeurt
wat eerder in het evan­ge­lie (Lc. 5)
bij Levi - Matteüs was geschied:
Zacheüs ont­vangt de Heer
in zijn huis en in zijn leven
en zal Hem volgen
door zijn bezit aan de armen te schenken.

“Miserando atque eligendo”,
luidt het motto, de wapen­spreuk,
van paus Fran­cis­cus:
zich met barm­har­tig­heid ontfermend
en uitverkiezend.
Die barm­har­tige blik van aanvaar­ding, respect, liefde,
die schenkt als het ware de kracht
om op te staan
en nieuwe wegen in te slaan.
Het eerste is: je bent aanvaard, geliefd, gekend,
de rest is ant­woord,
het ant­woord zoals ieder afzon­der­lijk mens
dat op zijn manier geven zal.

Betekent dit dat het kwade goed wordt genoemd,
dat zon­den die we zien
wor­den wegge­praat en gebaga­telliseerd of goedge­praat?
Nee!

Maar het betekent wel
dat we eigen­lijk aller­eerst willen zien
dat we allemaal zon­daars zijn,
dat de één dit heeft en de ander dat,
dat het ons niet aangaat te ver­ge­lij­ken
of te bepalen hoe­zeer iets kan wor­den aangerekend.
We zijn ge­roe­pen om zicht­baar te maken
en uit te stralen
door onze wijze van leven en han­de­len
dat God alle mensen liefheeft
met een onein­dige liefde.
Dat is een troost voor ons­zelf:
God houdt van jou, God houdt van mij
al ben ik een zwakke mens;
en dat is een troost voor anderen.
Het gevoel wat wij mogen oproepen
door ons doen en laten is:
ik ontmoet in deze pries­ter, in deze christen, in deze mens,
de liefde van God voor mij.

Het is een van de centrale aspecten
van het doen en laten van paus Fran­cis­cus
om naar voren te brengen
dat de Kerk zich niet mag laten opsluiten
in het beoor­de­len van wat zonde is
en van hoe zwaar die zonde is.
We moeten niet gedrongen wor­den in de hoek van
dat we steeds moeten zeggen
wat zonde is en wat niet deugt aan andere mensen.
Het eerste en meest fun­da­men­tele is
dat we door God bemind en aanvaard zijn
toen wij nog zon­daars waren,
dat Hij geko­men is om ons te verlossen
en onze beke­ring
wordt gewekt door die liefde,
is in feite een ant­woord op die liefde.

We mogen oefenen in het klein:
er zijn zeker mensen in onze eigen omge­ving
die we nu eenmaal minder sympathiek vin­den.
Onze roe­ping is:
voor hen de liefde van Jezus te hebben,
hen te aan­vaar­den.
Het gaat eigen­lijk altijd zo in het men­se­lijk contact:
pas als het wan­trouwen is afge­bouwd,
er een open­heid is naar elkaar toe,
je elkaar leert kennen,
dan kun je naar elkaar toe groeien.
Als je op afstand blijft en de ander veroor­deelt,
blijft de afstand en zal er niets ten goede ver­an­de­ren.

Kortom, we zijn ge­roe­pen om uit­no­di­gend te zijn,
met liefde verwel­ko­mend.
AMEN.

Terug