Arsacal
button
button
button
button


De herinvoering van het permanent diaconaat in het tweede Vaticaans concilie

Artikel Vaticanumii - gepubliceerd: zaterdag, 9 november 2013 - 2470 woorden

De Dogma­tische Con­sti­tu­tie over de Kerk Lumen Gentium is zonder twijfel het allervoor­naam­ste do­cu­ment van het tweede Vati­caans concilie. Tijdens het tweede Vati­caans concilie werd - naar een idee van Leo-Joseph kar­di­naal Suenens in aan­slui­ting bij de ope­ningstoe­spraak van de Z. paus Johannes XXIII - al uit­ge­spro­ken dat dit concilie zou wor­den gecentreerd rond twee hoofd­do­cu­menten die res­pec­tie­ve­lijk over de Kerk in zich (Ecclesia ad intra) en over de Kerk naar buiten toe, in de wereld van deze tijd (Ecclesia ad extra) zou­den gaan.

In de periode van voor­be­rei­ding op het tweede Vati­caans concilie was door de theo­lo­gische com­mis­sie een eerste ontwerp­tekst voor een Con­sti­tu­tie over de Kerk voor­be­reid. Dit “Schema Constitutionis” werd be­spro­ken in de eerste sessie van het concilie die in 1962 werd gehou­den. In de tweede sessie werd een nieuwe ontwerp­tekst ge­pre­sen­teerd, die gebaseerd was op de opmer­kingen van de concilie­va­ders en een ontwerp van de Belgische theoloog, mgr. prof. dr. G. Philips. Een derde tekst was een her­zie­ning van het voor­gaande ontwerp en werd in de sessie van 1964 aan de concilie­va­ders ge­pre­sen­teerd, waarna tenslotte een vierde ontwerp­tekst werd voor­ge­legd nog in dezelfde zit­tings­pe­rio­de, waarin de wijzi­gingsvoor­stel­len (modi) van de bis­schop­pen waren ver­werkt. Op 21 no­vem­ber 1964 kon de Dogma­tische Con­sti­tu­tie over de Kerk wor­den af­ge­kon­digd. Het is in nummer 29 van deze Con­sti­tu­tie dat het per­ma­nent diaconaat wordt her­steld.

De kwestie van het diaconaat was aan de voor­avond van de ope­ning van het tweede Vati­caans concilie voor­be­reid onder meer door artikel van Karl Rahner en door een uit­ge­breide studie - met mede­wer­king van zeer veel des­kun­digen uit alle delen van de wereld totstand­ge­ko­men -,die door Karl Rahner en Herbert Vorgrimler was uitge­ge­ven: “Diaconia in Christo”. Deze studie is in de akten van het concilie ver­schil­lende malen geci­teerd en heeft veel invloed gehad op het debat over het herstel van het diaconaat. Tijdens het concilie werd te Rome bovendien een do­cu­ment ten gunste van het diaconaat verspreid dat was getekend door dezelfde Karl Rahner en Jozef Ratzinger.

Reeds in de periode vóór het tweede Vati­caans concilie was in ver­schil­lende voor­be­rei­dings­com­mis­sies ge­spro­ken over een moge­lijk herstel van het per­ma­nente diaconaat. Tijdens het concilie is ver­vol­gens uit­ge­breid over het diaconaat ge­spro­ken, in het bij­zon­der over het herstel ervan. Het waren met name de kar­di­na­len Julius Döpfner en Leo-Jozef Suenens die be­lang­rijke pleitbe­zor­gers waren voor het diaconaat en met hun bijdragen de weg open­den naar het eindre­sul­taat: de tekst van Lumen Gentium nr. 29.

Behalve Lumen Gentium gaat voorts het missie­de­creet Ad Gentes nr. 16 wat uit­ge­breider op het diaconaat in. De sacra­men­tele genade van het diaconaat wordt er genoemd, die de diakens meer aan het altaar bindt en hen sterkt bij het vervullen van hun taken.

Ook in enkele andere concilie­do­cu­menten wordt over de diaken ge­spro­ken, met name in Sacrosanctum Concilium nr. 35, 4, Orientalium Ecclesiarum nr. 17, Christus Dominus nr. 15, Dei Verbum nr. 25, Optatam Totius nr. 12 en Ad Gentes nrs. 15 en 16. Hier blijft het echter bij een een­vou­dige vermel­ding. Het is in Lumen Gentium nr. 29 dat het meest inhou­de­lijk op het diaconaat wordt inge­gaan en het herstel van het per­ma­nent diaconaat wordt besloten. In Lumen Gentium 29 wordt inder­daad ge­spro­ken van herstel van het diaconaat (“restitui poterit”) aangezien het diaconaat in de eerste eeuwen van de Kerk als zelf­stan­dige graad van het wij­dings­sa­cra­ment heeft gefunc­tio­neerd.

1. De diaconale diaken?

De tekst van Lumen Gentium 29 citeert niet de bekende perikoop van de Han­de­lin­gen der Apos­te­len (6,1-6), omdat niet vast­staat dat het daar inder­daad om de keuze van de eerste diakens gaat, hoewel deze tekst vanaf de derde eeuw in de traditie vaak als in­stel­ling van het diaconaat is gezien. Deze bijbel­tekst is vaak ge­ïnter­pre­teerd als ver­wij­zend naar een diaconaat dat de caritas als eerste taak heeft. Ten aanzien van de vraag naar een diaconale diaken, die zich dus vooral wijdt aan de zorg voor de armen, wordt in de verantwoor­ding van de ver­wer­king van de wijzi­gingsvoor­stel­len in de vierde ontwerp­tekst van het Schema over de Kerk (“Textus iuxta modos”) opgemerkt dat de uitdruk­king “de diaken wordt niet gewijd voor het pries­ter­schap maar voor het dienst­werk” (“non ad sacerdotium sed ad ministerium”) ontleend is aan de Statuta Ecclesiae Antiquae en dat daar­mee wordt aangeduid dat de diaken niet wordt gewijd om het lichaam en bloed van de Heer te offeren, maar voor de dienst van de naasten­liefde (“servitium caritatis”) in de Kerk. Tege­lijk wordt dui­de­lijk dat de caritas niet de enige of voor­naam­ste taak van de diaken is. Zo wordt in de Relatio bij de derde ontwerp­tekst van de Con­sti­tu­tie de brief van de heilige Ignatius van Antiochië aan de Tralliërs geci­teerd, die ook in de de­fi­ni­tieve tekst van Lumen Gentium is aangehaald (voetnoot 75): de diaken is geen diaken van spijzen en dranken, maar die­naar van de Kerk van God en in de eerste eeuwen van de Kerk sterk met de pries­ter­lijke taak van de Bis­schop verbon­den. Dit geeft de Relatio aan als de reden waarom in de tekst van de Con­sti­tu­tie wordt gezegd: “in ge­meen­schap met de Bis­schop en diens presbyterium”. Uit­druk­ke­lijk heeft men ervan afgezien te vermel­den dat de diaken een taak in de pas­to­rale zorg alleen of vooral vervult bij afwe­zig­heid van pries­ters, omdat de diakens ver­schil­lende pas­to­rale taken kunnen vervullen ook wanneer er pries­ters aanwe­zig zijn. De concilie­tekst noemt de diaconie van de liturgie, van het woord en de naasten­liefde - in deze volgorde -, waarna vooral li­tur­gische en ver­kon­di­gings-taken wor­den opgenoemd, om te ein­digen met de “caritatis et administrationis officia”, taken van naasten­liefde en beheer, waardoor ook de admi­ni­stra­tieve, se­cre­ta­ris-ach­tige rol van de diaken naar voren komt. Hierdoor wordt dui­de­lijk dat van de drie taken/gaven (“munera”) die het concilie steeds noemt - de ver­kon­di­gings- , de heili­gings- en de be­stuurs­taak -, deze laatste “munus” in feite wordt ingevuld door caritas en beheer.

Met name op li­tur­gisch gebied heeft de Con­sti­tu­tie taken van de diaken toe­ge­voegd, die toen nog niet in het canoniek recht waren voor­zien: met name het assis­te­ren bij hu­we­lij­ken en het lei­den van uit­vaartplech­tig­he­den. De meeste andere genoemde taken waren voordien slechts in uitzon­der­lijke gevallen en in beperkte mate aan diakens toe­ver­trouwd.

Het concilie heeft dus zeker niet een diaken op het oog die alleen of hoofd­za­ke­lijk met caritas bezig is. Die taak hoort er zeker bij, maar het diaconaat is breder bedoeld.

2. Sacra­mentali­teit van de diaken­wij­ding?

Het concilie van Trente had het sacra­men­tele karakter van het diaconaat niet heel uit­druk­ke­lijk aangeduid. Canon 6 van de canones over het wij­dings­sa­cra­ment van dit concilie stelt dat in de ban zij wie ontkent dat er in de Kerk een hiërarchie is die van Godswege is inge­steld en die bestaat uit bis­schop­pen, pries­ters en dienaren. Er lijkt dus nog een derde graad te wor­den aangeduid, naast de bis­schop­pen en pries­ters, die even­eens door God­de­lijke orde­ning is inge­steld en die door het woord “ministri” wordt aangeduid. Nu is “minister” (die­naar) wel de let­ter­lijke Latijnse vertaling van het Griekse woord “??a?????” (diakonos), maar tege­lijk een algemene naam voor de be­die­naren van de Kerk. Daarom liet de uitdruk­king ruimte voor twijfel over de sacra­mentali­teit van het diaconaat. Op verzoek van ver­schil­lende concilie­va­ders is daarom in de tekst van de Con­sti­tu­tie voorzich­tig iets gezegd over het sacra­men­tele karakter van het diaconaat, aangezien dit op de Traditie en het Leer­ge­zag is gebaseerd. Tege­lijker­tijd is de wijze waarop dit wordt uitgedrukt terug­hou­dend om niet de schijn te wekken dat het concilie auteurs veroor­deelt die daar­om­trent nog recent twijfels had­den geuit.

3. Gehuwde diakens?

Bij­zon­dere aan­dacht van de concilie­va­ders kreeg de vraag of moest wor­den toe­ge­staan dat gehuw­den tot diaken zou­den wor­den gewijd. Voor veel vaders was deze vraag nauw verbon­den met die van het herstel van het diaconaat: bis­schop­pen die het herstel wil­den van het per­ma­nente diaconaat pleitten ge­woon­lijk voor het wij­den van gehuw­den, anderen wil­den alleen jon­ge­ren tot het diaconaat toelaten, die ongehuwd bleven. Slechts vier concilie­va­ders pleitten voor een herstel van het diaconaat alleen voor broeders van reli­gi­euze in­sti­tu­ten of leden van seculiere in­sti­tu­ten, die toch al tot het celi­baat waren gehou­den. Mgr. Giuseppe Carraro, bis­schop van Verona, pleitte voor herstel van het per­ma­nente diaconaat maar mét behoud van het celi­baat. Behalve de tekst van zijn toe­spraak overhan­digde hij het concilie-se­cre­ta­riaat een tame­lijk uit­voerige his­to­rische nota waaruit bleek dat de kerk­va­ders en de pausen vanaf de eerste eeuwen voor het celi­baat van de diakens waren op­ge­ko­men en dat alleen over een verplicht celi­baat bij het aan­vaar­den van het subdiaconaat aarzelingen waren geweest, samen­han­gend met de vraag naar de theo­lo­gische bete­ke­nis van deze wij­ding. Sommige bis­schop­pen noem­den als argu­ment tegen gehuwde diakens nog de fi­nan­ciële aspecten van het onder­hou­den van een gezin, de aanstoot die het kan geven als de echt­ge­note of de kin­de­ren een minder stichtend leven lei­den, de vrees voor ver­min­de­ring van het aantal pries­terroe­pingen, het gevaar dat de gehuwde diaken als een begin voor een - door de concilie­va­ders niet gewenste - ophef­fing van het celi­baat ook voor de pries­ters kon wor­den gezien.

Veruit het voor­naam­ste argu­ment tegen het herstel van het diaconaat was dus de kwestie van het celi­baat, aangezien vrijwel ie­der­een aanvoelde dat de invoe­ring van het per­ma­nent diaconaat alleen zin had wanneer de diaken niet celi­ba­tair hoefde te zijn.

De concilie­va­ders moesten derhalve beslissen of zij het diaconaat wil­den toe­ver­trou­wen aan gehuw­den en zo ja of dat ook jon­ge­ren kon­den zijn of dat deze wij­ding alleen open zou staan voor gehuwde mannen van rijpere leef­tijd. De meeste concilie­va­ders die zich hierover uitten gaven aan dat diakens huis­va­ders moesten zijn, reeds gehuw­den, volwassen mannen, onderlegd, serieus, aanzien genietend, die zich­zelf kunnen onder­hou­den. Deze voor­waarde is om ver­schil­lende redenen te begrijpen, onder meer omdat ook in de oosterse kerken vanouds de regel bestaat dat iemand voor de wij­ding kan huwen, maar daarna geen echtver­bin­te­nis meer kan aan­gaan. Deze uit­spra­ken moeten dus niet wor­den verstaan als voor­waar­den te stellen aan ongehuwde diakens, maar veel meer als omstan­dig­he­den waarin iemand die niet celi­ba­tair leeft tot het diaconaat kan wor­den toe­ge­la­ten. Veel missie­bis­schoppen zagen vooral in hun cate­chisten kan­di­da­ten voor het diaconaat: zo zou­den zij hun werk met groter gezag en gesteund door de sacra­men­tele genade kunnen ver­rich­ten. Deze visie is in het missie­de­creet Ad Gentes n. 16 tot uiting gebracht. Als voor­deel zag veel concilie­va­ders bovendien dat de gehuwde diakens dichter bij de mensen zou­den staan en ge­mak­ke­lijker contact met hen zou­den kunnen hebben, waardoor ze ook de weg naar de pries­ter kunnen banen. Onder hen was de Oekraïense aarts­bis­schop (later kar­di­naal) Jozef Slipyj: het diaconaat noemde hij een sociale brug tussen ge­meen­schap van gelo­vi­gen en de clerus.

4. Redenen voor het herstel van het diaconaat

Zoals vermeld was er verschil van mening onder de concilie­va­ders over de wen­se­lijk­heid het diaconaat als zelf­stan­dige graad te her­stel­len. 45 concilie­va­ders hebben uit naam van 759 vaders zich in de concilie-aula ten gunste van het herstel van het diaconaat uit­ge­spro­ken. Daar­naast heeft een bis­schop van Ecuador zich namens ver­schil­lende bis­schop­pen van zijn land voor het herstel uit­ge­spro­ken. 25 vaders spraken zich namens 82 bis­schop­pen uit tegen het herstel, tien anderen waren daarover minder dui­de­lijk, zoals de vader die namens de Poolse bis­schop­pen aangaf de mening toe­ge­daan te zijn dat het voor hun land niet wen­se­lijk was het per­ma­nent diaconaat in te voeren en zeven anderen die de kwestie aan de paus wil­den overlaten. Bij een stem­ming in de concilie-aula op 30 ok­to­ber 1963 bleken 1588 concilie­va­ders voor­stan­ders te zijn van het herstel van het per­ma­nente diaconaat, terwijl 525 vaders tegen stem­den. Uit­druk­ke­lijk werd echter aange­ge­ven dat de Con­sti­tu­tie over de Kerk het aan de regionale bis­schop­pen­ver­ga­de­ringen over zou laten om - met goed­keu­ring van de paus - te beslissen of invoe­ring nodig of pas­to­raal nut­tig was. Daaraan moet echter wor­den toe­ge­voegd dat het decreet over de katho­lie­ke oosterse kerken Orientalium Ecclesiarum in nr. 17 de in­stel­ling van het per­ma­nent diaconaat wer­ke­lijk wenst waar het in onbruik was geraakt (“exoptat... ut... instauretur”), terwijl het missie­de­creet Ad Gentes n. 16 de bis­schop­pen­con­fe­ren­ties vol­ko­men vrij laat (“...ubi Conferentiis Episcoporum opportunum apparuerit”). Hier speelt de eigen traditie van de oosterse kerken een rol.

Als reden om het diaconaat in te voeren, werd een enkele keer het eigen karakter van het diaconaat als zelf­stan­dige wij­dingsgraad genoemd of het feit dat sommigen echt een roe­ping tot het diaconaat bezaten, maar veruit de meeste aan­dacht is er voor de pas­to­rale nood. De bis­schop­pen en de pries­ters hebben gewijde mede­wer­kers nodig die in grote plat­te­lands-pa­ro­chies en in de pa­ro­chies van (voor)ste­den het gewijde ambt te­gen­woor­dig kunnen stellen en in de diaspora de geloofs­ge­meen­schap li­tur­gisch en ker­ke­lijk vorm kunnen geven. Maar ver­schil­lende vaders (18) von­den dat dit ook wel door leken kon wor­den gedaan, waarop de voor­stan­ders repli­ceer­den dat het niet passend is om allerlei li­tur­gische en sacra­men­tele (doopsel, huwe­lijk) taken door niet-gewij­den te laten ver­rich­ten, zoals het concilie van Trente al had vast­ge­steld. In reactie hierop wezen de tegen­stan­ders wel nog op de lagere clerici in de jonge Kerk aan wie allerlei zaken waren toe­ver­trouwd. Daarover kan echter weer wor­den opgemerkt dat die lagere clerici van de eerste eeuwen geen cele­branten waren van li­tur­gische vie­rin­gen en niet de bevoegd­he­den bezaten die de diakens heden ten dagen hebben. Mgr. G. Philips meent in zijn bekende en gezag­heb­bende com­men­taar op de Con­sti­tu­tie over de Kerk dat toch vooral theo­lo­gische redenen, “een verruimd inzicht in de open­ba­rings­bronnen” geleid hebben tot het herstel van het per­ma­nent diaconaat. Deze redenen ont­bre­ken inder­daad niet, toch moet men erkennen dat prak­tisch, pas­to­rale redenen de door­slag hebben gegeven, reden waarom het aan de bis­schop­pen­con­fe­ren­ties is over­ge­la­ten om in hun gebie­den het per­ma­nent diaconaat al dan niet in te voeren.

Besluit

Binnen niet al te lange tijd zal de vijf­tigste ver­jaar­dag van het herstel van het per­ma­nent diaconaat kunnen wor­den gevierd. Inder­daad heeft het diaconaat vele ver­wach­tingen van de concilie­va­ders waar gemaakt. Deze vaders hebben het diaconaat als zelf­stan­dige graad van het wij­dings­sa­cra­ment willen her­stel­len, zeker ook als een vorm van ‘her­bron­ning’, een terug­grij­pen op de praktijk van de jonge Kerk, maar vooral toch geleid door prak­tische motieven: de diaken zou in de pas­to­rale praktijk kunnen wor­den ingezet en de gehuwde diaken zou in zekere zin een brug­func­tie kunnen vervullen tussen de leken en de (andere) gewijde be­die­naren, terwijl hij tege­lijker­tijd het gewijde ambt te­gen­woor­dig zou stellen op plaatsen waar dat anders niet moge­lijk zou zijn geweest en de pas­to­rale taken zou­den bovendien meer vervuld kunnen wor­den vanuit de genade van het wij­dings­sa­cra­ment dat door de Heer daarvoor is inge­steld. De concilie­va­ders dachten dus aan een ‘multi­func­tio­nele’ diaken, waarbij de kwestie of die bezol­digd zou zijn of niet een onder­ge­schikte rol heeft gespeeld: er zijn vaders die zich zorgen maken over de bekosti­ging en er zijn bis­schop­pen die stellen dat de diaken zelf in zijn on­der­houd moet kunnen voor­zien.

+ Jan Hendriks,
tit. bis­schop van Arsacal
hulp­bis­schop van Haar­lem-Am­ster­dam


Terug