Arsacal
button
button
button
button


Het is geen pakketje, het is een genade!

Impusdag over geloof doorgeven

Overweging Preek - gepubliceerd: zaterdag, 18 januari 2014 - 1335 woorden
reacties en vragen uit de deelgroepen aan de inleiders
reacties en vragen uit de deelgroepen aan de inleiders

Op zater­dag 18 ok­to­ber was de jaar­lijkse impuls­dag Geloofsop­bouw in Heiloo, geor­ga­ni­seerd door de Dienst Catechese en Geloofsop­bouw van het bisdom Haar­lem-Am­ster­dam. "Hoe kunnen we als kerk iets betekenen voor jon­ge­ren (na-vormsel) en jonge gezinnen?", was de lei­dende vraag.

Maaike Neeft en Nico Quadvlieg, die de groep Young Seven be­ge­lei­den in de regio Schagen, en Marion van Ham, die de catechese coördineert in de beide pa­ro­chies van Am­ster­dam-Zuid (Vredes- en Obrecht­kerk), kwamen hierover ver­tellen.

Zelf heb ik hun inlei­dingen niet mee kunnen maken, wél het 'plenaire' gesprek aan het einde; ook hoorde ik veel reacties op het gebo­dene en die waren en­thou­siast: uit de dag nam ie­der­een wel ideeën, impulsen, prak­tische tips, do's and don't-s mee.

In de Eucha­ris­tie­vie­ring aan het einde van de ochtend, heb ik de volgende homilie gehou­den:

homilie

Jullie hebben al een vrucht­ba­re ochtend achter de rug.
Hoe kun je de zater­dag­och­tend nu beter beste­den
dan door na te denken
en je op concrete wegen te bezinnen
om het geloof door te kunnen geven
aan volgende gene­ra­ties?
De eerste reactie is mis­schien:
dat dit wel een moei­lijke klus is.
We hebben moeite om jon­ge­ren te bereiken.
De wereld van jon­ge­ren lijkt veraf te staan
van alles waar we in de Kerk mee bezig zijn.
Hoe kunnen we aan hen het geloof door­ge­ven?
Het eerste wat ik daarop te zeggen heb, is:
dat kunnen we helemaal niet!
We kunnen het geloof niet door­ge­ven
aan volgende gene­ra­ties.
Dat klinkt nogal pessimis­tisch, he?
Nee, hoor, beslist niet,
dit is realisme!
Wij kunnen het geloof niet door­ge­ven,
want het geloof is een genade.
Het is niet een soort pakketje
wat je aan iemand anders kunt geven,
het begint met een inner­lijk aangeraakt wor­den.
Dat klinkt dan mis­schien weer als een gerust­stel­ling.
O, dus ik kan wel met mijn armen over elkaar gaan zitten?
De Heer moet het doen?
Dat beslist niet!
Ik weet na­tuur­lijk niet hoe jullie
het geloof hebben mee­ge­kre­gen.
Dat zal voor ieder van jullie ver­schil­lend zijn.
Maar hoe het ook gebeurd is
dat die “klik” tot stand is geko­men,
dat moment waarop er een inner­lijke band met God ontstond,
van hart tot hart,
in ieder geval waren er allerlei factoren aanwe­zig
waardoor dat als het ware moge­lijk werd.
Daar ligt dus onze taak,
want ik denk dat U nu intussen wel weet
dat van ieder van ons wordt gevraagd
door de Heer zelf
dat we missio­nair zijn.
Wij moeten - een heilige plicht! -
voor­waar­den scheppen,
een guns­tig klimaat waarin de Heer zijn werk kan doen,
altijd beseffend dat je het niet zelf in de hand hebt
of iemand door de genade wordt geraakt of niet
en daarom ook niet te gauw ont­moe­digd
als het allemaal niet zo lukt.
Realiseer je dat de één ‘n meer reli­gi­euze natuur heeft
dan een ander,
dat er in het leven van de één meer hobbels en obstakels zijn,
meer weerstan­den zijn
dan in het leven van een ander,
enzo­voorts...
Wij zijn alleen maar mede­wer­kers,
het eigen­lijke werk moet Jezus zelf doen
(of de Vader of de heilige Geest)!

Voor­waar­den scheppen!
Wie zelf uit een gods­diens­tig gezin komt
weet hoe bepaalde erva­ringen van de kinder­ja­ren
van invloed kunnen zijn.
Ik zou er zelf een hele reeks kunnen opnoemen:
mis­die­naar zijn,
eerbied die we geleerd kregen,
zien dat je ouders echt bid­den,
dat het niet niets is van de buiten­kant alleen,
een in­spi­re­rende zuster op school
die gewoon heel aar­dig was en na­tuur­lijk bezield
en in habijt
en in­druk­wek­kend was na­tuur­lijk ook
een mis­sio­na­ris met een grote baard,
inzet voor de missie,
een uitstapje naar een klooster, enzo­voorts, enzo­voorts.
Ieder heeft weer zijn eigen erva­ringen,
maar allerlei zulk soort “rand­voor­waar­den”
maakten dat we een beetje genade mee kon­den krijgen!

Na­tuur­lijk kwam er de puber­teit,
na­tuur­lijk hebben we moeten zoeken,
zijn we ook weleens doodlopende wegen
of dwaalwegen gegaan.
Dat geeft allemaal uit­ein­delijk niets,
want een mens kan zich
de waar­heid alleen maar eigen maken
als hij die per­soon­lijk is gaan ervaren als een waarde
en daarin moeten we nu eenmaal allemaal
de stap maken van een kinder­lijk geloof
naar een volwassen geloof
(dat toch wel weer in zekere zin kinder­lijk moet blijven).

Een ander zal op latere leef­tijd geraakt zijn.
Iemand ging ooit eens een kerk binnen als hei­den
en kwam eruit als katho­liek,
in een oogwenk was het gebeurd.
Een totaal ongelo­vi­ge dokter Carrel kwam in Lourdes,
maakte een wonder mee,
bleef in ver­war­ring achter,
maar kon toch niet geloven.
Pas jaren later
terwijl het Mag­ni­fi­cat gezongen werd
de lofzang van Maria
over nede­rig­heid en klein­heid
waarop de Heer neerziet,
brak ineens zijn trots,
smolt zijn hart
en werd hij katho­liek.

Vandaag in het evan­ge­lie gaat het best snel.
Jezus komt langs en Hij ziet Levi,
die ook wel Matteüs wordt genoemd.
Wat voor blik was dat waar­mee de Heer
naar Levi keek?
Een ker­ke­lijke schrijver, Beda de eerbied­waar­dige
heeft dat treffend be­schre­ven
en onze paus Fran­cis­cus heeft daar
zijn wapen­spreuk van gemaakt:
“miserando atque eligendo”.
Hij keek hem aan met een blik
vol medelij­dende liefde, vol barm­har­tig­heid,
aanvaar­ding sprak eruit die blik
en tege­lijk was het een blik die kracht gaf,
die uitkoos, eligendo:
de tolle­naar ervoer dat hij was uit­ver­ko­ren
om op te staan en mee te gaan
en die diepe bevesti­ging gaf hem kracht
om dat inder­daad te doen.

Dat wil tevens zeggen hoe be­lang­rijk het is
dat mensen zich aanvaard voelen, aan­ge­no­men,
want dat is de kern van ons geloof:
God is liefde,
Hij houdt van ons met een onvoor­waar­de­lijke liefde
en die liefde geeft ons vleugels...

Dat is een be­lang­rijk gegeven.
We mogen niet beginnen met
wat er ver­keerd is in die ander,
ook al is dat mis­schien echt niet goed te praten.
Die mens is een mens
en God houdt van die mens
terwijl die mis­schien een zon­daar is,
maar Hij houdt gewoon van hem of haar.
Dat is be­lang­rijk,
want alles wat wij aan goeds kunnen doen
komt eigen­lijk nooit helemaal uit ons­zelf.
Onze liefde, onze goede kanten, onze mooie inzet
is een ant­woord op de liefde van God voor ons.
Als een mens liefde ervaart en aanvaar­ding,
dat hij of zij er mag zijn zoals hij of zij is,
dan kan die persoon tenslotte kracht vin­den
om stappen te zetten,
de liefde geeft hem vleugels
en hij doet wat hij eerst niet voor moge­lijk had gehou­den.
(Na­tuur­lijk moeten we daarbij reëel blijven, zeker;
een te-goed-van-ver­trouwen hou­ding is ver­keerd,
je laat een ver­oor­deelde oplichter
ook niet meteen de kas beheren,
maar daar gaat het hier niet om).

Aan de basis van iedere vorm van door­ge­ven van het geloof
- wat wij dus eigen­lijk niet kunnen -
staat op de eerste plaats ons eigen geloof,
wil je iets uitstralen waardoor iemand geraakt kan wor­den,
dan is dat na­tuur­lijk zeer be­lang­rijk!
Ver­vol­gens is van belang een echte open­heid en in­te­res­se
in andere mensen,
hen aan­vaar­den zoals ze zijn en hen beminnen,
en dat proberen ook al liggen zij ons niet zo gewel­dig van nature.
Denk eraan dat God van hen houdt.
En ver­vol­gens is de erva­ring die zij opdoen
be­lang­rijker nog dan de concrete kennis die zij oppikken,
al vind ik dat laatste na­tuur­lijk ook niet zonder belang.
Het eerste is hoe kan iemand geraakt wor­den
door die blik vol liefde en barm­har­tig­heid,
die uit­da­gende blik
die op Levi / Matteüs rustte....
Na­tuur­lijk moeten we ver­vol­gens
de taal proberen te spreken
die iemand kan verstaan,
proberen in te tre­den in de leef­we­reld van die ander,
van die jongere mis­schien.
Maar we mogen ons ook steeds weer te binnen brengen
dat dit niet het beslissende hoeft te zijn.
Als iemand geraakt is
zal hij over zijn eigen grenzen heen willen springen
om kennis in zich op te zuigen.

En we moeten altijd voor ogen hou­den
dat niet wij het zijn die het doen,
maar dat het de Heer is.
En dat wij soms denken:
die of die daar heb ik hoge ver­wach­tingen van,
maar dat de Heer het soms anders ziet en doet
en dat het soms veel meer iemand anders is
die niet zo was opgevallen,
die met vuur en ijver Christus zal volgen.

Van harte wens ik U allen heel veel zegen toe
bij Uw inzet
om voor­waar­den te scheppen
waardoor het geloof - door Gods genade -
wor­tel kan schieten. AMEN

Terug