Arsacal
button
button
button
button


Hoe kun je het geloof doorgeven?

Waakzaamheid, eerste zondag van de advent (B)

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 30 november 2014 - 1305 woorden
een hoekje van de Vredeskerk...
een hoekje van de Vredeskerk...

Op de eerste zon­dag van de advent was ik voor de heilige Eucha­ris­tie en ont­moe­ting met de pa­ro­chieanen in de paro­chie­kerk van O.L. Vrouw Koningin van de Vrede, aan de Pijnacker­straat in Am­ster­dam. De zon­dag begon daar met een Mis voor gezinnen; Om 11.00 uur heb ik samen met pastoor Pierre Valke­ring de hoogmis gevierd; daarna kwam de Filippijnse ge­meen­schap van El Shaddai voor de zon­dagsmis.Na de Mis heb ik veel pa­ro­chi­anen kunnen ontmoeten bij de koffie en met pa­ro­chie­be­stuurs­le­den en leden van het PCDI-bestuur in de pastorie nog wat doorge­praat.

Tijdens de hoogmis heb ik de volgende homilie gehou­den

Homilie

Er wordt mij nogal eens een keer gevraagd:
hoe kunnen we jon­ge­ren bij de kerk betrekken?
Hoe kunnen we het geloof door­ge­ven
aan nieuwe gene­ra­ties?
Het is een vraag die pa­ro­chies vaak stellen,
waar pastoors mee zitten,
het is een vraag die ouders en groot­ou­ders hebben
en die ook nogal eens
door betrokken vrij­wil­li­gers
naar voren wordt gebracht.
Het ant­woord op die vraag
is eigen­lijk simpel en las­tig tege­lijk.
Op de eerste plaats:
wij kunnen het geloof niet door­ge­ven,
het geloof is een genade,
een gave van God.
Wij hebben dat niet in onze vingers.
En ver­vol­gens:
kijk naar Uzelf.
Hoe bent Uzelf tot geloof geko­men?
Waardoor werd dat een levende wer­ke­lijk­heid voor U?
Als U die vraag wilt be­ant­woor­den,
dan gaat U toch terug
naar de redenen van het hart,
naar waar U geraakt bent,
naar dat moment of die momenten
waarop U de aanwe­zig­heid van de Heer hebt ervaren,
daar waar de vonk oversprong.
Daar werd het geloof aan U doorge­ge­ven
als een schat voor Uw leven,
daar werd U geraakt door Gods genade.

Moeten of mogen?

Na­tuur­lijk, ook allerlei men­se­lijke factoren
spelen een rol.
Mis­schien bent U opgegroeid
in een gelovig gezin.
Dat kan heel goed gaan
en dat kan ook fout gaan.
Veel mensen hebben de Kerk verlaten
omdat zij het geloof beleef­den
als dwang en als ‘moeten’,
als het verplicht knielen op een harde kokosmat
om de rozen­krans af te raffelen.
Als dat het is, als dat het alleen is,
dan gaat er zeker iets fout;
we hebben het niet in de hand,
het is geen lesje, het is geen kunstje
als iemand het geloof aanneemt
en op die lijn doorgaat,
maar het is uit­ein­delijk genade,
een gave van God.

Ik zal bij mij thuis met ons gezin
waar­schijn­lijk honder­den keren
het ochtend- en avond­ge­bed hebben gebe­den.
Daar heb ik geen ver­keerde her­in­ne­ring aan.
Maar wat mij vooral is bij­ge­ble­ven
en wat indruk op mij maakte
was die ene keer dat ik mijn nuchtere vader
betrapte terwijl hij­zelf aan het bid­den was.
Daar zag ik dat het écht was.
Verder was er een moment bij de consecratie in de Mis,
mijn roe­ping
en andere momenten/
Ik weet na­tuur­lijk niet precies
hoe het bij U is gegaan
maar voor mij­zelf kan ik wel zeggen
dat bepaalde erva­ringen
waardoor ik werd geraakt,
rich­ting gevend waren
en maakten dat
een per­soon­lijk geloof ontstond.
Toen had Gods genade zijn werk kunnen doen.

Waar wor­den jon­ge­ren geraakt?

Ouders hebben me na­tuur­lijk heel vaak gezegd
dat ze hun kin­de­ren
als die wat ouder wer­den
niet meer meekregen naar de kerk.
Dat klopt,
op een gegeven moment
moet het geloof dat we hebben mee­ge­kre­gen
tot een per­soon­lijk geloof wor­den,
een eigen keuze;
dan is een eigen erva­ring,
een inner­lijk aanvoelen
wel heel be­lang­rijk.

Ik heb dat bij jon­ge­ren zien gebeuren,
soms door een gebeur­te­nis
in hun leven;
tij­dens een aanbid­ding en biecht
op weg naar de wereld­jon­ge­ren­da­gen;
in Lourdes, Fatima of Taizé;
op weg naar Santiago de Compostela
of in gebed en inzet voor armen.
Er kunnen allerlei momenten zijn
waarop mensen
door Gods genade geraakt kunnen wor­den
en dat kan op allerlei manieren gebeuren,
al zijn er zeker plaatsen in de wereld,
die extra genade­vol zijn.
Ik hoop en denk zeker
dat onze bisdom­bede­vaart naar Rome
volgend jaar
zo’n genade­mo­ment kan wor­den.

Waak­zaam­heid

Ik moest aan dit alles denken
toen ik het evan­ge­lie van deze zon­dag overwoog.
Dat gaat over de waak­zaam­heid.
Jezus spreekt vaak over waak­zaam­heid
als het gaat over de verlei­dingen van deze wereld,
over de zonde en het kwaad.
Dan heeft de Heer het over het voor­be­reid zijn
op onze eigen heen­gaan
en de ont­moe­ting met God na de dood
en op het einde der tij­den
en op de weder­komst van de Heer.
Je koffertje moet altijd klaar staan
om die grote, laatste reis te beginnen
als God je roept.
Je weet niet wanneer die tijd er is.

Ook vandaag dus een push om waak­zaam te zijn.
Hoe be­lang­rijk Jezus dat vindt
kunnen we er alleen al uit aflei­den
dat die oproep tot waak­zaam­heid
in dit korte stukje evan­ge­lie
maar liefst vijf keer herhaald wordt:
Weest waak­zaam!

Nu kunnen we dat opnemen als een bevel,
als iets wat moet, een plicht:
de man in het evan­ge­lie beveelt tenslotte
de deurwachters waak­zaam te zijn.
Maar het is meer.

Moeten of mogen, een eer of een plicht?

Toen we op de lagere school zaten, de basis­school,
kon het weleens gebeuren
dat de juffrouw of meester
(of mis­schien was het een zuster of broeder)
je straf gaf.
Dat was na­tuur­lijk niet zo leuk.
Maar het kon ook gebeuren
dat je door de juffrouw of de meester werd uitgekozen
om een werkje te doen.
Dat was een grote eer,
dat je de juf of de meester kon helpen!
Je was dan helemaal trots en blij
dat jij dat mocht doen.
Maar het grappige was
dat het soms bij straf en bij helpen
om precies dezelfde dingen ging:
een jongen moest voor straf
het hele klaslokaal opruimen
na een han­denarbeid-les;
een andere juf koos twee kin­de­ren uit
die de juf mochten helpen
om het han­denarbeidlokaal
weer helemaal netjes te maken.
Die ene jongen voelde zich rot,
die twee andere voel­den zich vereerd en gelukkig.

En zo is het eigen­lijk ook met ons tegen­over God,
die ons vraagt om waak­zaam te zijn.
Na­tuur­lijk betekent die oproep van Jezus
dat je sommige dingen wel moet doen
en andere dingen niet,
dat je God voor sommige zaken ver­ge­ving moet vragen
en dat je andere dingen als mooi en goed kunt zien.
Maar dan is de vraag:
Hoe ervaar je dit?
Ervaar je dit als “moeten” en als een “plicht”
die je wordt opgelegd,
als een soort van straf­werk, dus?
Of ervaar je dit als een woord
dat die God spreekt tot je hart
en dat eigen­lijk een uiting is
van Zijn bij­zon­dere, per­soon­lijke liefde
voor U en voor ieder van ons?
Zo kun je het ervaren
als een soort uit­ver­kie­zing door die grote Meester,
die je vraagt om Hem te helpen,
en Zijn han­den en voeten te zijn.
Sommige dingen zijn moei­lijk,
kosten je veel in­span­ning
en ze gaan mis­schien vaak fout,
maar je bent trots en blij
dat je bent uitgekozen
om iets voor Jezus, onze Meester te doen,
om deurwachter en waak­zaam te zijn.

Een deurwachter
die de opdracht van die man in het evan­ge­lie
als een vervelende opdracht ervaart, als een ‘moeten’,
zal gaan proberen er onderuit te komen,
het niet te doen,
zonder dat het tot al te grote problemen leidt;
maar een die­naar die inner­lijk ge­mo­ti­veerd is,
vol verlangen om zijn Heer te dienen,
zal zijn best doen om er iets van te maken
en als zijn ogen zwaar wor­den
en hij dreigt in te slapen,
zal hij doen wat hij maar kan om toch wakker te blijven.

Wees waak­zaam!

Weest waak­zaam!
Het is de grote oproep
van het evan­ge­lie en van deze Advent.
Dat kunnen we eigen­lijk alleen
als er bezieling is in ons hart,
als we geraakt zijn door Gods genade,
als de liefde van God
in ons woont,
als we ge­mo­ti­veerd zijn.
En zo is die oproep tot waak­zaam­heid
eigen­lijk ook een uit­no­di­ging.
Wil je het geloof door­ge­ven
aan volgende gene­ra­ties?
Wil je dat het geloof blijft leven in je eigen hart?
Zoek dan naar plaatsen, mensen, gebeur­te­nissen
waar een stukje hemel te vin­den is,
die het vuur van Gods genade,
in ons­zelf, in anderen kunnen aan­wak­ke­ren.
Zoekt de Heer waar Hij zich vin­den laat
om je te laten raken door Zijn genade
AMEN.

Terug