Arsacal
button
button
button
button


De kleding van een bisschop

De kleding van een bisschop

De rooms-katho­lie­ke kerk kent drie gra­den in het wij­dings­sa­cra­ment. De diaken en de pries­ter delen in wij­ding van bis­schop die de vol­heid van het sacra­ment van de wij­ding heeft ont­van­gen. Omdat de bis­schop gewijd wordt door drie andere bis­schop­pen wordt de lijn van wij­dingen voort­ge­zet die al begon bij de apos­te­len, de zo­ge­naamde apos­to­lische successie.

De diaken, pries­ter en bis­schop dragen tij­dens de liturgie van elkaar te on­der­schei­den kle­ding­stukken, die para­menten genoemd wor­den. Hier­on­der volgt een korte uitleg van de para­menten en tekens van waar­dig­heid die de bis­schop draagt in de liturgie, maar ook wat hij draagt in het dage­lijks leven.

In het dage­lijks leven

In het dage­lijks leven draagt de bis­schop een donker pak met een Romeins col­laar, de pries­terboord. Men kan hem dan herkennen aan de pectorale/ bis­schops­kruis en de bis­schops­ring. Dit on­der­scheidt hem van de andere gees­te­lijk­heid. Bij be­lang­rijkere niet-li­tur­gische gelegen­he­den draagt hij een zwarte toog met knopen, sherp en zoom in de kleur paars. Wanneer hij deelneemt aan li­tur­gische plech­tig­he­den draagt hij een geheel paarse toog (“groot-paars”). In beide gevallen draagt hij ook een solideo in de paarse kleur, zo geheten omdat het alleen (soli) voor God (Deo) wordt afgezet tij­dens het eucha­ris­tisch gebed in de mis. De kleur paars ver­wijst volgens de Romeinse traditie naar de dienst­baar­heid van de bis­schop aan de kerk, speciaal aan het bisdom waarin hij werk­zaam is. Ook was paars of purper in het Romeinse rijk de kleur die gedragen werd door de keizer en ook senatoren droegen aan hun toga een paarse bies. Het gaf aan dat zij belast waren met het bestuur en de daarbij passende waar­dig­heid. De bis­schop is be­stuur­der, altijd in dienst­baar­heid aan Christus en Zijn Kerk.

Tijdens de wij­ding

Tijdens de liturgie van de wij­ding draagt de bis­schop-elect bij binnen­komst dezelfde kle­ding als de pries­ter in de liturgie met enkele kleine verschillen. Onder de li­tur­gische kle­ding draagt hij de geheel paarse toog met daarover heen de albe, het witte kleed dat ieder christen kan dragen als teken van het gedoopt zijn. Over de albe draagt hij een dal­ma­tiek, het li­tur­gische kle­ding­stuk van de diaken. Ook draagt hij de stola met daaroverheen het kazuifel, de li­tur­gische kle­ding van de pries­ter. Als bis­schop ont­vangt hij immers de vol­heid van het wij­dings­sa­cra­ment. Ook draagt hij de paarse solideo.

Tijdens de wij­ding wordt hij bis­schop gewijd door handopleg­ging en het uit­spre­ken van het wij­dings­ge­bed. Zijn hoofd wordt gezalfd met het chrisma. Dit is de welriekende olie die ook wordt gebruikt bij het vormsel en de wij­ding tot pries­ter. Hij krijgt ook de diverse pontificalia, de tekenen van zijn epis­co­pale waar­dig­heid, overhan­digd. Het meest herken­baar zijn de staf, die ver­wijst naar het herder­schap van de bis­schop en de mijter.

Het is moei­lijk aan te geven waar dit hoofddeksel naar ver­wijst. Het is in ieder geval een privilege door de paus ge­schon­ken aan bis­schop­pen en abten om de mijter te dragen. De mijter zou kunnen afstammen van een “fry­gische muts” een kle­ding­stuk gedragen door soldaten. In dat geval zou men kunnen zeggen dat de mijter symbool is voor het verde­digen van het ware geloof, waartoe de bis­schop een bij­zon­dere taak heeft.

Onwaar­schijn­lijker, maar sym­bo­li­sch wel krach­tig, is dat de mijter afstamt van de hoofd­dracht van Joodse hoge­pries­ters. De twee losse punten van de mijter ver­wij­zen dan naar het Oude en het Nieuwe Testa­ment. Op deze manier wordt er een relatie gelegd tussen het hoge­pries­ter­schap uit het oude verbond en het nieuwe altijd­du­rende hoge­pries­ter­schap van Christus.

De ring die de nieuwe bis­schop krijgt aangereikt ver­wijst naar de ver­bon­den­heid met het bisdom waarin hij werk­zaam is en is tevens een teken van bestuur­lijke macht. Het bis­schops­kruis dat tij­dens li­tur­gische plech­tig­he­den aan een groen koord hangt en op de borst gedragen wordt ver­wijst naar het getuigen van het geloof waartoe de bis­schop bij uit­ne­mend­heid is ge­roe­pen en zou ook kunnen wor­den gezien als een teken dat hij het bisdom “op het hart draagt”. Het herinnert hem eraan dat hij zich het lot van de christen­ge­lo­vigen in zijn diocees moet aantrekken.

Kortom: de ver­schil­lende tekens laten iets zien van de waar­dig­heid van de bis­schop als be­stuur­der en op­vol­ger van de apos­te­len en zij her­in­ne­ren de bis­schop aan zijn taak als ver­kon­di­ger van het geloof in de verrezen Heer, een taak die overigens iedere christen heeft. Of zoals Au­gus­ti­nus zei: “Met u ben ik christen, voor u ben ik bis­schop”