Arsacal
button
button
button
button


Huwelijksrecht


Eerste lezing

1. Eerste lezing

Jes. 11, 1-4a

(Lezing voor buiten de paas­tijd. Vooral geschikt voor de advent)

De geest van de Heer zal op hem rusten.

Uit de Profeet Jesaja.

In die dagen zal een twijg ontspruiten aan de stronk van Isaï,
een scheut aan zijn wor­tels zal vruchten dragen.
De geest van de Heer zal op hem rusten,
de geest van wijs­heid en verstand,
de geest van raad en hel­denmoed,
de geest van liefde en vreze des Heren,
en deze vreze des Heren zal hij uitstralen.
Hij zal geen oor­deel vellen naar uiter­lijke schijn,
geen uit­spraak doen op grond van geruchten.
De kleinen zal hij recht verschaffen,
een eer­lijk vonnis spreken over de geringsten der aarde.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

2. Eerste lezing

Jes. 42, 1-4. 6-7

(Lezing voor buiten de paas­tijd)

Mijn geest stort ik over hem uit.

Uit de Profeet Jesaja.

Zo spreekt de Heer:
„Dit is mijn Dienaar die Ik onder­steun,
mijn uit­ver­ko­rene in wie Ik behagen schep:
mijn geest stort Ik over hem uit,
ge­rech­tig­heid laat hij stralen over de volken.
„Hij roept niet, hij schreeuwt niet
en op straat verheft hij zijn stem niet.
„Het geknakte riet zal hij niet breken,
de kwijnende vlaspit niet doven,
in waar­heid zal hij de ge­rech­tig­heid laten stralen.
„Onvermoeid en ongebroken
zal hij op aarde ge­rech­tig­heid laten zegevieren:
de verre kusten zien uit naar zijn leer."
”Ik, de Heer, roep u in ge­rech­tig­heid,
Ik neem u bij de hand en waak over u
en maak u voor de mensen tot het teken van mijn verbond
en tot een licht voor de volken.
”Blin­den zult gij de ogen openen,
ge­van­ge­nen uit hun kerker bevrij­den
en uit de ge­van­ge­nis allen die in duisternis zitten."

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

3. Eerste lezing

Jes. 61, 1-3a, 6a, 8b-9

(Lezing voor buiten de paas­tijd)

De Heer heeft mij gezalfd om aan de armen de blijde bood­schap te brengen.

Uit de Profeet Jesaja.

De geest van de Heer God rust op mij;
Hij heeft mij gezalfd
om aan de armen de blijde bood­schap te brengen.
Hij heeft mij gezon­den
om te genezen allen wier hart gebroken is,
om de ge­van­ge­nen vrijla­ting te mel­den,
aan wie opgesloten zijn vrij­heid;
om aan te kon­digen het genade­jaar van de Heer,
en de dag der wraak van onze God,
om alle bedroef­den op te beuren,
om aan Sions treuren­den in plaats van rouw
een diadeem te geven en op te zetten,
feestolie te schenken in plaats van geweeklaag,
een fees­te­lijk gewaad in plaats van neer­slach­tig­heid.
Maar gij zult heten: Pries­ters des Heren;
men zal u noemen: Dienaars van onze God.
Daarom zal Ik, God, u uw recht­ma­tig loon geven
en een eeuwig verbond met u sluiten.
Uw nageslacht zal bekend zijn bij de volken,
uw nakomelingen bij alle naties.
En allen die hen zien zullen weten
dat zij het geslacht zijn dat de Heer gezegend heeft.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

4. Eerste lezing

Ez. 36, 24-28

(Lezing voor buiten de paas­tijd)

Ik geef u een nieuwe geest in uw binnenste.

Uit de Profeet Ezechiël.

Zo spreekt de Heer:
„Ik zal u uit de hei­den­volken weghalen
en uit alle lan­den u samen­bren­gen
en u laten te­rug­ke­ren naar uw eigen grond.
„Ik zal u met zuiver water be­spren­kelen
en gij zult rein wor­den;
van al uw onrein­he­den
en van al uw afgo­den zal Ik u reinigen.
„Ik geef u een nieuw hart en een nieuwe geest in uw binnenste:
uw hart van steen haal Ik uit u weg en Ik geef u een hart van vlees.
„Mijn geest stort Ik in uw binnenste en Ik bewerk
dat gij gaat wan­de­len naar mijn wetten en dat gij mijn gebo­den nauw­ge­zet naleeft.
„Dan zult gij wonen in het land
dat Ik uw vaderen gegeven heb,
en gij zult mijn volk zijn en Ik uw God."

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

5. Eerste lezing

Joël 2, 23a. 26-27; 3, 1-3a

(Lezing voor buiten de paas­tijd)

Ik zal mijn geest uitstorten over alle mensen.

Uit de Profeet Joël.

Zo spreekt de Heer:
„Kin­de­ren van Sion, jubelt
en verblijdt u om de Heer, uw God.
„Dan eet gij weer volop, tot verza­digens toe,
en prijst de naam van de Heer, uw God,
die won­de­ren voor u verricht heeft.
„Nooit ofte nimmer zal mijn volk meer te schande wor­den.
„Dan zult gij erkennen,
dat Ik te mid­den van Israël ben,
dat Ik, de Heer, uw God ben, en niemand anders.
„Nooit ofte nimmer zal mijn volk weer te schande wor­den.
„Daarna zal het gebeuren:
Ik zal mijn geest uitstorten over alle mensen;
Uw zonen en uw dochters zullen profe­te­ren,
Uw grijsaards dromen zien,
Uw jonge mannen visioenen krijgen.
Zelfs over de slaven en de slavinnen
Stort Ik mijn geest uit in die dagen.
Wonder­te­ke­nen zal Ik tonen
Aan de hemel en op de aarde.”

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

6. Eerste lezing

Hand. 1, 3-8

(Lezing voor de paas­tijd)

Gij zult kracht ont­van­gen van de Heilige Geest.

Uit de Han­de­lin­gen der Apos­te­len.

Na zijn sterven toonde Jezus aan de Apos­te­len met vele bewijzen
dat Hij in leven was.
Hij verscheen hun gedurende veer­tig dagen
en sprak met hen over het Rijk Gods.
Terwijl Hij met hen at
beval Hij hun Jeru­za­lem niet te verlaten,
maar de belofte van de Vader af te wachten
die, zo zei Hij, gij van Mij vernomen hebt:
„Johannes doopte met water,
maar gij zult over enkele dagen
gedoopt wor­den met de Heilige Geest."
Terwijl zij eens bijeen­ge­ko­men waren
stel­den zij Hem de vraag:
„Heer, gaat Gij in deze tijd voor Israël het ko­nink­rijk her­stel­len?"
Maar Hij gaf hun ten ant­woord:
„Het komt u niet toe dag en uur te kennen
die de Vader in zijn macht heeft vast­ge­steld.
„Maar gij zult kracht ont­van­gen
van de Heilige Geest die over u komt,
om mijn getuigen te zijn in Jeru­za­lem,
in geheel Judea en Samaria en tot het einde der aarde.”

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

7. Eerste lezing

Hand. 2, 1-6. 14. 22b-23. 32-33

(Lezing voor de paas­tijd)

Allen wer­den vervuld van de Heilige Geest en be­gon­nen te spreken.

Uit de Han­de­lin­gen van de Apos­te­len.

Toen de dag van Pink­ste­ren aanbrak
waren allen bijeen op dezelfde plaats.
Plot­se­ling kwam uit de hemel
een gedruis alsof er een hevige wind opstak
en heel het huis waar zij gezeten waren was er vol van.
Er verscheen hun iets dat op vuur geleek
en dat zich, in tongen ver­deeld, op ieder van hen neerzette.
Zij wer­den allen vervuld van de Heilige Geest
en zij be­gon­nen te spreken in vreemde talen,
naargelang de Geest hun te vertolken gaf.
Nu woon­den er in Jeru­za­lem Joden,
vrome mannen
die afkoms­tig waren uit alle volkeren onder de hemel.
Toen dat geluid ontstond liepen die mensen te hoop
en tot hun verba­zing
hoorde ie­der­een hen spreken in zijn eigen taal.

Petrus trad naar voren met de elf
en verhief zijn stem om het woord tot hen te richten:
„Mannen van Israël,
Jezus de Nazoreeër was een man wiens zen­ding tot u
van Godswege bekrach­tigd is.
„Gij kent immers zelf de mach­tige daden, won­de­ren en tekenen
die God door Hem onder u heeft verricht.
„Hem, die volgens Gods vast­ge­stelde raadsbesluit
en voorkennis is uitgeleverd,
hebt gij door de hand van godde­lozen
aan het kruis gena­geld en gedood.
„Deze Jezus heeft God doen verrijzen
en daar­van zijn wij allen getuigen:
verheven aan Gods rechter­hand
heeft Hij de beloofde Heilige Geest van de Vader ont­van­gen
en Deze uitgestort, zoals gij ziet en hoort."

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

8. Eerste lezing

Hand. 8, 1. 4. 14-17

(Lezing voor de paas­tijd)

Zij leg­den hun de han­den op en ze ont­vingen de Heilige Geest.

Uit de Han­de­lin­gen van de Apos­te­len.

Op die dag brak een hevige ver­vol­ging los
tegen de kerk in Jeru­za­lem.
Allen verspreid­den zich over het plat­te­land van Judea en Samaria,
uitgezonderd de apos­te­len.
Zij nu, die zich verspreid had­den, trokken rond
en verkon­dig­den het woord van de Blijde Bood­schap.
Toen de apos­te­len in Jeru­za­lem vernamen
dat Samaria het woord Gods had aan­ge­no­men,
vaar­dig­den zij Petrus en Johannes naar hen af,
die na hun aan­komst een gebed over hen uit­spra­ken
opdat zij de Heilige Geest zou­den ont­van­gen.
Deze was name­lijk nog over niemand van hen neer­ge­daald;
ze waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus.
Zij leg­den hun dus de han­den op
en ze ont­vingen de Heilige Geest.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

9. Eerste lezing

Hand. 10, 1. 33-34a. 37-44

(Lezing voor de paas­tijd)

De Heilige Geest kwam plot­se­ling neer op allen.

Uit de Han­de­lin­gen van de Apos­te­len.

Er woonde in Caesarea een zekere Cornelius,
een honderdman van de Italische kohort.
Hij zei tot Petrus: „Ik zond mensen naar u toe
en gij hebt goed gedaan met te komen.
„Nu zijn we dus allen onder Gods ogen bijeen
om te vernemen wat u door de Heer is opgedragen."
Petrus nam het woord en sprak:
„Gij weet wat er overal in Judea gebeurd is;
hoe Jezus van Nazaret zijn optre­den begon in Galilea
na het doopsel dat Johannes predikte,
en hoe God Hem gezalfd heeft
met de Heilige Geest en met kracht.
„Hij ging weldoende rond en genas allen
die onder de dwingelandij van de duivel ston­den, want God was met Hem.
„En wij zijn getuigen van alles
wat Hij in het land van de Joden en in Jeru­za­lem gedaan heeft.
„Hem hebben ze aan het kruishout geslagen en vermoord.
„God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan
en laten ver­schij­nen,
niet aan het hele volk
maar aan de getuigen die door God tevoren waren uitgekozen,
aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben
nadat Hij uit de doden was opgestaan.
„Hij gaf ons de opdracht aan het volk te prediken, en te getuigen
dat Hij de door God aan­ge­stelde rechter is
over de leven­den en de doden.
„Van Hem leggen alle profeten het ge­tui­ge­nis af,
dat ieder die in Hem gelooft
door zijn Naam ver­gif­fe­nis van zon­den verkrijgt."

Terwijl Petrus nog zo aan het spreken was,
kwam de Heilige Geest plot­se­ling neer
op allen die naar de toe­spraak luister­den.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

10. Eerste lezing

Hand. 19, 1-8

(Lezing voor de paas­tijd)

Hebt gij de Heilige Geest ont­van­gen toen ge het geloof hebt aan­ge­no­men?

Uit de Han­de­lin­gen van de Apos­te­len.

Terwijl Apollos in Korinte was kwam Paulus
na zijn reis door het binnenland in Éfeze.
Daar ontmoette hij enige leer­lin­gen
aan wie hij vroeg:
„Hebt gij de Heilige Geest ont­van­gen
toen ge het geloof hebt aan­ge­no­men ?”
Zij ant­woord­den:
„Wij hebben niet eens gehoord
dat er een Heilige Geest bestaat."
Toen zei hij:
„Hoe zijt ge dan gedoopt ?”
Ze ant­woord­den:
„Met het doopsel van Johannes.”
Paulus hernam:
„Johannes diende een doopsel toe ten teken van beke­ring,
maar hij zei aan het volk
dat ze moesten geloven in Wie na hem kwam, dat is Jezus.”
Toen zij dit gehoord had­den
lieten zij zich dopen in de naam van de Heer Jezus.
Nadat Paulus hun de han­den had opgelegd
kwam de Heilige Geest over hen.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

Tweede lezing

1. Tweede lezing

Rom. 5, 1-2. 5-8

De liefde is in ons uitgestort door de Heilige Geest, die ons werd ge­schon­ken.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de chris­te­nen van Rome.

Broeders en zusters,
Gerecht­vaar­digd door het geloof,
leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer.
Hij is het, die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten
tot die genade waarin wij staan;
door Hem ook mogen wij ons beroemen
op onze hoop op de heer­lijk­heid Gods.
En die hoop wordt niet teleur­ge­steld,
want Gods liefde is in ons hart uitgestort
door de Heilige Geest die ons werd ge­schon­ken.
Christus is immers voor godde­lozen gestorven
op de gestelde tijd,
toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren.
Men zal niet licht iemand vin­den
die zijn leven geeft voor een recht­vaar­dige,
al zou mis­schien iemand
in een bepaald geval dit van zich kunnen ver­krij­gen.
God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor,
dat Christus voor ons is gestorven,
toen wij nog zon­daars waren.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

2. Tweede lezing

Rom. 8, 14-17

De Geest beves­tigt het ge­tui­ge­nis van onze geest dat wij kin­de­ren van God zijn.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de chris­te­nen van Rome.

Broeders en zusters,
Allen die zich laten lei­den door de Geest van God
zijn kin­de­ren van God.
De Geest die gij ont­van­gen hebt is er niet een van slaafs­heid
die u opnieuw vrees zou aanjagen.
Gij hebt de geest van het kind­schap ont­van­gen
die ons doet uitroepen:
„Abba, Vader!"
De Geest zelf beves­tigt het ge­tui­ge­nis van onze geest
dat wij kin­de­ren zijn van God.
Maar als wij kin­de­ren zijn
dan zijn wij ook erfgenamen,
en wel erfgenamen van God, te samen met Christus,
daar wij delen in zijn lij­den om ook te delen in zijn ver­heer­lij­king.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

3. Tweede lezing

Rom. 8, 26-27

De Geest pleit voor ons met onuitspreke­lijke verzuch­tingen.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de chris­te­nen van Rome.

Broeders en zusters,
De Geest komt onze zwak­heid te hulp.
Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bid­den,
maar de Geest zelf pleit voor ons
met onuitspreke­lijke verzuch­tingen.
En Hij die de harten door­grondt,
weet waar de Geest op zint,
want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

4. Tweede lezing

I Kor. 12, 4-13

Een en dezelfde Geest deelt aan ieder zijn gaven uit zoals Hij het wil.

Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de chris­te­nen van Korinte.

Broeders en zusters,
Er zijn ver­schil­lende gaven maar slechts één Geest.
Er zijn vele vormen van dienst­ver­le­ning
maar slechts één Heer.
Er zijn allerlei soorten werk
maar er is slechts één God
die alles in allen tot stand brengt.
Maar aan ieder van ons
wordt de open­ba­ring van de Geest meege­deeld
tot wel­zijn van allen.
Aan de een wordt door de Geest een woord van wijs­heid gegeven,
aan een ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest,
aan een derde door dezelfde Geest het geloof.
Aan weer anderen schenkt de ene Geest gaven
om ziekten te genezen, om won­de­ren te doen,
de gave van profetie,
de onder­schei­ding van geesten, velerlei taal of de vertol­king ervan.
Maar alles is het werk van een en dezelfde Geest,
die aan ieder zijn gaven uit­deelt zoals Hij het wil.
Het men­se­lijke lichaam vormt met zijn vele ledematen één geheel;
alle ledematen, hoe vele ook, maken tezamen één lichaam uit.
Zo is het ook met de Christus.
Wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen,
zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest
door de doop één enkel lichaam gewor­den
en allen wer­den wij gedrenkt met één Geest.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

5. Tweede lezing

Gal. 5, 16-17. 22-23a. 24-25

Daar wij leven door de Geest willen we ook leven volgens de Geest.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Galaten.

Broeders en zusters,
Leeft naar de Geest,
dan zult ge niet uit­voeren wat de zelf­zucht dic­teert.
Wat de zelf­zucht wil, strijdt met de Geest,
en om­ge­keerd,
het verlangen van de Geest komt in bot­sing met het egoïsme.
Die twee liggen met elkaar overhoop
zodat ge niet kunt doen wat ge zoudt willen doen.
De vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld,
vrien­de­lijk­heid, goed­heid, trouw,
zacht­heid en ingetogen­heid.
Zij die bij Christus Jezus horen,
hebben hun zelf­zucht ge­krui­sigd
met haar harts­tochten en begeerten.
Daar wij leven door de Geest,
willen we ook leven volgens de Geest.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

6. Tweede lezing

Ef. 1, 3a. 4a. 13. 19a

Gij zijt verze­geld met de Heilige Geest der belofte.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de chris­te­nen van Efeze.

Gezegend is God,
de Vader van onze Heer Jezus Christus.
In Hem heeft Hij ons uit­ver­ko­ren
vóór de grondleg­ging der wereld.
In Hem zijt ook gij,
nadat gij het woord der waar­heid,
het Evan­ge­lie van uw heil hebt aanhoord,
in Hem zijt ook gij
tot het geloof geko­men,
verze­geld met de Heilige Geest der belofte
die het onderpand is van onze erfenis,
tot verlos­sing van Gods eigen volk
en tot lof van zijn heer­lijk­heid.
Daarom zeg ook ik onophou­de­lijk dank,
want ik heb gehoord van uw geloof in de Heer Jezus
en van uw liefde voor alle heiligen.
Steeds gedenk ik u in mijn gebe­den.
Ik smeek de God van onze Heer Jezus Christus,
de Vader der heer­lijk­heid,
u de Geest te geven van wijs­heid en open­ba­ring
om Hem waarach­tig te kennen.
Moge Hij uw inner­lijk oog verlichten
om te zien, hoe groot de hoop is waartoe Hij u roept, hoe rijk
de heer­lijk­heid van zijn erf­deel te mid­den der heiligen
en hoe overgroot zijn macht in ons die geloven.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

7. Tweede lezing

Ef. 4, 1-6

Eén lichaam, één Geest, één Heer, één geloof, één doop.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de chris­te­nen van Efeze.

Broeders en zusters,
Ik, de gevangene in de Heer, vraag u met aan­drang:
leidt een leven dat beant­woordt
aan de roe­ping die gij van God ont­van­gen hebt,
in alle deemoed en zacht­heid, in lank­moe­dig­heid,
liefde­vol elkaar verdragend.
Beijvert u de een­heid des Geestes te behou­den
door de band van de vrede: één lichaam en één Geest,
zoals gij ook ge­roe­pen zijt tot een en dezelfde hoop,
waarvoor Gods roe­ping borg staat.
Één Heer, één geloof, één doop.
Één God, en Vader van allen,
die is boven allen, en met allen, en in allen.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.


Evan­ge­lie

Als de diaken/pries­ter/bis­schop/vormheer het Evan­ge­lie­boek geopend heeft op de ambo,
dan zegt hij:

De Heer zij met u.
Allen: En met uw geest.

1. Evan­ge­lie

Mt. 5, 1-12a

Aan hen behoort het rijk der hemelen.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Allen: Lof zij U, Christus.

Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op
en, nadat Hij zich had neer­ge­zet, kwamen zijn leer­lin­gen bij Hem.
Hij nam het woord en on­der­richtte hen aldus :
„Zalig de armen van geest,
want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
„Zalig de treuren­den,
want zij zullen getroost wor­den.
„Zalig de zacht­moe­di­gen,
want zij zullen het land bezitten.
„Zalig die hon­ge­ren en dorsten naar de ge­rech­tig­heid,
want zij zullen verza­digd wor­den.
„Zalig de barm­har­tigen,
want zij zullen barm­har­tig­heid onder­vin­den.
„Zalig de zuiveren van hart,
want zij zullen God zien.
„Zalig die vrede brengen,
want zij zullen kin­de­ren van God genoemd wor­den.
„Zalig die ver­volgd wor­den om de ge­rech­tig­heid,
want hun behoort het Rijk der hemelen.
„Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, ver­volgt
en laster­lijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil.
„Verheugt u en juicht,
want groot is uw loon in de hemel."

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

2. Evan­ge­lie

Mt. 16, 24-27

Wie mijn volgeling wil zijn, moet zich­zelf verloochenen.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd zei Jezus tot zijn leer­lin­gen :
„Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zich­zelf te verloochenen
en zijn kruis op te nemen.
„Want wie zijn leven wil red­den zal het verliezen.
„Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vin­den.
„Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen,
als dit ten koste gaat van eigen leven?
„Of wat zal een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?
„Want de Mensen­zoon
zal komen in de heer­lijk­heid van zijn Vader,
vergezeld van zijn engelen,
en dan zal Hij ieder vergel­den naar zijn daden."

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

3. Evan­ge­lie

Mt. 25, 14-30

Over weinig waart ge trouw; ga binnen in de vreugde van uw Heer.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd hield Jezus zijn leer­lin­gen deze gelijkenis voor:
„Een man riep bij zijn vertrek naar het bui­ten­land
zijn die­naars bij zich om hun zijn bezit toe te ver­trouwen.
Aan de een gaf hij vijf talenten,
aan de ander twee, aan een derde één,
ieder naar zijn bekwaam­heid.
Daarna ver­trok hij.
Die de vijf talenten gekregen had,
ging er terstond mee werken en ver­diende er vijf bij.
Zo ver­diende ook degene die er twee gekregen had,
er twee bij.
Maar die er één had gekregen,
ging een gat in de grond graven en het geld van zijn heer ver­bergen.
Een hele tijd later kwam de heer van de die­naars terug
en hield afreke­ning met hen.
Die de vijf talenten gekregen had,
trad naar voren
en bood nog vijf talenten aan met de woor­den:
Heer, vijf talenten hebt gij mij toe­ver­trouwd;
ziehier, vijf talenten heb ik erbij ver­diend.
Zijn meester sprak tot hem:
Uits­te­kend, goede en trouwe die­naar,
over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen.
Ga binnen in de vreugde van uw heer.
Nu trad die van de twee talenten naar voren en zei:
Heer, twee talenten hebt gij me toe­ver­trouwd;
ziehier, twee talenten heb ik erbij ver­diend.
Zijn meester sprak tot hem:
Uits­te­kend, goede en trouwe die­naar, over weinig waart ge trouw,
over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer.
Ten slotte trad ook die van één talent naar voren en zei:
Heer, ik heb ervaren dat gij een hard mens zijt,
die oogst waar gij niet gezaaid hebt
en binnenhaalt waar gij niet hebt uitgestrooid.
Daarom was ik bang
en ben uw talent in de grond gaan ver­bergen.
Hier hebt ge uw eigendom terug.
Maar zijn meester gaf hem ten ant­woord:
Slechte en luie knecht,
je wist toch dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb,
en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid?
Daarom had je mijn geld bij de bankiers moeten uit­zet­ten,
dan zou ik bij mijn komst
mijn bezit met rente terug­ge­kre­gen hebben.
Neemt hem dus dat talent af
en geeft het aan wie de tien talenten heeft.
Want aan ieder die heeft, zal gegeven wor­den,
zelfs in overvloed gegeven wor­den;
maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen wor­den
zelfs wat hij heeft.
En werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis;
daar zal geween zijn en tan­dengeknars.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

4. Evan­ge­lie

Mc. 1, 9-11

Hij zag de Geest op zich neerdalen.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd ver­trok Jezus uit Nazaret in Galilea
en liet zich in de Jordaan door Johannes dopen.
En op het­zelfde ogen­blik dat Hij uit het water opsteeg,
zag Hij de hemel openscheuren
en de Geest als een duif op zich neerdalen.
En er kwam een stem uit de hemel:
„Gij zijt mijn Zoon,
mijn veelge­liefde;
in U heb Ik welbehagen."

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.


5. Evan­ge­lie

Lc. 3, 10-16

(Lezing voor de Advent)

Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd stel­den de mensen Johannes de vraag:
“Wat moeten wij doen?”
Johannes gaf hun ten ant­woord:
“Wie dubbele kle­ding heeft, laat hij delen met wie niets heeft,
en wie voedsel heeft, laat hij het­zelfde doen.”
Er kwamen ook tolle­naars om gedoopt te wor­den
en ze vroegen hem:
“Meester, wat moeten wij doen?”
Hij zei hun:
“Niet méér vragen dan voor u is vast­ge­steld.”
Ook soldaten vroegen hem:
“En wij, wat moeten wij doen?”
Hij ant­woordde:
“Niemand uitplun­de­ren, niemand iets afpersen,
maar tevre­den zijn met uw soldij.”
Omdat het volk vol ver­wach­ting was
en ie­der­een zich aan­gaande Johannes de vraag stelde,
of hij niet de Messias zou zijn,
gaf Johannes aan allen het ant­woord:
“Ik doop u met water, maar er komt iemand
die sterker is dan ik;
ik ben niet waar­dig de riem van zijn sandalen los te maken.
Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.”

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

6. Evan­ge­lie

Lc. 4, 16-22c

De Geest des Heren is over mij geko­men.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd kwam Jezus in Nazaret,
waar Hij was groot­ge­bracht.
Hij ging volgens zijn gewoonte op de sabbat­dag naar de synagoge
en stond op om voor te lezen.
Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja aan.
Hij opende de rol
en vond de plaats waar ge­schre­ven stond:
„De geest des Heren is over mij geko­men,
omdat Hij mij gezalfd heeft.
„Hij heeft mij gezon­den
om aan armen de Blijde Bood­schap te brengen,
aan ge­van­ge­nen hun vrijla­ting bekend te maken
en aan blin­den dat zij zullen zien;
om verdrukten te laten gaan in vrij­heid,
om een genade jaar af te kon­digen van de Heer."
Daarop rolde Hij het boek dicht,
gaf het terug aan de die­naar en ging zitten.
In de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem geves­tigd.
Toen begon Hij hen toe te spreken:
„Het Schrift­woord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan."
Allen betuig­den Hem hun instem­ming
en ver­baas­den zich,
dat woor­den, zo vol genade uit zijn mond vloei­den.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.


7. Evan­ge­lie
Lc. 8, 4-10a. 11b-15

Het zaad in de goede aarde zijn zij die het woord dat zij hoor­den bewaren
en vrucht voort­bren­gen door hun standvas­tig­heid.


Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heet Jezus Christus volgens Lucas.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd
toen zich een grote menigte verzamelde
en uit de ste­den de mensen naar Jezus toe­stroom­den,
sprak Hij in een gelijkenis:
„De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien.
„En bij het zaaien viel een gedeelte op de weg;
het werd ver­trapt en de vogels uit de lucht aten het op.
„Een ander gedeelte viel op de rots­grond;
het schoot wel op, maar droogde uit omdat het geen vocht had.
„Weer een ander gedeelte viel tussen de distels,
maar tege­lijker­tijd schoten de distels op en verstikten het.
„Nog een ander gedeelte viel op goede grond;
het schoot op en bracht honderd­vou­dige vrucht voort."
En met luide stem voegde Hij er aan toe:
“Wie oren heeft om te horen, hij luistere."
Zijn leer­lin­gen vroegen Hem wat die gelijkenis wel betekende.
Hij ant­woordde:
„Aan u is het gegeven de geheimen van het Rijk Gods te kennen,
Het zaad is het woord van God.
„Die op de weg, zijn zij die geluisterd hebben.
„Maar dan komt de duivel en rooft het woord uit hun hart weg,
opdat ze niet door te geloven gered wor­den.
„Die op de rots zijn zij
die het woord met blijd­schap ont­van­gen wanneer zij het horen,
maar zij hebben geen wor­tel;
zij geloven voor een ogen­blik,
maar ten tijde van de be­proe­ving vallen zij af.
„Wat onder de distels viel zijn zij
die wel geluisterd hebben,
maar die gaandeweg door de zorgen,
de rijkdom en de genoegens van het leven
verstikt raken en niet tot rijp­heid komen.
„Het zaad in de goede aarde zijn zij
die het woord dat zij hoor­den in een goed en edel hart bewaren
en vrucht voort­bren­gen door hun standvas­tig­heid."

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

8. Evan­ge­lie

Lc. 10, 21-24

Ik prijs U, Vader, omdat Gij deze dingen geopen­baard hebt aan kin­de­ren.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd jubelde Jezus het uit, vervuld van de Heilige Geest,
en Hij sprak:
„Ik prijs U Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen verborgen gehou­den hebt
voor wijzen en ver­stan­digen,
maar ze hebt geopen­baard aan kin­de­ren.
„Ja Vader, zo heeft het U behaagd.
„Alles is Mij door mijn Vader in han­den gegeven.
„Niemand weet wie de Zoon is tenzij de Vader;
en wie de Vader is tenzij de Zoon
en aan wie de Zoon Hem wil open­ba­ren."
Daarop keerde Hij zich naar zijn leer­lin­gen afzon­der­lijk
en Hij zei tot hen:
„Gelukkig de ogen die zien wat gij ziet.
„Ik zeg u:
Vele profeten en koningen verlang­den te zien wat gij ziet
maar zij hebben het niet gezien; en te horen wat gij hoort
maar ze hebben het niet gehoord."

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

9. Evan­ge­lie

Joh. 7, 37b-39a

Stromen van levend water zullen vloeien.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd riep Jezus met luide stem:
„Als iemand dorst heeft hij kome tot Mij.
„Wie in Mij gelooft hij drinke!
„Zoals de Schrift zegt:
Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien."
Hiermee doelde Hij op de Geest
die zij die in Hem geloof­den zou­den ont­van­gen.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

10. Evan­ge­lie

Joh. 14, 15-17

De Geest van de waar­heid zal voor altijd bij u blijven.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd zei Jezus tot zijn leer­lin­gen:
„Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn gebo­den onder­hou­den.
„Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven
om voor altijd bij u te blijven:
de Geest van de waar­heid;
voor wie de wereld niet ont­vanke­lijk is,
omdat zij Hem niet ziet en niet kent.
„Gij kent Hem,
want Hij blijft bij u en zal in u zijn.”

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

11. Evan­ge­lie

Joh. 14, 23-26

De Heilige Geest zal u alles leren.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd zei Jezus tot zijn leer­lin­gen:
„Als iemand Mij liefheeft
zal hij mijn woord onder­hou­den;
mijn Vader zal hem lief­heb­ben
en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen.
„Wie Mij niet liefheeft
on­der­houdt mijn woor­den niet;
en het woord dat gij hoort is niet van Mij
maar van de Vader die Mij gezon­den heeft.
„Dit zeg Ik u terwijl Ik nog bij u ben,
maar de Helper,
de Heilige Geest die de Vader in mijn Naam zal zen­den,
Hij zal u alles leren
en u alles in her­in­ne­ring brengen wat Ik u gezegd heb.

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

12. Evan­ge­lie

Joh. 15, 18-21. 26-27

De Geest der waar­heid die van de Vader uitgaat,
zal over Mij ge­tui­ge­nis afleggen.


Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd zei Jezus tot zijn leer­lin­gen:
„Als de wereld u haat
bedenkt dan dat zij Mij eerder heeft gehaat dan u.
„Als gij van de wereld zoudt zijn
zou de wereld lief­heb­ben wat haar toebehoort.
„Daar gij echter niet van de wereld zijt
maar Ik u uit de wereld heb uitgekozen,
daarom haat de wereld u.
„Herinnert u wat Ik u gezegd heb:
een die­naar staat niet boven zijn heer.
„Als ze Mij ver­volgd hebben zullen ze ook u ver­volgen.
„Als ze mijn woord onder­hou­den hebben
zullen ze ook het uwe onder­hou­den.
„Maar dit alles zullen zij u vanwege mijn Naam aandoen,
want Hem die Mij gezon­den heeft kennen zij niet."
„Wanneer de Helper komt
die Ik u van de Vader zal zen­den,
de Geest der waar­heid die van de Vader uitgaat,
zal Hij over Mij ge­tui­ge­nis afleggen.
„Maar ook gij moet getuigen,
want vanaf het begin zijt gij bij Mij.”

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.

13. Evan­ge­lie

Joh. 16, 5-7. 12-13a

De Geest der waar­heid zal u tot de volle waar­heid brengen.

Uit het heilig Evan­ge­lie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Allen: Lof zij U, Christus.

In die tijd zei Jezus tot zijn leer­lin­gen:
„Thans ga Ik naar Hem die Mij gezon­den heeft,
en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen ?
„Omdat Ik u dit gezegd heb is uw hart vol droef­heid.
„Toch zeg Ik u de waar­heid:
het is goed voor u dat Ik heenga;
want als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen.
„Nu Ik wel ga zal Ik Hem tot u zen­den.
„Nog veel heb Ik u te zeggen,
maar gij kunt het nu niet verdragen.
„Wanneer Hij echter komt, de Geest der waar­heid
zal Hij u tot de volle waar­heid brengen."

Woord van de Heer.
Allen: Wij danken God.