Arsacal
button
button
button


Disciplinaire maatregelen bij beschuldiging van seksueel misbruik

Artikel Canoniekrecht - gepubliceerd: zaterdag, 23 april 2016 - 5075 woorden
Disciplinaire maatregelen bij beschuldiging van seksueel misbruik

Wanneer een pries­ter, diaken of ker­ke­lijk mede­wer­ker wordt beschul­digd van seksueel mis­bruik of van een ander misdrijf (delict) en die beschul­diging tenminste schijn van waar­heid, enige waar­schijn­lijk­heid (“saltem veri similem”) bezit, moeten soms in een vroeg stadium bepaalde maat­regelen wor­den geno­men om herhaling of voort­zet­ting van de erns­tige, straf­ba­re feiten te voor­ko­men. Deze maat­regelen kunnen wor­den geno­men als voor­zorgsmaat­regelen in het kader van een ker­ke­lijk straf­pro­ces (c. 1722). Ook buiten dit kader werd in sommige gevallen met name door een Ordina­ris[1] of de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer een dis­ci­pli­naire maat­regel opgelegd, waarbij in een aantal gevallen een beroep werd gedaan op canon 223 §2 of canon 1044 §2 van het ker­ke­lijk wet­boek.[2] In dit artikel staan we stil bij enkele ker­ke­lijke uit­spra­ken en do­cu­menten hierover en de ju­ris­pru­den­tie die hier­om­trent in de laatste jaren is ontstaan.

1. Het opleggen van voor­zorgsmaat­regelen volgens canon 1722

De Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer heeft binnen de Romeinse Curie de exclusieve compe­tentie inzake de be­han­de­ling van zaken van seksueel mis­bruik van minder­ja­rigen door clerici.[3] Op 12 april 2010 heeft deze Con­gre­ga­tie een Di­rec­to­rium ge­pu­bli­ceerd in de Ita­li­aanse en Engelse taal waarin de ker­ke­lijke pro­ce­dures voor de be­han­de­ling van beschul­digingen van seksueel mis­bruik voor “leken en niet-canonisten” wor­den uit­ge­legd.[4] Het gaat hier dus niet om een do­cu­ment met rechts­kracht, maar om een gezag­volle uitleg van de pro­ce­dure voor een breed publiek. Op 16 juli van het­zelfde jaar werd de ge­wij­zigde versie van Sacra­mentorum sanctitatis tutela bekend gemaakt met nieuwe pro­ce­durele normen, geda­teerd 21 mei 2010. Deze pro­ce­durele normen betreffen de be­han­de­ling van de zo­ge­naamde delicta graviora, de meer erns­tige mis­drij­ven, waar­on­der seksueel mis­bruik van minder­ja­rigen door gees­te­lij­ken (“misdrijf tegen het zesde gebod van de Decaloog met een minder­ja­rige onder de acht­tien jaar door een clericus bedreven”).[5] Zowel in de pro­ce­durele normen als in het Di­rec­to­rium wordt uit­druk­ke­lijk aange­ge­ven dat de Ordina­ris al vanaf het voor­af­gaand onder­zoek in een straf­pro­ce­du­re de aan­ge­klaag­de de verbo­den op kan leggen die in canon 1722 (CCEO c. 1473) zijn voor­zien: het verbod om zijn gewijde bedie­ning, een ker­ke­lijk ambt of ker­ke­lijke taak uit te oefenen, het verbod om in een plaats of gebied te ver­blij­ven (of zelfs een gebod om op een bepaalde plaats te ver­blij­ven) of ook om publiek aan de aller­hei­ligste Eucha­ris­tie deel te nemen[6]. Dat dit al tij­dens het voor­on­der­zoek moge­lijk is, is pas geïn­tro­du­ceerd in de genoemde pro­ce­durele normen, die dus het behan­de­len van de delicta graviora betreffen en die de bevoegd­heid om deze verbo­den op te leggen ook uitstrekken tot de voor­zit­ter van de turnus van rechters bij de be­han­de­ling van de zaak in een straf­pro­ces.[7] In een rondzend­brief van 3 mei 2011 schrijft de prefect van de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer zelfs dat de bepaling van de pro­ce­durele normen voor de bis­schop of hogere overste een ver­plich­ting inhoudt om reeds aan het begin van het voor­af­gaand onder­zoek te bepalen welke voor­zorgsmaat­regelen van canon 1722 moeten wor­den toegepast.[8] De Con­gre­ga­tie ziet het nemen van maat­regelen volgens canon 1722 in de context van de delicta graviora dus niet slechts als een moge­lijk­heid voor uitzon­der­lijke gevallen als de nood­zaak zich opd­ringt.

Het is dui­de­lijk dat deze bepaling, die geen strafwet is maar binnen het kader van het proces­recht valt, en de moge­lijk­heid die nu tij­dens het voor­af­gaand onder­zoek toe te passen, betrek­king hebben op de gevallen van seksueel mis­bruik van minder­ja­rigen en zwak­zin­nigen door clerici (substantiële normen art. 6 §1, 1), van bezit of versprei­ding van kinder­por­no door clerici (art. 6 §1, 2) en andere delicta graviora. Is de moge­lijk­heid om canon 1722 in het voor­af­gaand onder­zoek toe te passen ook van kracht in andere gevallen, bij­voor­beeld in geval van beschul­digingen van seksueel mis­bruik van meerder­ja­rigen of van diefstal van grote geld­be­dragen uit de kas van pa­ro­chie, om maar iets te noemen? Wie de Synthesis mutationum... leest - een over­zicht van de wijzi­gingen en aan­vul­lingen die in de nieuwe uitgave van de pro­ce­durele normen zijn inge­voerd, welk do­cu­ment overigens geen juri­dische status bezit -, zou geneigd zijn te denken van niet, omdat die spreekt van het introduceren van een (nieuwe) moge­lijk­heid, een invoe­ring die alleen plaats vindt binnen het kader van de be­han­de­ling van de delicta graviora. De Apos­to­lische Signatuur leek er in het verle­den vanuit te gaan dat toepas­sing van c. 1722 pas moge­lijk was na afslui­ting van het voor­af­gaand onder­zoek en dan zou toepas­sing tij­dens het voor­af­gaand onder­zoek naar delicta graviora een uit­zon­de­ring zijn op de algemene regel.[9] Wie daar­en­te­gen de normen zelf bestu­deert, die slechts een in de Codex vermeld recht van de Ordina­ris bekrach­tigen (“Firmo iure...”, art. 19), zal eerder tot de con­clu­sie komen dat slechts geëxplici­teerd wordt wat in het ker­ke­lijk wet­boek in canon 1722 al wordt vermeld en van kracht is, name­lijk dat deze maat­regelen “in elke fase van het proces” kunnen wor­den toegepast en dat daar ook de fase van het voor­af­gaand onder­zoek toe behoort die in het ker­ke­lijk wet­boek onder het straf­pro­ces (titel deel IV, boek VII “De processu poenali”) wordt behandeld.[10] De wijzi­ging in de normen lijkt alleen een uitbrei­ding te betreffen van de bevoegd­heid om canon 1722 toe te passen, die nu ook bij de voor­zit­ter van het college van rechters wordt gelegd.

Dit betekent dat zware dis­ci­pli­naire maat­regelen kunnen wor­den toegepast wanneer een misdrijf nog slechts een waar­schijn­lijk­heid bezit, maar niet bewezen is. De clericus die deze maat­regelen opgelegd heeft gekregen in het kader van een pro­ce­dure wegens mis­bruik van minder­ja­rigen of een van de andere delicta graviora, heeft wel een recht in beroep te gaan bij de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer.[11]

Het Di­rec­to­rium beves­tigt in feite deze uitleg. Onder ver­wij­zing naar de voor­zorgsmaat­regelen (“precautionary measures”) die tij­dens het voor­af­gaand onder­zoek en tot aan de afslui­ting van de zaak geno­men kunnen wor­den, stelt dit do­cu­ment dat het tot de gewone bevoegd­heid (“ordinary authority”) van de bis­schop behoort, “which he is encouraged tot exercise to whatever extent is necessary to assure that children do not come to harm...”. Het Di­rec­to­rium voegt hier nog aan toe: “.. this power can be exercised at the bishop’s discretion before, during and after the canonical procee­ding”.[12] Daar­mee ziet het Di­rec­to­rium - dat geen juri­dische tekst is - deze bevoegd­he­den ook buiten het kader van het straf­pro­ces func­tio­ne­ren. De geci­teerde rondzend­brief van de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer ver­wijst in dit ver­band naar het “bonum commune”. Het komt er dus op neer dat genoemde do­cu­menten stellen dat de voor­zorgsmaat­regelen van canon 1722 (die volgens de canon kunnen wor­den opgelegd “om ergernis te voor­ko­men, om de vrij­heid van de getuigen te be­scher­men en om de loop van de ge­rech­tig­heid veilig te stellen”) gezien moeten wor­den in het breder kader van de opdracht van de bis­schop om het “bonum portionis populi Dei sibi commissae” (“wel­zijn van het hem toe­ver­trouwde deel van het volk Gods”, c. 473 §1) te behar­tigen. Het “bonum commune” speelt dus ook hier een rol en dat lijkt te ver­wij­zen naar canon 223 §2.[13]

Daar­mee wordt het kader van canon 1722 dus zeer verbreed en wel op een wijze die vanuit de tekst van de canon zelf moei­lijk te recht­vaar­digen is. Bovendien is deze redene­ring niet alleen op de bescher­ming van kin­de­ren tegen seksueel mis­bruik van toepas­sing. Een gevaar is dat bij de urgentie om adequaat te han­de­len en op te tre­den tegen seksueel mis­bruik, de voorzich­tig­heid, het in acht nemen van een correcte pro­ce­dure en het respect voor de rechten van de aan­ge­klaag­de te zeer uit het oog wordt verloren. Het Di­rec­to­rium formuleert de bevoegd­he­den van de Bis­schop erg breed, waardoor het haast lijkt of die naar wille­keur kan han­de­len.

Tege­lijk is dui­de­lijk dat een Bis­schop bepaalde bevoegd­he­den moet hebben om in dringende situaties tij­dig te kunnen han­de­len. Men heeft in de laatste jaren daarom voor dit probleem ook wel een oplos­sing gezocht in canon 223 §2 en canon 1044 §2, n. 2, die geen straf­pro­ce­du­re ver­on­der­stellen.

2. Dis­ci­pli­naire maat­regelen en de toepas­sing van de canones 223 §2 en 1044 §2, n. 2

Het Di­rec­to­rium van de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer ver­wijst dus naar het “bonum commune” als reden voor het opleggen van beperkende dis­ci­pli­naire maat­regelen die als voor­zorgsmaat­regelen wor­den verstaan. Ook canon 223 §2 wijst op het “bonum commune” als reden dat de ker­ke­lijke over­heid het recht heeft de rechten die de christen­ge­lo­vigen eigen zijn “te regelen” (“moderari”).[14] Intussen is deze nogal algemene bepaling nader ingekleurd door de ju­ris­pru­den­tie van met name de Apos­to­lische Signatuur. Uit een decreet van de prefect van de Signatura blijkt dat deze instantie een totaal verbod van pries­ter­lijk dienst­werk buiten het kader van een straf­pro­ce­du­re (“extra ambitum poenalem”) afwijst, tenzij er een speciaal pau­se­lijk mandaat wordt gegeven of er een irregulari­teit of beletsel in de zin van c. 1044 aanwe­zig is. Een admi­ni­stra­tieve beschik­king die iedere uit­oefe­ning coram populo (voor het volk, publiek) van het pries­ter­lijk dienst­werk verbiedt, met inbegrip van de bevoegd­he­den die het uni­ver­seel recht aan pries­ters verleent, is buiten dit kader niet toe­ge­staan.[15] In een com­men­taar op dit decreet schrijft P. Buselli Mondin dat zo’n verbod slechts moge­lijk is als uit­komst van een straf­pro­ce­du­re, wanneer er sprake is van een delict dat met morele zeker­heid is vast­ge­steld, maar het decreet van de Signatuur sluit een derge­lijk verbod als voor­zorgsmaat­regel in de zin van canon 1722 niet uit.[16] Buiten het kader van een straf­pro­ces kan de bevoegde ker­ke­lijk over­heid wél besluiten een bepaald ambt of een bepaalde facul­teit - zoals de bevoegd­heid om te preken of biecht te horen (vgl. cc. 764 en 974 §1) - niet aan iemand toe te ver­trouwen op grond van een po­si­tie­ve en waar­schijn­lijke twijfel omtrent de geschikt­heid van de kandidaat of die bevoegd­heid in te trekken.[17] Aanvaard werd even­eens de dis­ci­pli­naire beslis­sing van een bis­schop die vanwege gegronde twijfel over de geschikt­heid voor het pries­ter­lijk dienst­werk, buiten een straf­pro­ce­du­re, besloot dat een pries­ter niet publiek de liturgie mocht vieren totdat hij een be­han­de­ling zou hebben onder­gaan in een bepaalde in­stel­ling.[18] Afgewezen daar­en­te­gen werd de beslis­sing van een bis­schop die een pries­ter alle facul­teiten ontnam, ieder pries­ter­lijk dienst­werk verbood en een boetedoe­ning oplegde vanwege een kleiner vergrijp en zonder canonieke pro­ce­dure. De bis­schop heeft niet de bevoegd­heid de uit­oefe­ning van het pries­ter­lijk dienst­werk te verbie­den, tenzij “ad normam iuris” (volgens de bepaling van het recht, vgl. c. 221 §3), terwijl ook het opleggen van een boetedoe­ning een delict ver­on­der­stelt.[19]

De Signatuur stelt dus dat het een bis­schop is toe­ge­staan bepaalde bevoegd­he­den in te trekken of voor­waar­den te stellen alvorens uit­oefe­ning van pries­ter­lijke bevoegd­he­den toe te staan, op grond van geschikt­heid.

Kan canon 223 §2 wor­den inge­roe­pen als grond voor een derge­lijk besluit? Inder­daad zijn er bis­schop­pen geweest die een verbod op pries­ter­lijk dienst­werk hebben ge­mo­ti­veerd onder ver­wij­zing naar canon 223 §2.[20]

De Pau­se­lijk Raad voor de Wets­tek­sten heeft echter in een Verklarende Nota van 8 de­cem­ber 2010 aange­ge­ven dat vanuit de wor­dingsge­schie­de­nis van canon 223 §2 blijkt dat de ker­ke­lijke over­heid de bevoegd­heid heeft de uit­oefe­ning van rechten ook door bepa­lin­gen van alge­meen karakter (“provvedi­menti di carattere generale”) te regelen, door de concrete uit­oefe­ning van deze rechten met het oog op het alge­meen wel­zijn nader te bepalen. Dat wordt door canon 223 §2 geviseerd. De Pau­se­lijke Raad verzet zich in de Nota echter tegen een beper­king van de uit­oefe­ning van rechten van in­di­vi­duen op grond van deze canon: “De norm kan dus niet wor­den inge­roe­pen om de uit­oefe­ning van de rechten te beperken in in­di­vi­duele gevallen, aangezien het canoniek rechts­sys­teem daartoe de nood­zaak voorziet om andere pro­ce­dures te volgen, met spe­ci­fie­ke vereisten en samen­gaand met welbe­paalde garanties”.[21] De canon mag niet zo wor­den ge­ïnter­pre­teerd dat grenzen en pro­ce­dures die door het canoniek recht wor­den aange­ge­ven, niet meer van kracht zou­den zijn, omdat er op grond van canon 223 §2 maat­regelen zijn geno­men.

In andere gevallen is wel getracht canon 1044 §2 n. 2 toe te passen om een gees­te­lij­ke die mis­bruik heeft gepleegd te verhin­de­ren pries­ter­lijke dienst te vervullen. De canon luidt:

 “Tot het uit­oefe­nen van wij­dingen zijn verhinderd: 2º Wie lijdt aan krank­zin­nig­heid of een andere psy­chi­sche ziekte waarover in c. 1041 n. 1, totdat de Ordina­ris, na raadple­ging van een des­kun­dige, de uit­oefe­ning van deze wij­ding toe­ge­staan heeft”.

Canon 1041 n. 1 stelt:

“Tot het ont­van­gen van wij­dingen zijn irregulier: 1º wie lijdt aan een of andere vorm van krank­zin­nig­heid of een andere psy­chi­sche ziekte waardoor hij, na raadple­ging van des­kun­digen, on­ge­schikt ge­oor­deeld wordt om het dienst­werk op de voorge­schre­ven wijze te vervullen.”

Deze canones zou­den volgens sommige auteurs een weg openen om zonder vorm van proces een clericus te verhin­de­ren zijn ambt uit te oefenen en in feite een (blijvend) verbod op te leggen dat in de praktijk nau­we­lijks verschilt van een (blijvende) straf, maar daarin schuilt tevens een groot gevaar. Toepas­sing van deze canon kan ge­mak­ke­lijk tot onrecht lei­den, omdat een pro­ce­dure met hoor en wederhoor nau­we­lijks is voorge­schre­ven. Voldoende voor het verklaren van het bestaan van het beletsel zou een rapport van een des­kun­dige zijn, waarop de bis­schop na de clericus gehoord te hebben een ge­mo­ti­veerd decreet kan uitvaar­digen en aan de gees­te­lij­ke in kwestie kan doen betekenen. Tegen deze beslis­sing is admi­ni­stra­tief beroep moge­lijk. Het is een weg die alleen in zeer bepaalde gevallen recht­ma­tig begaan­baar is voor de ker­ke­lijke over­heid, zoals wanneer er een voort­du­rende zieke­lijke nei­ging tot pedo­sek­su­ele contacten is vast­ge­steld. Deze weg kan echter ge­mak­ke­lijk tot mis­bruik lei­den wanneer die zonder vorm van proces wordt toegepast op iemand die van erns­tige feiten wordt beschul­digd, zonder dat die feiten voldoende zijn vast­ge­steld.[22]

De praktijk van de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer sluit echter niet uit dat buiten straf­rechte­lijk kader dis­ci­pli­naire maat­regelen wor­den geno­men “ter bescher­ming van het alge­meen wel­zijn, wanneer de ernst van het geval en de ergernis bij de gelo­vi­gen dit vereisen”.[23]

3. Stappen die vooraf­gaan aan de toepas­sing van canon 1722

Uit de ver­schil­lende decreten en do­cu­menten die in dit artikel zijn be­spro­ken, blijkt wel dat verdere verhelde­ring goed en nodig is. Duide­lijk wordt dat er ener­zijds een intentie is de gevallen van seksueel mis­bruik en andere meer erns­tige delicten adequaat te behan­de­len en te voor­ko­men dat een dader kan voort­gaan delicten te plegen. Ander­zijds dient men het recht op ver­de­di­ging in een recht­vaar­dig proces te be­scher­men. Dit laatste heeft ertoe geleid dat met name buiten het kader van een straf­pro­ce­du­re (straf­pro­ces of admi­ni­stra­tieve pro­ce­dure) beper­kingen zijn aange­ge­ven in de moge­lijk­he­den om dis­ci­pli­naire maat­regelen te nemen, zoals hier­voor is be­spro­ken. Het opleggen van dis­ci­pli­naire maat­regelen die heel de uit­oefe­ning van het pries­ter­lijk dienst­werk raken, zal buiten het kader van het straf­recht ge­woon­lijk niet moge­lijk zijn.

Binnen dat kader ligt het anders. De ge­wij­zigde pro­ce­durele normen hebben voor de be­han­de­ling van delicta graviora de moge­lijk­heid van een buitenge­rechte­lijk proces geopend, welke moge­lijk­heid met verlof van de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer kan wor­den gevolgd. en waarbij met een mandaat van de Con­gre­ga­tie zelfs blijvende uitboe­tingsstraffen kunnen wor­den opgelegd.[24] Dit betekent dat een inge­wik­kelder en waar­schijn­lijk langer durend straf­pro­ces wordt verme­den. Over dit aspect en de toepas­sing van canon 1722 tij­dens de straf­pro­ce­du­re en bij het voor­af­gaand onder­zoek wor­den vragen gesteld door ver­schil­lende auteurs. Aan de maat­regelen van canon 1722 zijn bij­voor­beeld geen andere temporele grenzen gesteld dan de duur van het straf­pro­ces. In geval van een ver­den­king van seksueel mis­bruik van een minder­ja­rige door een clericus moet de zaak na een voor­af­gaand onder­zoek aan de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer wor­den voor­ge­legd, die aangeeft dat de Ordina­ris het proces moet ver­volgen of de be­han­de­ling aan de Con­gre­ga­tie voorbehoudt.[25] Daar­mee kan enige tijd gemoeid zijn. Dit klemt te meer nu de maat­regelen van canon 1722 al bij het voor­af­gaand onder­zoek kunnen wor­den opgelegd. G. Puntillo vraagt zich dan ook bij­voor­beeld af of de rechten van de mens nog voldoende zijn gesau­veerd.[26] Het voor­schrift van canon 1717 §2 (vgl. c. 220) dat er gewaakt moet wor­den dat door dit onder­zoek niemands goede naam in gevaar wordt gebracht, vraagt in zo’n geval zeker bij­zon­dere aan­dacht.

In ieder geval is te bedenken dat de Ordina­ris zich eerst een oor­deel moet vormen over de waar­schijn­lijk­heid van een misdrijf (“Quoties ... notitiam, saltem veri similem habet de delicto”) voordat het voor­af­gaand onder­zoek begint (c. 1717 §1) en dat tij­dens het voor­af­gaand onder­zoek moet wor­den gewaakt dat “niemands goede naam in gevaar gebracht wordt” (c. 1717 §2; vgl. c. 220). De Ordina­ris moet zich zelf een oor­deel vormen over de waar­schijn­lijk­heid en geloof­waar­dig­heid van de klacht. In dat stadium is het voor de Ordina­ris “beslist niet opportuun” er met de aan­ge­klaag­de clericus of met meer dan één andere persoon over te spreken. Indien hij echter besluit tot een voor­af­gaand onder­zoek, is het in het alge­meen gepast dat hij de betrokken clericus meteen in­for­meert over wat er gaande is.[27] Een strikte ver­plich­ting daartoe is er pas bij aanvang van de eigen­lijke straf­rechte­lijke pro­ce­dure (vgl. cc. 1720 n. 1, 1723 §1, 1728 §1, cc. 1507-1508).

De Ordina­ris moet derhalve de vraag beoor­de­len of er sprake is van een misdrijf (delictum, vgl. cc. 1364-1399).[28] De maat­regelen van canon 1722 kunnen niet wor­den toegepast en een straf­rechte­lijke pro­ce­dure niet in gang gezet indien de feiten ver­jaard zijn. Een straf­vor­de­ring vervalt - wanneer het gaat om mis­drij­ven die aan de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer voorbe­hou­den zijn - door verja­ring na twin­tig jaar, tenzij de Con­gre­ga­tie in een bepaald geval de termijn wij­zigt, maar dit kan alleen wanneer de feiten een misdrijf vorm­den in de tijd dat ze gepleegd wer­den. In geval van seksueel mis­bruik van minder­ja­rigen begint de verja­rings­ter­mijn pas te lopen wanneer de minder­ja­rige acht­tien jaar wordt, zodat de straf­vor­de­ring momenteel ver­jaart wanneer het slacht­of­fer de leef­tijd van 38 jaar bereikt.[29] Deze verja­rings­ter­mijn was in de eerste uitgave van de Sacra­mentorum sanctitatis tutela (30 april 2001) nog tien jaar (art. 5) en de hui­dige wet­ge­ving heeft geen terug­werkende kracht. Omdat de wet geen terug­werkende kracht heeft wordt seksueel mis­bruik van minder­ja­rigen tussen 16 en 18 jaar, vóór 30 april 2001 gepleegd niet als misdrijf gezien en bestraft (vgl. c. 1395). De Con­gre­ga­tie sluit in deze gevallen echter dis­ci­pli­naire maat­regelen niet uit waar de ernst van het geval en de ergernis bij de gelo­vi­gen dit vereisen.[30] Het afwegen van deze ele­menten behoort tot de vraag of er sprake is van een delict en dus tot de afwe­ging die de Ordina­ris moet maken voordat hij een voor­af­gaand onder­zoek in gang zet en eventuele maat­regelen neemt in de zin van canon 1722.

Ver­vol­gens moet de Ordina­ris oor­de­len over de vraag of de mel­ding van het misdrijf inder­daad waar­schijn­lijk­heid bezit. Hij moet ant­woor­den op de vraag of het bericht over het misdrijf weleens waar zou kunnen zijn of niet. Ver­schil­lende afwe­gingsfactoren die behulp­zaam kunnen zijn bij de vor­ming van een derge­lijk oor­deel, zijn in het reeds geci­teerde artikel van Kar­di­naal Fr. Coccopalmerio te vin­den: het aantal personen dat het­zelfde feit signaleert (een mel­ding door meer mensen maakt die waar­schijn­lijker), de betrek­kingen tussen deze mensen (een mel­ding wordt waar­schijn­lijker als de denuncianten onaf­han­ke­lijk en niet door elkaar beïn­vloed zijn), de zin voor de wer­ke­lijk­heid en het vermogen van de denunciant om objec­tief en correct weer te geven wat er gebeurd is, de ver­hou­ding tussen de denuciant en de aan­ge­klaag­de (als de aanklager geen enkele intentie heeft de beklaagde kwaad te doen, is de beschul­diging waar­schijn­lijker), de inhoud van de ver­kla­ring (een dui­de­lijke beschrij­ving met de omstan­dig­he­den maakt de denunciatie waar­schijn­lijker), de bereid­heid om de beschul­diging schrifte­lijk te geven en te onder­te­ke­nen (maar bij een weige­ring speelt soms een vrees voor negatieve con­se­quenties een rol), bekend­heid van de Ordina­ris met de klager (kennis van de persoon maakt het ge­mak­ke­lijker de waarde van de beschul­diging in te schatten). In geval van anonieme beschul­digingen, blijft het principe van de Codex van 1917 van waarde: aan anonieme beschul­digingen die alge­meen blijven en geen concrete ele­menten en omstan­dig­he­den bie­den, is geen enkele waarde toe te kennen en zij moeten vernie­tigd wor­den.[31]

Het is op grond van deze afwe­ging van de vraag of er inder­daad sprake is van een misdrijf (vormen de gemelde feiten een misdrijf? is er geen sprake van verja­ring?) en de mel­ding van het misdrijf schijn van waar­heid bezit - de mel­ding kan waar zijn of niet -, dat de Ordina­ris bij decreet (vgl. c. 1719) besluit tot het voor­af­gaand onder­zoek. In die fase wor­den ver­vol­gens door de Ordina­ris of een andere geschikte persoon de feiten en omstan­dig­he­den onder­zocht en wordt gekeken naar de toereken­baar­heid (c. 1717 §1); dan kunnen maat­regelen zoals voor­zien in c. 1722 wor­den geno­men op de gron­den die in de canon wor­den genoemd en die hier­voor be­spro­ken zijn, waarbij ervoor gewaakt moet wor­den dat ener­zijds slacht­of­fers wor­den beschermd en herhaling van de mis­drij­ven wordt voor­ko­men, ander­zijds de goede naam van een beschul­digde niet in gevaar wordt gebracht voordat het moge­lijk misdrijf is onder­zocht, vast­ge­steld en be­oor­deeld.

 

Het opleggen van dis­ci­pli­naire maat­regelen vraagt dus om zorg­vul­dig­heid. De moge­lijk­he­den tot het toepassen van deze maat­regelen zijn ver­schil­lend al naar gelang dit binnen of buiten een straf­pro­ce­du­re plaats­vindt, waarbij zowel de bescher­ming van de slacht­of­fers als het recht op een recht­vaar­dig proces in het oog moeten wor­den gehou­den.

 

                                                         + Jan Hendriks
                                                         tit. Bis­schop van Arsacal
                                                         hulp­bis­schop van Haar­lem-Am­ster­dam

 


[1] Onder ‘Ordina­ris’ is te met name verstaan: de paus, de dio­ce­sane bis­schop­pen en anderen die over een par­ti­cu­liere Kerk zijn aan­ge­steld, Vica­rissen-generaal en bis­schop­pe­lijk vica­rissen en hogere oversten (provinciaals), zie canon 134 §1 van Codex Iuris Canonici, auctoritate Ioannis Pauli PP. II promulgatus (Vatican city, 1983); Neder­landse vertaling: Wetboek van Canoniek Recht (Brussel, Baarn, 1996²).

[2] Canon 223 §2 van het ker­ke­lijk wet­boek luidt: “Het komt de ker­ke­lijke over­heid toe om, met het oog op het alge­meen wel­zijn, de uit­oefe­ning van de rechten die de christen­ge­lo­vigen eigen zijn, te regelen”. Voor de tekst van canon 1044 §2 zie hier­on­der par. 2 van dit artikel.

[3] P. JOHANNES PAULUS II, Motu Proprio Sacra­mentorum sanctitatis tutela, 30 April 2001; Normae substantiales en Normae processuales herzien en goedge­keurd door paus Bene­dic­tus XVI, 21 mei 2010; tekst in: Communicationes 42(2010), pp. 333-344 (ook in: AAS 102(2010), pp. 419-432); een toelich­ting op de bevoegd­heid en de his­to­rische ach­ter­grond van de compe­tentie van de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer, in: idem, pp. 349-353.

[4] CONGREGATIO PRO DOCTRINA FIDEI, Di­rec­to­rium ad fun­damentaliter intellegen­dam rationem proce­dendi in allegationibus respicientibus abusus sexuales in minores patratos a Congregatione pro Doctrina Fidei latum, in: Communicationes 42(2010), pp. 58-59 (Engelse tekst) en pp. 60-61 (Ita­li­aanse tekst). In dit artikel wordt de Engelse tekst geci­teerd; we refereren aan de tekst onder de naam “Di­rec­to­rium”. De teksten zijn ook te vin­den op de web­si­te www.vatican.va/resources.

[5] Normae substantiales, art. 6 §1, n.1.

[6] Canon 1722 luidt: “Om ergernis te voor­ko­men, om de vrij­heid van de getuigen te be­scher­men en om de loop van de ge­rech­tig­heid veilig te stellen, kan de Ordina­ris, na de promotor van het recht gehoord en de aan­ge­klaag­de zelf gedagvaard te hebben, in elke fase van het proces de aan­ge­klaag­de van de gewijde bedie­ning of van een ker­ke­lijk ambt (“officium”) en ker­ke­lijke taak (“munus”) weren, hem verblijf opleggen of verbie­den in een plaats of gebied, of ook publieke deelname aan de aller­hei­ligste Eucha­ris­tie verbie­den; dit alles moet, wanneer de oor­zaak ophoudt te bestaan, herroepen wor­den en wordt van rechtswege beëindigd bij het ophou­den van het straf­pro­ces”.

[7] Normae processuales, 2010, cit., nr. 19: “Firmo iure Ordinarii vel Hierarchae, ab inves­tigatione praevia inchoata, imponendi quae in can. 1722 Codicis Iuris Canonici vel in can. 1473 Codicis Canonum Ecclesiarum Orientalium statuuntur, etiam Praeses Tribunalis pro Turno, ad instantiam Promotoris Iustitiae, eandem habet potestatem sub iisdem condicionibus in ipsis canonibus determinatis”. Vgl. Synthesis mutationum introductarum in M.P. Normae de gravioribus delictis reservatis Congegationi pro Doctrinae Fidei, in: Communicationes 42(2010), pp. 346-348, hier p. 348, n. 17: “Si è introdotta la possibilità di adottare le misure cau­telari, di cui al can. 1722 CIC e al can. 1473 CCEO, anche durante la fase dell’indagine previa”.

[8] “Compete al Vescovo o al Superiore Maggiore il dovere di provvedere al bene comune determinando quali misure precauzionali previste dal can. 1722 CIC e dal can. 1473 CCEO debbano essere imposte. Secondo l’art. 19 SST, ciò deve essere fatto una volta iniziata l’indagine preliminare”, Epistula circula­ris, 3 mei 2011, in: Communicationes 42(2011), pp. 83-88..

[9] “Quamquam idem Exc.mus Praesul explicite Congregationi significaverat inves­tigationem praeviam poenalem haudquaquam absolutam fuisse in casu...”, APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Sententia definitiva, c. Cacciavillan, 18 mrt. 2006, in: Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 651-658, hier n. 8, p. 656; vgl. ook: G.P. MONTINI, “Provvedi­menti cau­telari urgenti nel caso di accuse odiose nei confronti di ministri sacri”, in: Quaderni di Diritto Ecclesiale 12(1999), pp. 191-204, hier m.n. pp. 202-203.

[10] “...in quolibet processus stadio...”; daarbij is te bedenken dat de titel “de processu poenali” zich al voor­af­gaand aan de bespre­king van het voor­af­gaand onder­zoek (cc. 1717-1719) in de Codex bevindt. In de Oosterse codex (Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium, auctoritate Ioannis Pauli PP. II promulgatus (Vatican city, 1990) is dat niet wezen­lijk anders: de titel boven het voor­af­gaand onder­zoek luidt: “De iudicio poenali”, terwijl c. 1473 stelt dat de maat­regelen kunnen geno­men wor­den “in quolibet statu et gradu iudicii poenalis...”.

[11] C. SCICLUNA, “Clerical rights and duties in the Jurispru­dence and praxis of the Congregation for the Doctrine of Faith on graviora delicta”, in: Folia canonica 10(2007), pp. 276-277, geci­teerd bij: V. DIAZ, “Modifiche introdotte nelle norme riguardanti i ‘graviora delicta’”, in: Apollina­ris 84(2011), pp. 337-381, hier: p. 373. Een ‘gewone’ recursus is volgens sommige gezag­heb­bende auteurs niet moge­lijk, vgl. bijv. G. PUNTILLO, “‘Delicta graviora’ e legislazione canonica di emergenza”, in: Apollina­ris 84(2011), pp. 383-394, hier: p. 387; DIAZ, a.c., p. 373 noemt nog ver­schil­lende andere auteurs die dit beroep uitsluiten, zoals J.I. Arrieta, V. De Paolis en P.V. Pinto, terwijl G.P. Montini, a.c., p. 202 stelt dat die moge­lijk­heid er wél is.

[12] Di­rec­to­rium, o.c., p. 58 (onder A).

[13] Cf. C. SCICLUNA, “‘Bonum commune Ecclesiae’ as a criterion for regimen and the exercise of rights in the 1983 Code of canon law”, in: J. KOWAL, J. LLOBELL, “Iustitia et iudicium”. Studi di diritto matrimoniale e processuale canonico in onore di Antoni Stankiewicz, dl. III (Città del Vaticano, 2010), pp. 1267-1292..

[14] De tekst van c. 223 §2 luidt: “Het komt de ker­ke­lijke over­heid toe om, met het oog op het alge­meen wel­zijn, de uit­oefe­ning van de rechten die de christen­ge­lo­vigen eigen zijn, te regelen”.

[15] APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Decreet van de prefect, kard. R. Burke, 30 mei 2009, in: Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 664-668, hier: n. 6, pp. 666-667: “... extra ambitum poenalem illegitima censenda est prohibitio per actum administrativum imposita exercendi quodvis ministerium presbyterale coram populo, inclusis facultatibus iure universali presbyte­ris concessis...”. De uit­spraak baseert zich mede op een sen­tentie van de Signatura c. Grocholewski van 28 apr. 2007.

[16] Decreet cit., n. 4, p. 666: “Praemisso quod non agitur de casu poenali (cf. can. 18), quodque ergo can. 1722 ad rem invocatum non est...”; vgl. P. BUSELLI MONDIN, “Il diritto di difesa in ambito disciplinare”, in:  Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 668-686, hier: pp. 682-683.

[17] APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Sententia definitiva, c. Cacciavillan, 18 mrt. 2006, in: Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 651-658, hier: n. 8, pp. 656-657.

[18] C.. Cacciavillan, 18 mrt. 2006, sent. cit. , nn. 1 ern 8, pp. 652 en 657.

[19] APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Decreet van de prefect, kard. A. Vallini, 13 juni 2008, in: Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 659-664.

[20] Cf. APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Decreet, 30 mei 2009, cit., nn. 2 en 6, pp. 665 en 666-667.

[21] “La norma perciò, non va invocata per limitare nei singoli casi l’esercizio dei diritti, poichè a tale scopo l’ordina­mento canonico prevede la necessità di seguire altre pro­ce­dure, in presenza di specifici requisiti e con il concorso di precise garanzie”, PAUSELIJKE RAAD VOOR DE WETSTEKSTEN, Nota esplicativa Chiari­menti circa l’applicazione del can. 223 §2 CIC, in: Communicationes 42(2010), pp. 280-281; “The use of canon 381 and canon 223 §2 as a way to keep troublesome priests out of ministry is inappropriate” (J. M. RITTY “Balancing rights of accused clerics and the good of the community”, in: A. ESPELAGE, CLSA Advisory opinions (Canon Law Society of America, Alexandria VA, 2006), pp. 101-105, hier p. 104).

[22] Vgl. MONTINI, Provvedi­menti..., a.c., pp. 193-200; “La dis­puta mostra all’evi­denza il pericolo prossimo di abusi...” (in: ibidem, p. 199).

[23] “In Fällen, bei denen der Missbrauch zur Zeit nicht strafbewehrt war, schließt aller­dings die Praxis der Kongregation die Verhängung von Disziplinarmaßnahmen zum Schutz des Geimeinwohls nicht aus, wo die Schwere des Falles und das Ärgernis bei den Gläubigen dies erfordern” (Brief van kard. W. Levada, prefect van de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer aan de bis­schop van Trier, 22 sept. 2011 (Prot. n. 54/2010-36622)).

[24] Normae processuales, cit., art. 21§2.

[25] Normae processuales, cit, art. 16.

[26] G. PUNTILLO, “‘Delicta graviora’ e legislazione canonica di emergenza”, in: Apollina­ris 84(2011), pp. 383-394, m.n. pp. 391vv..

[27]“La riflessione necessaria per giungere alla formulazione del giudizio sulla verosimiglianza del fatto denunciato dovrebbe normal­mente essere compiuta dal solo Vescovo dio­ce­sano e solo nel suo intimo. (...) Ritengo che in questo momento sia assoluta­mente inopportuno parlare con il sacerdote interessato. Il Vescovo dio­ce­sano rifletta da solo, nel suo intimo, semmai ... con l’aiuto di una sola persona”, F. COCCOPALMERIO, “Il Vescovo dio­ce­sano e il processo penale”, in: CONGREGAZIONE PER I VESCOVI, Duc in altum. Pellegrinaggio alla Tomba di San Pietro. Incontro di riflessione (Città del Vaticano, 2011), pp. 233-245, hier: pp. 240 en 243.

[28] Zie ook: Normae substantiales, cit. art. 2-6.

[29] Normae Substantiales, cit., art. 7; vgl. c. 1362.

[30] Vgl. Brief van kard. W. Levada, 22 sept. 2011, cit..

[31] F. COCCOPALMERIO, a.c., pp. 239-240. Over anonieme beschul­digingen: “... qualora giungano segnalazioni anonime, che siano del tutto generiche o palese­mente infondate o chiara­mente calunniose, non resta che cestinarle” (a.c., p. 240); vgl. CIC 1917, c. 1942 §2 en CCEO c. 1133 §3.

Terug