Arsacal
button
button
button


Herindeling van parochies en kerksluiting

Met het oog op een vitale Kerk

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: woensdag, 4 januari 2017
Maria Magdalenakerk in Amsterdam in 1968 wegens steenrot gesloopt
Maria Magdalenakerk in Amsterdam in 1968 wegens steenrot gesloopt

Het zal voor bijna iedereen wel dui­de­lijk zijn dat het nood­za­ke­lijk is gewor­den pa­ro­chies op te heffen of samen te voegen en bepaalde kerk­ge­bouwen niet langer voor de ere­dienst te bestemmen. Dit is nodig gewor­den door de vergrij­zing, het sterk terug gelopen aantal gelo­vi­gen dat aan de ere­dienst deelneemt en in samenhang daar­mee de verminderde beschik­baar­heid van fi­nan­ciële mid­de­len. Toch is het van belang deze situatie niet slechts defensief te benaderen, als een “ krimpscenario” dat de Kerk steeds verder in een hoek drijft. Het gaat er op de eerste plaats om een zodanige situatie te scheppen dat er vitale pa­ro­chie­ge­meen­schappen ontstaan, die hun zen­ding kunnen vervullen, zoals die wordt be­schre­ven in de canones 528-530 van het Wetboek van canoniek recht (Codex Iuris Canonici, CIC) en in andere ker­ke­lijke do­cu­menten.1

1. Kenmerken van een (vitale) pa­ro­chie

Het tweede Vati­caans concilie heeft be­klem­toond dat de pa­ro­chie een dui­de­lijk voor­beeld is van gemeen­schap­pe­lijk apos­to­laat en heeft de leken uit­ge­no­digd nauw met de priesters samen te werken en aan alle apos­to­lische en missio­naire ac­ti­vi­teiten van de pa­ro­chie naar vermogen de helpende hand te bie­den.2

Als eerste taak van de pastoor en de pa­ro­chie wordt steeds de ver­kon­di­ging van het geloof genoemd aan de christen­ge­lo­vigen die actief deel uit maken van de pa­ro­chie én aan hen die niet geloven, niet katho­liek zijn of niet praktiseren: de pastoor “dient er zich met alle kracht op toe te leggen, ook de in­span­ningen van christen­ge­lo­vigen erbij betrekkend, dat de evan­ge­lische bood­schap ook tot diegenen komt die de gods­dienstige praktijk opge­ge­ven hebben of het ware geloof niet belij­den” (c. 528 §1).3 De nood­zaak van deze evangeli­sa­tie, waartoe paus Paulus VI al had uit­ge­no­digd, werd door paus Johannes Paulus II bij vele gelegen­he­den vermeld en onder­streept. Deze paus riep op tot een “nieuwe evangeli­sa­tie”, na het geloofs­ge­tui­ge­nis van de eerste mis­sio­na­rissen, waarbij hij een bij­zon­dere rol zag weg­ge­legd voor de leken en opriep tot de vor­ming van ge­meen­schappen die in het geloof meer gerijpt zijn (“maturiores ecclesiales communitates”).4

Na­tuur­lijk heeft dit een bij­zon­dere bete­ke­nis voor de pa­ro­chies, die als ge­meen­schappen van gelo­vi­gen geroepen zijn het geloof uit te stralen naar wie er verder af staan. “De Kerk heeft echte getuigen nodig die het evan­ge­lie uitdragen in alle lagen van het maat­schap­pe­lijk leven”.5

Een eerste wezens­ken­merk van een pa­ro­chie is derhalve dat zij missio­nair is en bijdraagt aan de ver­kon­di­ging van het geloof, ook aan hen die zich niet tot de pa­ro­chie­ge­meen­schap rekenen.

Theo­lo­gisch wordt de pa­ro­chie erdoor ge­ken­merkt dat zij ecclesiaal is: “Zij is in zekere zin de Kerk zelf die leeft temid­den van de huizen van haar zonen en dochters”.6 Het tweede Vati­caans concilie accentueert dat de priester in de plaat­se­lijke ge­meen­schap de Bis­schop te­gen­woor­dig stelt, diens plaatsvervanger is; zo stellen de pa­ro­chies “in zekere zin de zicht­ba­re, over heel de wereld gevestigde Kerk actueel te­gen­woor­dig” en daar­mee bezitten zij - door de priester die deel heeft aan het apos­to­lisch ambt - de ecclesiale dimensie waardoor zij de par­ti­cu­liere Kerk aanwe­zig stellen en een universeel-ker­ke­lijke dimensie bezitten. De pastoor stelt in een plaat­se­lijke ge­meen­schap van het diocees het dienst­werk van de Bis­schop als leraar, priester en herder te­gen­woor­dig.7 Het is daarom niet ver­won­der­lijk dat de parochiële struc­tu­ren een “afbeel­ding” zijn van de inrich­ting van het diocees met (pa­ro­chie-)vicarissen, een raad voor eco­no­mische aan­ge­le­gen­he­den (kerk­bestuur) en eventueel een pas­to­rale raad en een “eigen herder” (“proprius pastor”) aan het hoofd, die tot taak heeft te ver­kon­di­gen, te heiligen en het herder­lijke ambt te vervullen (cc. 528-529 en 383-390) en die onder meer de “Mis voor het volk” (Missa pro populo) dient op te dragen.8 Ener­zijds ver­wijst het Concilie dus naar het apos­to­lisch ambt, dat in de apos­to­lische successie wordt doorge­ge­ven, als oor­zaak van de ecclesiale dimensie en de theo­lo­gische basis van de pa­ro­chie, ander­zijds wordt het fun­dament van dit theo­lo­gisch karakter gezocht in het feit dat de pa­ro­chie eucha­ris­tisch is. “Uit­ein­de­lijk is de pa­ro­chie gegrondvest op een theo­lo­gische wer­ke­lijk­heid, want zij is een eucha­ris­tische ge­meen­schap”.9 Deze beide aspecten - het pries­ter­lijk en het eucha­ris­tische karakter - hangen na­tuur­lijk nauw samen, zoals ook blijkt uit de aangehaalde concilie-teksten en de passage van Christifideles laici. De con­ci­liaire Con­sti­tu­tie Sacrosanctum concilium be­klem­toont dan ook de ecclesiale dimensie van de liturgie.

Het is dus niet ver­won­der­lijk dat de ver­kla­ring Dominus Iesus van de Con­gre­ga­tie voor de geloofsleer - in overeenstem­ming met het tweede Vati­caans concilie - het Kerk-zijn verbindt met het apos­to­lisch ambt en de Eucha­ris­tie en stelt dat ker­ke­lijke ge­meen­schappen geen Kerken zijn in eigen­lijke zijn (“sensu proprio”) waar deze beide kenmerken ontbreken.10

De eerste taak van de pa­ro­chie is derhalve de ver­kon­di­ging van het Woord van God, ook aan hen die niet aan het leven van de pa­ro­chie­ge­meen­schap deelnemen. Het wezens­ken­merk van de pa­ro­chie waardoor de Kerk te­gen­woor­dig wordt gesteld, bestaat uit twee aspecten die nauw samen­han­gen: de deelname van de priester aan het apos­to­lisch ambt en het Eucha­ris­tische karakter.

Hiermee zijn tevens de voor­naam­ste beginselen aange­ge­ven volgens welke iedere nieuwe organi­sa­tie van de parochiële structuur zal dienen plaats te vin­den: in iedere pa­ro­chie zal de aller­hei­ligste Eucha­ris­tie, met name de zon­dagse Eucha­ris­tie­vie­ring centraal dienen te staan en zal een priester herder zijn van de ge­meen­schap; de pa­ro­chie is immers de voor­naam­ste cel en lokale “te­gen­woor­dig­stel­ling” van de par­ti­cu­liere Kerk.11

Het Directorium voor de pas­to­rale taak van de Bis­schop­pen noemt daar­naast nog andere kenmerken die een pa­ro­chie dient te bezitten en waar­mee dus bij de dio­ce­sane organi­sa­tie van de pa­ro­chie­struc­tuur reke­ning moet wor­den gehou­den: de gelo­vi­gen dienen een echte ker­ke­lijke ge­meen­schap te kunnen vormen die samen­komt om de Eucha­ris­tie te vieren en het Woord van God te vernemen, die de naasten­liefde beoefent door licha­me­lijke en gees­te­lij­ke werken van barm­har­tig­heid; de herders moeten de gelo­vi­gen per­soon­lijk kunnen leren kennen en blijvend pas­to­rale bijstand kunnen verlenen en de moge­lijk­heid krijgen om de taken te vervullen die het canoniek recht aan hen toevertrouwt.12 Voorts ziet dit Directorium als karakteristieke eigen­schappen van een gezonde pa­ro­chie met pas­to­rale effec­ti­vi­teit: de goede samen­wer­king van de aan de pa­ro­chie verbon­den priesters; be­vor­de­ring van de deelname van de gelo­vi­gen aan de pa­ro­chie-ac­ti­vi­teiten, met respect voor hun verant­woor­de­lijk­heid en aan­dacht voor hun mening; be­vor­de­ring van parochiële vereni­gingen en groepen ten behoeve van de catechese en de open­ba­re ere­dienst, vooral van de publieke, door de Kerk opgerichte vereni­gingen; de oprich­ting van centra van vor­ming en opvoe­ding, zoals catecheseclubs, crèches en scholen, vor­mings­bij­een­komsten voor jon­ge­ren, centra voor cari­ta­tieve en sociale bijstand en voor gezinspas­to­raal, bibliotheken, enzovoorts.13 Kortom: de ker­ke­lijke do­cu­menten zien een pa­ro­chie als een geloofs­ge­meen­schap die instaat voor de ver­kon­di­ging van het evan­ge­lie en naast haar Eucha­ris­tische dimensie en haar ver­bon­den­heid met het apos­to­lisch ambt door de herder­lijke aanwe­zig­heid van de pastoor, ook andere ini­tia­tie­ven vermag te verwer­ke­lijken waardoor zij de mensen binnen het gebied van de pa­ro­chie kan bereiken. Een be­lang­rijk criterium voor de parochiële organi­sa­tie in het bisdom is derhalve dat er vitale pa­ro­chies ontstaan die een breed scala aan ac­ti­vi­teiten kunnen rea­li­se­ren.14

2. Pro­ce­dure voor de ophef­fing of samen­voe­ging van een pa­ro­chie

Het ini­tia­tief tot het oprichten, opheffen, samenvoegen of ver­an­de­ren van een pa­ro­chie kan na­tuur­lijk van ver­schil­lende zij­den komen: vanuit de pa­ro­chie, van de deken of naburige pa­ro­chies of van de Bis­schop of een bis­schop­pe­lijke dienst, bij­voor­beeld in het kader van een algemeen dio­ce­saan plan om te komen tot een vernieuwde opzet van de pa­ro­chie­struc­tuur.

De beslis­sing tot het oprichten, opheffen, samenvoegen of ver­an­de­ren van pa­ro­chies komt echter alleen aan de dio­ce­sane Bis­schop toe, volgens canon 515 §2. Dit betekent dat de vicaris-generaal hiertoe niet gerechtigd is, ook niet wanneer hij hulp­bis­schop is, tenzij met speciaal mandaat van de Bis­schop (c. 479 §1). Zij die door het recht zijn gelijk­ge­steld met een dio­ce­sane Bis­schop, met name degenen die aan het hoofd staan van een territoriale prelatuur of abdij, van een apos­to­lisch vicariaat, bestendig opgerichte apos­to­lische admi­ni­stra­tie of apos­to­lische prefectuur, bezitten dit recht wél (cc. 368 en 381 §2).

Het opheffen van een pa­ro­chie - en meer nog het sluiten van een kerk - kan aan­lei­ding geven tot hevige emoties: gelo­vi­gen hebben een geees­te­lij­ke en emo­tio­nele band met de pa­ro­chie en de kerk waar zij God ontmoeten en op de be­lang­rijk­ste momenten van hun leven de heilige sacra­menten hebben ontvangen. Daarom vereisen ophef­fing of samen­voe­ging en vooral slui­ting van een kerk een goede be­ge­lei­ding en voor­be­rei­ding. Canon 50 van het ker­ke­lijk wet­boek verplicht de ker­ke­lijke over­heid - in dit geval de Bis­schop (of de vicaris-generaal met speciaal mandaat van de Bis­schop) - “de nodige inlich­tingen en bewijzen in te winnen en, voor zover moge­lijk, hen te horen wier rechten geschon­den kunnen wor­den” alvorens een decreet uit te vaardigen. Dit houdt in dat nagegaan moet wor­den welke de redenen zijn die wor­den aan­ge­dragen om pa­ro­chies op te heffen of samen te voegen en of die redenen onderbouwd zijn, en dat de pa­ro­chi­anen van de betreffende pa­ro­chie(s) voor zover moge­lijk gehoord dienen te wor­den. Het ligt dan ook voor de hand pa­ro­chi­anen inzicht te geven in de ach­ter­gron­den van een moge­lijk besluit ten aanzien van hun pa­ro­chie. Ook zal moeten wor­den nagegaan of der­den wellicht rechten hebben verkregen die van invloed zijn op een split­sing, ophef­fing of samen­voe­ging.

De beslis­sing om over te gaan tot oprich­ting, ophef­fing of ver­an­de­ring van een pa­ro­chie komt dus aan de Bis­schop toe en dat geldt ook voor het maken van de afwe­gingen die tot een derge­lijk besluit lei­den, aangezien aan de Bis­schop de herder­lijke bevoegd­heid toe­komt met de wet­ge­vende, uitvoerende en rech­ter­lijke macht (cc. 381 §1 en 391 §§1 en 2). Het Directorium voor de pas­to­rale taak van de Bis­schop­pen vermeldt niet alleen de zojuist genoemde kwali­teiten die een pa­ro­chie zou moeten bezitten en die even zo vele afwe­gingscriteria vormen, maar ook over­we­gingen van meer algemene aard waardoor de Bis­schop zich bij zijn beslis­sing moet laten lei­den: de organi­sa­tie van de pa­ro­chiestruc­tu­ren moet aangepast zijn aan de vereisten van de ziel­zorg, bezien binnen het grotere geheel (“in una visione globale e organica”), zodat iedereen door de pa­ro­chie-struc­tu­ren bereikt kan wor­den en overal een presentie moge­lijk wordt. Het Directorium voorziet split­sing van te grote pa­ro­chies, fusies van te kleine, oprich­ting van nieuwe pa­ro­chies en ook bij­voor­beeld een geheel nieuwe indeling van de pa­ro­chies van eenzelfde stad.15 Ook kunnen het aantal beschik­ba­re priesters en de fi­nan­ciële situatie redenen zijn om het aantal pa­ro­chies aan te passen. De Bis­schop dient name­lijk zo spoedig moge­lijk een einde te maken aan een situatie waarin iemand die geen priester is, belast wordt met de pas­to­rale zorg voor een pa­ro­chie, ook al is dat volgens het voor­schrift van canon 517 §2 onder lei­ding van een priester.16 Wat de fi­nan­ciële aspecten betreft moet nog wor­den opgemerkt dat het opheffen of samenvoegen van pa­ro­chies niet auto­ma­tisch de slui­ting van een kerk inhoudt en dat ernstige fi­nan­ciële tekorten weliswaar de slui­ting van een kerk nood­za­ke­lijk kunnen maken, maar dat dit een eigen afwe­ging en besluit vraagt. Indien de ophef­fing van de pa­ro­chie tevens de slui­ting van de kerk met zich meebrengt, dient dit bij de consul­ta­tie van de priesterraad vermeld en beargu­men­teerd te wor­den (tenzij de kerk op geen enkele wijze voor de ere­dienst kan wor­den gebruikt en er geen moge­lijk­heid is ze te herstellen, c. 1222).

De Bis­schop kan een pa­ro­chie pas oprichten, opheffen of in be­lang­rijke mate ver­an­de­ren na de priesterraad te hebben gehoord. De priesterraad moet de gelegen­heid hebben gekregen een advies uit te spreken ( “audito consilio presbyterali”, c. 515 §2). Deze consul­ta­tie is vereist voor de geldig­heid van de act van oprich­ting, ophef­fing of aanmer­ke­lijke ver­an­de­ring (c. 127 §2 n. 2; vgl ook “nisi”, c. 515 §2 met c. 39). In ver­schil­lende gevallen werd bij de Con­gre­ga­tie voor de Clerus en ver­vol­gens bij de Apos­to­lische Signatuur in Rome een beroep ingesteld tegen een beslis­sing van een dio­ce­sane Bis­schop om een pa­ro­chie op te heffen, waarbij de vordering werd toegekend omdat de Bis­schop verzuimd had de priesterraad te raadplegen alvorens het besluit te nemen. Vereist is dat de consul­ta­tie plaats vindt voor de beslis­sing is genomen en dat niet slechts gelegen­heid wordt gebo­den een vraag te stellen of een opmer­king te maken, maar dat inder­daad een advies aan de raad wordt gevraagd.17 De Bis­schop is niet verplicht het gegeven advies op te volgen.

Het decreet van oprich­ting, ophef­fing of ver­an­de­ring moet voldoen aan de gemeen­schap­pe­lijke normen voor admi­ni­stra­tieve beschik­kingen: het moet schrifte­lijk gegeven wor­den - hoewel de vervulling van dit voor­schrift niet de geldig­heid van het decreet raakt (c. 37) -, het mag geen verworven rechten van anderen schen­den en niet met een wet of goedge­keurde gewoonte in strijd zijn (c. 38). Het wordt getekend door de dio­ce­sane Bis­schop (of degene aan wie hij een speciaal mandaat heeft verleend) en de kanselier of een andere notarius (c. 483 §1) en het dient de algemene ele­menten te bevatten die hieronder voor het decreet bij kerk­slui­ting wor­den vermeld.

In het decreet moeten tenminste summier de beweegre­denen voor de beslis­sing wor­den vermeld (c. 51) en dit impliceert al dat een gerecht­vaar­digde reden (iusta causa) aan het besluit ten grond­slag moet liggen, zoals dat voor elke uit­oefe­ning van het pas­to­raal gezag geldt (vgl. c. 383 §1).18 De beweegre­denen moeten betrek­king hebben op de onderhavige beslis­sing: op de vraag dus waarom deze pa­ro­chie wordt opgericht, opgeheven, samen­ge­voegd of aanmer­ke­lijk veranderd; een algemene motivatie die voor bijna ieder decreet van de Bis­schop zou kunnen gel­den, is dus niet voldoende.19 Ander­zijds is een “iusta causa” voldoende en dit betekent dat geen heel bij­zon­dere, dringende redenen moeten wor­den aange­toond. Het is zelfs heel moei­lijk het ontbreken van zo’n iusta causa aan te tonen.20 In een ker­ke­lijke beroeps­pro­ce­du­re zal derhalve zel­den wor­den uit­ge­spro­ken dat de rechten van de gelo­vi­gen geschon­den zijn door de ophef­fing van een bepaalde pa­ro­chie; in iets mindere mate geldt dat ook voor de slui­ting van een bepaalde kerk, waarover hieronder meer.21 Het canoniek recht vraagt niet uit­druk­ke­lijk dat in een admi­ni­stra­tief decreet wordt aange­ge­ven op welke wijze het bestre­den kan wor­den. J. Loyson stelt dat dit een regel is van behoor­lijk bestuur en dat de moge­lijk­heid om bezwaar te maken volgens de pro­ce­dure die in de canones 1734 en volgende wordt be­schre­ven, daarom expliciet in het decreet moet wor­den vermeld.22 Zoals gezegd komt in deze materie echter een grote mate van discretionali­teit aan de dio­ce­sane Bis­schop toe, zodat beroeps­pro­ce­du­res op dit terrein weinig kans maken, tenzij er pro­ce­dure-fouten zijn gemaakt.

Het decreet moet ver­vol­gens bekend wor­den gemaakt (betekend wor­den) aan degenen voor wie het bestemd is, volgens het recht, dat wil in dit geval zeggen: op de wijze die door de ker­ke­lijke over­heid is vast­ge­steld (cc. 54-56). Zo kan wor­den bepaald dat het decreet moet wor­den ge­pu­bli­ceerd in de pa­ro­chie­bla­den van de betreffende pa­ro­chies of dat het wordt over­handigd en voor­ge­le­zen bij gelegen­heid van een ker­ke­lijke viering die tevoren is aan­ge­kon­digd (cc. 55-56). Het decreet heeft uit­wer­king vanaf de uit­voe­ring of beteke­ning en kan dan wor­den geürgeerd (c. 54 §2). Dit verhindert niet dat in het decreet een datum wordt vast­ge­steld waarop het bepaalde ingang zal vin­den.

De pastoor van de pa­ro­chie die wordt samen­ge­voegd of opgeheven, verliest daar­mee zijn ambt, maar het ker­ke­lijk wet­boek bevat hierover geen uit­druk­ke­lijke bepalingen. Het is niet nood­za­ke­lijk dat deze priester wordt benoemd tot pastoor van de nieuwe pa­ro­chie of deel uitmaakt van de groep priesters aan wie hoof­de­lijk de pas­to­rale zorg over de pa­ro­chie wordt toe­ver­trouwd (vgl. c. 517 §1 en c. 543).23 Na­tuur­lijk dient hier de canonieke billijk­heid in acht te wor­den genomen en het zielenheil voor ogen gehou­den te wor­den (vgl. c. 1752). De Bis­schop is vrij om het pastoorsambt toe te wijzen aan degene die hij ervoor geschikt acht, tenzij iemand het recht heeft van voor­dracht of verkie­zing en hij de instem­ming heeft van de bevoegde overste indien de priester tot een instituut van gewijd leven of een sociëteit van apos­to­lisch leven behoort (cc. 523; 682 §1; 715 §2 en 738 §2).

De ophef­fing en samen­voe­ging van een pa­ro­chie wor­den nader geregeld in het eerste boek van de Codex over de algemene normen voor rechts­personen, waartoe pa­ro­chies behoren (cc.120-123). Wanneer twee pa­ro­chies wor­den samen­ge­voegd tot één nieuwe pa­ro­chie die ipso facto een publieke ker­ke­lijke rechts­persoon is, verkrijgt de nieuwe pa­ro­chie de goederen en vermogens­rechten van de vroegere pa­ro­chies. Ook de ver­plich­tingen die op de “oude” pa­ro­chies rustten wor­den overgenomen, met inachtne­ming van de bestem­ming en ver­plich­tingen die door de stichters en schenkers aan goederen of vermogen zijn meege­ge­ven (in deze zin moet mijns inziens de uitdruk­king van de canones 121 en 123 over de “wil van de stichters en schenkers” wor­den verstaan).24 Voorts moeten verworven rechten wor­den ge­res­pec­teerd.25 Het is deze situatie die door canon 121 direct wordt geviseerd. De moge­lijk­heid dat een pa­ro­chie wordt opgeheven en het gebied van de opgeheven pa­ro­chie een onder­deel wordt van een naburige pa­ro­chie of ver­deeld wordt over ver­schil­lende pa­ro­chies, wordt door deze canon niet direct in ogenschouw genomen, maar gelijkt volgens F. Daneels zeer op een vereni­ging of samen­voe­ging, terwijl H. Pree be­klem­toont dat beide moge­lijk­he­den on­der­schei­den moeten wor­den.26

Pree stelt dat het vermogen van de opgeheven rechts­persoon (pa­ro­chie) met rechten en plichten overgaat op de rechts­persoon (pa­ro­chie) die blijft bestaan, wanneer de opgeheven rechts­persoon geheel in deze laatste pa­ro­chie opgaat. Daneels vermeldt nog wel de moge­lijk­heid van een volledige ophef­fing van een personele pa­ro­chie, die immers altijd tege­lijk met een territoriale pa­ro­chie in hetzelfde gebied aanwe­zig is. Wanneer een personele pa­ro­chie, bestemd voor bij­voor­beeld een bepaalde etnische groep of stu­den­ten, wordt opgeheven omdat deze bij­zon­dere pas­to­rale zorg niet langer nodig wordt geacht, kan niet van een vereni­ging of samen­voe­ging gesproken wor­den. In dat geval vallen de goederen en de vermogens­rechten over­een­komstig canon 123 toe aan het bisdom, tenzij het par­ti­cu­lier recht of het oprich­tings­de­creet (dat de plaats inneemt van de in canon 123 vermelde statuten) anders bepalen.27 J. Myers stelt een­vou­dig dat wat er gebeurt met de goederen en vermogens­rechten van de pa­ro­chie afhangt van de aard van het besluit van de Bis­schop: gaat het om een vereni­ging van pa­ro­chies (samen­voe­ging) of om ophef­fing.28 In geval van ophef­fing is canon 123 van toepas­sing en gaat het vermogen naar het bisdom. Ook in dit geval moeten - zoals steeds - de wil van stichters en schenkers en verworven rechten wor­den ge­res­pec­teerd, aldus het voor­schrift van deze canon. Daneels voegt daaraan nog toe dat billijk­heid (aequitas) in geval van ophef­fing van een personele pa­ro­chie vraagt dat tenminste een gedeelte van de goederen naar de territoriale pa­ro­chies gaat die nu de pas­to­rale zorg voor de pa­ro­chi­anen van de opgeheven pa­ro­chie geheel moeten overnemen. Hij lijkt een volledige ophef­fing van een territoriale pa­ro­chie niet als moge­lijk­heid te viseren omdat het gebied van de opgeheven pa­ro­chie altijd deel uit zal moeten blijven maken van een of meer andere pa­ro­chies.29 Toch voorziet canon 515 uit­druk­ke­lijk de moge­lijk­heid van ophef­fing. Een toepas­sing van canon 123 is dan ook niet uit te sluiten, waar het om de ophef­fing van een territoriale pa­ro­chie gaat. Wanneer bij­voor­beeld een derge­lijke pa­ro­chie wordt opgeheven omdat de katho­lie­ke bewoners groten­deels vertrokken zijn en de wijk is ont­volkt of hoofd­za­ke­lijk wordt bevolkt door allochtonen met een andere gods­dienstige ach­ter­grond, dan wordt het gebied weliswaar bij andere pa­ro­chies inge­deeld, maar zonder veel pas­to­rale con­se­quenties voor de pa­ro­chies die dit territorium overnemen. Het ker­ke­lijk wet­boek definieert de pa­ro­chie in navol­ging van het tweede Vati­caans concilie als “ge­meen­schap van christen­ge­lo­vigen” (c. 515 §1) en dit brengt met zich mee dat de Bis­schop de pa­ro­chie­struc­tuur terecht opheft wanneer de ge­meen­schap is gaan ontbreken. In dit geval is sprake van een ophef­fing in de zin van canon 123 en vervallen goederen en vermogens­rechten aan de on­mid­del­lijke hogere rechts­persoon, het diocees. Het kan billijk zijn dat in dit geval een deel van het bezit wordt toe­ver­trouwd aan de pa­ro­chies waarheen de gelo­vi­gen van de opgeheven pa­ro­chie zijn verhuisd. Van samenvoegen of verenigen van pa­ro­chies zou naar mijn mening gesproken moeten wor­den wanneer het gaat om de fusie van twee tame­lijk gelijk­waar­dige rechts­personen. Men zou van ophef­fing van een pa­ro­chie dienen te spreken wanneer de gelo­vi­ge ge­meen­schap in aantal zo sterk is terug gelopen dat in rede­lijk­heid niet langer van een pa­ro­chie­ge­meen­schap gesproken kan wor­den (of wanneer de fi­nan­ciële mid­de­len zozeer geslonken zijn dat de pa­ro­chie­struc­tuur niet langer in stand kan wor­den gehou­den). In dat geval is canon 123 van kracht, met billijk­heid toegepast.

Bij samen­voe­ging van pa­ro­chies moet een kerk als paro­chie­kerk door de Bis­schop wor­den aangewezen. Uit de bepalingen van het ker­ke­lijk wet­boek kan wor­den afgeleid dat dit dient te gebeuren: zo geldt als regel dat doopsels plaats­vin­den in de eigen paro­chie­kerk (c. 857-859); in elke paro­chie­kerk moet de aller­hei­ligste Eucha­ris­tie wor­den bewaard (c. 934 §1, n. 1); hu­we­lij­ken tussen gedoopten dienen in de paro­chie­kerk te wor­den gevierd, tenzij de Ordinaris of de pastoor verlof geeft de viering elders te hou­den (c. 1118 §1) en de uitvaart moet in het algemeen in de kerk van de eigen pa­ro­chie wor­den gevierd (c. 1177 §1). De pastoor is aan de ver­plich­ting gehou­den woo­nachtig te zijn in een pastorie nabij de kerk, tenzij hij in bij­zon­dere gevallen toestem­ming heeft verkregen van de Ordinaris om elders te wonen “vooral in een gemeen­schap­pe­lijk huis voor meerdere priesters” (c. 533 §1); hij heeft de ver­plich­ting om elke zon­dag en verplichte feest­dag een Mis op te dragen tot intentie van het hem toe­ver­trouwde volk of die bij wettige verhindering te laten opdragen door een andere priester of die zelf op andere dagen op te dragen (c. 534 §1). Deze bepalingen brengen met zich mee dat moet wor­den bepaald welk gebouw de paro­chie­kerk is, in de omgeving waarvan de pastoor dus woo­nachtig dient te zijn. De Bis­schop heeft de bevoegd­heid een afwe­ging te maken en zelf een kerk aan te wijzen.30 De aan­wij­zing van de paro­chie­kerk betekent overigens niet dat andere kerken in het gebied van de pa­ro­chie wor­den gesloten. Deze blijven in beginsel bestaan als open­ba­re kerk waarin alle han­de­lin­gen van god­de­lijke ere­dienst voltrokken mogen wor­den met eerbiedi­ging van de parochiële rechten (c. 1219). Deze kerken kunnen door gelo­vi­gen voor zichzelf of door hen die de zorg voor de ker­ke­lijke uitvaart van een overle­den gelo­vi­ge dragen, vrij wor­den uitgekozen voor de uitvaart­plech­tig­heid (c. 1177 §2); met verlof van de pastoor kunnen hu­we­lij­ken er wor­den gevierd (c. 1118 §1) en wanneer er een doopvont is, kunnen gelo­vi­gen de kerk om een gerecht­vaar­digde reden (“iusta causa”) kiezen voor de viering van het doopsel (cc. 857 §2; c. 858).

3. Slui­ting van een kerk

Een kerk kan aan de ere­dienst wor­den onttrokken wanneer de kerk niet meer (“op geen enkele wijze”) kan wor­den gebruikt voor de god­de­lijke ere­dienst en er geen moge­lijk­heid is om haar te herstellen, bij­voor­beeld omdat er niet voldoende fi­nan­ciële mid­de­len zijn. In dit geval kan de dio­ce­sane Bis­schop de kerk zonder nadere voor­waar­den terug brengen “tot een profaan en niet onwaardig gebruik”. Een consul­ta­tie van de priesterraad is in dit geval niet verplicht. Deze bevoegd­heid van de Bis­schop beant­woordt aan hetgeen in de codex van 1917 bepaald was in canon 1187, met dien verstande dat niet langer wordt voorge­schre­ven dat de ver­plich­tingen met de bij­be­ho­rende in­kom­sten en de titel van de pa­ro­chie, als het om een paro­chie­kerk ging, naar een andere kerk moeten wor­den over­ge­bracht.31 

Het huidige wet­boek voegt een tweede paragraaf toe die de moge­lijk­heid voorziet ook in andere gevallen een kerk aan de ere­dienst te onttrekken, “waar andere ernstige redenen het raadzaam maken”. In dit geval dient de Bis­schop eerst de priesterraad te horen, alvorens hij per decreet de beslis­sing neemt. Voorts moet toestem­ming verkregen wor­den van hen die wettig rechten op de kerk laten gel­den en mag het zielenheil er geen schade door onder­vin­den (c. 1222 §2). De wettige rechten waarvan sprake is betreffen vooral rechten in strikte zin ten aanzien van het ker­ke­lijk goed, die voort­ko­men uit de stich­ting of bouw van de kerk.32 Het wil niet zeggen dat iemand die iets aan de kerk geschonken heeft, bij­voor­beeld een altaar, daaraan het recht kan ontlenen dat de kerk niet mag wor­den gesloten zonder zijn toestem­ming. Het heil van de zielen zou schade lij­den wanneer de gelo­vi­gen door de kerk­slui­ting niet zonder ernstig ongemak naar een andere kerk zou­den kunnen gaan.33

Het sluiten van een kerk, zodat die niet meer wordt gebruikt voor de ere­dienst, wordt in de ju­ris­pru­den­tie van de Signatuur gelijk­ge­steld aan onttrek­king aan de ere­dienst.34

In het geval voorzien in canon 1222 §2 moeten er dus “ernstige” redenen (graves causae) zijn die het raadzaam maken de kerk aan de ere­dienst te onttrekken, niet slechts goede of gerecht­vaar­digde redenen (“iustae causae”). Uit de ju­ris­pru­den­tie van de Apos­to­lische Signatuur blijkt dat de dio­ce­sane Bis­schop moet afwegen of de fi­nan­ciële mid­de­len die nodig zijn voor het behoud en herstel van de kerk opwegen tegen de nood­zaak of het nut dit kerk­ge­bouw te behou­den, tegen de ach­ter­grond ook van de andere apos­to­laatsver­plich­tingen, zoals het verlenen van hulp aan de armen. Daar­naast moeten andere omstandig­he­den van plaats en personen wor­den afgewogen.35 Onvoldoende reden is dat de kerk na samen­voe­ging van pa­ro­chies niet meer nodig is voor de pas­to­rale zorg, dat zij niet meer past in een algeheel pas­to­raal plan, dat de pastoor en de priesterraad de kerk wensen te sluiten of dat de een­heid van de pa­ro­chie of een centrale gemeen­schap­pe­lijke viering van de Eucha­ris­tie erdoor wor­den bevorderd. Deze redenen zijn als onvoldoende be­oor­deeld om te kunnen spreken van “graves causae”, die wel aanwe­zig wer­den geacht te zijn waar de Bis­schop een tame­lijk arme ge­meen­schap niet wilde belasten met de res­tau­ra­tie­kos­ten van een kerk, terwijl een goed onder­hou­den en voldoende grote kerk op tame­lijk geringe afstand aanwe­zig was.36 Een ander vonnis van de Apos­to­lische Signatuur bevestigde het besluit van een Bis­schop drie kerken aan de ere­dienst te onttrekken na de samen­voe­ging van vijf pa­ro­chies, gezien de zwakke fi­nan­ciële positie van de nieuwe pa­ro­chie en het slinkende aantal gelo­vi­gen dat de kerk bezocht en fi­nan­cieel bijdroeg om de pa­ro­chie te onder­steunen.37 In dit geval wer­den de bezwaren van gelo­vi­gen tegen de kerk­slui­tingen dus verworpen. De “ernstige redenen” moeten blijk­baar minstens ten dele betrek­king hebben op de moei­lijk­heid om deze kerk te kunnen behou­den, bij­voor­beeld doordat daarvoor disproportionele mid­de­len nodig zijn of mid­de­len die nau­we­lijks gemist kunnen wor­den.

In beide gevallen - het onttrekken aan de ere­dienst van een kerk die niet langer behou­den kan blijven én het terugbrengen van een kerk tot een profaan gebruik om andere ernstige redenen - wordt de kerk terug gebracht tot “een profaan en niet onwaardig gebruik” (c. 1222). Dit betekent in ieder geval dat het gebruik van het gebouw niet in mag gaan tegen de natuurwet en dat geen aanstoot mag wor­den gegeven aan de gelo­vi­gen. Overigens wordt het oor­deel over een al dan niet passende bestem­ming aan de Bis­schop over­ge­la­ten.

Het decreet waar­mee de Bis­schop een kerk aan de ere­dienst onttrekt zal refereren aan wezen­lijke ele­menten van de pro­ce­dure, met name de consul­ta­tie van de priesterraad in geval van een onttrek­king aan de ere­dienst over­een­komstig canon 1222 §2 en de ernstige redenen tenminste summier vermel­den (vgl. c. 51). Ook zal de wijze van uit­voe­ring en beteke­ning wor­den aange­ge­ven en de datum waarop het besluit daad­wer­ke­lijk van kracht wordt. Het decreet zal - zoals dat bij elk decreet het geval is - mede wor­den ondertekend door de kanselier of een andere notarius (vgl. c. 483 §1). In het decreet kunnen de beroeps­moge­lijk­heden wor­den aange­ge­ven, die in dit geval iets groter zijn dan in het geval van een samen­voe­ging of ophef­fing van pa­ro­chies.

Besluit

De ophef­fing of samen­voe­ging van pa­ro­chies en de slui­ting van een kerk kunnen zeer emo­tio­nele processen zijn. Het is be­lang­rijk dat de gelo­vi­gen kunnen ervaren dat het nood­za­ke­lijk is dat deze stappen wor­den ondernomen en dat de pastoor, de Bis­schop en andere verant­woor­de­lijken voor dit proces zelf betreuren dat deze maat­regelen moeten wor­den genomen, dat de redenen waarom deze stappen moeten wor­den genomen dui­de­lijk wor­den ge­com­mu­ni­ceerd en dat de gelo­vi­gen wor­den uit­ge­no­digd mee te denken en spreken over de beste oplos­sing, gegeven de situatie. Gezien de emoties waar­mee in sommige gevallen de ophef­fing van een pa­ro­chie of de slui­ting van een kerk gepaard gaat, is deskundige be­ge­lei­ding van het proces gewenst. Er zijn echter in toe­ne­mende mate omstandig­he­den aan te wijzen waarin de gelo­vi­gen zelf tot de over­tui­ging komen dat een derge­lijke beslis­sing onontkoom­baar is.

In dit artikel hebben we vooral stilgestaan bij de canoniek­rechte­lijke kant van de pro­ce­dures die tot ophef­fing of samen­voe­ging van pa­ro­chies of de slui­ting van kerken lei­den en bij het feit dat deze beslis­singen uit­ein­de­lijk ten dienste staan van het heil van de gelo­vi­gen, omdat zij pa­ro­chie­ge­meen­schappen beogen te creëren die voldoende vitaal zijn om de ecclesiale dimensie en de wezen­lijke taken van een pa­ro­chie te rea­li­se­ren.

Volk van God. Structuur en inrich­ting van de rooms-katho­lie­ke kerk volgens het Wetboek van canoniek recht (cc. 204-746) (Oegstgeest, 2006), 325 pp.



1 Vgl. ook cc. 776-777.779-780; vgl. CONGREGATIE VOOR DE CLERUS, Instructie De priester, herder en leidsman van de pa­ro­chie­ge­meen­schap, 4 aug. 2002, in: Ker­ke­lijke Do­cu­men­ta­tie 31(2003), pp. 1-31; IDEM, Do­cu­ment De priester en het derde millennium, 19 maart 1999, in: Ker­ke­lijke Do­cu­men­ta­tie 29(2001), pp. 1-29; CONGREGATIE VOOR DE BISSCHOPPEN, Directorium Apostolorum successores, voor het pas­to­raal dienst­werk van de Bis­schop­pen, 22 febr. 2004 (Città del Vaticano, 2004); naast de hieronder geci­teerde literatuur, zie ook: A. BORRAS, Les communautés paroissales. Droit canonique et perspectives pas­to­rales (Paris, 1996); J. HENDRIKS, Volk van God. Structuur en inrich­ting van de Rooms-Katho­lie­ke Kerk volgens het Wetboek van Canoniek Recht (cc. 204-746) (Oegstgeest, 2006), pp. 182-219 .

2 Decreet Apostolicam Actuositatem, n. 10; vgl. Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 211.

3 Vgl. P. PAULUS VI, Adhortatio Apostolica Evangelii Nuntiandi, 8 dec. 1975, in: AAS 58 (1976), pp. 5-76, hier nn. 51-56; Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 210.

4 P. JOHANNES PAULUS II, Post­sy­no­dale Apos­to­lische Adhor­ta­tie Christifideles laici, 30 dec. 1988, in: AAS 81(1989), pp. 393-521, hier n. 34; Neder­landse vertaling in: Ker­ke­lijke Do­cu­men­ta­tie 17(1989), pp. 168-258. In deze geest heeft paus Johannes Paulus II de ge­meen­schappen van de Neocatechumenale Weg als een be­lang­rijk hulp­mid­del voor de nieuwe evangeli­sa­tie gekwalificeerd (Brief Ogniqual­volta, 30 aug. 1990, in: AAS 82(1990), p. 1515).

5 Do­cu­ment De priester..., o.c., n. 1.

6 Christifideles laici, o.c., n. 26.

7 Vgl. Dogma­tische Con­sti­tu­tie over de Kerk Lumen gentium, n. 28; Con­sti­tu­tie over de heilige Liturgie Sacrosanctum concilium, n. 4; vgl. Christifideles laici, o.c., n. 26; Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 212.

8 Vgl. CIC cc. 369 en 381 met c. 519, vgl. TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Decreet Christus Dominus 30 over de herder­lijke taak van de Bis­schop­pen in de Kerk (CD): “Op heel bij­zon­dere wijze zijn de pastoors mede­wer­kers van de Bis­schop. Aan hen immers is - onder diens gezag - de ziel­zorg toe­ver­trouwd als eigen herders in een bepaald deel van het diocees”; c. 479 met c. 545; cc. 492 en 511 met cc. 536 en 537; c. 388 met c. 534.Vgl. ook SC 42; vgl. AAVV, La Parrocchia (Gruppo Italiano docenti di diritto canonico, Milano, 2005), met name de artikelen van T. CITRINI, R. CORONELLI en G.P. MONTINI..

9 Christifideles laici, n. 26.

10 6 aug. 2000, in: AAS 92(2000), pp. 742-765, hier n. 17. De Neder­landse vertaling luidt hier - minder juist - “in strikte zin”, in: Ker­ke­lijke Do­cu­men­ta­tie 28(2000), pp. 297-315.

11 Vgl. CIC, c. 528 §2; Cate­chis­mus van de Katho­lie­ke Kerk, nr. 2179; CD 30, 2: “ Celebratio eucharistici sacrificii centrum sit et culmen totius vitae communitatis christianae”. SC 42: “...quo­dammodo raepresentant ecclesiam visibilem per orbem terrarum constitutam”; vgl. N. CIOLA (ed.), La parrocchia in un’ ecclesiologia de comunione (Bologna, 1996).

12 Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 210.

13 Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 211; Instructie De priester, herder en leidsman van de pa­ro­chie­ge­meen­schap, n. 29, 4, p. 28.

14 Vgl. Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 214. Ver­schil­lende aanzetten hiertoe wor­den gegeven door: J.B. CAPPELLARO, Edificare la Chiesa locale. Guida alle strutture dio­ce­sane e parrocchiali (Città del Vaticano, 1999); J. VAN DER VLOET (ed.), De toe­komst van de pa­ro­chie (Wommelgem, 1987); A. MEIJERS (ed.), De pa­ro­chie van de toe­komst (Scripta canonica 2, Leuven, 1998).

15 Ibidem, n. 214.

16 Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 215c; vgl. c. 517 §2; Instructie De priester, herder en leidsman van de pa­ro­chie­ge­meen­schap, o.c., nn. 19 en 23. Dit laat onverlet dat diakens mee­werken en leken hulp bie­den bij de ver­kon­di­gingstaak, de heili­gingstaak en de be­stuurs­taak, over­een­komstig canon 519. 

17 F. DANEELS, “Soppressione, unione di parrocchie e riduzione ad uso profano della chiesa parrocchiale”, in: La parrocchia (Studi giuridici XLIII, Città del Vaticano, 1997), pp. 85-112, hier pp. 91-92; B. DALY, “Removal of pastor when parish is suppressed”, in: A. ESPELAGE (ed.), CLSA advisory opinions 2001-2005 (Alexandria VA, 2006), pp. 162-166, hier: p. 163.

18 DANEELS, a.c., p. 89: ‘Anche se ciò non viene detto esplicita­mente nel canone, è evi­dente­mente richiesta una giusta causa, perché l’esercizio dell’autorità pas­to­rale non può mai essere arbitrario nella Chiesa, ma deve attenersi ai criteri di buon governo, pro­mo­vendo la ‘salus animarum’”.

19 DANEELS, a.c., p. 93.

20 Ibidem, p. 94.

21 J. HENDRIKS, “Verant­woor­de­lijk­heid en aansprake­lijk­heid van de dio­ce­sane bis­schop volgens canon 128", in: K. MARTENS (ed.), Verant­woor­de­lijk­heid en aansprake­lijk­heid van de dio­ce­sane bis­schop (Leuven, 2003), p. 37-68, m.n. pp. 65-66; IDEM, “Canone 128: riparazione del danno. Obblighi e responsabilità del vescovo dio­ce­sano”, in: Ius Ecclesiae 15(2003), pp. 427-457, hier: pp. 454-456.

22 J. LOYSON, “Kerk­slui­ting: afbraak of voortgang”, in: MEIJERS (ed.), o.c., pp. 225- 235, hier p. 230.

23 Vgl. opinies van B. DALY, Th. PAPROCKI en I. WATERS ter­zake, in: CLSA opinions 2001-2005, o.c., pp. 162-169.

24

 Vgl. ook DANEELS, a.c., p. 91: “ Riguardo ai donatori ritengo trattarsi non di contributi normali dei fedeli alla vita e sussistenza della loro parrocchia, ma di specifiche donazioni ancora vale­voli al momento della soppressione della parrocchia”.

25 “Erworbene Rechte (iura quaesita) sind beanspruch­ba­re Befugnisse, die durch rechtserhebliches Handeln (bewußt gewolltes Tun oder Unterlassen) nach maßgabe des objektiven Rechtes erlangt wur­den” (H. SOCHA, in: Kl. LÜDICKE (ed.), Münsterischer Kommentar zum Codex Iuris Canonici (los­bladig, stand 1991, Essen 1984vv.) c. 4, n. 2; “Iura ... quaesita ea sunt quae, iam facta applicatione anteriorum legum, alicui competunt” (A. VERMEERSCH, I. CREUSEN, Epitome Iuris Canonici, dl. 1 (Mechlina, Roma, 1963), n. 74, 2); vgl. DANEELS, a.c., pp. 90-91.

26 DANEELS, a.c., p. 90; H. PREE, in: Münsterischer Kommentar, o.c. (stand 2000), c. 121, n. 2.

27 DANEELS, a.c., p. 91.

28 J. MYERS, “Suppression and merger of parishes: brief overview of canonical issues”, in: P. COGAN (ed.), CLSA advisory opinions 1984-1993 (Washington DC, 1995), pp. 110-113, hier p. 112.

29 Ibidem, pp. 90-91.

30 Vgl. HENDRIKS, “Obblighi...”, a.c., pp. 455-456; IDEM, “Verant­woor­de­lijk­heid...”, p. 66, met ver­wij­zing naar ju­ris­pru­den­tie van de Signatura.

31 Codex Iuris Canonici [1917], Pii X P.M. iussu digestus, Benedicti Pp. XV auctoritate promulgatus (Typis polyglottis Vaticanis, 1974).

32 DANEELS, a.c., p. 99 onder ver­wij­zing naar een uit­spraak van de Signatura van 21 nov. 1987; J. LOYSON, a.c., p. 229.

33 DANEELS, a.c., p. 100.

34 Ibidem, p. 99.

35

 Ibidem, pp. 96-97; PONTIFICIA COMMISSIONE PER I BENI CULTURALI DELLA CHIESA, rondzend­brief Fra le sollecitudini, 10 apr. 1994, in: Enchiridion Vaticanum 14 (Bologna, 1997), nn. 918-947, hier n. 927: “”Qualora si tratti di ricuperare edifici da molto tempo in disuso, è bene valutare il senso reale di tale operazione.... Non si tratta di restaurare ad ogni costo quanto è ridotto in sfacelo per riafffermare un certo prestigio nell’ambito di poteri estranei alla Chiesa; occorre, al contrario, saper affermare il primato della lode a Dio senza dimenticare le sofferenze del suo popolo...“.

36 DANEELS, a.c., pp. 97-98, met voetnoot 37.

37 Ibidem, p. 98.

Terug