Arsacal
button
button
button


Herindeling van parochies en kerksluiting

Met het oog op een vitale Kerk

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: woensdag, 4 januari 2017
Maria Magdalenakerk in Amsterdam in 1968 wegens steenrot gesloopt
Maria Magdalenakerk in Amsterdam in 1968 wegens steenrot gesloopt

Het zal voor bijna iedereen wel duidelijk zijn dat het noodzakelijk is geworden parochies op te heffen of samen te voegen en bepaalde kerk­ge­bouwen niet langer voor de eredienst te bestemmen. Dit is nodig geworden door de vergrijzing, het sterk terug gelopen aantal gelovigen dat aan de eredienst deelneemt en in samenhang daarmee de verminderde be­schik­baarheid van financiële middelen. Toch is het van belang deze situatie niet slechts defensief te benaderen, als een “ krimpscenario” dat de Kerk steeds verder in een hoek drijft. Het gaat er op de eerste plaats om een zodanige situatie te scheppen dat er vitale parochie­ge­meen­schappen ontstaan, die hun zending kunnen vervullen, zoals die wordt beschreven in de canones 528-530 van het Wetboek van canoniek recht (Codex Iuris Canonici, CIC) en in andere kerkelijke documenten.1

1. Kenmerken van een (vitale) parochie

Het tweede Vaticaans concilie heeft beklemtoond dat de parochie een duidelijk voorbeeld is van gemeen­schap­pe­lijk apostolaat en heeft de leken uitgenodigd nauw met de priesters samen te werken en aan alle apos­to­lische en missio­naire ac­ti­vi­teiten van de parochie naar vermogen de helpende hand te bieden.2

Als eerste taak van de pastoor en de parochie wordt steeds de verkondiging van het geloof genoemd aan de christen­ge­lo­vigen die actief deel uit maken van de parochie én aan hen die niet geloven, niet katholiek zijn of niet praktiseren: de pastoor “dient er zich met alle kracht op toe te leggen, ook de inspanningen van christen­ge­lo­vigen erbij betrekkend, dat de evangelische bood­schap ook tot diegenen komt die de godsdienstige praktijk opgegeven hebben of het ware geloof niet belijden” (c. 528 §1).3 De noodzaak van deze evan­ge­li­sa­tie, waartoe paus Paulus VI al had uitgenodigd, werd door paus Johannes Paulus II bij vele gelegenheden vermeld en onderstreept. Deze paus riep op tot een “nieuwe evan­ge­li­sa­tie”, na het geloofs­ge­tui­genis van de eerste mis­sio­na­rissen, waarbij hij een bijzondere rol zag weggelegd voor de leken en opriep tot de vorming van gemeen­schappen die in het geloof meer gerijpt zijn (“maturiores ecclesiales communitates”).4

Natuurlijk heeft dit een bijzondere betekenis voor de parochies, die als gemeen­schappen van gelovigen geroepen zijn het geloof uit te stralen naar wie er verder af staan. “De Kerk heeft echte getuigen nodig die het evangelie uitdragen in alle lagen van het maat­schap­pe­lijk leven”.5

Een eerste wezens­ken­merk van een parochie is derhalve dat zij missio­nair is en bijdraagt aan de verkondiging van het geloof, ook aan hen die zich niet tot de parochie­ge­meen­schap rekenen.

Theologisch wordt de parochie erdoor gekenmerkt dat zij ecclesiaal is: “Zij is in zekere zin de Kerk zelf die leeft temidden van de huizen van haar zonen en dochters”.6 Het tweede Vaticaans concilie accentueert dat de priester in de plaatselijke gemeen­schap de Bisschop te­gen­woor­dig stelt, diens plaatsvervanger is; zo stellen de parochies “in zekere zin de zichtbare, over heel de wereld gevestigde Kerk actueel te­gen­woor­dig” en daarmee bezitten zij - door de priester die deel heeft aan het apos­to­lisch ambt - de ecclesiale dimensie waardoor zij de particuliere Kerk aanwezig stellen en een universeel-kerkelijke dimensie bezitten. De pastoor stelt in een plaatselijke gemeen­schap van het diocees het dienstwerk van de Bisschop als leraar, priester en herder te­gen­woor­dig.7 Het is daarom niet verwonderlijk dat de parochiële structuren een “afbeelding” zijn van de inrichting van het diocees met (parochie-)vicarissen, een raad voor economische aan­ge­le­genheden (kerk­bestuur) en eventueel een pastorale raad en een “eigen herder” (“proprius pastor”) aan het hoofd, die tot taak heeft te verkondigen, te heiligen en het herderlijke ambt te vervullen (cc. 528-529 en 383-390) en die onder meer de “Mis voor het volk” (Missa pro populo) dient op te dragen.8 Enerzijds verwijst het Concilie dus naar het apos­to­lisch ambt, dat in de apos­to­lische successie wordt doorgegeven, als oorzaak van de ecclesiale dimensie en de theologische basis van de parochie, anderzijds wordt het fundament van dit theologisch karakter gezocht in het feit dat de parochie eucharistisch is. “Uit­ein­de­lijk is de parochie gegrondvest op een theologische werkelijkheid, want zij is een eucharistische gemeen­schap”.9 Deze beide aspecten - het priesterlijk en het eucharistische karakter - hangen natuurlijk nauw samen, zoals ook blijkt uit de aangehaalde concilie-teksten en de passage van Christifideles laici. De conciliaire Constitutie Sacrosanctum concilium beklemtoont dan ook de ecclesiale dimensie van de liturgie.

Het is dus niet verwonderlijk dat de verklaring Dominus Iesus van de Con­gre­ga­tie voor de geloofsleer - in overeenstemming met het tweede Vaticaans concilie - het Kerk-zijn verbindt met het apos­to­lisch ambt en de Eucha­ris­tie en stelt dat kerkelijke gemeen­schappen geen Kerken zijn in eigenlijke zijn (“sensu proprio”) waar deze beide kenmerken ontbreken.10

De eerste taak van de parochie is derhalve de verkondiging van het Woord van God, ook aan hen die niet aan het leven van de parochie­ge­meen­schap deelnemen. Het wezens­ken­merk van de parochie waardoor de Kerk te­gen­woor­dig wordt gesteld, bestaat uit twee aspecten die nauw samenhangen: de deelname van de priester aan het apos­to­lisch ambt en het Eucharistische karakter.

Hiermee zijn tevens de voornaamste beginselen aangegeven volgens welke iedere nieuwe organisatie van de parochiële structuur zal dienen plaats te vinden: in iedere parochie zal de aller­heiligste Eucha­ris­tie, met name de zondagse Eucha­ris­tie­viering centraal dienen te staan en zal een priester herder zijn van de gemeen­schap; de parochie is immers de voornaamste cel en lokale “te­gen­woor­dig­stel­ling” van de particuliere Kerk.11

Het Directorium voor de pastorale taak van de Bis­schop­pen noemt daarnaast nog andere kenmerken die een parochie dient te bezitten en waarmee dus bij de diocesane organisatie van de parochie­struc­tuur rekening moet worden gehouden: de gelovigen dienen een echte kerkelijke gemeen­schap te kunnen vormen die samenkomt om de Eucha­ris­tie te vieren en het Woord van God te vernemen, die de naasten­liefde beoefent door lichamelijke en geestelijke werken van barm­har­tig­heid; de herders moeten de gelovigen per­soon­lijk kunnen leren kennen en blijvend pastorale bijstand kunnen verlenen en de moge­lijk­heid krijgen om de taken te vervullen die het canoniek recht aan hen toevertrouwt.12 Voorts ziet dit Directorium als karakteristieke eigen­schappen van een gezonde parochie met pastorale effec­ti­vi­teit: de goede samen­wer­king van de aan de parochie ver­bonden priesters; bevordering van de deelname van de gelovigen aan de parochie-ac­ti­vi­teiten, met respect voor hun verant­woor­de­lijk­heid en aandacht voor hun mening; bevordering van parochiële verenigingen en groepen ten behoeve van de catechese en de openbare eredienst, vooral van de publieke, door de Kerk opgerichte verenigingen; de oprichting van centra van vorming en opvoeding, zoals catecheseclubs, crèches en scholen, vormings­bij­een­komsten voor jongeren, centra voor caritatieve en sociale bijstand en voor gezinspastoraal, bibliotheken, enzovoorts.13 Kortom: de kerkelijke documenten zien een parochie als een geloofs­ge­meen­schap die instaat voor de verkondiging van het evangelie en naast haar Eucharistische dimensie en haar ver­bondenheid met het apos­to­lisch ambt door de herderlijke aanwezigheid van de pastoor, ook andere initiatieven vermag te verwerkelijken waardoor zij de mensen binnen het gebied van de parochie kan bereiken. Een belangrijk criterium voor de parochiële organisatie in het bisdom is derhalve dat er vitale parochies ontstaan die een breed scala aan ac­ti­vi­teiten kunnen realiseren.14

2. Procedure voor de opheffing of samenvoeging van een parochie

Het initiatief tot het oprichten, opheffen, samenvoegen of veranderen van een parochie kan natuurlijk van ver­schil­lende zijden komen: vanuit de parochie, van de deken of naburige parochies of van de Bisschop of een bisschoppelijke dienst, bij­voor­beeld in het kader van een algemeen diocesaan plan om te komen tot een vernieuwde opzet van de parochie­struc­tuur.

De beslissing tot het oprichten, opheffen, samenvoegen of veranderen van parochies komt echter alleen aan de diocesane Bisschop toe, volgens canon 515 §2. Dit betekent dat de vicaris-generaal hiertoe niet gerechtigd is, ook niet wanneer hij hulp­bis­schop is, tenzij met speciaal mandaat van de Bisschop (c. 479 §1). Zij die door het recht zijn gelijkgesteld met een diocesane Bisschop, met name degenen die aan het hoofd staan van een territoriale prelatuur of abdij, van een apos­to­lisch vicariaat, bestendig opgerichte apos­to­lische administratie of apos­to­lische prefectuur, bezitten dit recht wél (cc. 368 en 381 §2).

Het opheffen van een parochie - en meer nog het sluiten van een kerk - kan aanleiding geven tot hevige emoties: gelovigen hebben een geeestelijke en emotionele band met de parochie en de kerk waar zij God ontmoeten en op de belangrijkste momenten van hun leven de heilige sacramenten hebben ontvangen. Daarom vereisen opheffing of samenvoeging en vooral sluiting van een kerk een goede begeleiding en voor­be­rei­ding. Canon 50 van het kerkelijk wetboek verplicht de kerkelijke overheid - in dit geval de Bisschop (of de vicaris-generaal met speciaal mandaat van de Bisschop) - “de nodige inlichtingen en bewijzen in te winnen en, voor zover mogelijk, hen te horen wier rechten geschonden kunnen worden” alvorens een decreet uit te vaardigen. Dit houdt in dat nagegaan moet worden welke de redenen zijn die worden aangedragen om parochies op te heffen of samen te voegen en of die redenen onderbouwd zijn, en dat de parochianen van de betreffende parochie(s) voor zover mogelijk gehoord dienen te worden. Het ligt dan ook voor de hand parochianen inzicht te geven in de achtergronden van een mogelijk besluit ten aanzien van hun parochie. Ook zal moeten worden nagegaan of derden wellicht rechten hebben verkregen die van invloed zijn op een splitsing, opheffing of samenvoeging.

De beslissing om over te gaan tot oprichting, opheffing of verandering van een parochie komt dus aan de Bisschop toe en dat geldt ook voor het maken van de afwegingen die tot een dergelijk besluit leiden, aangezien aan de Bisschop de herderlijke bevoegdheid toekomt met de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht (cc. 381 §1 en 391 §§1 en 2). Het Directorium voor de pastorale taak van de Bis­schop­pen vermeldt niet alleen de zojuist genoemde kwaliteiten die een parochie zou moeten bezitten en die even zo vele afwegingscriteria vormen, maar ook over­we­gingen van meer algemene aard waardoor de Bisschop zich bij zijn beslissing moet laten leiden: de organisatie van de parochiestructuren moet aangepast zijn aan de vereisten van de zielzorg, bezien binnen het grotere geheel (“in una visione globale e organica”), zodat iedereen door de parochie-structuren bereikt kan worden en overal een presentie mogelijk wordt. Het Directorium voorziet splitsing van te grote parochies, fusies van te kleine, oprichting van nieuwe parochies en ook bij­voor­beeld een geheel nieuwe indeling van de parochies van eenzelfde stad.15 Ook kunnen het aantal beschikbare priesters en de financiële situatie redenen zijn om het aantal parochies aan te passen. De Bisschop dient namelijk zo spoedig mogelijk een einde te maken aan een situatie waarin iemand die geen priester is, belast wordt met de pastorale zorg voor een parochie, ook al is dat volgens het voor­schrift van canon 517 §2 onder leiding van een priester.16 Wat de financiële aspecten betreft moet nog worden opgemerkt dat het opheffen of samenvoegen van parochies niet automatisch de sluiting van een kerk inhoudt en dat ernstige financiële tekorten weliswaar de sluiting van een kerk noodzakelijk kunnen maken, maar dat dit een eigen afweging en besluit vraagt. Indien de opheffing van de parochie tevens de sluiting van de kerk met zich meebrengt, dient dit bij de consultatie van de priesterraad vermeld en beargumenteerd te worden (tenzij de kerk op geen enkele wijze voor de eredienst kan worden gebruikt en er geen moge­lijk­heid is ze te herstellen, c. 1222).

De Bisschop kan een parochie pas oprichten, opheffen of in belangrijke mate veranderen na de priesterraad te hebben gehoord. De priesterraad moet de gelegenheid hebben gekregen een advies uit te spreken ( “audito consilio presbyterali”, c. 515 §2). Deze consultatie is vereist voor de geldigheid van de act van oprichting, opheffing of aanmerkelijke verandering (c. 127 §2 n. 2; vgl ook “nisi”, c. 515 §2 met c. 39). In ver­schil­lende gevallen werd bij de Con­gre­ga­tie voor de Clerus en vervolgens bij de Apos­to­lische Signatuur in Rome een beroep ingesteld tegen een beslissing van een diocesane Bisschop om een parochie op te heffen, waarbij de vordering werd toegekend omdat de Bisschop verzuimd had de priesterraad te raadplegen alvorens het besluit te nemen. Vereist is dat de consultatie plaats vindt voor de beslissing is genomen en dat niet slechts gelegenheid wordt geboden een vraag te stellen of een opmerking te maken, maar dat inderdaad een advies aan de raad wordt gevraagd.17 De Bisschop is niet verplicht het gegeven advies op te volgen.

Het decreet van oprichting, opheffing of verandering moet voldoen aan de gemeen­schap­pe­lijke normen voor administratieve beschikkingen: het moet schriftelijk gegeven worden - hoewel de vervulling van dit voor­schrift niet de geldigheid van het decreet raakt (c. 37) -, het mag geen verworven rechten van anderen schenden en niet met een wet of goedgekeurde gewoonte in strijd zijn (c. 38). Het wordt getekend door de diocesane Bisschop (of degene aan wie hij een speciaal mandaat heeft verleend) en de kanselier of een andere notarius (c. 483 §1) en het dient de algemene elementen te bevatten die hieronder voor het decreet bij kerksluiting worden vermeld.

In het decreet moeten tenminste summier de beweegredenen voor de beslissing worden vermeld (c. 51) en dit impliceert al dat een gerechtvaardigde reden (iusta causa) aan het besluit ten grondslag moet liggen, zoals dat voor elke uitoefening van het pastoraal gezag geldt (vgl. c. 383 §1).18 De beweegredenen moeten betrekking hebben op de onderhavige beslissing: op de vraag dus waarom deze parochie wordt opgericht, opgeheven, samen­ge­voegd of aanmerkelijk veranderd; een algemene motivatie die voor bijna ieder decreet van de Bisschop zou kunnen gelden, is dus niet voldoende.19 Anderzijds is een “iusta causa” voldoende en dit betekent dat geen heel bijzondere, dringende redenen moeten worden aangetoond. Het is zelfs heel moeilijk het ontbreken van zo’n iusta causa aan te tonen.20 In een kerkelijke beroepsprocedure zal derhalve zelden worden uitgesproken dat de rechten van de gelovigen geschonden zijn door de opheffing van een bepaalde parochie; in iets mindere mate geldt dat ook voor de sluiting van een bepaalde kerk, waarover hieronder meer.21 Het canoniek recht vraagt niet uitdrukkelijk dat in een administratief decreet wordt aangegeven op welke wijze het bestreden kan worden. J. Loyson stelt dat dit een regel is van behoorlijk bestuur en dat de moge­lijk­heid om bezwaar te maken volgens de procedure die in de canones 1734 en volgende wordt beschreven, daarom expliciet in het decreet moet worden vermeld.22 Zoals gezegd komt in deze materie echter een grote mate van discretionaliteit aan de diocesane Bisschop toe, zodat beroepsprocedures op dit terrein weinig kans maken, tenzij er procedure-fouten zijn gemaakt.

Het decreet moet vervolgens bekend worden gemaakt (betekend worden) aan degenen voor wie het bestemd is, volgens het recht, dat wil in dit geval zeggen: op de wijze die door de kerkelijke overheid is vastgesteld (cc. 54-56). Zo kan worden bepaald dat het decreet moet worden gepubliceerd in de parochiebladen van de betreffende parochies of dat het wordt overhandigd en voorgelezen bij gelegenheid van een kerkelijke viering die tevoren is aangekondigd (cc. 55-56). Het decreet heeft uit­wer­king vanaf de uitvoering of betekening en kan dan worden geürgeerd (c. 54 §2). Dit verhindert niet dat in het decreet een datum wordt vastgesteld waarop het bepaalde ingang zal vinden.

De pastoor van de parochie die wordt samen­ge­voegd of opgeheven, verliest daarmee zijn ambt, maar het kerkelijk wetboek bevat hierover geen uitdrukkelijke bepalingen. Het is niet noodzakelijk dat deze priester wordt benoemd tot pastoor van de nieuwe parochie of deel uitmaakt van de groep priesters aan wie hoofdelijk de pastorale zorg over de parochie wordt toevertrouwd (vgl. c. 517 §1 en c. 543).23 Natuurlijk dient hier de canonieke billijkheid in acht te worden genomen en het zielenheil voor ogen gehouden te worden (vgl. c. 1752). De Bisschop is vrij om het pastoorsambt toe te wijzen aan degene die hij ervoor geschikt acht, tenzij iemand het recht heeft van voordracht of verkiezing en hij de instemming heeft van de bevoegde overste indien de priester tot een instituut van gewijd leven of een sociëteit van apos­to­lisch leven behoort (cc. 523; 682 §1; 715 §2 en 738 §2).

De opheffing en samenvoeging van een parochie worden nader geregeld in het eerste boek van de Codex over de algemene normen voor rechts­personen, waartoe parochies behoren (cc.120-123). Wanneer twee parochies worden samen­ge­voegd tot één nieuwe parochie die ipso facto een publieke kerkelijke rechts­persoon is, verkrijgt de nieuwe parochie de goederen en vermogensrechten van de vroegere parochies. Ook de verplichtingen die op de “oude” parochies rustten worden overgenomen, met inachtneming van de bestemming en verplichtingen die door de stichters en schenkers aan goederen of vermogen zijn meegegeven (in deze zin moet mijns inziens de uitdrukking van de canones 121 en 123 over de “wil van de stichters en schenkers” worden verstaan).24 Voorts moeten verworven rechten worden gerespecteerd.25 Het is deze situatie die door canon 121 direct wordt geviseerd. De moge­lijk­heid dat een parochie wordt opgeheven en het gebied van de opgeheven parochie een onderdeel wordt van een naburige parochie of verdeeld wordt over ver­schil­lende parochies, wordt door deze canon niet direct in ogenschouw genomen, maar gelijkt volgens F. Daneels zeer op een vereniging of samenvoeging, terwijl H. Pree beklemtoont dat beide moge­lijk­he­den onderscheiden moeten worden.26

Pree stelt dat het vermogen van de opgeheven rechts­persoon (parochie) met rechten en plichten overgaat op de rechts­persoon (parochie) die blijft bestaan, wanneer de opgeheven rechts­persoon geheel in deze laatste parochie opgaat. Daneels vermeldt nog wel de moge­lijk­heid van een volledige opheffing van een personele parochie, die immers altijd tegelijk met een territoriale parochie in hetzelfde gebied aanwezig is. Wanneer een personele parochie, bestemd voor bij­voor­beeld een bepaalde etnische groep of studenten, wordt opgeheven omdat deze bijzondere pastorale zorg niet langer nodig wordt geacht, kan niet van een vereniging of samenvoeging gesproken worden. In dat geval vallen de goederen en de vermogensrechten over­een­komstig canon 123 toe aan het bisdom, tenzij het particulier recht of het oprichtingsdecreet (dat de plaats inneemt van de in canon 123 vermelde statuten) anders bepalen.27 J. Myers stelt eenvoudig dat wat er gebeurt met de goederen en vermogensrechten van de parochie afhangt van de aard van het besluit van de Bisschop: gaat het om een vereniging van parochies (samenvoeging) of om opheffing.28 In geval van opheffing is canon 123 van toepassing en gaat het vermogen naar het bisdom. Ook in dit geval moeten - zoals steeds - de wil van stichters en schenkers en verworven rechten worden gerespecteerd, aldus het voor­schrift van deze canon. Daneels voegt daaraan nog toe dat billijkheid (aequitas) in geval van opheffing van een personele parochie vraagt dat tenminste een gedeelte van de goederen naar de territoriale parochies gaat die nu de pastorale zorg voor de parochianen van de opgeheven parochie geheel moeten overnemen. Hij lijkt een volledige opheffing van een territoriale parochie niet als moge­lijk­heid te viseren omdat het gebied van de opgeheven parochie altijd deel uit zal moeten blijven maken van een of meer andere parochies.29 Toch voorziet canon 515 uitdrukkelijk de moge­lijk­heid van opheffing. Een toepassing van canon 123 is dan ook niet uit te sluiten, waar het om de opheffing van een territoriale parochie gaat. Wanneer bij­voor­beeld een dergelijke parochie wordt opgeheven omdat de katholieke bewoners grotendeels vertrokken zijn en de wijk is ontvolkt of hoofd­za­ke­lijk wordt bevolkt door allochtonen met een andere godsdienstige achtergrond, dan wordt het gebied weliswaar bij andere parochies ingedeeld, maar zonder veel pastorale consequenties voor de parochies die dit territorium overnemen. Het kerkelijk wetboek definieert de parochie in navolging van het tweede Vaticaans concilie als “gemeen­schap van christen­ge­lo­vigen” (c. 515 §1) en dit brengt met zich mee dat de Bisschop de parochie­struc­tuur terecht opheft wanneer de gemeen­schap is gaan ontbreken. In dit geval is sprake van een opheffing in de zin van canon 123 en vervallen goederen en vermogensrechten aan de onmiddellijke hogere rechts­persoon, het diocees. Het kan billijk zijn dat in dit geval een deel van het bezit wordt toevertrouwd aan de parochies waarheen de gelovigen van de opgeheven parochie zijn verhuisd. Van samenvoegen of verenigen van parochies zou naar mijn mening gesproken moeten worden wanneer het gaat om de fusie van twee tamelijk gelijk­waar­dige rechts­personen. Men zou van opheffing van een parochie dienen te spreken wanneer de gelovige gemeen­schap in aantal zo sterk is terug gelopen dat in redelijkheid niet langer van een parochie­ge­meen­schap gesproken kan worden (of wanneer de financiële middelen zozeer geslonken zijn dat de parochie­struc­tuur niet langer in stand kan worden gehouden). In dat geval is canon 123 van kracht, met billijkheid toegepast.

Bij samenvoeging van parochies moet een kerk als parochiekerk door de Bisschop worden aangewezen. Uit de bepalingen van het kerkelijk wetboek kan worden afgeleid dat dit dient te gebeuren: zo geldt als regel dat doopsels plaats­vin­den in de eigen parochiekerk (c. 857-859); in elke parochiekerk moet de aller­heiligste Eucha­ris­tie worden bewaard (c. 934 §1, n. 1); huwelijken tussen gedoopten dienen in de parochiekerk te worden gevierd, tenzij de Ordinaris of de pastoor verlof geeft de viering elders te houden (c. 1118 §1) en de uitvaart moet in het algemeen in de kerk van de eigen parochie worden gevierd (c. 1177 §1). De pastoor is aan de verplichting gehouden woo­nachtig te zijn in een pastorie nabij de kerk, tenzij hij in bijzondere gevallen toestemming heeft verkregen van de Ordinaris om elders te wonen “vooral in een gemeen­schap­pe­lijk huis voor meerdere priesters” (c. 533 §1); hij heeft de verplichting om elke zondag en verplichte feestdag een Mis op te dragen tot intentie van het hem toevertrouwde volk of die bij wettige verhindering te laten opdragen door een andere priester of die zelf op andere dagen op te dragen (c. 534 §1). Deze bepalingen brengen met zich mee dat moet worden bepaald welk gebouw de parochiekerk is, in de omgeving waarvan de pastoor dus woo­nachtig dient te zijn. De Bisschop heeft de bevoegdheid een afweging te maken en zelf een kerk aan te wijzen.30 De aanwijzing van de parochiekerk betekent overigens niet dat andere kerken in het gebied van de parochie worden gesloten. Deze blijven in beginsel bestaan als openbare kerk waarin alle handelingen van goddelijke eredienst voltrokken mogen worden met eerbiediging van de parochiële rechten (c. 1219). Deze kerken kunnen door gelovigen voor zichzelf of door hen die de zorg voor de kerkelijke uitvaart van een overleden gelovige dragen, vrij worden uitgekozen voor de uitvaartplechtigheid (c. 1177 §2); met verlof van de pastoor kunnen huwelijken er worden gevierd (c. 1118 §1) en wanneer er een doopvont is, kunnen gelovigen de kerk om een gerechtvaardigde reden (“iusta causa”) kiezen voor de viering van het doopsel (cc. 857 §2; c. 858).

3. Sluiting van een kerk

Een kerk kan aan de eredienst worden onttrokken wanneer de kerk niet meer (“op geen enkele wijze”) kan worden gebruikt voor de goddelijke eredienst en er geen moge­lijk­heid is om haar te herstellen, bij­voor­beeld omdat er niet voldoende financiële middelen zijn. In dit geval kan de diocesane Bisschop de kerk zonder nadere voor­waarden terug brengen “tot een profaan en niet onwaardig gebruik”. Een consultatie van de priesterraad is in dit geval niet verplicht. Deze bevoegdheid van de Bisschop beantwoordt aan hetgeen in de codex van 1917 bepaald was in canon 1187, met dien verstande dat niet langer wordt voorgeschreven dat de verplichtingen met de bijbehorende inkomsten en de titel van de parochie, als het om een parochiekerk ging, naar een andere kerk moeten worden overgebracht.31 

Het huidige wetboek voegt een tweede paragraaf toe die de moge­lijk­heid voorziet ook in andere gevallen een kerk aan de eredienst te onttrekken, “waar andere ernstige redenen het raadzaam maken”. In dit geval dient de Bisschop eerst de priesterraad te horen, alvorens hij per decreet de beslissing neemt. Voorts moet toestemming verkregen worden van hen die wettig rechten op de kerk laten gelden en mag het zielenheil er geen schade door ondervinden (c. 1222 §2). De wettige rechten waarvan sprake is betreffen vooral rechten in strikte zin ten aanzien van het kerkelijk goed, die voortkomen uit de stichting of bouw van de kerk.32 Het wil niet zeggen dat iemand die iets aan de kerk geschonken heeft, bij­voor­beeld een altaar, daaraan het recht kan ontlenen dat de kerk niet mag worden gesloten zonder zijn toestemming. Het heil van de zielen zou schade lijden wanneer de gelovigen door de kerksluiting niet zonder ernstig ongemak naar een andere kerk zouden kunnen gaan.33

Het sluiten van een kerk, zodat die niet meer wordt gebruikt voor de eredienst, wordt in de jurisprudentie van de Signatuur gelijkgesteld aan onttrekking aan de eredienst.34

In het geval voorzien in canon 1222 §2 moeten er dus “ernstige” redenen (graves causae) zijn die het raadzaam maken de kerk aan de eredienst te onttrekken, niet slechts goede of gerechtvaardigde redenen (“iustae causae”). Uit de jurisprudentie van de Apos­to­lische Signatuur blijkt dat de diocesane Bisschop moet afwegen of de financiële middelen die nodig zijn voor het behoud en herstel van de kerk opwegen tegen de noodzaak of het nut dit kerk­ge­bouw te behouden, tegen de achtergrond ook van de andere apostolaatsverplichtingen, zoals het verlenen van hulp aan de armen. Daarnaast moeten andere omstandigheden van plaats en personen worden afgewogen.35 Onvoldoende reden is dat de kerk na samenvoeging van parochies niet meer nodig is voor de pastorale zorg, dat zij niet meer past in een algeheel pastoraal plan, dat de pastoor en de priesterraad de kerk wensen te sluiten of dat de eenheid van de parochie of een centrale gemeen­schap­pe­lijke viering van de Eucha­ris­tie erdoor worden bevorderd. Deze redenen zijn als onvoldoende beoordeeld om te kunnen spreken van “graves causae”, die wel aanwezig werden geacht te zijn waar de Bisschop een tamelijk arme gemeen­schap niet wilde belasten met de res­tau­ra­tie­kos­ten van een kerk, terwijl een goed onderhouden en voldoende grote kerk op tamelijk geringe afstand aanwezig was.36 Een ander vonnis van de Apos­to­lische Signatuur bevestigde het besluit van een Bisschop drie kerken aan de eredienst te onttrekken na de samenvoeging van vijf parochies, gezien de zwakke financiële positie van de nieuwe parochie en het slinkende aantal gelovigen dat de kerk bezocht en financieel bijdroeg om de parochie te onder­steunen.37 In dit geval werden de bezwaren van gelovigen tegen de kerksluitingen dus verworpen. De “ernstige redenen” moeten blijkbaar minstens ten dele betrekking hebben op de moeilijkheid om deze kerk te kunnen behouden, bij­voor­beeld doordat daarvoor disproportionele middelen nodig zijn of middelen die nauwelijks gemist kunnen worden.

In beide gevallen - het onttrekken aan de eredienst van een kerk die niet langer behouden kan blijven én het terugbrengen van een kerk tot een profaan gebruik om andere ernstige redenen - wordt de kerk terug gebracht tot “een profaan en niet onwaardig gebruik” (c. 1222). Dit betekent in ieder geval dat het gebruik van het gebouw niet in mag gaan tegen de natuurwet en dat geen aanstoot mag worden gegeven aan de gelovigen. Overigens wordt het oordeel over een al dan niet passende bestemming aan de Bisschop overgelaten.

Het decreet waarmee de Bisschop een kerk aan de eredienst onttrekt zal refereren aan wezenlijke elementen van de procedure, met name de consultatie van de priesterraad in geval van een onttrekking aan de eredienst over­een­komstig canon 1222 §2 en de ernstige redenen tenminste summier vermelden (vgl. c. 51). Ook zal de wijze van uitvoering en betekening worden aangegeven en de datum waarop het besluit daad­wer­ke­lijk van kracht wordt. Het decreet zal - zoals dat bij elk decreet het geval is - mede worden ondertekend door de kanselier of een andere notarius (vgl. c. 483 §1). In het decreet kunnen de beroeps­moge­lijk­heden worden aangegeven, die in dit geval iets groter zijn dan in het geval van een samenvoeging of opheffing van parochies.

Besluit

De opheffing of samenvoeging van parochies en de sluiting van een kerk kunnen zeer emotionele processen zijn. Het is belangrijk dat de gelovigen kunnen ervaren dat het noodzakelijk is dat deze stappen worden ondernomen en dat de pastoor, de Bisschop en andere verant­woor­de­lijken voor dit proces zelf betreuren dat deze maatregelen moeten worden genomen, dat de redenen waarom deze stappen moeten worden genomen duidelijk worden gecommuniceerd en dat de gelovigen worden uitgenodigd mee te denken en spreken over de beste oplossing, gegeven de situatie. Gezien de emoties waarmee in sommige gevallen de opheffing van een parochie of de sluiting van een kerk gepaard gaat, is deskundige begeleiding van het proces gewenst. Er zijn echter in toenemende mate omstandigheden aan te wijzen waarin de gelovigen zelf tot de overtuiging komen dat een dergelijke beslissing onontkoombaar is.

In dit artikel hebben we vooral stilgestaan bij de canoniekrechtelijke kant van de procedures die tot opheffing of samenvoeging van parochies of de sluiting van kerken leiden en bij het feit dat deze beslissingen uit­ein­de­lijk ten dienste staan van het heil van de gelovigen, omdat zij parochie­ge­meen­schappen beogen te creëren die voldoende vitaal zijn om de ecclesiale dimensie en de wezenlijke taken van een parochie te realiseren.

Volk van God. Structuur en inrichting van de rooms-katholieke kerk volgens het Wetboek van canoniek recht (cc. 204-746) (Oegstgeest, 2006), 325 pp.



1 Vgl. ook cc. 776-777.779-780; vgl. CONGREGATIE VOOR DE CLERUS, Instructie De priester, herder en leidsman van de parochie­ge­meen­schap, 4 aug. 2002, in: Kerkelijke Documentatie 31(2003), pp. 1-31; IDEM, Document De priester en het derde millennium, 19 maart 1999, in: Kerkelijke Documentatie 29(2001), pp. 1-29; CONGREGATIE VOOR DE BISSCHOPPEN, Directorium Apostolorum successores, voor het pastoraal dienstwerk van de Bis­schop­pen, 22 febr. 2004 (Città del Vaticano, 2004); naast de hieronder geciteerde literatuur, zie ook: A. BORRAS, Les communautés paroissales. Droit canonique et perspectives pastorales (Paris, 1996); J. HENDRIKS, Volk van God. Structuur en inrichting van de Rooms-Katholieke Kerk volgens het Wetboek van Canoniek Recht (cc. 204-746) (Oegstgeest, 2006), pp. 182-219 .

2 Decreet Apostolicam Actuositatem, n. 10; vgl. Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 211.

3 Vgl. P. PAULUS VI, Adhortatio Apostolica Evangelii Nuntiandi, 8 dec. 1975, in: AAS 58 (1976), pp. 5-76, hier nn. 51-56; Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 210.

4 P. JOHANNES PAULUS II, Postsynodale Apos­to­lische Adhortatie Christifideles laici, 30 dec. 1988, in: AAS 81(1989), pp. 393-521, hier n. 34; Neder­landse vertaling in: Kerkelijke Documentatie 17(1989), pp. 168-258. In deze geest heeft paus Johannes Paulus II de gemeen­schappen van de Neo­ca­te­chu­me­nale Weg als een belangrijk hulpmiddel voor de nieuwe evan­ge­li­sa­tie gekwalificeerd (Brief Ogniqualvolta, 30 aug. 1990, in: AAS 82(1990), p. 1515).

5 Document De priester..., o.c., n. 1.

6 Christifideles laici, o.c., n. 26.

7 Vgl. Dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen gentium, n. 28; Constitutie over de heilige Liturgie Sacrosanctum concilium, n. 4; vgl. Christifideles laici, o.c., n. 26; Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 212.

8 Vgl. CIC cc. 369 en 381 met c. 519, vgl. TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Decreet Christus Dominus 30 over de herderlijke taak van de Bis­schop­pen in de Kerk (CD): “Op heel bijzondere wijze zijn de pastoors mede­wer­kers van de Bisschop. Aan hen immers is - onder diens gezag - de zielzorg toevertrouwd als eigen herders in een bepaald deel van het diocees”; c. 479 met c. 545; cc. 492 en 511 met cc. 536 en 537; c. 388 met c. 534.Vgl. ook SC 42; vgl. AAVV, La Parrocchia (Gruppo Italiano docenti di diritto canonico, Milano, 2005), met name de artikelen van T. CITRINI, R. CORONELLI en G.P. MONTINI..

9 Christifideles laici, n. 26.

10 6 aug. 2000, in: AAS 92(2000), pp. 742-765, hier n. 17. De Neder­landse vertaling luidt hier - minder juist - “in strikte zin”, in: Kerkelijke Documentatie 28(2000), pp. 297-315.

11 Vgl. CIC, c. 528 §2; Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2179; CD 30, 2: “ Celebratio eucharistici sacrificii centrum sit et culmen totius vitae communitatis christianae”. SC 42: “...quodammodo raepresentant ecclesiam visibilem per orbem terrarum constitutam”; vgl. N. CIOLA (ed.), La parrocchia in un’ ecclesiologia de comunione (Bologna, 1996).

12 Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 210.

13 Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 211; Instructie De priester, herder en leidsman van de parochie­ge­meen­schap, n. 29, 4, p. 28.

14 Vgl. Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 214. Ver­schil­lende aanzetten hiertoe worden gegeven door: J.B. CAPPELLARO, Edificare la Chiesa locale. Guida alle strutture diocesane e parrocchiali (Città del Vaticano, 1999); J. VAN DER VLOET (ed.), De toekomst van de parochie (Wommelgem, 1987); A. MEIJERS (ed.), De parochie van de toekomst (Scripta canonica 2, Leuven, 1998).

15 Ibidem, n. 214.

16 Directorium Apostolorum successores, o.c., n. 215c; vgl. c. 517 §2; Instructie De priester, herder en leidsman van de parochie­ge­meen­schap, o.c., nn. 19 en 23. Dit laat onverlet dat diakens meewerken en leken hulp bieden bij de verkondigingstaak, de heiligingstaak en de bestuurstaak, over­een­komstig canon 519. 

17 F. DANEELS, “Soppressione, unione di parrocchie e riduzione ad uso profano della chiesa parrocchiale”, in: La parrocchia (Studi giuridici XLIII, Città del Vaticano, 1997), pp. 85-112, hier pp. 91-92; B. DALY, “Removal of pastor when parish is suppressed”, in: A. ESPELAGE (ed.), CLSA advisory opinions 2001-2005 (Alexandria VA, 2006), pp. 162-166, hier: p. 163.

18 DANEELS, a.c., p. 89: ‘Anche se ciò non viene detto esplicitamente nel canone, è evidentemente richiesta una giusta causa, perché l’esercizio dell’autorità pastorale non può mai essere arbitrario nella Chiesa, ma deve attenersi ai criteri di buon governo, promovendo la ‘salus animarum’”.

19 DANEELS, a.c., p. 93.

20 Ibidem, p. 94.

21 J. HENDRIKS, “Verant­woor­de­lijk­heid en aansprakelijkheid van de diocesane bisschop volgens canon 128", in: K. MARTENS (ed.), Verant­woor­de­lijk­heid en aansprakelijkheid van de diocesane bisschop (Leuven, 2003), p. 37-68, m.n. pp. 65-66; IDEM, “Canone 128: riparazione del danno. Obblighi e responsabilità del vescovo diocesano”, in: Ius Ecclesiae 15(2003), pp. 427-457, hier: pp. 454-456.

22 J. LOYSON, “Kerksluiting: afbraak of voortgang”, in: MEIJERS (ed.), o.c., pp. 225- 235, hier p. 230.

23 Vgl. opinies van B. DALY, Th. PAPROCKI en I. WATERS terzake, in: CLSA opinions 2001-2005, o.c., pp. 162-169.

24

 Vgl. ook DANEELS, a.c., p. 91: “ Riguardo ai donatori ritengo trattarsi non di contributi normali dei fedeli alla vita e sussistenza della loro parrocchia, ma di specifiche donazioni ancora valevoli al momento della soppressione della parrocchia”.

25 “Erworbene Rechte (iura quaesita) sind beanspruchbare Befugnisse, die durch rechtserhebliches Handeln (bewußt gewolltes Tun oder Unterlassen) nach maßgabe des objektiven Rechtes erlangt wurden” (H. SOCHA, in: Kl. LÜDICKE (ed.), Münsterischer Kommentar zum Codex Iuris Canonici (losbladig, stand 1991, Essen 1984vv.) c. 4, n. 2; “Iura ... quaesita ea sunt quae, iam facta applicatione anteriorum legum, alicui competunt” (A. VERMEERSCH, I. CREUSEN, Epitome Iuris Canonici, dl. 1 (Mechlina, Roma, 1963), n. 74, 2); vgl. DANEELS, a.c., pp. 90-91.

26 DANEELS, a.c., p. 90; H. PREE, in: Münsterischer Kommentar, o.c. (stand 2000), c. 121, n. 2.

27 DANEELS, a.c., p. 91.

28 J. MYERS, “Suppression and merger of parishes: brief overview of canonical issues”, in: P. COGAN (ed.), CLSA advisory opinions 1984-1993 (Washington DC, 1995), pp. 110-113, hier p. 112.

29 Ibidem, pp. 90-91.

30 Vgl. HENDRIKS, “Obblighi...”, a.c., pp. 455-456; IDEM, “Verant­woor­de­lijk­heid...”, p. 66, met verwijzing naar jurisprudentie van de Signatura.

31 Codex Iuris Canonici [1917], Pii X P.M. iussu digestus, Benedicti Pp. XV auctoritate promulgatus (Typis polyglottis Vaticanis, 1974).

32 DANEELS, a.c., p. 99 onder verwijzing naar een uitspraak van de Signatura van 21 nov. 1987; J. LOYSON, a.c., p. 229.

33 DANEELS, a.c., p. 100.

34 Ibidem, p. 99.

35

 Ibidem, pp. 96-97; PONTIFICIA COMMISSIONE PER I BENI CULTURALI DELLA CHIESA, rondzendbrief Fra le sollecitudini, 10 apr. 1994, in: Enchiridion Vaticanum 14 (Bologna, 1997), nn. 918-947, hier n. 927: “”Qualora si tratti di ricuperare edifici da molto tempo in disuso, è bene valutare il senso reale di tale operazione.... Non si tratta di restaurare ad ogni costo quanto è ridotto in sfacelo per riafffermare un certo prestigio nell’ambito di poteri estranei alla Chiesa; occorre, al contrario, saper affermare il primato della lode a Dio senza dimenticare le sofferenze del suo popolo...“.

36 DANEELS, a.c., pp. 97-98, met voetnoot 37.

37 Ibidem, p. 98.

Terug