Arsacal
button
button
button


Herindeling van parochies en kerksluiting

Met het oog op een vitale Kerk

Artikel Canoniekrecht - gepubliceerd: woensdag, 4 januari 2017 - 5855 woorden
Maria Magdalenakerk in Amsterdam in 1968 wegens steenrot gesloopt
Maria Magdalenakerk in Amsterdam in 1968 wegens steenrot gesloopt

Het zal voor bijna ie­der­een wel dui­de­lijk zijn dat het nood­za­ke­lijk is gewor­den pa­ro­chies op te heffen of samen te voegen en bepaalde kerk­ge­bouwen niet langer voor de ere­dienst te bestemmen. Dit is nodig gewor­den door de vergrij­zing, het sterk terug gelopen aantal gelo­vi­gen dat aan de ere­dienst deelneemt en in samenhang daar­mee de verminderde beschik­baar­heid van fi­nan­ciële mid­de­len. Toch is het van belang deze situatie niet slechts defensief te bena­de­ren, als een “ krimp­sce­na­rio” dat de Kerk steeds verder in een hoek drijft. Het gaat er op de eerste plaats om een zodanige situatie te scheppen dat er vitale pa­ro­chie­ge­meen­schappen ontstaan, die hun zen­ding kunnen vervullen, zoals die wordt be­schre­ven in de canones 528-530 van het Wetboek van canoniek recht (Codex Iuris Canonici, CIC) en in andere ker­ke­lijke do­cu­menten.1

1. Kenmerken van een (vitale) pa­ro­chie

Het tweede Vati­caans concilie heeft be­klem­toond dat de pa­ro­chie een dui­de­lijk voor­beeld is van gemeen­schap­pe­lijk apos­to­laat en heeft de leken uit­ge­no­digd nauw met de pries­ters samen te werken en aan alle apos­to­lische en missio­naire ac­ti­vi­teiten van de pa­ro­chie naar vermogen de helpende hand te bie­den.2

Als eerste taak van de pastoor en de pa­ro­chie wordt steeds de ver­kon­di­ging van het geloof genoemd aan de christen­ge­lo­vigen die actief deel uit maken van de pa­ro­chie én aan hen die niet geloven, niet katho­liek zijn of niet prak­ti­se­ren: de pastoor “dient er zich met alle kracht op toe te leggen, ook de in­span­ningen van christen­ge­lo­vigen erbij betrekkend, dat de evan­ge­lische bood­schap ook tot diegenen komt die de gods­diens­tige praktijk opge­ge­ven hebben of het ware geloof niet belij­den” (c. 528 §1).3 De nood­zaak van deze evangeli­sa­tie, waartoe paus Paulus VI al had uit­ge­no­digd, werd door paus Johannes Paulus II bij vele gelegen­he­den vermeld en onder­streept. Deze paus riep op tot een “nieuwe evangeli­sa­tie”, na het geloofs­ge­tui­ge­nis van de eerste mis­sio­na­rissen, waarbij hij een bij­zon­dere rol zag weg­ge­legd voor de leken en opriep tot de vor­ming van ge­meen­schappen die in het geloof meer gerijpt zijn (“maturiores ecclesiales communitates”).4

Na­tuur­lijk heeft dit een bij­zon­dere bete­ke­nis voor de pa­ro­chies, die als ge­meen­schappen van gelo­vi­gen ge­roe­pen zijn het geloof uit te stralen naar wie er verder af staan. “De Kerk heeft echte getuigen nodig die het evan­ge­lie uitdragen in alle lagen van het maat­schap­pe­lijk leven”.5

Een eerste wezens­ken­merk van een pa­ro­chie is derhalve dat zij missio­nair is en bijdraagt aan de ver­kon­di­ging van het geloof, ook aan hen die zich niet tot de pa­ro­chie­ge­meen­schap rekenen.

Theo­lo­gisch wordt de pa­ro­chie erdoor ge­ken­merkt dat zij ecclesiaal is: “Zij is in zekere zin de Kerk zelf die leeft temid­den van de huizen van haar zonen en dochters”.6 Het tweede Vati­caans concilie accentueert dat de pries­ter in de plaat­se­lijke ge­meen­schap de Bis­schop te­gen­woor­dig stelt, diens plaats­ver­van­ger is; zo stellen de pa­ro­chies “in zekere zin de zicht­ba­re, over heel de wereld geves­tigde Kerk actueel te­gen­woor­dig” en daar­mee bezitten zij - door de pries­ter die deel heeft aan het apos­to­lisch ambt - de ecclesiale dimensie waardoor zij de par­ti­cu­liere Kerk aanwe­zig stellen en een uni­ver­seel-ker­ke­lijke dimensie bezitten. De pastoor stelt in een plaat­se­lijke ge­meen­schap van het diocees het dienst­werk van de Bis­schop als leraar, pries­ter en herder te­gen­woor­dig.7 Het is daarom niet ver­won­der­lijk dat de parochiële struc­tu­ren een “afbeel­ding” zijn van de inrich­ting van het diocees met (pa­ro­chie-)vica­rissen, een raad voor eco­no­mische aan­ge­le­gen­he­den (kerk­bestuur) en eventueel een pas­to­rale raad en een “eigen herder” (“proprius pastor”) aan het hoofd, die tot taak heeft te ver­kon­di­gen, te heiligen en het herder­lijke ambt te vervullen (cc. 528-529 en 383-390) en die onder meer de “Mis voor het volk” (Missa pro populo) dient op te dragen.8 Ener­zijds ver­wijst het Concilie dus naar het apos­to­lisch ambt, dat in de apos­to­lische successie wordt doorge­ge­ven, als oor­zaak van de ecclesiale dimensie en de theo­lo­gische basis van de pa­ro­chie, ander­zijds wordt het fun­dament van dit theo­lo­gisch karakter gezocht in het feit dat de pa­ro­chie eucha­ris­tisch is. “Uit­ein­de­lijk is de pa­ro­chie gegrondvest op een theo­lo­gische wer­ke­lijk­heid, want zij is een eucha­ris­ti­sche ge­meen­schap”.9 Deze beide aspecten - het pries­ter­lijk en het eucha­ris­ti­sche karakter - hangen na­tuur­lijk nauw samen, zoals ook blijkt uit de aangehaalde concilie-teksten en de passage van Christifideles laici. De con­ci­liaire Con­sti­tu­tie Sacrosanctum concilium be­klem­toont dan ook de ecclesiale dimensie van de liturgie.

Het is dus niet ver­won­der­lijk dat de ver­kla­ring Dominus Iesus van de Con­gre­ga­tie voor de ge­loofs­leer - in overeenstem­ming met het tweede Vati­caans concilie - het Kerk-zijn verbindt met het apos­to­lisch ambt en de Eucha­ris­tie en stelt dat ker­ke­lijke ge­meen­schappen geen Kerken zijn in eigen­lijke zijn (“sensu proprio”) waar deze beide kenmerken ont­bre­ken.10

De eerste taak van de pa­ro­chie is derhalve de ver­kon­di­ging van het Woord van God, ook aan hen die niet aan het leven van de pa­ro­chie­ge­meen­schap deelnemen. Het wezens­ken­merk van de pa­ro­chie waardoor de Kerk te­gen­woor­dig wordt gesteld, bestaat uit twee aspecten die nauw samen­han­gen: de deelname van de pries­ter aan het apos­to­lisch ambt en het Eucha­ris­ti­sche karakter.

Hiermee zijn tevens de voor­naam­ste beginselen aange­ge­ven volgens welke iedere nieuwe organi­sa­tie van de parochiële structuur zal dienen plaats te vin­den: in iedere pa­ro­chie zal de aller­hei­ligste Eucha­ris­tie, met name de zon­dagse Eucha­ris­tie­vie­ring centraal dienen te staan en zal een pries­ter herder zijn van de ge­meen­schap; de pa­ro­chie is immers de voor­naam­ste cel en lokale “te­gen­woor­dig­stel­ling” van de par­ti­cu­liere Kerk.11

Het Di­rec­to­rium voor de pas­to­rale taak van de Bis­schop­pen noemt daar­naast nog andere kenmerken die een pa­ro­chie dient te bezitten en waar­mee dus bij de dio­ce­sane organi­sa­tie van de pa­ro­chie­struc­tuur reke­ning moet wor­den gehou­den: de gelo­vi­gen dienen een echte ker­ke­lijke ge­meen­schap te kunnen vormen die samen­komt om de Eucha­ris­tie te vieren en het Woord van God te vernemen, die de naasten­liefde beoefent door licha­me­lijke en gees­te­lij­ke werken van barm­har­tig­heid; de herders moeten de gelo­vi­gen per­soon­lijk kunnen leren kennen en blijvend pas­to­rale bijstand kunnen verlenen en de moge­lijk­heid krijgen om de taken te vervullen die het canoniek recht aan hen toever­trouwt.12 Voorts ziet dit Di­rec­to­rium als ka­rak­te­ris­tieke eigen­schappen van een gezonde pa­ro­chie met pas­to­rale effec­ti­vi­teit: de goede samen­wer­king van de aan de pa­ro­chie verbon­den pries­ters; be­vor­de­ring van de deelname van de gelo­vi­gen aan de pa­ro­chie-ac­ti­vi­teiten, met respect voor hun verant­woor­de­lijk­heid en aan­dacht voor hun mening; be­vor­de­ring van parochiële vereni­gingen en groepen ten behoeve van de catechese en de open­ba­re ere­dienst, vooral van de publieke, door de Kerk opgerichte vereni­gingen; de oprich­ting van centra van vor­ming en opvoe­ding, zoals catechese­clubs, crèches en scholen, vor­mings­bij­een­komsten voor jon­ge­ren, centra voor cari­ta­tieve en sociale bijstand en voor gezinspas­to­raal, biblio­the­ken, enzo­voorts.13 Kortom: de ker­ke­lijke do­cu­menten zien een pa­ro­chie als een geloofs­ge­meen­schap die instaat voor de ver­kon­di­ging van het evan­ge­lie en naast haar Eucha­ris­ti­sche dimensie en haar ver­bon­den­heid met het apos­to­lisch ambt door de herder­lijke aanwe­zig­heid van de pastoor, ook andere ini­tia­tie­ven vermag te verwer­ke­lijken waardoor zij de mensen binnen het gebied van de pa­ro­chie kan bereiken. Een be­lang­rijk criterium voor de parochiële organi­sa­tie in het bisdom is derhalve dat er vitale pa­ro­chies ontstaan die een breed scala aan ac­ti­vi­teiten kunnen rea­li­se­ren.14

2. Pro­ce­dure voor de ophef­fing of samen­voe­ging van een pa­ro­chie

Het ini­tia­tief tot het oprichten, opheffen, samen­voe­gen of ver­an­de­ren van een pa­ro­chie kan na­tuur­lijk van ver­schil­lende zij­den komen: vanuit de pa­ro­chie, van de deken of naburige pa­ro­chies of van de Bis­schop of een bis­schop­pe­lijke dienst, bij­voor­beeld in het kader van een alge­meen dio­ce­saan plan om te komen tot een vernieuwde opzet van de pa­ro­chie­struc­tuur.

De beslis­sing tot het oprichten, opheffen, samen­voe­gen of ver­an­de­ren van pa­ro­chies komt echter alleen aan de dio­ce­sane Bis­schop toe, volgens canon 515 §2. Dit betekent dat de vica­ris-generaal hiertoe niet gerech­tigd is, ook niet wanneer hij hulp­bis­schop is, tenzij met speciaal mandaat van de Bis­schop (c. 479 §1). Zij die door het recht zijn gelijk­ge­steld met een dio­ce­sane Bis­schop, met name degenen die aan het hoofd staan van een ter­ri­to­ri­ale prelatuur of abdij, van een apos­to­lisch vicariaat, besten­dig opgerichte apos­to­lische admi­ni­stra­tie of apos­to­lische prefectuur, bezitten dit recht wél (cc. 368 en 381 §2).

Het opheffen van een pa­ro­chie - en meer nog het sluiten van een kerk - kan aan­lei­ding geven tot hevige emoties: gelo­vi­gen hebben een geees­te­lij­ke en emo­tio­nele band met de pa­ro­chie en de kerk waar zij God ontmoeten en op de be­lang­rijk­ste momenten van hun leven de heilige sacra­menten hebben ont­van­gen. Daarom vereisen ophef­fing of samen­voe­ging en vooral slui­ting van een kerk een goede be­ge­lei­ding en voor­be­rei­ding. Canon 50 van het ker­ke­lijk wet­boek verplicht de ker­ke­lijke over­heid - in dit geval de Bis­schop (of de vica­ris-generaal met speciaal mandaat van de Bis­schop) - “de nodige inlich­tingen en bewijzen in te winnen en, voor zover moge­lijk, hen te horen wier rechten geschon­den kunnen wor­den” alvorens een decreet uit te vaar­digen. Dit houdt in dat nage­gaan moet wor­den welke de redenen zijn die wor­den aan­ge­dragen om pa­ro­chies op te heffen of samen te voegen en of die redenen onder­bouwd zijn, en dat de pa­ro­chi­anen van de be­tref­fen­de pa­ro­chie(s) voor zover moge­lijk gehoord dienen te wor­den. Het ligt dan ook voor de hand pa­ro­chi­anen inzicht te geven in de ach­ter­gron­den van een moge­lijk besluit ten aanzien van hun pa­ro­chie. Ook zal moeten wor­den nage­gaan of der­den wellicht rechten hebben verkregen die van invloed zijn op een split­sing, ophef­fing of samen­voe­ging.

De beslis­sing om over te gaan tot oprich­ting, ophef­fing of ver­an­de­ring van een pa­ro­chie komt dus aan de Bis­schop toe en dat geldt ook voor het maken van de afwe­gingen die tot een derge­lijk besluit lei­den, aangezien aan de Bis­schop de herder­lijke bevoegd­heid toe­komt met de wet­ge­vende, uit­voerende en rech­ter­lijke macht (cc. 381 §1 en 391 §§1 en 2). Het Di­rec­to­rium voor de pas­to­rale taak van de Bis­schop­pen vermeldt niet alleen de zojuist genoemde kwali­teiten die een pa­ro­chie zou moeten bezitten en die even zo vele afwe­gingscriteria vormen, maar ook over­we­gingen van meer algemene aard waardoor de Bis­schop zich bij zijn beslis­sing moet laten lei­den: de organi­sa­tie van de pa­ro­chies­truc­tu­ren moet aangepast zijn aan de vereisten van de ziel­zorg, bezien binnen het grotere geheel (“in una visione globale e organica”), zodat ie­der­een door de pa­ro­chie-struc­tu­ren bereikt kan wor­den en overal een presentie moge­lijk wordt. Het Di­rec­to­rium voorziet split­sing van te grote pa­ro­chies, fusies van te kleine, oprich­ting van nieuwe pa­ro­chies en ook bij­voor­beeld een geheel nieuwe indeling van de pa­ro­chies van een­zelfde stad.15 Ook kunnen het aantal beschik­ba­re pries­ters en de fi­nan­ciële situatie redenen zijn om het aantal pa­ro­chies aan te passen. De Bis­schop dient name­lijk zo spoe­dig moge­lijk een einde te maken aan een situatie waarin iemand die geen pries­ter is, belast wordt met de pas­to­rale zorg voor een pa­ro­chie, ook al is dat volgens het voor­schrift van canon 517 §2 onder lei­ding van een pries­ter.16 Wat de fi­nan­ciële aspecten betreft moet nog wor­den opgemerkt dat het opheffen of samen­voe­gen van pa­ro­chies niet auto­ma­tisch de slui­ting van een kerk inhoudt en dat erns­tige fi­nan­ciële tekorten welis­waar de slui­ting van een kerk nood­za­ke­lijk kunnen maken, maar dat dit een eigen afwe­ging en besluit vraagt. Indien de ophef­fing van de pa­ro­chie tevens de slui­ting van de kerk met zich mee­brengt, dient dit bij de consul­ta­tie van de pries­ter­raad vermeld en beargu­men­teerd te wor­den (tenzij de kerk op geen enkele wijze voor de ere­dienst kan wor­den gebruikt en er geen moge­lijk­heid is ze te her­stel­len, c. 1222).

De Bis­schop kan een pa­ro­chie pas oprichten, opheffen of in be­lang­rijke mate ver­an­de­ren na de pries­ter­raad te hebben gehoord. De pries­ter­raad moet de gelegen­heid hebben gekregen een advies uit te spreken ( “audito consilio presbyterali”, c. 515 §2). Deze consul­ta­tie is vereist voor de gel­dig­heid van de act van oprich­ting, ophef­fing of aanmer­ke­lijke ver­an­de­ring (c. 127 §2 n. 2; vgl ook “nisi”, c. 515 §2 met c. 39). In ver­schil­lende gevallen werd bij de Con­gre­ga­tie voor de Clerus en ver­vol­gens bij de Apos­to­lische Signatuur in Rome een beroep ingesteld tegen een beslis­sing van een dio­ce­sane Bis­schop om een pa­ro­chie op te heffen, waarbij de vorde­ring werd toegekend omdat de Bis­schop verzuimd had de pries­ter­raad te raadplegen alvorens het besluit te nemen. Vereist is dat de consul­ta­tie plaats vindt voor de beslis­sing is geno­men en dat niet slechts gelegen­heid wordt gebo­den een vraag te stellen of een opmer­king te maken, maar dat inder­daad een advies aan de raad wordt gevraagd.17 De Bis­schop is niet verplicht het gegeven advies op te volgen.

Het decreet van oprich­ting, ophef­fing of ver­an­de­ring moet voldoen aan de gemeen­schap­pe­lijke normen voor admi­ni­stra­tieve beschik­kingen: het moet schrifte­lijk gegeven wor­den - hoewel de vervulling van dit voor­schrift niet de gel­dig­heid van het decreet raakt (c. 37) -, het mag geen verworven rechten van anderen schen­den en niet met een wet of goedge­keurde gewoonte in strijd zijn (c. 38). Het wordt getekend door de dio­ce­sane Bis­schop (of degene aan wie hij een speciaal mandaat heeft verleend) en de kanselier of een andere notarius (c. 483 §1) en het dient de algemene ele­menten te bevatten die hier­on­der voor het decreet bij kerk­slui­ting wor­den vermeld.

In het decreet moeten tenminste summier de beweegre­denen voor de beslis­sing wor­den vermeld (c. 51) en dit impli­ceert al dat een gerecht­vaar­digde reden (iusta causa) aan het besluit ten grond­slag moet liggen, zoals dat voor elke uit­oefe­ning van het pas­to­raal gezag geldt (vgl. c. 383 §1).18 De beweegre­denen moeten betrek­king hebben op de onderhavige beslis­sing: op de vraag dus waarom deze pa­ro­chie wordt opgericht, opgeheven, samen­ge­voegd of aanmer­ke­lijk veranderd; een algemene motivatie die voor bijna ieder decreet van de Bis­schop zou kunnen gel­den, is dus niet voldoende.19 Ander­zijds is een “iusta causa” voldoende en dit betekent dat geen heel bij­zon­dere, dringende redenen moeten wor­den aange­toond. Het is zelfs heel moei­lijk het ont­bre­ken van zo’n iusta causa aan te tonen.20 In een ker­ke­lijke beroeps­pro­ce­du­re zal derhalve zel­den wor­den uit­ge­spro­ken dat de rechten van de gelo­vi­gen geschon­den zijn door de ophef­fing van een bepaalde pa­ro­chie; in iets mindere mate geldt dat ook voor de slui­ting van een bepaalde kerk, waarover hier­on­der meer.21 Het canoniek recht vraagt niet uit­druk­ke­lijk dat in een admi­ni­stra­tief decreet wordt aange­ge­ven op welke wijze het bestre­den kan wor­den. J. Loyson stelt dat dit een regel is van behoor­lijk bestuur en dat de moge­lijk­heid om bezwaar te maken volgens de pro­ce­dure die in de canones 1734 en volgende wordt be­schre­ven, daarom expliciet in het decreet moet wor­den vermeld.22 Zoals gezegd komt in deze materie echter een grote mate van discretionali­teit aan de dio­ce­sane Bis­schop toe, zodat beroeps­pro­ce­du­res op dit terrein weinig kans maken, tenzij er pro­ce­dure-fouten zijn gemaakt.

Het decreet moet ver­vol­gens bekend wor­den gemaakt (betekend wor­den) aan degenen voor wie het bestemd is, volgens het recht, dat wil in dit geval zeggen: op de wijze die door de ker­ke­lijke over­heid is vast­ge­steld (cc. 54-56). Zo kan wor­den bepaald dat het decreet moet wor­den ge­pu­bli­ceerd in de pa­ro­chie­bla­den van de be­tref­fen­de pa­ro­chies of dat het wordt overhan­digd en voor­ge­le­zen bij gelegen­heid van een ker­ke­lijke vie­ring die tevoren is aan­ge­kon­digd (cc. 55-56). Het decreet heeft uit­wer­king vanaf de uit­voe­ring of beteke­ning en kan dan wor­den geürgeerd (c. 54 §2). Dit verhindert niet dat in het decreet een datum wordt vast­ge­steld waarop het bepaalde ingang zal vin­den.

De pastoor van de pa­ro­chie die wordt samen­ge­voegd of opgeheven, verliest daar­mee zijn ambt, maar het ker­ke­lijk wet­boek bevat hierover geen uit­druk­ke­lijke bepa­lin­gen. Het is niet nood­za­ke­lijk dat deze pries­ter wordt benoemd tot pastoor van de nieuwe pa­ro­chie of deel uitmaakt van de groep pries­ters aan wie hoof­de­lijk de pas­to­rale zorg over de pa­ro­chie wordt toe­ver­trouwd (vgl. c. 517 §1 en c. 543).23 Na­tuur­lijk dient hier de canonieke billijk­heid in acht te wor­den geno­men en het zielenheil voor ogen gehou­den te wor­den (vgl. c. 1752). De Bis­schop is vrij om het pastoors­ambt toe te wijzen aan degene die hij ervoor geschikt acht, tenzij iemand het recht heeft van voor­dracht of verkie­zing en hij de instem­ming heeft van de bevoegde overste indien de pries­ter tot een instituut van gewijd leven of een sociëteit van apos­to­lisch leven behoort (cc. 523; 682 §1; 715 §2 en 738 §2).

De ophef­fing en samen­voe­ging van een pa­ro­chie wor­den nader gere­geld in het eerste boek van de Codex over de algemene normen voor rechts­personen, waartoe pa­ro­chies behoren (cc.120-123). Wanneer twee pa­ro­chies wor­den samen­ge­voegd tot één nieuwe pa­ro­chie die ipso facto een publieke ker­ke­lijke rechts­persoon is, verkrijgt de nieuwe pa­ro­chie de goe­de­ren en vermogens­rechten van de vroegere pa­ro­chies. Ook de ver­plich­tingen die op de “oude” pa­ro­chies rustten wor­den over­ge­no­men, met inachtne­ming van de bestem­ming en ver­plich­tingen die door de stichters en schenkers aan goe­de­ren of vermogen zijn meege­ge­ven (in deze zin moet mijns inziens de uitdruk­king van de canones 121 en 123 over de “wil van de stichters en schenkers” wor­den verstaan).24 Voorts moeten verworven rechten wor­den ge­res­pec­teerd.25 Het is deze situatie die door canon 121 direct wordt geviseerd. De moge­lijk­heid dat een pa­ro­chie wordt opgeheven en het gebied van de opgeheven pa­ro­chie een onder­deel wordt van een naburige pa­ro­chie of ver­deeld wordt over ver­schil­lende pa­ro­chies, wordt door deze canon niet direct in ogenschouw geno­men, maar gelijkt volgens F. Daneels zeer op een vereni­ging of samen­voe­ging, terwijl H. Pree be­klem­toont dat beide moge­lijk­he­den on­der­schei­den moeten wor­den.26

Pree stelt dat het vermogen van de opgeheven rechts­persoon (pa­ro­chie) met rechten en plichten overgaat op de rechts­persoon (pa­ro­chie) die blijft bestaan, wanneer de opgeheven rechts­persoon geheel in deze laatste pa­ro­chie opgaat. Daneels vermeldt nog wel de moge­lijk­heid van een volle­dige ophef­fing van een personele pa­ro­chie, die immers altijd tege­lijk met een ter­ri­to­ri­ale pa­ro­chie in het­zelfde gebied aanwe­zig is. Wanneer een personele pa­ro­chie, bestemd voor bij­voor­beeld een bepaalde etnische groep of stu­den­ten, wordt opgeheven omdat deze bij­zon­dere pas­to­rale zorg niet langer nodig wordt geacht, kan niet van een vereni­ging of samen­voe­ging ge­spro­ken wor­den. In dat geval vallen de goe­de­ren en de vermogens­rechten over­een­koms­tig canon 123 toe aan het bisdom, tenzij het par­ti­cu­lier recht of het oprich­tings­de­creet (dat de plaats inneemt van de in canon 123 vermelde statuten) anders bepalen.27 J. Myers stelt een­vou­dig dat wat er gebeurt met de goe­de­ren en vermogens­rechten van de pa­ro­chie afhangt van de aard van het besluit van de Bis­schop: gaat het om een vereni­ging van pa­ro­chies (samen­voe­ging) of om ophef­fing.28 In geval van ophef­fing is canon 123 van toepas­sing en gaat het vermogen naar het bisdom. Ook in dit geval moeten - zoals steeds - de wil van stichters en schenkers en verworven rechten wor­den ge­res­pec­teerd, aldus het voor­schrift van deze canon. Daneels voegt daaraan nog toe dat billijk­heid (aequitas) in geval van ophef­fing van een personele pa­ro­chie vraagt dat tenminste een gedeelte van de goe­de­ren naar de ter­ri­to­ri­ale pa­ro­chies gaat die nu de pas­to­rale zorg voor de pa­ro­chi­anen van de opgeheven pa­ro­chie geheel moeten overnemen. Hij lijkt een volle­dige ophef­fing van een ter­ri­to­ri­ale pa­ro­chie niet als moge­lijk­heid te viseren omdat het gebied van de opgeheven pa­ro­chie altijd deel uit zal moeten blijven maken van een of meer andere pa­ro­chies.29 Toch voorziet canon 515 uit­druk­ke­lijk de moge­lijk­heid van ophef­fing. Een toepas­sing van canon 123 is dan ook niet uit te sluiten, waar het om de ophef­fing van een ter­ri­to­ri­ale pa­ro­chie gaat. Wanneer bij­voor­beeld een derge­lijke pa­ro­chie wordt opgeheven omdat de katho­lie­ke bewoners groten­deels ver­trok­ken zijn en de wijk is ont­volkt of hoofd­za­ke­lijk wordt bevolkt door al­loch­to­nen met een andere gods­diens­tige ach­ter­grond, dan wordt het gebied welis­waar bij andere pa­ro­chies inge­deeld, maar zonder veel pas­to­rale con­se­quenties voor de pa­ro­chies die dit territorium overnemen. Het ker­ke­lijk wet­boek definieert de pa­ro­chie in navol­ging van het tweede Vati­caans concilie als “ge­meen­schap van christen­ge­lo­vigen” (c. 515 §1) en dit brengt met zich mee dat de Bis­schop de pa­ro­chie­struc­tuur terecht opheft wanneer de ge­meen­schap is gaan ont­bre­ken. In dit geval is sprake van een ophef­fing in de zin van canon 123 en vervallen goe­de­ren en vermogens­rechten aan de on­mid­del­lijke hogere rechts­persoon, het diocees. Het kan billijk zijn dat in dit geval een deel van het bezit wordt toe­ver­trouwd aan de pa­ro­chies waarheen de gelo­vi­gen van de opgeheven pa­ro­chie zijn verhuisd. Van samen­voe­gen of verenigen van pa­ro­chies zou naar mijn mening ge­spro­ken moeten wor­den wanneer het gaat om de fusie van twee tame­lijk gelijk­waar­dige rechts­personen. Men zou van ophef­fing van een pa­ro­chie dienen te spreken wanneer de gelo­vi­ge ge­meen­schap in aantal zo sterk is terug gelopen dat in rede­lijk­heid niet langer van een pa­ro­chie­ge­meen­schap ge­spro­ken kan wor­den (of wanneer de fi­nan­ciële mid­de­len zozeer geslonken zijn dat de pa­ro­chie­struc­tuur niet langer in stand kan wor­den gehou­den). In dat geval is canon 123 van kracht, met billijk­heid toegepast.

Bij samen­voe­ging van pa­ro­chies moet een kerk als paro­chie­kerk door de Bis­schop wor­den aangewezen. Uit de bepa­lin­gen van het ker­ke­lijk wet­boek kan wor­den afgeleid dat dit dient te gebeuren: zo geldt als regel dat doopsels plaats­vin­den in de eigen paro­chie­kerk (c. 857-859); in elke paro­chie­kerk moet de aller­hei­ligste Eucha­ris­tie wor­den bewaard (c. 934 §1, n. 1); hu­we­lij­ken tussen gedoopten dienen in de paro­chie­kerk te wor­den gevierd, tenzij de Ordina­ris of de pastoor verlof geeft de vie­ring elders te hou­den (c. 1118 §1) en de uit­vaart moet in het alge­meen in de kerk van de eigen pa­ro­chie wor­den gevierd (c. 1177 §1). De pastoor is aan de ver­plich­ting gehou­den woo­nach­tig te zijn in een pastorie nabij de kerk, tenzij hij in bij­zon­dere gevallen toestem­ming heeft verkregen van de Ordina­ris om elders te wonen “vooral in een gemeen­schap­pe­lijk huis voor meerdere pries­ters” (c. 533 §1); hij heeft de ver­plich­ting om elke zon­dag en verplichte feest­dag een Mis op te dragen tot intentie van het hem toe­ver­trouwde volk of die bij wet­tige verhinde­ring te laten opdragen door een andere pries­ter of die zelf op andere dagen op te dragen (c. 534 §1). Deze bepa­lin­gen brengen met zich mee dat moet wor­den bepaald welk gebouw de paro­chie­kerk is, in de omge­ving waarvan de pastoor dus woo­nach­tig dient te zijn. De Bis­schop heeft de bevoegd­heid een afwe­ging te maken en zelf een kerk aan te wijzen.30 De aan­wij­zing van de paro­chie­kerk betekent overigens niet dat andere kerken in het gebied van de pa­ro­chie wor­den gesloten. Deze blijven in beginsel bestaan als open­ba­re kerk waarin alle han­de­lin­gen van god­de­lijke ere­dienst vol­trok­ken mogen wor­den met eerbie­diging van de parochiële rechten (c. 1219). Deze kerken kunnen door gelo­vi­gen voor zich­zelf of door hen die de zorg voor de ker­ke­lijke uit­vaart van een overle­den gelo­vi­ge dragen, vrij wor­den uitgekozen voor de uit­vaart­plech­tig­heid (c. 1177 §2); met verlof van de pastoor kunnen hu­we­lij­ken er wor­den gevierd (c. 1118 §1) en wanneer er een doopvont is, kunnen gelo­vi­gen de kerk om een gerecht­vaar­digde reden (“iusta causa”) kiezen voor de vie­ring van het doopsel (cc. 857 §2; c. 858).

3. Slui­ting van een kerk

Een kerk kan aan de ere­dienst wor­den ont­trok­ken wanneer de kerk niet meer (“op geen enkele wijze”) kan wor­den gebruikt voor de god­de­lijke ere­dienst en er geen moge­lijk­heid is om haar te her­stel­len, bij­voor­beeld omdat er niet voldoende fi­nan­ciële mid­de­len zijn. In dit geval kan de dio­ce­sane Bis­schop de kerk zonder nadere voor­waar­den terug brengen “tot een profaan en niet onwaar­dig gebruik”. Een consul­ta­tie van de pries­ter­raad is in dit geval niet verplicht. Deze bevoegd­heid van de Bis­schop beant­woordt aan hetgeen in de codex van 1917 bepaald was in canon 1187, met dien verstande dat niet langer wordt voorge­schre­ven dat de ver­plich­tingen met de bijbe­ho­rende in­kom­sten en de titel van de pa­ro­chie, als het om een paro­chie­kerk ging, naar een andere kerk moeten wor­den over­ge­bracht.31 

Het hui­dige wet­boek voegt een tweede para­graaf toe die de moge­lijk­heid voorziet ook in andere gevallen een kerk aan de ere­dienst te ont­trek­ken, “waar andere erns­tige redenen het raad­zaam maken”. In dit geval dient de Bis­schop eerst de pries­ter­raad te horen, alvorens hij per decreet de beslis­sing neemt. Voorts moet toestem­ming verkregen wor­den van hen die wet­tig rechten op de kerk laten gel­den en mag het zielenheil er geen schade door onder­vin­den (c. 1222 §2). De wet­tige rechten waarvan sprake is betreffen vooral rechten in strikte zin ten aanzien van het ker­ke­lijk goed, die voort­ko­men uit de stich­ting of bouw van de kerk.32 Het wil niet zeggen dat iemand die iets aan de kerk ge­schon­ken heeft, bij­voor­beeld een altaar, daaraan het recht kan ontlenen dat de kerk niet mag wor­den gesloten zonder zijn toestem­ming. Het heil van de zielen zou schade lij­den wanneer de gelo­vi­gen door de kerk­slui­ting niet zonder erns­tig ongemak naar een andere kerk zou­den kunnen gaan.33

Het sluiten van een kerk, zodat die niet meer wordt gebruikt voor de ere­dienst, wordt in de ju­ris­pru­den­tie van de Signatuur gelijk­ge­steld aan onttrek­king aan de ere­dienst.34

In het geval voor­zien in canon 1222 §2 moeten er dus “erns­tige” redenen (graves causae) zijn die het raad­zaam maken de kerk aan de ere­dienst te ont­trek­ken, niet slechts goede of gerecht­vaar­digde redenen (“iustae causae”). Uit de ju­ris­pru­den­tie van de Apos­to­lische Signatuur blijkt dat de dio­ce­sane Bis­schop moet afwegen of de fi­nan­ciële mid­de­len die nodig zijn voor het behoud en herstel van de kerk opwegen tegen de nood­zaak of het nut dit kerk­ge­bouw te behou­den, tegen de ach­ter­grond ook van de andere apos­to­laatsver­plich­tingen, zoals het verlenen van hulp aan de armen. Daar­naast moeten andere omstan­dig­he­den van plaats en personen wor­den afgewogen.35 On­vol­doen­de reden is dat de kerk na samen­voe­ging van pa­ro­chies niet meer nodig is voor de pas­to­rale zorg, dat zij niet meer past in een algeheel pas­to­raal plan, dat de pastoor en de pries­ter­raad de kerk wensen te sluiten of dat de een­heid van de pa­ro­chie of een centrale gemeen­schap­pe­lijke vie­ring van de Eucha­ris­tie erdoor wor­den bevorderd. Deze redenen zijn als on­vol­doen­de be­oor­deeld om te kunnen spreken van “graves causae”, die wel aanwe­zig wer­den geacht te zijn waar de Bis­schop een tame­lijk arme ge­meen­schap niet wilde belasten met de res­tau­ra­tie­kos­ten van een kerk, terwijl een goed onder­hou­den en voldoende grote kerk op tame­lijk geringe afstand aanwe­zig was.36 Een ander vonnis van de Apos­to­lische Signatuur beves­tigde het besluit van een Bis­schop drie kerken aan de ere­dienst te ont­trek­ken na de samen­voe­ging van vijf pa­ro­chies, gezien de zwakke fi­nan­ciële positie van de nieuwe pa­ro­chie en het slinkende aantal gelo­vi­gen dat de kerk bezocht en fi­nan­cieel bijdroeg om de pa­ro­chie te onder­steunen.37 In dit geval wer­den de bezwaren van gelo­vi­gen tegen de kerk­slui­tingen dus ver­wor­pen. De “erns­tige redenen” moeten blijk­baar minstens ten dele betrek­king hebben op de moei­lijk­heid om deze kerk te kunnen behou­den, bij­voor­beeld doordat daarvoor dispro­por­tio­nele mid­de­len nodig zijn of mid­de­len die nau­we­lijks gemist kunnen wor­den.

In beide gevallen - het ont­trek­ken aan de ere­dienst van een kerk die niet langer behou­den kan blijven én het terug­bren­gen van een kerk tot een profaan gebruik om andere erns­tige redenen - wordt de kerk terug gebracht tot “een profaan en niet onwaar­dig gebruik” (c. 1222). Dit betekent in ieder geval dat het gebruik van het gebouw niet in mag gaan tegen de natuurwet en dat geen aanstoot mag wor­den gegeven aan de gelo­vi­gen. Overigens wordt het oor­deel over een al dan niet passende bestem­ming aan de Bis­schop over­ge­la­ten.

Het decreet waar­mee de Bis­schop een kerk aan de ere­dienst onttrekt zal refereren aan wezen­lijke ele­menten van de pro­ce­dure, met name de consul­ta­tie van de pries­ter­raad in geval van een onttrek­king aan de ere­dienst over­een­koms­tig canon 1222 §2 en de erns­tige redenen tenminste summier vermel­den (vgl. c. 51). Ook zal de wijze van uit­voe­ring en beteke­ning wor­den aange­ge­ven en de datum waarop het besluit daad­wer­ke­lijk van kracht wordt. Het decreet zal - zoals dat bij elk decreet het geval is - mede wor­den onder­te­kend door de kanselier of een andere notarius (vgl. c. 483 §1). In het decreet kunnen de beroeps­moge­lijk­heden wor­den aange­ge­ven, die in dit geval iets groter zijn dan in het geval van een samen­voe­ging of ophef­fing van pa­ro­chies.

Besluit

De ophef­fing of samen­voe­ging van pa­ro­chies en de slui­ting van een kerk kunnen zeer emo­tio­nele processen zijn. Het is be­lang­rijk dat de gelo­vi­gen kunnen ervaren dat het nood­za­ke­lijk is dat deze stappen wor­den ondernomen en dat de pastoor, de Bis­schop en andere verant­woor­de­lijken voor dit proces zelf betreuren dat deze maat­regelen moeten wor­den geno­men, dat de redenen waarom deze stappen moeten wor­den geno­men dui­de­lijk wor­den ge­com­mu­ni­ceerd en dat de gelo­vi­gen wor­den uit­ge­no­digd mee te denken en spreken over de beste oplos­sing, gegeven de situatie. Gezien de emoties waar­mee in sommige gevallen de ophef­fing van een pa­ro­chie of de slui­ting van een kerk gepaard gaat, is des­kun­dige be­ge­lei­ding van het proces gewenst. Er zijn echter in toe­ne­mende mate omstan­dig­he­den aan te wijzen waarin de gelo­vi­gen zelf tot de over­tui­ging komen dat een derge­lijke beslis­sing onontkoom­baar is.

In dit artikel hebben we vooral stilgestaan bij de canoniek­rechte­lijke kant van de pro­ce­dures die tot ophef­fing of samen­voe­ging van pa­ro­chies of de slui­ting van kerken lei­den en bij het feit dat deze beslis­singen uit­ein­delijk ten dienste staan van het heil van de gelo­vi­gen, omdat zij pa­ro­chie­ge­meen­schappen beogen te creëren die voldoende vitaal zijn om de ecclesiale dimensie en de wezen­lijke taken van een pa­ro­chie te rea­li­se­ren.

Volk van God. Structuur en inrich­ting van de rooms-katho­lie­ke kerk volgens het Wetboek van canoniek recht (cc. 204-746) (Oegst­geest, 2006), 325 pp.



1 Vgl. ook cc. 776-777.779-780; vgl. CONGREGATIE VOOR DE CLERUS, In­struc­tie De pries­ter, herder en leidsman van de pa­ro­chie­ge­meen­schap, 4 aug. 2002, in: Ker­ke­lijke Do­cu­men­ta­tie 31(2003), pp. 1-31; IDEM, Do­cu­ment De pries­ter en het derde mil­len­nium, 19 maart 1999, in: Ker­ke­lijke Do­cu­men­ta­tie 29(2001), pp. 1-29; CONGREGATIE VOOR DE BISSCHOPPEN, Di­rec­to­rium Apostolorum successores, voor het pas­to­raal dienst­werk van de Bis­schop­pen, 22 febr. 2004 (Città del Vaticano, 2004); naast de hier­on­der geci­teerde literatuur, zie ook: A. BORRAS, Les communautés paroissales. Droit canonique et perspectives pas­to­rales (Paris, 1996); J. HENDRIKS, Volk van God. Structuur en inrich­ting van de Rooms-Katho­lie­ke Kerk volgens het Wetboek van Canoniek Recht (cc. 204-746) (Oegst­geest, 2006), pp. 182-219 .

2 Decreet Apostolicam Actuositatem, n. 10; vgl. Di­rec­to­rium Apostolorum successores, o.c., n. 211.

3 Vgl. P. PAULUS VI, Adhortatio Apostolica Evangelii Nuntiandi, 8 dec. 1975, in: AAS 58 (1976), pp. 5-76, hier nn. 51-56; Di­rec­to­rium Apostolorum successores, o.c., n. 210.

4 P. JOHANNES PAULUS II, Post­sy­no­dale Apos­to­lische Adhor­ta­tie Christifideles laici, 30 dec. 1988, in: AAS 81(1989), pp. 393-521, hier n. 34; Neder­landse vertaling in: Ker­ke­lijke Do­cu­men­ta­tie 17(1989), pp. 168-258. In deze geest heeft paus Johannes Paulus II de ge­meen­schappen van de Neo­ca­te­chu­me­nale Weg als een be­lang­rijk hulp­mid­del voor de nieuwe evangeli­sa­tie ge­kwa­li­fi­ceerd (Brief Ogniqual­volta, 30 aug. 1990, in: AAS 82(1990), p. 1515).

5 Do­cu­ment De pries­ter..., o.c., n. 1.

6 Christifideles laici, o.c., n. 26.

7 Vgl. Dogma­tische Con­sti­tu­tie over de Kerk Lumen gentium, n. 28; Con­sti­tu­tie over de heilige Liturgie Sacrosanctum concilium, n. 4; vgl. Christifideles laici, o.c., n. 26; Di­rec­to­rium Apostolorum successores, o.c., n. 212.

8 Vgl. CIC cc. 369 en 381 met c. 519, vgl. TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Decreet Christus Dominus 30 over de herder­lijke taak van de Bis­schop­pen in de Kerk (CD): “Op heel bij­zon­dere wijze zijn de pastoors mede­wer­kers van de Bis­schop. Aan hen immers is - onder diens gezag - de ziel­zorg toe­ver­trouwd als eigen herders in een bepaald deel van het diocees”; c. 479 met c. 545; cc. 492 en 511 met cc. 536 en 537; c. 388 met c. 534.Vgl. ook SC 42; vgl. AAVV, La Parrocchia (Gruppo Italiano docenti di diritto canonico, Milano, 2005), met name de artikelen van T. CITRINI, R. CORONELLI en G.P. MONTINI..

9 Christifideles laici, n. 26.

10 6 aug. 2000, in: AAS 92(2000), pp. 742-765, hier n. 17. De Neder­landse vertaling luidt hier - minder juist - “in strikte zin”, in: Ker­ke­lijke Do­cu­men­ta­tie 28(2000), pp. 297-315.

11 Vgl. CIC, c. 528 §2; Cate­chis­mus van de Katho­lie­ke Kerk, nr. 2179; CD 30, 2: “ Celebratio eucha­ristici sacrificii centrum sit et culmen totius vitae communitatis christianae”. SC 42: “...quo­dammodo raepresentant ecclesiam visibilem per orbem terrarum constitutam”; vgl. N. CIOLA (ed.), La parrocchia in un’ ecclesiologia de comunione (Bologna, 1996).

12 Di­rec­to­rium Apostolorum successores, o.c., n. 210.

13 Di­rec­to­rium Apostolorum successores, o.c., n. 211; In­struc­tie De pries­ter, herder en leidsman van de pa­ro­chie­ge­meen­schap, n. 29, 4, p. 28.

14 Vgl. Di­rec­to­rium Apostolorum successores, o.c., n. 214. Ver­schil­lende aan­zet­ten hiertoe wor­den gegeven door: J.B. CAPPELLARO, Edificare la Chiesa locale. Guida alle strutture dio­ce­sane e parrocchiali (Città del Vaticano, 1999); J. VAN DER VLOET (ed.), De toe­komst van de pa­ro­chie (Wommelgem, 1987); A. MEIJERS (ed.), De pa­ro­chie van de toe­komst (Scripta canonica 2, Leuven, 1998).

15 Ibidem, n. 214.

16 Di­rec­to­rium Apostolorum successores, o.c., n. 215c; vgl. c. 517 §2; In­struc­tie De pries­ter, herder en leidsman van de pa­ro­chie­ge­meen­schap, o.c., nn. 19 en 23. Dit laat onverlet dat diakens mee­werken en leken hulp bie­den bij de ver­kon­di­gings­taak, de heili­gings­taak en de be­stuurs­taak, over­een­koms­tig canon 519. 

17 F. DANEELS, “Soppressione, unione di parrocchie e riduzione ad uso profano della chiesa parrocchiale”, in: La parrocchia (Studi giuridici XLIII, Città del Vaticano, 1997), pp. 85-112, hier pp. 91-92; B. DALY, “Removal of pastor when parish is suppressed”, in: A. ESPELAGE (ed.), CLSA advisory opinions 2001-2005 (Alexandria VA, 2006), pp. 162-166, hier: p. 163.

18 DANEELS, a.c., p. 89: ‘Anche se ciò non viene detto esplicita­mente nel canone, è evi­dente­mente richiesta una giusta causa, perché l’esercizio dell’autorità pas­to­rale non può mai essere arbitrario nella Chiesa, ma deve attenersi ai criteri di buon governo, pro­mo­vendo la ‘salus animarum’”.

19 DANEELS, a.c., p. 93.

20 Ibidem, p. 94.

21 J. HENDRIKS, “Verant­woor­de­lijk­heid en aansprake­lijk­heid van de dio­ce­sane bis­schop volgens canon 128", in: K. MARTENS (ed.), Verant­woor­de­lijk­heid en aansprake­lijk­heid van de dio­ce­sane bis­schop (Leuven, 2003), p. 37-68, m.n. pp. 65-66; IDEM, “Canone 128: riparazione del danno. Obblighi e responsabilità del vescovo dio­ce­sano”, in: Ius Ecclesiae 15(2003), pp. 427-457, hier: pp. 454-456.

22 J. LOYSON, “Kerk­slui­ting: afbraak of voortgang”, in: MEIJERS (ed.), o.c., pp. 225- 235, hier p. 230.

23 Vgl. opinies van B. DALY, Th. PAPROCKI en I. WATERS ter­zake, in: CLSA opinions 2001-2005, o.c., pp. 162-169.

24

 Vgl. ook DANEELS, a.c., p. 91: “ Riguardo ai donatori ritengo trattarsi non di contributi normali dei fedeli alla vita e sussistenza della loro parrocchia, ma di specifiche donazioni ancora vale­voli al momento della soppressione della parrocchia”.

25 “Erworbene Rechte (iura quaesita) sind beanspruch­ba­re Befugnisse, die durch rechtserhebliches Handeln (bewußt gewolltes Tun oder Unterlassen) nach maßgabe des objektiven Rechtes erlangt wur­den” (H. SOCHA, in: Kl. LÜDICKE (ed.), Münste­rischer Kommentar zum Codex Iuris Canonici (los­bla­dig, stand 1991, Essen 1984vv.) c. 4, n. 2; “Iura ... quaesita ea sunt quae, iam facta applicatione anteriorum legum, alicui competunt” (A. VERMEERSCH, I. CREUSEN, Epitome Iuris Canonici, dl. 1 (Mechlina, Roma, 1963), n. 74, 2); vgl. DANEELS, a.c., pp. 90-91.

26 DANEELS, a.c., p. 90; H. PREE, in: Münste­rischer Kommentar, o.c. (stand 2000), c. 121, n. 2.

27 DANEELS, a.c., p. 91.

28 J. MYERS, “Suppression and merger of parishes: brief overview of canonical issues”, in: P. COGAN (ed.), CLSA advisory opinions 1984-1993 (Washington DC, 1995), pp. 110-113, hier p. 112.

29 Ibidem, pp. 90-91.

30 Vgl. HENDRIKS, “Obblighi...”, a.c., pp. 455-456; IDEM, “Verant­woor­de­lijk­heid...”, p. 66, met ver­wij­zing naar ju­ris­pru­den­tie van de Signatura.

31 Codex Iuris Canonici [1917], Pii X P.M. iussu digestus, Benedicti Pp. XV auctoritate promulgatus (Typis polyglottis Vaticanis, 1974).

32 DANEELS, a.c., p. 99 onder ver­wij­zing naar een uit­spraak van de Signatura van 21 nov. 1987; J. LOYSON, a.c., p. 229.

33 DANEELS, a.c., p. 100.

34 Ibidem, p. 99.

35

 Ibidem, pp. 96-97; PONTIFICIA COMMISSIONE PER I BENI CULTURALI DELLA CHIESA, rondzend­brief Fra le sollecitudini, 10 apr. 1994, in: Enchiridion Vaticanum 14 (Bologna, 1997), nn. 918-947, hier n. 927: “”Qualora si tratti di ricuperare edifici da molto tempo in disuso, è bene valutare il senso reale di tale operazione.... Non si tratta di restaurare ad ogni costo quanto è ridotto in sfacelo per riafffermare un certo pres­tigio nell’ambito di poteri estranei alla Chiesa; occorre, al contrario, saper affermare il primato della lode a Dio senza dimenticare le sofferenze del suo popolo...“.

36 DANEELS, a.c., pp. 97-98, met voetnoot 37.

37 Ibidem, p. 98.

Terug