Arsacal
button
button
button


Hervorming huwelijksproces door paus Franciscus

Het Motu Proprio Mitis Iudex en vervolgdocumenten

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: woensdag, 30 mei 2018

Woens­dag 30 mei heb ik een lezing gehou­den voor de mede­wer­kers van het Offi­cia­laat (ker­ke­lijke recht­bank) van de bis­dom­men Utrecht, Rotter­dam, Breda, Gro­nin­gen-Leeu­war­den en ’s-Hertogen­bosch over de her­vor­ming van het huwe­lijks­pro­ces die paus Fran­cis­cus in 2015 is begonnen. De tekst ervan vindt U hier.

 

Mitis Iudex

De her­vor­ming van het huwe­lijks­pro­ces

Het ker­ke­lijk proces tot nietig­ver­kla­ring van een huwe­lijk heeft de laatste jaren we­reld­wijd veel aan­dacht gekregen doordat paus Fran­cis­cus in de Motu Proprio’s Mitis iudex Dominus Iesus en Mitis et misericors Iesus, beide van 15 au­gus­tus 2015, de pro­ce­dure heeft ver­een­vou­digd en meer toe­gan­ke­lijk heeft gemaakt.1 Deze beide pau­se­lijke do­cu­menten gaan niet over de uitgangs­pun­ten en de redenen waarom een huwe­lijk nietig kan zijn. De ju­ris­pru­den­tie ter­zake zoals die met name door de Romeinse Rota wordt ontwikkeld (de ju­ris­pru­den­tie van deze recht­bank is re­fe­ren­tie­kader voor de andere recht­banken), is dus niet ge­wij­zigd. Voor het meren­deel van de zaken die aan de ker­ke­lijke recht­banken wor­den voor­ge­legd kan deze ju­ris­pru­den­tie zelfs niet radicaal ge­wij­zigd wor­den, omdat de nietig­heidsgron­den groten­deels gebaseerd zijn op god­de­lijk recht.2 Dat sluit na­tuur­lijk niet uit dat er ont­wik­ke­lingen in de ju­ris­pru­den­tie zijn, door ge­wij­zigde vereisten voor de bewijs­voe­ring (zoals in de beide Motu Proprio’s inder­daad is gebeurd) of door een dieper inzicht in de toepas­baar­heid van nietig­heidsgron­den. Enkele be­lang­rijke pre­sump­ties en aan­wij­zingen voor de nietig­heid van een huwe­lijk, ontleend aan de ju­ris­pru­den­tie van met name de Rota, komen wél ter sprake in de proces­regels voor de be­han­de­ling van nietig­heids­zaken (Ratio proce­dendi in causis ad matrimonii nullitatem declaran­dam) die bij de beide Motu Proprio’s zijn gevoegd.3 Het betreft hier aan­wij­zingen die de nietig­heid van het huwe­lijks ja-woord tame­lijk evi­dent kunnen maken en die in de Ratio Proce­dendi als voor­beel­den wor­den genoemd van omstandig­he­den waarin een verkort proces (“processus brevior”) ten overstaan van de bis­schop moge­lijk is als beide partners van de gestrande relatie daarin bewilligen. In een Subsidium (hulp­mid­del) voor de toepas­sing van Mitis Iudex, samen­ge­steld door de Romeinse Rota, wor­den deze omstandig­he­den toe­ge­licht.4 We zullen hier later op terug komen. Tenslotte is op 29 april 2018 een instructie verschenen over de studie van het canoniek recht met het oog op de lijnen die in Mitis Iudex zijn uitgezet. Al deze zojuist genoemde do­cu­menten liggen ten grond­slag aan de hierna volgende be­schou­wingen over de hoofd­lijnen van de her­vor­ming van het huwe­lijks­pro­ces en de nieuwe korte proces­vorm.

I. De redenen van de her­vor­ming

“Alles doen voor de red­ding van de zielen”, zo zou men de redenen van de her­vor­ming kunnen samen­vat­ten en daarom moest het huwe­lijks­pro­ces meer toe­gan­ke­lijk en een­vou­dig wor­den, moest de geest van naasten­liefde meer zicht­baar wor­den en moest helderder wor­den getoond dat de Kerk naast de mensen staat in het proces om de waar­heid over hun huwe­lijkse staat vast te stellen. Dienst­baar­heid is immers eigen aan het gewijde ambt dat wezen­lijk een mini­ste­rieel karakter heeft. De normen van Mitis Iudex onder­stre­pen in dit verband de eigen en onvervreemd­ba­re verant­woor­de­lijk­heid van de bis­schop­pen inzake de uit­oefe­ning van de rech­ter­lijke macht als dienst aan het hun toe­ver­trouwde deel van het volk van God.
De huwe­lijks­pro­ces­sen moeten derhalve sneller wor­den afge­wik­keld maar niet om nietig­heid te bevor­de­ren maar uit respect voor de gelo­vi­gen die het recht hebben op een ant­woord naar waar­heid binnen een rede­lijke termijn.

De processen moeten moge­lijker­wijs gratis zijn, omdat het om een zaak gaat die nauw verbon­den is met de red­ding van iemands ziel en omdat men hierin de gratuite liefde van de Verlosser kan ervaren, zoals het Subsidium van de Rota stelt.5 Als een moeder, zo con­clu­deert dit do­cu­ment, wil de Kerk betrokken zijn bij de won­den en de breek­baar­heid van haar kinderen en hen helpen op te staan en op het goede pad verder te gaan.

Mitis Iudex Dominus Iesus geeft een nieuwe, ge­wij­zigde tekst voor de canones die het huwe­lijks­pro­ces betreffen. Ook het Motu Proprio Mitis et Misericors Iesus doet dat voor het wet­boek van de oosterse kerken. Omdat de Codex Iuris Canonici (1983) voor de Latijnse kerk onze leidraad is, wordt aan dit laatste Motu Proprio hier geen aan­dacht geschonken.

II. Welke zijn de fun­da­men­tele uitgangs­pun­ten van deze her­vor­ming?

Het Subsidium van de Rota noemt de volgende uitgangs­pun­ten op, die leidraad zijn in deze her­vor­ming van het huwe­lijks­pro­ces­recht; die uitgangs­pun­ten zijn ontleend aan het Motu Proprio Mitis Iudex, waar­naar we tussen haakjes steeds verwijzen:

1 De centrale rol van de bis­schop

Het Motu Proprio ziet in het accentueren van de rech­ter­lijke rol van de Bis­schop een uit­voe­ring van wat het tweede Vati­caans concilie zegt, name­lijk dat de Bis­schop tot rechter is aan­ge­steld in de kerk waarvan hij herder en hoofd is. Het Motu Proprio geeft hierbij geen ver­wij­zing, maar het ligt voor de hand op de eerste plaats te denken aan Lumen Gentium 27 waar gesteld wordt dat de bestuur­lijke of herder­lijke macht van de bis­schop­pen die eigen, gewoon en on­mid­del­lijk is, onder meer inhoudt dat de bis­schop het heilig recht en ten overstaan van de Heer de plicht heeft om over zijn onderdanen recht te spreken. Mitis Iudex wenst daarom dat iedere dio­ce­sane bis­schop tenminste een teken geeft van de ver­an­de­ring (bekering?) van de ker­ke­lijke struc­tu­ren (“conversio ecclesiasticarum structurarum”) door het rechtspreken in ieder geval niet helemaal aan anderen over te laten (MI, n. III). De nieuwe canon 1673 §1 vermeldt uit­druk­ke­lijk dat de dio­ce­sane bis­schop zelf de rech­ter­lijke macht kan uitoefenen door als rechter op te tre­den. Het gaat hier om de dio­ce­sane bis­schop, niet om een hulp­bis­schop.

Een bij­zon­dere rol daarin speelt de korte proces­vorm. De paus wil dat zo moge­lijk ieder dio­ce­sane bis­schop een recht­bank heeft en dat de korte proces­vorm voorbe­hou­den is aan de bis­schop zelf, als garant voor de katho­lie­ke een­heid in geloof en discipline (MI, n. IV).

In deze verkorte proces­vorm over zaken waarin de nietig­heid evi­dent is, is dus de bis­schop degene die oor­deelt; anderen kunnen de instructie doen, maar het is de bis­schop die de morele zeker­heid moet hebben om het "constat de nullitate" uit te spreken.

Als het niet moge­lijk is een college van rechters te laten oor­de­len, kan de bis­schop een enkele rechter in eerste instantie laten oor­de­len (nieuwe canon 1673 §4). De bis­schop heeft hiervoor geen toestem­ming nodig van de Bis­schop­pen­con­fe­ren­tie of de Apos­to­lische Stoel. Ook hierin is de rol van de bis­schop dus meer bepalend gewor­den. Deze rechter moet een clericus zijn - diaken of priester - en de bis­schop moet ervoor waken dat dit niet tot laks­heid leidt. Zo moge­lijk wordt deze rechter vergezeld van twee “assessores” die deskundig moeten zijn in men­se­lijke of rechts-weten­schappen. De recht­bank van tweede instantie moet altijd collegiaal zijn en dit voor­schrift is voor de geldig­heid van het proces vereist (nieuwe canon 1673 §5).

2. Synodali­teit in de pas­to­rale dienst van recht spreken.

De term “synodali­teit” wordt vermeld in het Subsidium en in Mitis Iudex n. V. De reden waarom voor deze term is gekozen, zal niet voor iedereen dui­de­lijk zijn, omdat het gebruik ervan in dit verband niet direct met synodes of met het deel­heb­ben aan een ker­ke­lijke besluit­vor­ming te maken heeft; maar deze uitdruk­king wordt door de huidige paus vaker gebruikt en het bevor­de­ren van de synodali­teit lijkt tot een soort doel­stel­ling te zijn gewor­den van zijn pon­ti­fi­caat.

Onder deze noemer verwijzen Mitis Iudex en het Subsidium ook op het beroep op de Me­tro­po­liet (aarts­bis­schop in kerk­pro­vin­cie). Aan de bis­schop­pen­con­fe­ren­ties wordt gevraagd de bis­schop­pen te steunen en hun recht te sauveren om de rech­ter­lijke macht in hun eigen diocees te ordenen. In dit verband wordt tevens genoemd dat de rechter(s) zich let­ter­lijk niet ver van de gelo­vi­gen moeten bevin­den. De aan het Motu Proprio toe­ge­voegde Ratio proce­dendi geeft in verband hiermee iedere bis­schop het recht zich terug te trekken uit een interdio­ce­sane recht­bank en verplicht een dio­ce­sane bis­schop die geen recht­bank heeft om mensen voor te berei­den die in een recht­bank kunnen werken.6 Het Subsidium van de Rota heeft daaruit gecon­clu­deerd dat iedere bis­schop en me­tro­po­liet moet overgaan tot de oprich­ting van een dio­ce­sane recht­bank als die er nog niet is en dat de bis­schop zich kan terug trekken uit een interdio­ce­sane recht­bank of een recht­bank kan kiezen die dichterbij ligt. De ver­plich­ting om een dio­ce­sane recht­bank op te richten is in het Subsidium zelfs zo sterk ge­for­mu­leerd dat daarin een eigen paragraaf is opgenomen onder de titel: “Wat gebeurt er als een Bis­schop niet on­mid­del­lijk zijn eigen recht­bank kan oprichten?”7 Het Subsidium is echter hoogstens admi­ni­stra­tief van karakter en het Motu Proprio geeft geen strikte ver­plich­ting om een eigen recht­bank op te richten, integen­deel de nieuwe canon 1673 §2 laat uit­druk­ke­lijk de bevoegd­heid van de dio­ce­sane Bis­schop om naar een interdio­ce­sane recht­bank te gaan onverlet.

In het Subsidium wordt ook de voor­be­rei­ding van een hand­boek (Vademecum) voor de voor­be­rei­ding en instructie van huwe­lijks­zaken als ver­plich­ting aan bis­schop­pen­con­fe­ren­ties opgelegd . Ook hier gebruikt het do­cu­ment iets straffere formu­le­ringen dan de Ratio proce­dendi art. 3 waar­naar verwezen wordt en waar het Vademecum als een moge­lijk­heid wordt aangeduid en de voor­be­rei­ding ervan bij het bisdom, bij bis­dom­men ge­za­men­lijk of bij con­fe­ren­ties wordt gelegd. De Romeinse Rota blijft be­schik­baar voor beroeps­zaken (MI, n. VII) en or­ga­ni­seert cursussen om mensen voor te berei­den op diensten in de dio­ce­sane curie en in de recht­bank.8

3. Ver­een­vou­digde en snellere pro­ce­dures

Deze doel­stel­ling van de her­vor­ming heeft geleid tot de afschaf­fing van een verplichte tweede instantie en van twee con­for­me sen­tenties, zodat de eerste sen­tentie die de nietig­heid vaststelt uitvoer­baar wordt zodra de termijnen voor beroep voorbij zijn en geen beroep is ingesteld (MI n.I).

Daar­naast is een nieuwe, verkorte pro­ce­dure ingevoerd voor zaken van manifeste nietig­heid, waarbij de dio­ce­sane bis­schop recht spreekt. In een nieuwe canon 1683 wordt aange­ge­ven dat deze korte pro­ce­dure kan wor­den aan­ge­vraagd door beide partijen samen, of door één partij terwijl de ander akkoord gaat.

In beide gevallen kan de nietig­heid alleen wor­den uit­ge­spro­ken als morele zeker­heid is verkregen.
Ook dient men er - zoals vermeld - zorg voor te dragen dat rechter en partijen moge­lijker­wijs in elkaars nabij­heid ver­blij­ven. Voor de verhoren make men gebruik vande rechtshulp van dichtbij de personen gelegen recht­banken, zodat het niet veel moeite kost om aan het proces deel te nemen.9

4. De pro­ce­dures moeten gratis zijn

De mede­wer­kers aan de recht­bank moeten een recht­vaar­dige en waardige belo­ning krijgen terwijl de pro­ce­dures gratis moeten zijn, waarbij de bis­schop­pen­con­fe­ren­tie zo moge­lijk moet helpen.

III. De be­lang­rijk­ste vernieu­wingen van Mitis Iudex

Behalve de reeds genoemde meer fun­da­men­tele uitgangs­pun­ten van de vernieu­wing van de huwe­lijks­pro­ces­sen die tot bepaalde reeds gesignaleerde ver­an­de­ringen hebben geleid, zijn nog enkele wijzi­gingen te benoemen, die alle min of meer voort­vloei­en uit het pas­to­rale karakter van deze her­zie­ning en uit de daar­mee verbon­den uitgangs­pun­ten:

Wat betreft de compe­tentie van de recht­banken is een be­lang­rijke vernieu­wing dat de recht­bank van het bisdom waar pars actrix domicilie of quasi-domicilie heeft en de recht­bank waar pars conventa domicilie of quasi-domicilie heeft, gelijke­lijk bevoegd zijn (nieuwe canon 1672 die in plaats van de oude c. 1673 komt). Het is dus niet meer nodig de officiaal van het bisdom van pars conventa om toestem­ming te vragen. De partijen die het offi­cia­laat benaderen, kunnen zelf kiezen naar welk offi­cia­laat zij gaan.10

De voor­zit­ter van een collegiale recht­bank moet een clericus zijn, maar niet nood­za­ke­lijk een priester; beide andere rechters kunnen volgens de nieuwe canon 1673 §3 leken zijn. Hiermee wordt een gevoelig punt beslist dat bij de totstandko­ming van het huidig wet­boek speelde. De zo­ge­naamde “Münchener Schule” is van opvat­ting dat de rech­ter­lijke macht aan het wij­dings­sa­cra­ment gebon­den is en een leek niet wer­ke­lijk rechter kan zijn. Vanuit deze rich­ting in het canoniek recht werd dan ook bestre­den dat de ene leken-rechter die tot nu toe als moge­lijk­heid was voorzien, een door­slag­ge­vende stem zou kunnen hebben. Deze discussie heeft men nu achter zich gelaten door uit­druk­ke­lijk te bepalen dat een collegiaal tribu­naal uit een meerder­heid van leken­rechters kan bestaan.

Een andere be­lang­rijke wijzi­ging is de moge­lijk­heid om een pro­ce­dure te beginnen over de nietig­heid van een huwe­lijk waarvan een van beide of beide partijen reeds overle­den zijn, wanneer de vraag over de geldig­heid een onder­deel vormt van een geding over een andere kwestie. Deze moge­lijk­heid van een huwe­lijks­pro­ces post mortem geldt zowel als deze vraag een rol speelt in een canonieke als in een civiele rechte­lijke pro­ce­dure (nieuwe c. 1674 §2).

Canon 1676 van de Codex Iuris Canonici (nu canon 1675) gaat over ver­zoe­ningspo­gingen door de rechter voordat hij een huwe­lijkscausa aanvaardt, Deze canon is nu op een andere wijze ge­for­mu­leerd. Er wordt niet meer over de plicht gesproken om pas­to­rale mid­de­len aan te wen­den om het huwe­lijksleven te herstellen als dit goede hoop biedt, maar alleen wordt aange­ge­ven dat de rechter zich ervan op de hoogte moet stellen of het huwe­lijkse sa­men­le­ven inder­daad onherstel­baar verkeerd is gegaan. De canon biedt dus nu minder aan­kno­pings­pun­ten om een pas­to­rale weg van be­ge­lei­ding in te slaan, wanneer de zaak eenmaal bij de recht­bank is gekomen.11 Daarentegen voorziet een Instructie van de Con­gre­ga­tie voor de katho­lie­ke Opvoe­ding van 29 april 2018 in de vor­ming van consulenten die echtparen be­ge­lei­den: op een eerste niveau zijn dat de pastoors en andere mede­wer­kers binnen de pa­ro­chie (Instructie, Art. 20-22), op een tweede niveau mede­wer­kers van een huwe­lijksconsul­ta­tie­bu­reau die op pas­to­raal, psycho­lo­gisch en juri­disch terrein kunnen adviseren (Instructie, Art. 23-26) en op een derde niveau zijn dat de advocaten die de partijen vanuit een kerk­rechte­lijke compe­tentie terzijde staan in het huwe­lijks­pro­ces.12 Terecht kan men dus opmerken dat in de pas­to­rale be­ge­lei­ding op een andere wijze is voorzien en het niet meer de rechter is bij wie deze taak ligt op het moment dat de partijen komen voor een nietig­ver­kla­ring.

We zien hier af van een bespre­king van het verloop van het huwe­lijks­pro­ces zelf, met uit­zon­de­ring van enkele accenten die ter­zake door Mitis Iudex zijn gezet. Zo’n accent betreft de bewijs­voe­ring waarover het in de nieuwe canon 1678 gaat, die in plaats komt van de canones 1679-1681 (vgl. c 1536). In feite heeft de rechter nu iets grotere vrij­heid gekregen om aan een gerechte­lijke bekentenis (“confessio iudicialis”) en ver­kla­ringen van de partijen volledige bewijs­kracht toe te kennen. Canon 1678 §1 legt althans minder nadruk op het aanwen­den van “testes de credibilitate” (“testibus forte de ipsarum partium credibiliatate sus­tentae”) dan de oude canon 1679 (“Testes de ipsarum partium credibilitate, si fieri potest, adhibeat”). Bovendien wordt er nu meer van uitgegaan dat er geloof aan deze ver­kla­ringen kan wor­den gehecht, “tenzij er andere ele­menten bij­ko­men die deze ver­zwak­ken”.13

Zoals is aange­ge­ven wordt de sen­tentie van de eerste instantie onder de vigeur van Mitis Iudex meteen uitvoer­baar, tenzij er beroep wordt ingesteld binnen de termijn van vijftien dagen. Als het beroep echter klaarblijke­lijk alleen was bedoeld om tijd te rekken, bevestigt de collegiale beroeps­recht­bank de sen­tentie van de eerste instantie met een decreet (nieuwe canon 1680 §2).
Art. 13 van de Ratio Proce­dendi heeft - met wegla­ting van de moge­lijk­heid van afwijkende par­ti­cu­liere wet­ge­ving - art. 258 §3 uit Dignitas connubii overgenomen dat toe­staat aan een partij die geen bericht wenst over het proces alleen het pars dispositiva van de sen­tentie te verstrekken met de feite­lijke uit­spraak over het Constare vel non constare de matrimonii nullitate. Dit artikel betreft dus geen nieuwe moge­lijk­heid.

IV. De korte pro­ce­dure

De korte pro­ce­dure kan wor­den ingezet indien beide partijen ermee akkoord zijn, dus doordat beide partijen hier ge­za­men­lijk om vragen of doordat één er om vraagt en de ander instemt (nieuwe c. 1683). Deze pro­ce­dure kan wor­den toegepast wanneer er geen meer uit­ge­breide verhoren of onder­zoeken vereist zijn. De bewijzen die ge­mak­ke­lijk verzameld kunnen wor­den, moeten in de libellus wor­den aange­ge­ven, zodat op grond van het verzoek­schrift kan wor­den besloten of de causa voor een be­han­de­ling in een korte pro­ce­dure in aanmer­king komt. De officiaal bepaalt daarop in één decreet de rechts­grond op basis waarvan de nietig­ver­kla­ring wordt onderzocht, hij benoemt de instructor en een assessor en stelt een zit­ting vast die binnen dertig dagen moet wor­den gehou­den, waartoe hij tevens allen oproept die daarbij aanwe­zig dienen te zijn (nieuwe canon 1685). De instructor verzamelt de bewijzen zo moge­lijk in één sessie en geeft vijftien dagen aan de defensor voor zijn animadversiones en aan de partijen voor hun ver­de­di­ging. Daarna velt de dio­ce­sane Bis­schop als hij morele zeker­heid heeft bereikt het vonnis, over­een­komstig de nieuwe canon 1687 §1. De partijen ontvangen de ge­mo­ti­veerde sen­tentie zo snel moge­lijk. Er is beroep moge­lijk naar de Me­tro­po­liet of naar de Rota; tegen een sen­tentie van de me­tro­po­liet naar de oudste suffragaan. Deze oudste suffragaan, is volgens de uitleg van de Pau­se­lijke Raad voor de Wets­tek­sten in een brief van 13 ok­to­ber 2015, de bis­schop van de oudste suffragane bis­schops­ze­tel. Voor Neder­land lost dat niet veel op omdat de meeste bis­dom­men op hetzelfde moment zijn opgericht.14 Een bis­schop die geen Me­tro­po­liet heeft, kiest een dio­ce­sane bis­schop uit om bij in beroep te gaan, door een stabiele keuze, dat wil zeggen dat hij deze bis­schop niet per keer kan uitkiezen.

Tot de korte pro­ce­dure kan ook wor­den overgegaan wanneer de gewone pro­ce­dure reeds begonnen is mits beide partijen instemmen, volgens een brief van de Pau­se­lijke Raad voor de Wets­tek­sten van 1 okt. 2015 die op de website van de Raad is ge­pu­bli­ceerd.15

V. Evidente nietig­heid volgens Mitis Iudex

Tegen de ach­ter­grond van de grote lijnen van de ker­ke­lijke ju­ris­pru­den­tie moeten we de omstandig­he­den zien waarover het in artikel 14 §1 van de Ratio proce­dendi bij het Motu Proprio Mitis Iudex gaat: zaken die de nietig­heid van een huwe­lijk betreffen, kunnen binnen een korter proces over­een­komstig de canones 1683-1687 ten overstaan van de bis­schop wor­den behandeld onder andere wanneer zich de volgende omstandig­he­den voordoen: een zodanig gebrek aan geloof dat dit simulatie van de consensus veroor­zaakte of een dwaling die de wil bepaalde, de korte duur van het huwe­lijks sa­men­le­ven, abortus gepleegd om nakomeling­schap te verhinderen, hals­star­rig blijven in een buitenechte­lijke relatie ten tijde van het huwe­lijk of in de tijd die daar on­mid­del­lijk op volgt, het bedrieglijk ver­bergen van sterili­teit of een ernstige besmette­lijke ziekte, van kinderen geboren uit een vorige relatie of detentie, of wanneer het huwe­lijk om volstrekt oneigen­lijke gron­den is aangegaan of wanneer de reden bestond in de zwanger­schap van de vrouw; ook in geval van fysiek geweld gebruikt om het ja-woord te verkrijgen of het ontbreken van het gebruik van het verstand, aange­toond door medische do­cu­menten, enzovoorts.16

Hoewel het hier niet gaat om een limi­ta­tieve opsom­ming, zoals de Ratio proce­dendi dui­de­lijk aangeeft, gaat het hier wel om ken­mer­kende en be­lang­rijke omstandig­he­den, die een beeld geven van de uitgangs­pun­ten van de ker­ke­lijke pro­ce­dure. Daarom zullen we er kort bij stilstaan alvorens de ver­schil­lende nietig­heidgron­den te bespreken.

1. Een gebrek aan geloof dat simulatie van het ja-woord kan veroor­zaken of een dwaling die de wil bepaalt.

In 1947 gaf het toen­ma­lig Heilig Officie speciale regels voor het beoor­de­len van huwe­lijks­zaken aan het Apos­to­lisch Vicariaat van Zweden. Deze regels hebben niet-katho­lie­ken in het vizier die katho­liek willen wor­den en een ker­ke­lijk huwe­lijk willen sluiten maar gebon­den zijn door een eerder huwe­lijk dat zij als niet-katho­liek hebben gesloten. Het heilig Officie gaf toestem­ming om in bepaalde gevallen een verkorte pro­ce­dure te volgen en maakte dui­de­lijk dat in de beoor­de­ling reke­ning moest wor­den gehou­den met een door­wer­king van de maat­schap­pe­lijke denk­beel­den over het huwe­lijk in de mentali­teit waar­mee de partners in dit geval een huwe­lijk waren aangegaan. In Zweden was sinds 1915 echtschei­ding met weder­zijds goedvin­den wette­lijk aanvaard, terwijl de Lutherse Kerk van Zweden toen Staats­kerk was.17 Een derge­lijke visie op het huwe­lijk ging zich ook in de hoof­den en de harten van de mensen vastzetten.

Het gaat in de nieuwe proces­regels dus niet zomaar om een gebrek aan geloof alsof men het sacra­ment van het huwe­lijk niet zou aangaan als men niet gelooft in God, de Kerk en de sacra­menten. Door het ja-woord treedt de huwende een op zich na­tuur­lijke wer­ke­lijk­heid binnen die door de verlos­sing een nieuwe dimensie heeft gekregen. Het is dus voldoende als iemand de essentie van deze na­tuur­lijke wer­ke­lijk­heid aanvaardt en de wezen­lijke eigen­schappen ervan niet uitsluit. Daar kan men in het huidig tijds­ge­wricht echter steeds minder vanuit gaan, de personen die het huwe­lijk aangaan zijn beïnvloed door een seculiere mentali­teit die mede bepaalt op wat voor huwe­lijk zij “ja”zeggen en dat kan er toe lei­den dat de huwen­den de optie open hou­den om seksuele relaties met anderen aan te gaan of om met de relatie te stoppen als die niet bevredigend meer is.18

2. Korte duur van het huwe­lijksleven

De korte duur van het huwe­lijk kan in sommige gevallen eveneens een dui­de­lijk teken zijn dat de nietig­heid om bepaalde redenen bevestigt en kan daarom aan­lei­ding zijn het processus brevior te voeren. Dit is bij­voor­beeld zo wanneer er een reden is waarom een partner de relatie verbreekt die te maken heeft met het ja-woord: het verbreken kan een reactie zijn op bedrog, ook bij­voor­beeld door het verzwijgen van be­lang­rijke gegevens, de oor­zaak van het uit elkaar gaan kan liggen in de dage­lijkse ervaring van het leven met een partner die een psychische stoornis heeft, in bewustwor­ding van het feit dat men dit huwe­lijk niet heeft gewild, maar er zich bij­voor­beeld door omstandig­he­den toe heeft laten brengen, enzovoorts. De korte duur van het huwe­lijk kan dan een dui­de­lijk teken zijn dat er inder­daad zoiets aan de hand is. Dit laat tevens zien dat de korte duur van een huwe­lijk niet op zich al een nietig­heids­grond is, alsof het huwe­lijk pas gelei­de­lijk geldiger wordt. Het huwe­lijk is geldig aangegaan door het ja-woord en voltrokken door de huwe­lijks­daad. die het sacra­men­tele huwe­lijk onontbind­baar maakt (c. 1061 §1).19

3. Abortus

Iets derge­lijks geldt ook voor het plegen van abortus provocatus, in zoverre die abortus een dui­de­lijk teken kan zijn van de beslist­heid waar­mee het krijgen van kinderen wordt uitgesloten. Ook kan abortus een teken zijn van een totaal andere visie op het huwe­lijk, die het wezen ervan verwerpt. Ook hier geldt dat niet de abortus op zich een nietig­heids­grond is en dat die zelfs geen aan­wij­zing hoeft te zijn voor een nietig­heids­grond als de abortus bij­voor­beeld uit radeloos­heid wordt gepleegd in een uiterst moei­lijke situatie.

4. Een buitenechte­lijke relatie ten tijde van de huwe­lijks­slui­ting

Een buitenechte­lijke relatie ten tijde van de huwe­lijks­slui­ting of vlak erna is eveneens een aan­wij­zing voor een nietig­heids­grond, met name: het uitsluiten van de huwe­lijkstrouw of in sommige gevallen van het huwe­lijk zelf of het onvermogen om trouw te zijn. Het aangaan en/of volhar­den in een derge­lijke relatie op zo’n moment is een sterke aan­wij­zing dat het huwe­lijk niet echt gewild is of niet met een huwe­lijkswil is aangegaan en dus niet geldig is.

5. Bewezen bedrog

Het onomstote­lijk bewijs van het bedrieglijk ver­bergen van sterili­teit of een ernstige besmette­lijke ziekte, van het feit dat uit er een eerdere relatie was en daar kinderen uit zijn geboren of van het uitzitten van een celstraf, is meer dan een aan­wij­zing. Het bedrieglijk ver­bergen (dolus) van deze en andere zaken die uiteraard de huwe­lijks­ge­meen­schap ernstig kunnen verstoren, is een nietig­heids­grond en maakt dat het huwe­lijk ongeldig is gesloten (c. 1098). De canon, voor het eerst in het ker­ke­lijk wet­boek opgenomen in 1983, wil de vrij­heid van huwen­den be­scher­men tegen bedrog dat is gepleegd om het ja-woord te verkrijgen en daaronder wor­den ook zaken begrepen die tot dat doel expres verzwegen zijn en die van nature wél de huwe­lijks­ge­meen­schap ernstig kunnen verstoren. De canon geeft geen uitsluitsel over de vraag of de erin neer­ge­legde wet­ge­ving van god­de­lijk recht is. Indien de wet­ge­ving van god­de­lijk recht is zou die altijd en voor iedereen van gel­ding zijn, wat niet het geval is wanneer het slechts een ker­ke­lijke bepaling betreft. Canonisten zijn het niet eens over deze vraag en ook de pau­se­lijke Raad voor de Wets­tek­sten, belast met de in­ter­pre­ta­tie, heeft (nog) geen bevestigend ant­woord kunnen geven. Dit maakt het moei­lijk om de canon toe te passen op hu­we­lij­ken van niet-katho­lie­ken en op hu­we­lij­ken die voor het van kracht wor­den van het huidige ker­ke­lijk wet­boek zijn gesloten.20 Een korter proces zal in die gevallen niet aan de orde kunnen zijn.

6. Een huwe­lijk om oneigen­lijke redenen

Een dui­de­lijke aan­wij­zing voor simulatie van het huwe­lijk of gebrek aan inner­lijke vrij­heid is gegeven wanneer de reden voor het aangaan van het huwe­lijk volledig vreemd was aan het huwe­lijk zelf of slechts bestond in de zwanger­schap van de vrouw. Dit kan bij­voor­beeld gebeuren wanneer een partner het huwe­lijk aangaat om staats­burger­schap of een verblijfs­ver­gun­ning te verkrijgen, om een kind te wettigen of eco­no­mische voor­de­len te verwerven. Om in zo’n geval op goede gron­den tot een korter proces te kunnen besluiten, moet dus al vast staan dat dit huwe­lijk inder­daad om oneigen­lijke redenen is aangegaan. In wer­ke­lijk­heid zullen aan­wij­zingen als gehuwd zijn omwille van het kind of om bepaalde eco­no­mische voor­de­len te verwerven vaak niet zo eenduidig zijn. Of deze aan­wij­zing inder­daad door­slag­ge­vend is om te kunnen besluiten tot een korter proces. zal in de praktijk dan ook grondig bekeken moeten wor­den.

7. Bewezen fysiek geweld

Dat geldt ook voor fysiek geweld dat wordt uitgeoefend om het ja-woord te krijgen. Als uit medische do­cu­men­ta­tie of uit politie­ver­slagen inder­daad vast­staat dat geweld is uitgeoefend om het ja-woord te verkrijgen, is het gegeven ja-woord niet werk­da­dig en het huwe­lijk ongeldig gesloten (c. 1103). Dit fysiek geweld is in zich een nietig­heids­grond.

8. Voorhan­den medische do­cu­men­ta­tie over een psychische aandoe­ning

Niet (voldoende) kunnen beschikken over het gebruik van het verstand of over voldoende oor­deels­ver­mo­gen is eveneens een nietig­heids­grond; dat geldt ook voor onbekwaam­heid om psychische redenen om de wezen­lijke ver­plich­tingen van het huwe­lijk op zich te kunnen nemen (c. 1095). Ge­woon­lijk moet over de aanwe­zig­heid van een derge­lijk onvermogen het oor­deel van een deskundige (ge­woon­lijk een psycholoog of psychiater) wor­den gevraagd, tenzij dat dui­de­lijk overbodig is, bij­voor­beeld wanneer dit defect al wordt aange­toond in de voorhan­den medische do­cu­men­ta­tie.21 Dit is het geval wanneer een ernstige aandoe­ning is ge­con­sta­teerd die zonder twijfel tot nietig­heid van het ja-woord leidt, zoals een ernstig achter­ge­ble­ven gees­te­lij­ke ont­wik­ke­ling of dementie, een sociale per­soon­lijk­heids­stoor­nis of schizofrenie en ook in geval van onmisken­ba­re homo­sek­sua­li­teit.22 Wanneer deze per­soon­lijk­heids­ken­merken goed gedo­cu­men­teerd zijn en ter beschik­king staan van de rechters, kan tot een verkorte pro­ce­dure wor­den besloten, zoals steeds: tenzij één van de partijen zich ertegen verzet.23

Besluit

Naar aan­lei­ding van de vernieu­wing en ver­een­vou­diging van de ker­ke­lijke pro­ce­dure voor de nietig­ver­kla­ringen van hu­we­lij­ken door paus Fran­cis­cus ston­den we stil bij de hoofd­lijnen van de ju­ris­pru­den­tie ter­zake. Psychische redenen zijn in vele gevallen oor­zaak van de nietig­heid. De pro­ce­dure voor de ker­ke­lijke recht­bank biedt de gelo­vi­gen moge­lijk­heid de geldig­heid van hun huwe­lijk te laten onder­zoeken en moge­lijk een nieuw ker­ke­lijk huwe­lijk aan te gaan. Deze pro­ce­dure is door de her­zie­ning in het Motu Proprio Mitis Iudex aanmer­ke­lijk ver­een­vou­digd en het pas­to­rale karakter ervan is in het licht gesteld. De ju­ris­pru­den­tie is hierdoor niet ge­wij­zigd, wel hebben sommige lijnen van ju­ris­pru­den­tie en pre­sump­ties die in de ker­ke­lijke recht­spraak tot nu toe wer­den gehan­teerd, mede aan­lei­ding gegeven een sterk verkorte be­han­de­ling van een huwe­lijks­zaak (processus brevior) ten overstaan van de bis­schop moge­lijk te maken.

 

+Jan HENDRIKS

 

_____________________

Voetnoten

  1. De Latijnse tekst van het Motu Proprio Mitis Iudex met Ratio proce­dendi, dat betrek­king heeft op de Latijnse kerk, in: w2.vatican.va/con­tent/francesco/la/motu_proprio/do­cu­ments/papa-francesco-motu-proprio_20150815_mitis-iudex-dominus-iesus.html; ook in: Communicationes 47(2015), pp. 283-291.
  2. C. 19. Overr de bete­ke­nis van de ju­ris­pru­den­tie van de Rota, zie: P. FRANCISCUS, Discorso alla Rota Romana, 24 gennaio 2014, in: AAS (2014) 89-90: “Vorrei dunque esortarvi ad un accresciuto e appassionato impegno nel vostro ministero, posto a tutela dell’unità della giurispru­denza nella Chiesa” (De toe­spra­ken van de pausen tot de Romeinse Rota zijn ook te vin­den op: bibliotecanonica.net/docsaa/btcaah.htm#_Toc441682906 (18 aug. 2016); P. IOHANNES PAULUS II, Cons. Ap. Pastor Bonus, 28 juni 1988, AAS 80(1988), pp. 841-930, art. 126, §1 (ge­wij­zigd door P. BENEDICTUS XVI, Litt. Ap. Motu Proprio Quaerit semper, 30 aug. 2011, in: Communicationes 43(2011), pp. 289-291): “...unitati iurispru­dentiae consulit et, per proprias sen­tentias, tribunalibus inferioribus auxilio est”. Vgl. ook P. BENEDICTUS XVI, Discorso alla Rota Romana, 26 jan. 2008, in: Communicationes 40(2008), pp. 13-17.
  3. Ratio proce­dendi..., art. 14 §1.
  4. APOSTOLIC TRIBUNAL OF THE ROMAN ROTA, Subsidium for the application of the M.P. Mitis Iudex Dominus Iesus (Vatican city, january 2016)
  5. Subsidium, p. 8.
  6. Ratio Proce­dendi in causis ad matrimonii nullitatem declaran­dam, in Communicationes 47(2015), pp. 292-295, hier p. 293, art. 8. Vgl. www.delegumtextibus.va/con­tent/dam/testilegislativi/ris­poste-particolari/Pro­ce­dure per la Dichiarazione della Nullità matrimoniale/Alcune questioni sulla costituzione del tribunale dio­ce­sano.pdf; www.delegumtextibus.va/con­tent/dam/testilegislativi/ris­poste-particolari/Pro­ce­dure per la Dichiarazione della Nullità matrimoniale/Sobre la constitución del Tribunal interdio­ce­sano (can. 1673 §2 n.v. CIC).pdf
  7. Subsidium, p. 18.
  8. Subsidium, p. 10-11.
  9. Ordo Proce­dendi, art. 7; Subsidium, II,1, c, p. 24.
  10. Subsidium, II.1.c, p. 24.
  11. Vgli. Subsidium, II.1, b, p. 23.
  12. CONGREGATIE VOOR DE KATHOLIEKE OPVOEDNG, Istruzione Gli studi di Diritto Canonico alla luce della riforma del processo matrimoniale, 29 april 2018, In: www.vatican.va/roman_curia/congregations/ccatheduc/do­cu­ments/rc_con_ccatheduc_doc_20180428_istruzione-diritto-canonico_it.html
  13. Vgl. Ook Subsidium III.2, b, p. 27 De opmer­king dat volledige bewijs­kracht kan wor­den toegekend aan wat iemand uit hoofde van zijn functie ex officio verklaart, betreft m.i. geen vernieu­wing, zoals het Subsidium lijkt te suggereren, vgl. c. 1573 en Dignitas Connubii art. 202.
  14. www.delegumtextibus.va/con­tent/dam/testilegislativi/ris­poste-particolari/Pro­ce­dure per la Dichiarazione della Nullità matrimoniale/Circa il suffraganeus antiquior nel nuovo can. 1687 §3 Mitis Iudex.pdf
  15. www.delegumtextibus.va/con­tent/dam/testilegislativi/ris­poste-particolari/Pro­ce­dure per la Dichiarazione della Nullità matrimoniale/On the conversion of the formal process to the processus brevior and the absent res­pon­dent.pdf
  16. Deze omstandig­he­den wor­den toe­ge­licht in: APOSTOLIC TRIBUNAL OF THE ROMAN ROTA, Subsidium for the application of the M.P. Mitis Iudex Dominus Iesus, doc. cit., II.3.1c, pp. 33-36.
  17. H. OFFICIE, Regulae servandae a Vicariatu Apostolico Sueciae in pertractandis causis super nullitate matrimonii acatholicarum, 12 nov. 1947, in: Z. GROCHOLEWSKI, Do­cu­menta recentiora circa rem matrimonialem et processualem, deel 2 (Roma, 1980), nn. 54135-444.
  18. Vgl. PAUS FRANCISCUS, Discorso alla Rota, 24 gennaio 2014, in: AAS (2014) 89-90: “Per questo il giudice, nel ponderare la validità del consenso espresso, deve tener conto del contesto di valori e di fede – o della loro carenza o assenza – in cui l’intenzione matrimoniale si è formata. Infatti, la non conoscenza dei contenuti della fede potrebbe portare a quello che il Codice chiama errore determinante la volontà (cfr can. 1099). Questa eventualità non va più ritenuta eccezionale come in passato, data appunto la frequente prevalenza del pensiero mondano sul magistero della Chiesa. Tale errore non minaccia solo la stabilità del matrimonio, la sua esclusività e fecondità, ma anche l’ordinazione del matrimonio al bene dell’altro, l’amore coniugale come «principio vitale» del consenso, la reciproca donazione per costituire il consorzio di tutta la vita. «Il matrimonio tende ad essere visto come una mera forma di gratificazione affettiva che può costituirsi in qualsiasi modo e modificarsi secondo la sensibilità di ognuno» (Esort. ap. Evangelii gaudium, 66), spingendo i nubenti alla riserva mentale circa la stessa permanenza dell’unione, o la sua esclusività, che verrebbero meno qualora la persona amata non realizzasse più le proprie aspettative di benessere affettivo”. Zie ook: Subsidium, o.c., nr. 3.1.c, pp. 33-34.
  19. Voor deze en de volgende nietig­heidsgron­den, zie: Subsidium, o.c., pp. 34-36.
  20. J. HENDRIKS, Diritto matrimoniale (Milano, 1999), pp. 196-197; C. FÜRST, “La natura del dolo nel diritto matrimoniale canonico e il problema della retroattività del can. 1098", in: P. BONNET, C. GULLO (ed.), Diritto matrimoniale canonico, deel II Il Consenso (Studi giuridici LXI, Città del Vaticano, 2003), pp. 201-212.
  21. Subsidium, o.c., n. 3.1.c., pp.35-36; Mitis Iudex, o.c., art. 3 (nieuwe tekst c. 1678 §3..
  22. Vgl. bijv. C. BARBIERI, A. LUZZAGO, L. MUSSELLI, Psicopatologia forense e matrimonio canonico (Studi giuridici LXVII, Città del Vaticano, 2005), pp. 144-148.
  23. Mitis Iudex, art. 5, c. 1683; Subsidium, o.c., n. 3.1.a, p. 32.
Terug