Arsacal
button
button
button
button


Een zilveren feest...

pastoor J. Burger 25 jaar priester

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 23 september 2012 - 1306 woorden
pastoor Burger met naast hem zr. Majelle en mgr. J. Hendriks
pastoor Burger met naast hem zr. Majelle en mgr. J. Hendriks

Deze zon­dag was ik te gast bij een fees­te­lij­ke gelegen­heid: pastoor J. Burger vierde zijn zilveren pries­ter­feest. Als kape­laan is hij werk­zaam geweest in de pa­ro­chie waar ik toen pastoor was, maar ik kende hem al veel langer en we hebben tot op vandaag een goede band gehou­den. Reden waarom ik dit feest graag kwam meevieren, al was het een beetje ver: in het mooie Houthem-St. Gerlach.

Hier­on­der volgt de preeek die ik bij deze gelegen­heid heb gehou­den:

Homilie

Beste pastoor Burger, beste John, broeders en zusters, Het is mij vandaag een grote vreugde dat ik dit pries­ter­feest van uw pastoor mee kan maken.

Ik ken pastoor Burger al heel lang, van het semi­na­rie waar ik toen les gaf en zelfs al van daarvoor en toen hij als kape­laan bij me kwam in de pa­ro­chie waar ik pastoor was, werd hij de huis­ge­noot van mij­zelf en van de huishoudster, zuster Majelle, die met haar negen­tig jaren hier ook aanwe­zig is.

Beste John, beste pastoor, we mogen de Heer vandaag danken voor vijfen­twin­tig pries­ter­ja­ren, voor het vele goede dat je door de genade van het pries­ter­schap hebt mogen bewerken met name door de sacra­menten, voor de be­ge­lei­ding die je hebt kunnen geven, waardoor je de weg naar God, naar Christus, naar de Kerk hebt gewezen en waardoor je mensen hebt kunnen helpen on­der­schei­den welke weg de Heer met hen wilde gaan.

We danken God vandaag voor de kin­de­ren die je deel hebt gegeven aan het eeuwig leven en het kind­schap Gods door het heilig Doopsel; we danken God voor al die keren dat je door de absolutie in de biecht mensen hebt kunnen bevrij­den van de last van hun zonde en schuld; we danken God dat je zo vele kin­de­ren hebt voor­be­reid voor de eerste communie en hun Gods liefde hebt leren kennen die in de heilige communie tot ons komt; en we danken God voor al keren dat je jonge mensen hebt voor­be­reid om de heilige Geest in hun leven te ont­van­gen en in de kracht van het vormsel van hun geloof te getuigen; we danken God voor de voor­be­rei­ding op het huwe­lijk die je aan zoveel bruidsparen hebt gegeven en voor al die keren dat je de zieken hebt bezocht en dat je mensen hebt voor­be­reid op hun uit­ein­delijke ont­moe­ting met God aan het eind van hun leven, door de biecht de pau­se­lijke zegen en het zieken­sa­cra­ment.

Mis­schien heb je weleens vaker gedacht: wat is er nou terecht geko­men van alles waar ik me voor heb ingezet? Is de kerk niet leger gewor­den, het aantal hu­we­lij­ken niet afgeno­men, en is de groep mensen die zich in hun leven wil laten lei­den door de waar­den van het geloof niet veel kleiner gewor­den? Eerlijk gezegd: wij weten dat niet.

Wij mogen eigen­lijk niet tellen en meten; het tellen en meten komt toe aan de Heer.

Zeker, het is dui­de­lijk, onze tijd is geen gelo­vi­ge tijd.

Je moet nu meer moed hebben om te zeggen dat je gelooft en naar de kerk gaat dan om te zeggen dat je er niets meer aan doet.

Zo is de tijd, maar iedere mens is geschapen met een verlangen naar God en Onze Lieve Heer wil ie­der­een red­den.

Zeker, Hij heeft ons een vrije wil gegeven en daar kun je allerlei kanten mee uit, allerlei excuses en uitvluchten kunnen we ge­mak­ke­lijk vin­den en na­tuur­lijk hebben we dan vaak een beetje gelijk: de Kerk is zelf niet altijd zo goed en braaf en naar de kerk gaan lijkt een beetje saai en de kin­de­ren komen al vroeg op de koffie of je sport gaat vroeg van start, maar er is maar één goede reden om wel te gaan en dat is niet de pastoor en ook niet het men­se­lijk opzicht, maar Jezus en Jezus alleen.

We komen voor Hem en dus voor onze God en Schepper.

Hier vieren we het mysterie van onze verlos­sing, hier zijn we kin­de­ren van die grote familie van de hemelse Vader.

De pries­ter moet alleen maar zaaien, de blijde bood­schap brengen, het goede nieuws ver­kon­di­gen en hoe en waar en wanneer die zaadjes vrucht zullen dragen in de harten van mensen, we weten het niet.

Vlak voor de verkie­zingen las ik een inter­view met een politica van katho­lie­ken huize.

Zij deed niets meer aan het geloof, maar had nog wel haar eerste communie gedaan en was gevormd.

Daarna was zij uit de kerk verdwenen, maar je merkte dat toen zij over haar eerste communie en vormsel begon er mooie her­in­ne­ringen en warme gevoelens bovenkwamen, gevoelens ook die haar verbon­den met haar gelo­vi­ge ouders en groot­ou­ders.

Hoe zal het gaan als zij op sterven ligt, deze bekende poli­tieke leider? Zou op dat moment de vreugde van het geloof van haar jeugd naar boven komen en haar voor­be­rei­den op de ont­moe­ting met haar Vader in de hemel? Ik hoop het! Ik hoop het van harte! In ieder geval: veel dank aan de pastoor, aan deze pries­ter die de zaadjes heeft gezaaid en dat geldt na­tuur­lijk niet alleen voor de pastoor maar voor U allen: dank voor de goede zaadjes die U in Uw leven hebt gezaaid of die u nog gaat zaaien.

Geef de vreugde, geef de blijde bood­schap door: de Heer is verrezen en jij bent bestemd om eeuwig te leven en gelukkig te zijn.

Vandaag in het evan­ge­lie horen we de leer­lin­gen ruziën over de vraag wie toch wel de grootste is.

We kunnen het ons een beetje voor­stel­len: de leer­lin­gen waren ge­roe­pen, grote menigten trokken Jezus achterna en er werd alom gefluisterd dat Jezus wel koning zou wor­den en zij­zelf dus zeker wel ministers.

Het liep een beetje anders, zoals wij weten.

Na­tuur­lijk, er is een tijd geweest dat een pries­ter ook van die ideeën zou kunnen hebben gehad over de grootste zijn en een voorname positie bekle­den.

Pries­ters stond vroeger toch wat meer op een voet­stuk.

Die tijd was al danig veranderd op het moment dat uw pastoor pries­ter werd in het jaar 1987.

Het was toen al wel dui­de­lijk: je wordt pries­ter vanuit een ideaal, vanuit een roe­ping, omdat je beseft hoe be­lang­rijk en mooi het is wat de pries­ter mag doen; maar niet om een bepaalde positie, niet om eer te verwerven voor jezelf.

De pries­ter is ge­roe­pen om te dienen, hij heeft geen macht en geen machts­mid­de­len, hij is geen politie-agent.

Zelfs als hij strengere woor­den moet spreken, zijn ze in feite bedoeld als een oproep en uit­no­di­ging om een stap te zetten, je leven te vernieuwen, je geloof meer con­se­quent te beleven.

Je bent na­tuur­lijk vrij om er wel of niet op in te gaan, maar je groeit er als mens gees­te­lijk van als je weer een stap kunt zetten.

De pries­ter is Uw die­naar, hij helpt U stappen naar God te zetten.

Zo halverwege het evan­ge­lie van Marcus, waar de tekst uit kwam die we hebben gehoord, gaat Jezus Zijn leer­lin­gen erop voor­be­rei­den dat ze niet aan die ministers­posten moeten denken, niet aan die ere-plaatsen, maar dat zij zich in moeten stellen op lij­den: “De Mensen­zoon zal wor­den over­ge­le­verd in de han­den van mensen...”.

In feite gaat het meestal zo: als je jong bent heb je een beeld van een mooie, succes­volle toe­komst, vol voorspoed en geluk.

Als je terug kijkt waren er veel pijn­lijke momenten, moei­lijke tij­den, verdriet: tegen­slagen, tegen­wer­king, mensen die je zijn ontvallen en ga zo maar door...

Zo is het met ieders leven en het leven van een pries­ter is daarop geen uit­zon­de­ring.

De niet zo ge­mak­ke­lijke kunst is het om alles wat gebeurde aan te nemen en er Gods hand in te zien en het kruis van Gods zoon.

Van harte proficiat, pastoor, Moge God je zegenen om met vreugde te zaaien, om te lij­den met overgave aan Gods wil, om met groot ver­trouwen voort te gaan.

AMEN.

Terug