Arsacal
button
button
button


Vrouwen in de Kerk

Abdissen, in de Curie, als Rechter. En de diacones?

artikel_overig - gepubliceerd: zaterdag, 10 augustus 2019
De afbeelding en het onderschrift in het museum van La Grande Chartreuse
De afbeelding en het onderschrift in het museum van La Grande Chartreuse

Regelmatig komt het in reacties en discussie op Facebook naar voren: de plaats van vrouwen in de kerk. Kan de kerk daar niet iets in veranderen en vrouwen tenminste tot diaken wijden? Deze zomer zag lk wat dit betreft een interessante afbeelding in het museum van La Grande Chartreuse.

Vrouwen hebben in de geschiedenis van de kerk geen ondergeschikte rol gehad. Denk maar aan allerlei grote heiligen met een bijzondere invloed in het kerkelijk leven, zoals Catharina van Siëna en Birgitta van Zweden of Hildegard von Bingen. De kerk is opgekomen voor het eigen recht van vrouwen in het huwelijk en de noodzaak van het per­soon­lijk ja-woord van vrouwen, zij heeft abdissen gekend met staf en mijter en bisschoppelijke jurisdictionele bevoegdheden die werden geassis­teerd door wij-bis­schop­pen voor sacramentenbediening en alle grote vrouwenabdijen van de middeleeuwen waren culturele, educatieve, economische centra en centra van gezondheidszorg en gasten­opvang die dus geheel onder het gezag van vrouwen stonden. De laatste decennia zijn er nogal wat werken verschenen die de rol van vrouwen in de geschiedenis van de kerk in het licht stellen.

Paus Franciscus heeft vrouwen posities gegeven in de Romeinse curie waarbij ze delen in de jurisdictionele bevoegdheid, nadat de vorige pausen na het concilie al stappen hadden gezet om vrouwen binnen de Romeinse curie meer verant­woor­de­lijke functies te geven. Ook heeft paus Frnaciscus de moge­lijk­heid om vrouwelijke rechters te hebben in een kerkelijke rechtbank verruimd, dat kunnen er nu ook twee van de drie zijn. Daarover is wel discussie, omdat het tweede Vaticaans concilie wijdingsmacht en jurisdictiemacht juist nauwer met elkaar lijkt te verbinden. Zeker is wel dat in de geschiedenis van de kerk wijdingsmacht en jurisdictiemacht niet altijd strict verbonden waren, al is er natuurlijk wel een band omdat de priester geroepen is om herder van de gemeen­schap te zijn, wat een jurisdictie of be­stuurs­macht impliceert.

Wat de wijdingen betreft vindt u hieronder een uiteenzetting over de (on)moge­lijk­heid van toelating van vrouwen. daarbij moet opgemerkt worden dat vrouwen wel vaker een diakonessenzegen of -wijding hebben ontvangen, met name in slot­kloosters, maar dat die te onderscheiden is van de diaken­wijding waarvan het tweede Vaticaans concilie heeft gezegd dat die onderdeel is van het wijdingsambt van diaken-priester-bisschop.

In de afbeelding hiernaast is te zien dat nog in 1690 de bisschop bij de kartuizerinnen de maagden­wijding toediende met diakonale zegen met oplegging van de stola, manipel en een kruis. De moniale die deze diaconale zegen had ontvangen mocht in de conventsmis het epistel lezen of zingen (wat toen nog niet door leken werd gedaan) en in de Metten het evangelie, bekleed met de stola, gedragen op de wijze van de priesters! Dergelijke praktijken zijn ook bij slot­kloosters van de oosterse christenen in bepaalde tijden te vinden.

 

TOELATING VAN VROUWEN TOT HET GEWIJDE AMBT


Waarom mogen vrouwen geen priester worden? Als de vraag zo wordt gesteld, wordt er vanuit gegaan, dat er een instantie is, bij­voor­beeld de Kerk, die “het niet goed vindt” dat vrouwen priester worden. Daarmee impliceert de vraag (bijna) dat het niet toelaten van vrouwen tot de priester­wijding een discriminerende handeling is. De Kerk zelf zegt in documenten van de paus en de con­gre­ga­tie voor de geloofsleer, dat zij vrouwen niet kan toelaten.

En hoe zit het trouwens met het diaconaat? Een eerder verschenen document van de Inter­nationale Theologen­com­mis­sie tendeert sterk in de richting dat wat voor het priester­schap geldt ook op het sacramentele diaconaat van toepassing is. Dat is - blijkens uitlatingen van de paus - ook uit de studie gekomen die op last van paus Franciscus in de laatste jaren hiernaar verricht is.


In een eerste deel bespreken we de gelijkheid van man en vrouw in de Kerkelijke documenten en de vraag wat het precies betekent dat de paus heeft uitgesproken dat leer over het niet toe kunnen laten van vrouwen definitief is. Daarna gaan we in op de redenen voor dit standpunt en een mogelijk vrouwelijk diaconaat.

 

De gelijkheid van man en vrouw in waardigheid en handelen.


Ruim veertig jaar geleden schreef de heilige paus Johannes XXIII in de encycliek Pacem in terris van 11 april 1963 dat de vrouw haar plaats ging innemen in het publieke leven, “want vrouwen worden zich steeds meer bewust van hun menselijke waardigheid en zij laten zich niet behandelen als een onbezield ding of een instrument, maar eisen zowel binnenshuis als in de maat­schappij de rechten en plichten die een menselijke persoon waardig zijn”.
Bij de afsluiting van het tweede Vaticaans concilie op 8 december 1965, heeft paus Paulus VI uit naam van de con­ci­lie­vaders een bood­schap gericht tot ver­schil­lende categorieën van mensen om antwoord te geven op de vraag: “Wat heeft het concilie aan de mensen van deze tijd te zeggen? “. Één van deze bood­schappen is gericht tot de vrouwen en daarin stelt de paus dat de Kerk er trots op is dat zij is opgekomen voor vrouwen en in de loop van de eeuwen de fundamentele gelijkheid van man en vrouw heeft laten oplichten. Het uur is nu gekomen, zo stelt de paus, dat de roeping van de vrouw zich ten volle vervult, het uur dat zij in de maat­schappij een invloed, uitstraling en macht verwerft, die tot dan toe ongekend was.


Uit deze woorden van de beide concilie-pausen kan men afleiden dat de gelijke waardigheid en fundamentele gelijkheid van man en vrouw die door het concilie werden bevestigd en in het wetboek van canoniek recht (1983) juridisch verankerd zijn, voor de paus een bijzondere en actuele betekenis heeft.


Deze gelijkheid “quoad dignitatem et actionem” (“in waardigheid en handelen”, c. 208) heeft ertoe geleid dat kerkelijke ambten en taken in het algemeen zonder onderscheid voor mannen en vrouwen zijn open gesteld. Zo kunnen mannen en vrouwen zonder onderscheid buitengewoon bedienaar zijn van de heilige communie en andere liturgische taken vervullen (c. 230 §§ 2-3), waarbij de dienst aan het altaar volgens een verklaring van de Pauselijke Raad voor de In­ter­pre­ta­tie van Wets­tek­sten, niet is uitgesloten. Vrouwen zowel als mannen kunnen rechter (c. 1421), onderzoeksrechter (c. 1428 §2), bijzitter (“assessor”, c. 1421), promotor van het recht en verdediger van de band (c. 1435) of notarius (cc. 483 §2; 1437 §1) worden. Mannen en vrouwen worden gelijkelijk toegelaten als procurator of advocaat (c. 1483), of benoemd tot kanselier (c. 482), econoom (c. 494 §1), Pauselijk gezant (c. 362vv.), mede­wer­ker in de uitoefening van de pastorale zorg (c. 517 §2) of lid van de diocesane pastorale raad, de pastorale raad van een parochie of de raad voor economische aan­ge­le­genheden van een bisdom of parochie (cc. 492 §1; 512 §1; 536-537). Zowel mannelijke als vrouwelijke leken kunnen in buitengewone omstandigheden worden aangewezen als gedelegeerde om bij huwelijken te assisteren (c. 1112 §1) of als buitengewoon bedienaar van het heilig doopsel (c. 861 §2), of om te preken (c. 766). Mannen en vrouwen kunnen gelijkelijk een zending ontvangen als catechist (c. 785 §1), als mis­sio­na­ris (c. 784) of godsdienstleer­kracht (c. 805), en zijn beiden bekwaam om een mandaat te ontvangen om theologische weten­schappen te doceren (c. 812). Vrouwen kunnen als censor worden aangesteld (c. 830), verlof krijgen om sacramentaliën te bedienen (c. 1168), aangesteld worden als beheerder van kerkelijke goederen (c. 1279 §2; vgl. c. 1282) of als bestuurder van niet-clericale verenigingen (cc. 317 §3; 324 §1).
Behalve ten aanzien van het wijdings­sa­cra­ment en functies die alleen door een gewijde bedienaar kunnen worden vervuld, wordt in het kerkelijk wetboek geen onderscheid gemaakt tussen vrouwen en mannen.

Deze lijn van gelijkheid van man en vrouw in waardigheid en handelen vinden we ook terug in de andere kerkelijke regelingen. Een uitzondering hierop zou men kunnen zien in canon 111 §1 (als de ouders tot ver­schil­lende ritussen behoren en het niet eens kunnen worden over de te ritus waar hun kinderen toe zullen behoren, prevaleert de ritus van de vader; is door paus Franciscus gewijzigd), canon 1083 §1 (huwbare leeftijd is voor een man anders dan voor een vrouw), canon 1089 (verondersteld wordt alleen dat een vrouw ontvoerd kan worden om haar te huwen), canon 614 (alleen de moge­lijk­heid dat een klooster van monialen verbonden is met een religieus instituut van mannen wordt voorzien, niet dat een mannen­klooster met een vrouwen­klooster is geassocieerd). Deze verschillen komen echter niet voort uit de gedachte onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, maar hebben een bepaalde natuurlijk-fysieke (de fysieke rijpheid bij­voor­beeld) of culturele (ontvoering van een vrouw om met haar te trouwen) achtergrond waar de Kerk een voorziening in moet treffen of ze regelen een feitelijk bestaande situatie (bij­voor­beeld dat bepaalde vrouwen­kloosters een spirituele band hebben met een mannelijke tak).

Voorts zijn de aan­stel­lingen tot lector en acoliet vooralsnog aan mannen voorbehouden (c. 230 §1). Dit is te verstaan tegen de achtergrond van de geschiedenis van de kerk die deze aan­stel­lingen tot 1972 kende als lagere wijdingen die aan clerici werden toegediend en die al sinds meer dan vijftienhonderd jaar vooral werden ontvangen als een voor­be­rei­ding op de hogere wijdingen. Na de synode over de leken is een commissie ingesteld die zich moest bezighouden met de toelatingscriteria voor deze “ministeria” en alle theologische, liturgische, juridische en pastorale vragen die ermee verbonden zijn. Daarbij geeft de Exhortatie aan dat de “ministeria” (dienstwerken) die voortvloeien uit het priester­schap als dienstwerk (sacerdotium ministeriale) en de ministeria die uit het sacrament van het doopsel en vormsel voortvloeien, zorgvuldig onderscheiden moeten worden. Het woord “ministerium” wordt gebruikt om deze aan­stel­lingen aan te duiden die ook aan leken kunnen worden verleend.Op dit punt is een grote te­rug­hou­dend­heid merkbaar in de kerkelijke documenten. Zo geeft de Interdicasteriële Instructie over de mede­wer­king van de leken aan het dienstwerk van de priesters, met citaten uit een pauselijke toespraak aan, dat “ministerium” in de oor­spron­ke­lijke zin slaat op de voortzetting van de zending en het dienstwerk van Christus en “alleen krachtens de heilige wijding die volheid en eenduidigheid van betekenis verkrijgt die de traditie er altijd aan heeft toegekend”. De Instructie erkent echter dat een verruimde toepassing van dit begrip mogelijk is omdat ook de leken­ge­lo­vigen op de hun eigen wijze deelhebben aan het ene priester­schap van Christus. Dat het woord “ministerium” voor de aan­stel­lingen tot lector en acoliet wordt gebruikt die door leken­ge­lo­vigen op basis van het doopsel en vormsel worden vervuld, is te begrijpen omdat deze aan­stel­lingen een voor­be­rei­ding kunnen zijn op de beide hoofdtaken van de priester: de verkondigingstaak en de bediening van de sacramenten en omdat het vroeger om lagere wijdingen ging.

Gesuggereerd is nog dat vrouwen kardinaal zouden kunnen worden en dat het een voorbeeld van discriminatie is dat zij niet tot deze waardigheid worden toegelaten. Hier speelt echter mee dat de kardinalen geacht worden te zijn de priesters en diakens van Rome of bis­schop­pen van suburbicaire, dat wil zeggen aanpalende, bisdommen; voorts zijn er theologische vragen rond de aard van de jurisdictie die zij uitoefenen.

De Kerkelijke documenten en regelingen brengen dus “als absoluut fundamentele waarheid van de christelijke antropologie de gelijke per­soon­lijke waardigheid van man en vrouw” tot uiting.

 

De status van de leer dat het priester­schap aan mannen is voorbehouden


Ten aanzien van het wijdings­sa­cra­ment ligt de zaak anders. Hier gaat het niet om een ambt of taak, maar om een sacramentele representatie van Christus als Bruidegom en Herder van de Kerk. Over het ministerieel priester­schap heeft de heilige paus Johannes Paulus II verklaard dat de Kerk niet bevoegd is aan vrouwen deze wijding te verlenen en dat alle gelovigen zich aan dit standpunt moeten houden als zijnde definitief.
De Con­gre­ga­tie voor de geloofsleer heeft daarop verklaard dat deze leer tot het geloofsgoed (depositum fidei) behoort en dat de paus in een formele verklaring heeft voorgehouden wat op het geschreven woord van God is gebaseerd en de Kerk altijd al heeft bewaard en in praktijk gebracht. De leer is daarom op onfeilbare wijze voorgehouden door het universeel en gewoon leergezag. De Con­gre­ga­tie stelt daarmee niet dat paus Johannes Paulus een nieuwe onfeilbare uitspraak heeft gedaan, maar dat hij de onfeilbare leer opnieuw bevestigt en voorhoudt. De onfeilbaarheid van de leer komt, volgens dit antwoord van de Con­gre­ga­tie, voort “uit de waarheid van de leer zelf, omdat zij, gebaseerd op het geschreven Woord van God en voortdurend bewaard en toegepast in de traditie van de kerk, op onfeilbare wijze door het gewone, universele leergezag voorgehouden is”, waarbij de toelichting verwijst naar de passage van de concilie-constitutie over de Kerk die over het leergezag van het bis­schop­pencollege gaat (vgl. LG 25). Daar zou men aan kunnen toevoegen dat het ook beantwoordt aan wat door de geloofszin van het volk in eenheid met het leergezag tot uitdrukking is gebracht, namelijk dat het niet mogelijk is vrouwen tot het priester­schap toe te laten. Door deze constante overtuiging van de Kerk door de eeuwen heen wordt duidelijk dat dit tot het geloofsgoed behoort en tot de onfeilbare kerkelijke leer, anders zou men moeten aannemen dat de heilige Geest die de ziel is van de Kerk (vgl. bijv. LG 7), haar eeuwenlang op een dwaalspoor heeft geleid. Daarvan getuigt de paus in Ordinatio sacerdotalis, zonder daar een nieuwe onfeilbare uitspraak te doen.

De paus heeft dus in Ordinatio sacerdotalis geen dogmatische definitie gegeven, maar wel aangegeven dat deze leer definitief is en tot het geloofsgoed van de Kerk behoort. Het onderscheid is in zoverre van praktisch en concreet belang dat deze waarheid (nog) niet is gedefinieerd als van Godswege geopenbaard, maar wel moet worden aanvaard in geloof aan de bijstand waarmee de heilige Geest het leergezag in de Kerk verlicht en de onfeilbaarheid van een leer die steeds door het leergezag is voorgehouden. Er is dus enig verschil in de aard van de vereiste geloofsaanvaarding en dat heeft gevolgen voor de vraag of iemand die deze waarheid ontkent het delict van ketterij begaat en de daaraan verbonden censuur oploopt (c. 1364). Het begrip ketterij (haeresis, heresie) betrekt zich alleen op de waarheden die door het leergezag als met goddelijk en katholiek geloof te geloven worden voorgehouden en dat moet absoluut vast staan. Dat het hier om onfeilbare leer gaat is echter een in­ter­pre­ta­tie van de feiten door het gewoon en dagelijks leergezag van de paus, dat echter op zich niet het kenmerk van onfeilbaarheid heeft: hij bevestigt een waarheid die volgens zijn verklaring - krachtens zijn gewoon leergezag - reeds onfeilbaar wordt voorgehouden.
Wie derhalve ontkent of hardnekkig in twijfel trekt dat de priester­wijding krachtens de instelling door Christus aan mannen is voorbehouden, verwerpt wel een waarheid van de katholieke leer zoals die door het gewoon en universeel leergezag wordt voorgehouden en het is ook zo dat de paus met zijn gewoon leergezag heeft verklaard dat het hier om onfeilbare leer gaat vanwege de constante opvattingen hierover van het gewoon en universeel leergezag, maar wie dit katholieke geloof ontkent loopt geen censuur op wegens ketterij.

 

En het diaconaat? De diacones


Literatuur:
Onderstaande is een samenvatting van:
M. HAUKE, “Il diaconato femminile: osservazioni sul recente dibattito”, in: Notitiae 37(2001), pp. 195-239 (met uitgebreide literatuurlijst). Zie voorts:
A. FAIVRE, Naissance d’une hiérarchie (Théologie historique, 40, Paris, 1977).
INTERNATIONALE THEOLOGISCHE COMMISSIE, “Het diaconaat. Evolutie en perspectieven”, in: La Documentation Catholique 100(2003), pp. 58-107. Een Neder­landse vertaling van het gedeelte over het vrouwelijk diaconaat in: Communio (NL) 28(2003), pp. 192-201.

In de jonge Kerk verschijnt het diaconaat van de vrouw als instelling voor het eerst in de derde eeuw in de Didascalia, ontstaan in het midden-oosten (Syrië). de diacones heeft daar twee taken: 1. helpen bij het doopsel, met name door het gehele lichaam van de vrouwen te zalven na de zalving van het hoofd door de Bisschop. Deze zalving kan ook door andere vrouwen worden gedaan. Voorts heeft de diacones een catechetische taak voor de pas-gedoopte vrouwen. 2. Zorg voor zieke vrouwen en het bezoeken van vrouwen in huizen van heidenen, waar een mannelijke diaken “scandalum” zou verwekken.


Diakens en diaconessen worden wel samen genoemd, maar ver­schil­lend gezien: de diaken wordt als representant van Christus beschreven, de diacones als vertegen­woor­diging van de heilige Geest. De taken van diaken en diacones zijn eveneens heel ver­schil­lend: prediking en dopen is aan vrouwen niet toegestaan. De Didascalia baseert het vrouwelijk diaconaat alleen op de vrouwen die Jezus hielpen (Lc. 8,2-3), niet op de aan­stel­ling en wijding van de zeven in de Handelingen van de apostelen.


Een belangrijk uitgangspunt voor de taken van de diaconessen is een maat­schappij waar een sterke scheiding bestaat tussen mannen en vrouwen en het doopsel van volwassenen nog de normale doopvorm is, hetgeen twee eeuwen later niet meer het geval is. Vrouwen verichtten daarnaast allerlei andere belangrijke taken, maar dat deden ze met name als behorend tot de “ordo” der weduwen en maagden.


Er is geen apos­to­lische oorsprong van het vrouwelijk diaconaat te bewijzen. Voorzover we weten komt het binnen de katholieke kerk alleen vanaf de derde eeuw op beperkte schaal voor. En de diacones Febe dan, die in de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen voorkomt (Rom. 16,1-2)? Deze vermelding hoeft in het geheel niet te betekenen dat er diaconessen bestonden die gewijde ambtsdragers waren. Het is zelfs de vraag of men zo vroeg al kan spreken van duidelijk onderscheiden gewijde ambten? Bovendien heeft de term diakonos (Διακονος) de heel algemene betekenis van dienaar en hoeft dus niet perse een “technische” betekenis in het vizier te zijn. Voorts wordt verwezen naar de vrouwen waarover 1 Tim. 3,11 het heeft: in dit gedeelte waar de verzen 8-10 en 12-13 over de mannelijke diaken gaan, staat de tekst van vers 11: “Ook moeten de vrouwen waardig zijn, geen kwaadspreeksters, matig en in alle opzichten betrouwbaar”. Gaat het hier over vrouwen in het algemeen, over vrouwen van diakens, vrouwelijke mede­wer­kers van diakens of vrouwelijke diakens? Het antwoord op deze vraag is niet geheel duidelijk. Het meest waar­schijn­lijk is wel de in­ter­pre­ta­tie die de Wil­li­brordvertaling van 1975 aan de tekst geeft, dat het over de vrouwen van de diakens gaat. In ieder geval mogen de vrouwen volgens 1 Tim.2,9-12 niet preken en volgens 1Tim 5,3-16 zijn er weduwen in de gemeen­schap die zich waar­schijn­lijk met caritas en opvoeding bezig hielden. Tenslotte verwijzen voorstanders van het vrouwelijke diaconaat nog naar de Brief van Plinius de jongere aan Trajanus: hij bericht over twee vrouwelijke slaven die worden gemarteld en die “ministra” (dienares) zijn bij de christenen. Is dit de Latijnse vertaling van diakonos? Zelfs als men hierin een voorloper wil zien van de diaconessen van de Didascalie, blijft staan dat hun taak wel erg ver­schil­lend is en de diaconessen niet als onderdeel van het wijdings­sa­cra­ment beschreven worden.

In het concilie van Nicea (325) wordt in c. 19 een en ander bepaald rond de verzoening met de Kerk van de clerus van de bisschop van Antiochië. Over de diaconessen zegt de canon dat zij geen handoplegging hebben ontvangen en onder de leken moeten worden geteld. Sinds Ireneüs van Lyon (+ 202/212) wordt namelijk de instelling van het diaconaat in het gedeelte van de Handelingen van de apostelen gezien waar zeven mannen onder handoplegging en gebed worden aangesteld voor de onder­steuning (Hand. 6).


Vanaf de Con­sti­tu­tio­nes Apostolicae (Syrië, vierde eeuw) wordt het diaconaat van de vrouw meegedeeld door handoplegging, maar volgens de normen van dit document worden ook de subdiakens en de lectoren door handoplegging gewijd. Het wijdings­ge­bed van de diaconessen volgt hier onmiddellijk op dat van de mannelijke diaken, maar de inhoud is heel anders: als model van de diacones worden genoemd: de profetessen uit het Oude Testament, Maria en de vrouwen die de tent van de sa­men­komst bewaakten (1 Sam. 2,22; Ex. 38,8), maar we vinden geen verwijzing naar de Handelingen. Dit is ook het geval in alle liturgische teksten. De diacones bewaakt de poort en helpt bij doopsel, maar vervult geen functies zoals de diaken. De diacones doet en zegt niets zonder de diaken, en vrouwen spreken niet met de diaken of met de bisschop buiten de diacones om. Epifanus van Cyprus onderscheidt kerkelijke dienstwerken (waartoe dat van de diacones behoort) en de hiërarchie die gaat van de bisschop tot de subdiaken. De Cappadociërs (HH. Basilius de Grote, Gregorius van Nazianze en Gregorius van Nyssa) spreken vaak over diaconessen maar noemen hen nooit ἱερεὐς welk woord ze wel voor de diaken gebruiken. De diacones is volgens St. Basilius een Godgewijde en kan dus niet huwen. Ook de wetgeving van Justinianus telt haar onder de kerkelijke diensten, maar onderscheidt haar van de clerici. De diacones wordt genoemd na de diaken of na de clerici.
Vanaf de vierde eeuw krijgen abdissen vaker een wijding als diacones. In afwezigheid van een priester of diaken mochten ze in afgelegen monofysitische Syrische kloosters de heilige Communie uitreiken aan de andere zusters en de lezing en het evangelie doen in een gezel­schap van vrouwen (5e eeuw).


In de Byzantijnse ritus krijgt de diacones een belangrijke rol: ze wordt gewijd op een wijze die gelijkt op die van de hogere clerus: bij het altaar, na het Eucharistisch gebed, met over­rei­king van kelk en stola en met de uitroep: “de goddelijke genade”, elementen die kenmerkend zijn voor de wijding van hogere geestelijken. Tegelijk zijn er echter belangrijke verschillen: de diacones draagt de stola zoals de subdiaken in die ritus en draagt die onder de sluier. Zij mag geen communie uitreiken en zij vervult geen taak bij het altaar. Bij de wijding blijft de aanstaande diacones staan, terwijl een toekomstige priester of diaken knielen en met het hoofd het altaar aanraken. In het wijdings­ge­bed van de diacones worden genoemd: Maria, de nederdaling van de heilige Geest over de vrouwen en Febe. De diacones wijdt zich aan caritatieve taken en dienst aan vrouwen. Het doopsel van volwassen vrouwen komt nu weinig meer voor.
Na de 8e eeuw verdwijnt vrijwel ieder spoor van de diacones en rond het jaar 1000 zijn ze helemaal verdwenen, op een enkele abdis na die nog diacones wordt genoemd (tot de 13e eeuw). Reden voor het verdwijnen van de diacones is met name dat het doopsel van volwassen vrouwen buiten gebruik raakt en dat voor abdissen een eigen ze­ge­ning kwam.


In het westen worden tot de vijfde eeuw geen diaconessen vermeld. De Ambrosiaster denkt dat het een ketterse uitvinding van de Montanisten is (die ook vrouwelijke Bis­schop­pen en priesters hadden). Pelagius meent dat ze teruggaan tot de apostelen. In Gallië wordt diaconessen­wijding verboden, omdat men denkt dat het identiek is aan het diaconaat van de mannen.
Toch komt de diacones een enkele keer voor in het westen: Remigius, bisschop van Reims, geeft zijn dochter de titel “diacones” en Radegonda, de vrouw van koning Clovis I, wordt diacones gewijd met handoplegging. Op veel plaatsen wordt de vrouw van de diaken - met wie hij niet mag samenleven - “diaconissa” genoemd, zoals voor de vrouw van de priester en de bisschop de termen presbiteria en episcopa voorkomen. Maar in de Middeleeuwen komen deze - weinige - voorbeelden niet meer voor. Vanaf de 7e eeuw vinden we diaconessen te Rome en Ravenna, onder oosterse invloed. Wel is er in sommige abdijen van de 14e tot de 17e eeuw een zuster die diacones wordt genoemd en met een speciale zegen het evangelie en de homilie van de metten (getijden­ge­bed) voorleest.


De diacones komt dus relatief weinig voor en duidelijk onderscheiden van de diaken. Ook het document van de Inter­nationale Theologische Commissie over het diaconaat wijst erop dat de diakones als ver­schil­lend van de diaken werd gezien en niet als een vrouwelijke diaken. Op basis van deze gegevens zou men het vrouwelijke diaconaat alleen als sacramentale kunnen zien. De toelating tot de diaken­wijding wordt niet besproken in de recente documenten van de paus en de Apos­to­lische Stoel over de priester­wijding van vrouwen, maar in een bekendmaking van drie Romeinse con­gre­ga­ties wordt wel aangegeven dat een vormings­pro­gramma dat vrouwen voorbereidt op de diaken­wijding “een solide leerstellige basis ontbeert”.


De taak van de diaken, die voor de kerkvaders wordt voorafgebeeld door de levieten van het OT, wordt soms priesterlijk genoemd in een “brede zin”, omdat het ook bij de diaken gaat om een deelname aan de bemiddeling van Christus in het wijdings­sa­cra­ment. De diaken heeft deel aan het apos­to­lisch ambt, dat wordt doorgegeven in de apos­to­lische successie. Het wijdings­sa­cra­ment kan waar­schijn­lijk wel anders ingedeeld worden, maar wezenlijke veranderingen invoeren voor één graad van het wijdings­sa­cra­ment, die voor andere graden niet mogelijk zijn, lijkt niet mogelijk.

Terug