Arsacal
button
button
button
button


De vorming tot het celibaat

Lezing gehouden op de stavenconferentie priesteropleidingen 2019

Artikel Overig - gepubliceerd: woensdag, 9 oktober 2019 - 4130 woorden

Wanneer is iemand geschikt voor het semi­na­rie? Welke moei­lijk­he­den komt de oplei­ding tegen waar het om de vor­ming tot het celi­baat betreft? Wat is be­lang­rijk voor een goede bele­ving van het celi­baat? Dat zijn vragen die aan de orde komen in de on­der­staan­de lezing die ik op 9 ok­to­ber 2019 heb gehou­den op de staven­con­fe­ren­tie van de Neder­landse pries­ter­oplei­dingen in het Re­demp­to­ris Mater semi­na­rie te Nieuwe Niedorp.

 

De vor­ming tot het celi­baat

Persoons­vor­ming en celi­baat

Voor de vor­ming van kan­di­da­ten tot het celi­baat is onze eigen, per­soon­lijke erva­ring als celi­ba­tair levende pries­ters heel be­lang­rijk. Wij weten uit eigen bele­ving wat het is.

Zeker, we kunnen onze eigen beko­ringen niet ver­al­ge­me­ni­se­ren: de bele­ving van seksua­li­teit is heel per­soon­lijk en zo zal wat iemand in verlei­ding brengt, waartoe en tot wie hij zich ero­tisch aange­trok­ken voelt, van persoon tot persoon verschillen. Ook de gevoels­we­reld die daar­mee samenhangt, verschilt van mens tot mens; en er is wat dat betreft meestal een flink verschil tussen vrouwen en mannen en tussen mensen met een hetero­sek­su­ele of homo­sek­su­ele inclinatie en tussen mensen met een narcis­tische of trau­ma­tische per­soon­lijk­heid­stoor­nis, sterk egocentrische mensen of - aan de andere kant - mensen met een even­wich­tig ge­voels­le­ven, gerijpte affec­ti­vi­teit en onder­schei­ding.

Laat ik het maar gelijk zeggen: volmaakt zal de bele­ving van het celi­baat nooit zijn, we blijven mensen en de gevolgen van de erfzonde werken in ons door. Het is zeker niet zo dat iemand die beko­ringen heeft op dit vlak, daarom niet even­wich­tig is. Integen­deel, het lijkt me logisch en na­tuur­lijk dat die beko­ringen er zijn, dat we een strijd moeten voeren en dat is ook goed. We wor­den erdoor gevormd. De beko­ring zelf is na­tuur­lijk ook geen zonde, het gaat erom hoe we ermee om gaan. Ander­zijds, dat een pries­ter feite­lijk zijn celi­baat on­der­houdt door geen han­de­lin­gen te stellen die tegen de zuiver­heid ingaan en door zijn gedachten op dit punt tame­lijk geor­dend te kunnen hou­den, wil nog niet alles zeggen. Soms kan dat bij­voor­beeld eerder voort­ko­men uit perfectionisme, de behoefte om controle te hebben, een vorm van autisme of welke niet even­wich­tige ont­wik­ke­ling op het relationele vlak dan ook. De Ratio Funda­mentalis (n. 23) voor de pries­ter­oplei­ding legt dan ook een klem­toon op een gezond af­fec­tief ge­voels­le­ven door het ont­wik­ke­len van goede relaties met ouders, familie, leef­tijdgenoten, enzo­voorts. Inder­daad zijn vriend­schappen en een net­werk van goede kennissen be­lang­rijk voor het beleven van het celi­baat en het beleven van het pries­ter­schap dat nu eenmaal wordt ge­ken­merkt door de harte­lijke en open omgang met mensen van allerlei ach­ter­gron­den en over­tui­gingen.

Moei­lijk­he­den bij de vor­ming tot het celi­baat

We staan in onze tijd in onze semi­na­ries bij het begin van de vor­ming al op achterstand. Vijf­tig, zes­tig jaar gele­den kwamen de kan­di­da­ten voor het groot-semi­na­rie ge­woon­lijk van een klein-semi­na­rie en in de zeldzame gevallen dat een kandidaat voor het groot-semi­na­rie van buiten het klein-semi­na­rie kwam, moest die meestal alsnog een jaar van dat klein-semi­na­rie doen; trouwens naar alle waar­schijn­lijk­heid had ook een kandidaat die niet van een klein-semi­na­rie kwam op een school voor jongens alleen gezeten. Ik heb zelf nog net zo’n beetje op een klein-semi­na­rie gezeten, maar ik kan me nog her­in­ne­ren wat het met ons jongens deed toen er in de vierde klas een meisje in de klas kwam. Dat meisjes had een beper­king - zij was licha­me­lijk ge­han­di­capt - maar het was een meisje en wij waren pubers. Hiermee wil ik niet zeggen dat het per se niet goed is als middel­ba­re scholieren op school zitten met leer­lin­gen van het andere geslacht; in ieder geval hoort de omgang met vrouwen bij een normale af­fec­tieve ont­wik­ke­ling. Maar het lijkt me wel dat een zekere afstand de keuze voor een celi­ba­tair leven iets ge­mak­ke­lijker maakt.

Nog las­tiger is de vor­ming tot het celi­baat gewor­den door de ‘pornifi­ca­tie van de samen­le­ving’. Erotische en porno­gra­fische uitingen zijn overal verkrijg­baar en dringen zich aan ons op, op TV en zelfs in de publieke ruimte. En dat het percentage porno­gra­fische web­si­tes dat bekeken wordt, gedaald is in de loop der jaren, wil alleen maar zeggen dat het in­ter­net­ver­keer als geheel zich sterk heeft uit­ge­breid. We hebben in­ter­net nu gewoon nodig voor tal van zaken. De cijfers zeggen dat 70% van de mannen porno kijkt, nog steeds betreft 13% van de zoek­op­drachten porno en op smart­phones is dat zelfs 20%. Kin­de­ren vanaf acht jaar kijken porno, volgens de onder­zoeken. Vele seksuele zon­den zijn in onze tijd heel erg verbreid. Deze ‘pornifi­ca­tie van de samen­le­ving’ betekent dat een oor­zaak dat er weinig kan­di­da­ten naar het semi­na­rie komen, mede is dat voor veel jon­ge­ren een celi­ba­tair leven niet erg rea­lis­tisch is. Wie de zuiver­heid van de ziel van een kind heeft bewaard, zal zich met groter gemak geheel aan God kunnen geven. In de seksua­li­teit is het toch wel zo dat iedere keer dat een mens een grens is over­ge­gaan, het moei­lijker wordt om celi­ba­tair te leven. Dat geldt met name voor porno kijken, masturbatie, wisselende seksuele contacten. Alleen een diep­gaande beke­ring kan dan uit­komst bie­den. Ik denk overigens dat dit niet helemaal zo geldt voor een weduw­naar die pries­ter wordt; dat is een heel ander verhaal. Vooral de versla­ving aan on­ge­or­dende seksua­li­teit is een probleem. Doordat seksua­li­teit verslavend is, zijn er minder kan­di­da­ten die kiezen voor het volgen van een roe­ping tot het pries­ter­schap.

Na­tuur­lijk is dat niet de enige reden. Er zijn allerlei andere factoren die met de seculari­sa­tie van de samen­le­ving ver­band hou­den. Waar vroeger een groot deel van de katho­lie­ken dage­lijks naar de Mis ging, dage­lijks de rozen­krans bad, voor en na het eten dankte en de dag opende en afsloot met een avond- en ochten­ge­bed, ziet iemand zich nu als een gods­diens­tige held als hij één keer in de maand naar de kerk gaat. En het leven is vluch­tig, gehaast, volgepropt, er is weinig stilte en gelegen­heid tot re­flec­tie, zeker als het gaat om het leven van jonge mensen. Dat kan na­tuur­lijk niet zonder gevolgen blijven. Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat God nog steeds roept en Jezus Christus nog steeds uitno­digt om Hem te volgen en alles achter te laten. Jezus Christus is dezelfde, gis­te­ren, vandaag en altijd (hebr. 13,8).

Als het gaat om vor­ming tot het celi­baat kunnen we er in feite dus niet vroeg genoeg bij zijn. Niet in de zin van verbo­den (als het bij­voor­beeld gaat om masturbatie: na­tuur­lijk kan dat ter sprake komen, maar als het gaat om het aansnij­den van dit thema bij jongens in de puber­teit, moet dat wel heel begrip­vol, zeer afgewogen en even­wich­tig gebeuren, om hen niet te ont­moe­di­gen).

De toela­ting tot het semi­na­rie

Wanneer een kandidaat wordt aan­ge­no­men voor het semi­na­rie, moet het thema ‘celi­baat’ na­tuur­lijk ter sprake komen: het gaat om een van de be­lang­rijk­ste kenmerken en pijlers van het dage­lijks leven van een pries­ter. Het zou na­tuur­lijk idioot zijn als het celi­baat en de bele­ving ervan in de gesprekken bij de aanname niet aan de orde zou­den komen. De vraag of een kandidaat seksuele contacten heeft gehad en welke rol seksua­li­teit in zijn leven tot dan toe heeft gespeeld, moet zeker be­spro­ken kunnen wor­den. Dit kan bij­voor­beeld in het kader van het stap voor stap doornemen van iemands levensge­schie­de­nis. De kandidaat mag weten dat het er niet om gaat of zijn leven tot dan toe perfect is geweest, wel dat het van het grootste belang is dat hij eer­lijk en transparant is en dat hij in samen­spraak met degenen die verant­woor­de­lijk zijn voor zijn vor­ming kan afwegen of hij inder­daad in staat zal zijn als pries­ter in woord en daad een coherent ge­tui­ge­nis te geven. In dat kader lijkt me het ook van belang voor semi­na­rie-lei­ding zich niet te laten ‘chan­te­ren’. Excuses voor dit zware woord, ik doel hiermee op vragen om een uit­zon­de­rings­be­han­de­ling, zoals het verlof om niet in het semi­na­rie te wonen, per se op een bepaalde plaats te willen stu­de­ren en niet op een andere, gedispenseerd willen wor­den in stille dagen, enzo­voorts. Niet voor niets vraagt de Kerk dat een kandidaat de volle­dige vor­mings­tijd of - als dat volgens het oor­deel van de dio­ce­sane Bis­schop nodig is - minder, maar tenminste vier jaar in het semi­na­rie verblijft, behou­dens dispen­sa­tie van de Con­gre­ga­tie voor de clerus. Na­tuur­lijk zijn er bepaalde omstan­dig­he­den waarin een uit­zon­de­ring billijk en rede­lijk is, maar in het alge­meen is het niet aan te bevelen in te gaan op vragen om een eigen be­han­de­ling waardoor de kandidaat zich in feite aan de gewone vor­ming onttrekt. Als iemand dat wil, is dat meestal geen goed teken, al hoeven de redenen waarom iemand dat wenst na­tuur­lijk niet met het celi­baat te maken te hebben. De leer­ling van Jezus wil alles achter laten om de Heer te volgen.

Evaluatie-gesprekken en per­soon­lijke be­ge­lei­ding

De verant­woor­de­lijken voor de vor­ming moeten regel­ma­tig met de se­mi­na­risten spreken en naar hen luis­te­ren in een sfeer van open­heid en ver­trouwen. In de evaluatie-gesprekken moet van­zelf­spre­kend de gees­te­lij­ke en per­soon­lijke be­ge­lei­ding aan de orde komen. Het interne forum wordt niet geschon­den als de verant­woor­de­lijken voor de vor­ming vragen naar frequentie van het contact en hoe het contact verloopt, tenminste in algemene termen. De verant­woor­de­lijken zijn verant­woor­de­lijk voor de gehele vor­ming en daartoe behoort de gees­te­lij­ke vor­ming. Met respect voor de ver­trouwe­lijk­heid van de inhoud van gesprekken, mag en moet de verant­woor­de­lijke vragen naar het per­soon­lijk contact met de gees­te­lijk bege­lei­der en de ont­wik­ke­ling daar­van (wie is de biecht­va­der? Frequentie van de biecht en de gees­te­lij­ke be­ge­lei­ding, appreciatie van het contact met de gees­te­lijk bege­lei­der: helpt hij goed, begrijpt hij de se­mi­na­rist enz., eventuele moei­lijk­he­den in de be­ge­lei­ding, is de biecht­va­der/gees­te­lijk bege­lei­der goed bereik­baar, enzo­voorts). De Ratio Funda­mentalis onder­streept het belang van per­soon­lijke be­ge­lei­ding in n. 44. Die per­soon­lijke be­ge­lei­ding is met name voor een geïntegreerde bele­ving van het celi­baat van belang. Open­heid is daarbij cruciaal. De Ratio Funda­mentalis noemt in dit ver­band het belang van jezelf kennen en jezelf laten kennen, alsmede de eer­lijk­heid en tran­spa­ran­tie van de se­mi­na­rist (n. 45). Dat is nood­za­ke­lijk voor de se­mi­na­rist om uit te groeien tot een geba­lan­ceerde persoon, met een goed geïntegreerde seksua­li­teit (n 94). Deze gesprekken met de verant­woor­de­lijken voor de vor­ming moeten regel­ma­tig plaats­vin­den, onder meer met als doel dat de se­mi­na­rist de eigen talenten en eigen zwak­heid leert kennen (n. 46). Fun­da­men­teel daarvoor is na­tuur­lijk een weder­zijds ver­trouwen, die be­lang­rijk is voor heel het vor­mings­pro­ces (n. 47). De se­mi­na­rist moet kunnen beleven dat de verant­woor­de­lijken voor de vor­ming er zijn om hem te helpen zich als mens te ont­wik­ke­len en een goed pries­ter te wor­den.

Geschikt­heid van de kandidaat voor de celi­baats­be­le­ving

De Ratio Funda­mentalis be­klem­toont dat de verant­woor­de­lijken voor de vor­ming zich de over­tui­ging moeten kunnen verwerven dat iemand geschikt is voor het celi­baat en het celi­ba­tair leven. Het is zeer impru­dent iemand tot de wij­dingen toe te laten die niet vrij een serene en af­fec­tieve rijp­heid bezit, stelt de Ratio. De kandidaat moet trouw zijn aan het celi­baat door de beoefe­ning van men­se­lijke en god­de­lijke deug­den, verstaan als open­heid voor de wer­king van de genade, niet alleen door wils­kracht (n. 110). Compulsief porno kijken of masturberen zijn met de celi­ba­taire levens­staat niet verenig­baar. Een se­mi­na­rist kan een keer een zonde begaan en bepaalde situaties van stress of an­ders­zins kunnen daar debet aan zijn, maar als iemand een paar jaar voor de wij­dingen nog serieus worstelt met pro­ble­ma­tieken van porno kijken of zelfbevre­diging, kan hij de stap naar de celi­baats­be­lof­te niet zetten. In de gees­te­lij­ke be­ge­lei­ding moet hem dan ontra­den wor­den die stap te gaan zetten; in het externe forum is het goed dit thema in gesprek te brengen. Het celi­baat moet passen in zijn leven, het is niet voldoende dat iemand met wils­kracht dit wel een tijdje vol kan hou­den. Het is zeker geen nederlaag als iemand eer­lijk erkent dat een celi­ba­taire levensweg niet bij hem past.

Over homo­sek­su­ele ten­denties heeft de Ratio Funda­mentalis het in n. 199-201. De erva­ring leert dat het goed is zeer voorzich­tig te zijn met de aanname van personen met deze inclinatie. Leven in een mannen­ge­meen­schap zal voor deze personen be­grij­pe­lijk extra las­tig zijn. Het gebeurt te vaak dat dit niet goed gaat met alle risico’s van versprei­ding en besmet­ting. Als de homo­sek­su­ele geneigd­heid alleen uiting is geweest van een voor­bij­gaand probleem, bij­voor­beeld van een fase in de groei naar volwassen­heid, kan iemand toe­ge­la­ten wor­den, maar tenminste drie jaar voor de diaken­wij­ding -zo stelt de Ratio - moet dui­de­lijk zijn het probleem helemaal overwonnen is. Een se­mi­na­rist moet hierover praten, het zou zeer oneer­lijk zijn dit verborgen te hou­den omdat het gaat over een zeer bepalend en be­lang­rijk onder­deel van de pries­ter­lijke exis­tentie.

Daar­mee komen we aan een fun­da­men­tele vraag: is de se­mi­na­rist eer­lijk en open? Als dat niet zo is, bij­voor­beeld als we merken dat dit op andere gebie­den niet zo is, dan is er alle reden voor enige achterdocht. Ook wanneer voor een se­mi­na­rist altijd alles alleen maar mooi en goed is, mogen er vragen wor­den gesteld bij de mooie facade. Open­heid en eer­lijk­heid zijn de essentie van de pries­ter­lijke vor­ming. Als we merken dat iemand niet eer­lijk is op bepaalde gebie­den, kan dat ook voor andere terreinen gel­den, zeker voor dat van de seksua­li­teit. Oneer­lijk­heid en zich niet willen openen zijn aspecten die alarmbellen laten rinkelen!

Be­lang­rijke aspecten van een goede bele­ving van het celi­baat

In mijn boek “Het celi­baat van de pries­ter” heb ik een aantal voor­waar­den genoemd waaraan voldaan moet wor­den om tot een even­wich­tige celi­baats­be­le­ving te komen.[1] Die kunt U na­tuur­lijk zelf ook wel nalezen, maar ik wil deze punten hier alleen kort samen­vat­ten, omdat die de rich­ting aan geven voor de vor­ming tot het celi­baat.

1. Komen tot zelfgave

De kern van iedere chris­te­lijke roe­ping is dat de ge­roe­pene zijn leven wil geven aan God, aan Zijn Zoon, en dat hij van Hem wil getuigen. De ge­roe­pene geeft zijn leven zozeer aan de Heer dat hij Hem toebehoort, dat hij in een bij­zon­dere bete­ke­nis van dat woord “Christus­dra­ger” zal zijn.

Het gaat er dus niet om dat iemand slechts bepaalde dingetjes moet doen, bepaalde vaar­dig­he­den moet aanleren, bepaalde kennis en compe­tenties moet verwerven voordat hij gewijd kan wor­den. Na­tuur­lijk moet hij dat wel doen, maar het gaat er uit­ein­delijk om dat hij zich­zelf geeft, zodat hij voor het ont­van­gen van de heilige wij­dingen volmon­dig kan zeggen: “Ja, hier ben ik”.

In de vor­ming zal dit aspect van je leven geven aan God, alles verlaten om Jezus te volgen, dus niet kunnen ont­bre­ken.

2. De eigen roe­ping koes­te­ren en in dank­baar­heid leven (na inner­lijke gene­zing)

Alles wordt anders door de erva­ring die iemand van God heeft opgedaan: de erva­ring dat hij gezien wordt en gekend door God zelf. Die inner­lijke over­tui­ging: “Hij kent mij en Hij heeft mij lief”, is de basis waarop een mens van harte ertoe kan besluiten zijn leven aan Hem te geven op de wijze waartoe Hij ons roept.

Iedere se­mi­na­rist zal daarom de genade van zijn roe­ping in zijn hart bij zich hou­den. De genade van een roe­ping is iets heel kost­baars, omdat daarin ervaren wordt dat de Heer bezig is met degene die deze roe­ping ont­vangt en dat Hij een heel spe­ci­fie­ke bedoeling met diens leven heeft.

Om de genero­si­teit van het ant­woord te voe­den en het en­thou­sias­me en de bereid­heid om Jezus te volgen, is het be­lang­rijk de eigen roe­pingsweg te gedenken. Hoe heeft de Heer deze ge­roe­pene aangeraakt en geleid? Uit de weg die God met hem is gegaan, moet de ge­roe­pene de kracht putten om vrijgevig te zijn in zijn ant­woord op die genade.

Wanneer een ge­roe­pene inner­lijk wordt vastge­hou­den door gevoelens van kwaad­heid en in zijn hart geweld­da­dig is en vol con­flic­ten, zich isoleert van de anderen en wellicht ook wanhopig is, bij­voor­beeld door jeugd­trau­ma’s die on­vol­doen­de ver­werkt zijn, dan kan hij fun­da­men­teel niet leven vanuit die dank­baar­heid en hoop en kan hij het goede nieuws, de blijde bood­schap niet brengen. Een nega­tief zelf­beeld zal er vaak mee verbon­den zijn. Dit alles zal zijn gebedsleven, zijn omgang met anderen en de vrucht­baar­heid van zijn apos­to­laat sterk beïn­vloe­den en maken dat hij geen gelukkig pries­ter kan zijn. Het is zeer aanneme­lijk dat hij ook gevangen raakt in per­soon­lijke problemen waar­van het niet onder­hou­den van het celi­baat er één is.

Dit maakt dui­de­lijk hoe be­lang­rijk de vor­mings­pe­rio­de in het semi­na­rie is en hoe cruciaal het is dat de se­mi­na­rist de eigen inner­lijke won­den onder ogen durft te zien. Het begin van gene­zing is dat de pries­ter of se­mi­na­rist zelf tot zich toelaat wat er aan de hand is: dat de kwaad­heid zijn pries­ter­schap vernie­tigt.[2]

3. Lief­heb­ben

Jezus wijst in het evan­ge­lie op het eerste en voor­naam­ste gebod en het tweede dat daar­mee gelijk­waar­dig is: de liefde tot God en de liefde tot de naaste.

In dit licht kunnen we begrijpen waarom van de pries­ter het celi­baat wordt gevraagd: hij belooft geen intieme relaties aan te gaan - geen seksuele relatie, geen relaties die anderen uitsluiten - en in zuiver­heid te leven, in volle­dige ont­hou­ding omwille van het rijk der hemelen, omdat juist de pries­ter ge­roe­pen is een beeld te zijn van de totali­teit en het alles en ie­der­een omvattende karakter van de liefde van Jezus. Zonder deze liefde is alles waardeloos. Het is vanuit deze liefde dat het offer wordt gebracht van seksuele en andere “bij­zon­dere”, intieme relaties.

Deze liefde die ertoe brengt er voor een ander te zijn, vooral voor de zwakkeren en armen, de zieken en anderen die hulp nodig hebben, is een be­lang­rijke voor­waarde voor het (goed) kunnen beleven van het celi­baat. Het celi­baat is geen afzien van de liefde, maar een verbre­ding en een radi­ca­li­sering van die liefde. Het is geen liefde die zich afzondert, maar één die zich opent. Het is wezen­lijk een herder­lijke liefde.

Dat een se­mi­na­rist leert om niet te veel om zich­zelf heen te cirkelen, klaar te staan voor anderen, nederig en dienst­baar te zijn, gevend te leven, helpt veel om het celi­baat goed te beleven.

4. Levens­stijl

De bele­ving van het celi­baat ver­on­der­stelt een bepaalde levens­stijl. Gejaagd en ambitieus streven naar bepaalde zaken en de misluk­kingen die daarbij wor­den ervaren, kunnen een weer­slag hebben op de bele­ving van het celi­baat. Het is voor de pries­ter van groot belang in Gods te­gen­woor­dig­heid te leven, leven en werk aan de Vader uit han­den te geven, zo goed moge­lijk afstand te doen van pres­ta­tie­drang waarbij de eigen persoon te zeer op de voor­grond staat. Een te druk en gespannen leven, heeft meestal zijn weer­slag, vooral als die druk even wegvalt.

Om met God te kunnen leven is een zekere inner­lijke vrede en rust nodig, die wordt bevorderd door een goede en gezonde levens­stijl: op tijd naar bed gaan, niet te veel drinken, voldoende bewe­ging nemen, in­ter­net- en social media-gebruik en films kijken ordenen en “aan ban­den leggen”, enzo­voorts. Alles met mate.

5. Intens gees­te­lijk leven

Bij­zon­dere vermel­ding verdient het gees­te­lijk leven. Als een pries­ter niet bidt, zal dat niet zonder erns­tige gevolgen blijven voor zijn pries­ter­lijk leven en celi­baat. Want de bron waaruit zijn leven wordt gevoed is de intieme ver­hou­ding met Christus. Daarom zullen de over­we­ging van het Woord van God en de vie­ring van de heilige Eucha­ris­tie een voorname plaats moeten innemen in het leven van de pries­ter. Verder zal een pries­ter een innige, af­fec­tieve ver­trouwens­band moeten ont­wik­ke­len met de Moeder van God. Dit alles zal hem helpen zijn geloof levend en per­soon­lijk te hou­den en te verdiepen. In zijn pas­to­rale taken zal een pries­ter die zich met geloof en ijver in dienst van de zielen, van het heil van mensen stelt, even­eens een be­lang­rijke voe­dings­bron vin­den.

 6. Biecht en gees­te­lij­ke lei­ding

Een pries­ter behoort een vaste biecht­va­der en leidsman te hebben, die hij met regelmaat bezoekt en met wie hij open­har­tig spreekt.

7. Broe­der­lijke ge­meen­schap en zich ge­waar­deerd voelen

Van groot belang is verder het beleven van ge­meen­schap en het ervaren van waar­de­ring. Na­tuur­lijk kan dit op ver­schil­lende manieren, maar het is niet goed voor een pries­ter om alleen te zijn.[3] Uit een Ameri­kaans onder­zoek onder jonge pries­ters bleek dat 71% van de gevraagde dio­ce­sane pries­ters en 58% van de pries­terreli­gi­euzen gelukkig waren in hun pries­ter­schap en er zeker van zei­den te zijn dat zij hun ambt niet zou­den verlaten. 5% van de jonge dio­ce­sane pries­ters en 14% van de jonge pries­terreli­gi­euzen gaven echter aan dat zij zeker zou­den uittre­den, dat zij waar­schijn­lijk zou­den uittre­den of onzeker waren. Bij degenen die aangaven gelukkig te zijn scoor­den de pries­ter­lijke werk­zaam­he­den (74%), de contacten met de gelo­vi­gen (73%), het celi­ba­taire leven (59%), de leef­si­tua­tie (57%), de relatie met de bis­schop of de overste (52%) en de steun van andere pries­ters (42%) het hoogst. Minder tevre­den waren de pries­ters over hun gees­te­lijk leven en vooral het tijd­ge­brek.[4] Hoe be­lang­rijk de relationele factoren en de ge­meen­schaps­be­le­ving zijn, komt nog dui­de­lijker naar voren in de groep die problemen had: bij vrijwel allen kwam een­zelfde erva­ring naar voren: zij voel­den zich een­zaam en niet ge­waar­deerd. Deze erva­ring bleek het fun­da­men­teel vereiste voor vrijwel ieder uittre­den: zonder deze negatieve erva­ring bleek uittre­den zeer onwaar­schijn­lijk.93 Na­tuur­lijk zullen hier vaak nog andere per­soon­lijke en psy­chi­sche problemen achter liggen, die groten­deels in de semi­na­rie­tijd onder ogen moeten wor­den gezien. Maar dui­de­lijk is: het is nood­za­ke­lijk dat een pries­ter de sacra­men­tele ge­meen­schap kan beleven met zijn mede­broeders-pries­ters en dat hij in de gelegen­heid is om zijn leven van toe­wij­ding, gebed en zelfgave aan Christus en Zijn Kerk te delen met anderen. Het is niet voldoende ont­moe­tingen te or­ga­ni­se­ren in een ver­ga­der-sfeer met pas­to­raal werkers en andere leken samen. De pries­ter moet gelegen­heid hebben zijn eigen spe­ci­fie­ke, sacra­men­tele, pries­ter­lijke band te beleven die hem met de andere pries­ters verbindt. Kransen, andere in­for­mele ont­moe­tingen, pries­ter-retraites en -bede­vaarten, deelname aan de chrisma-mis, studie­da­gen voor de pries­ters, het creëren van een ont­moe­tings­plaats, enzo­voorts moeten daarom bevorderd wor­den. Terug­hou­dend­heid omdat zo’n bij­een­komst niet col­le­giaal zou zijn naar de leken-mede­wer­kers, is niet op zijn plaats. Die andere mede­wer­kers zijn veelal gehuwd, hebben een gezin en zijn een heel andere verbin­ding met de Kerk aan­ge­gaan. Met name voor de dio­ce­sane pries­ters is van het grootste belang dat er een echte “communio” , ja een ver­trouwe­lijke sfeer tussen de Bis­schop en zijn pries­ters in het bisdom ont­staat.[5] Hier ligt een be­lang­rijk aan­dachts­punt voor de Bis­schop en andere verant­woor­de­lijken in het diocees, maar ook voor de pries­ters zelf, die mede hun broeders hoeder zijn.[6] Dit houdt ook in dat gestreefd moet wor­den naar een pas­to­rale organi­sa­tie waarbij voldoende ruimte en aan­dacht voor het beleven van deze “communio” kan ontstaan. In het geci­teerde onder­zoek bleek dat de jonge pries­ters gebrek aan een­heid (“polari­sa­tie”) en de werkdruk als grootste problemen zagen.[7]

BESLUIT

Velen lijken het (pries­ter­lijk) celi­baat niet op waarde schatten, terwijl het toch om een van de evan­ge­lische raden gaat. Ze zien er een achterhaalde, Mid­del­eeuwse in­stel­ling in.

Maar het celi­baat is vanaf de eerste eeuwen door de pries­ters beleefd en door de Kerk trouw bewaard. Het verleent een concrete uitdruk­king aan wat het pries­ter­schap wezen­lijk is.

Uit onder­zoek blijkt dat niet het celi­baat op zich maakt dat pries­ters onge­luk­kig zijn in hun pries­ter­schap. De pries­ters die gelukkig waren in hun pries­ter­schap gaven in het geci­teerde Ameri­kaanse onder­zoek juist in groten getale aan gelukkig te zijn in het celi­ba­taire leven. Het probleem is om­ge­keerd: Pries­ters die onge­luk­kig zijn, die zich alleen en niet ge­waar­deerd voelen, zullen ge­mak­ke­lijk problemen krijgen met het celi­ba­taire leven. Dit betekent dat in de voor­be­rei­ding op het pries­ter­schap bij­zon­dere aan­dacht moet wor­den gegeven aan de groei van de kandidaat tot een even­wich­tige, volwassen persoon, die in staat is liefde­volle relaties aan te gaan op een open, va­der­lijke wijze die bij het celi­ba­tair pries­ter­schap past, en dat “communio” en ge­meen­schap zeer be­lang­rijke waar­den zijn. Dit alles neemt echter niet weg dat de basis voor een vrucht­baar beleven van het celi­baat in de pries­ter zelf ligt, in zijn vermogen tot zelfgave en dank­baar­heid, zijn ascese en toegewijd gees­te­lijk leven, kortom in zijn verlangen en inzet om met vreugde pries­ter te zijn en de Heer als een “alter Christus” te­gen­woor­dig te stellen.

 



[1] Het celi­baat van de pries­ter. Ge­schie­de­nis, theo­lo­gie en bele­ving (Tilten­bergstudies 2, Vo­ge­len­zang, 2008), pp. 64-75.

[2] Zie over deze thema’s bijv. ST. ROSSETTI, The Joy of priesthood (Notre Dame, Indiana, 2004), pp. 151-164 en 167-183. Rossetti ver­telt op p. 151 dat pries­ters die voor een be­han­de­ling komen in zijn Saint Luke’s instituut meestal zelf niet door­heb­ben hoe boos ze eigen­lijk zijn.

 

[3] D. HOGE, The first five years of the priesthood. A study of newly ordained catholic priests (Collegeville, Minesota, 2002), p. 35.

[4] Ibidem, pp. 36vv.

[5] Ibidem, nn. 91-95. Vgl. ROSSETTI, o.c., p. 180: “The more we foster presbyterates and dioceses that are places of true communion, the more healing and life-giving they will be”.

[6] Vgl. PO 8; Sacerdotalis caelibatus 81.

[7] D. HOGE, o.c., p. 39.

Terug