Arsacal
button
button
button


De vorming tot het celibaat

Lezing gehouden op de stavenconferentie priesteropleidingen 2019

artikel_overig - gepubliceerd: woensdag, 9 oktober 2019

Wanneer is iemand geschikt voor het seminarie? Welke moei­lijk­he­den komt de oplei­ding tegen waar het om de vor­ming tot het celibaat betreft? Wat is be­lang­rijk voor een goede beleving van het celibaat? Dat zijn vragen die aan de orde komen in de onderstaande lezing die ik op 9 ok­to­ber 2019 heb gehou­den op de staven­con­fe­ren­tie van de Neder­landse priester­oplei­dingen in het Re­demp­to­ris Mater seminarie te Nieuwe Niedorp.

 

De vor­ming tot het celibaat

Persoons­vor­ming en celibaat

Voor de vor­ming van kan­di­da­ten tot het celibaat is onze eigen, per­soon­lijke ervaring als celi­ba­tair levende priesters heel be­lang­rijk. Wij weten uit eigen beleving wat het is.

Zeker, we kunnen onze eigen bekoringen niet veralgemeniseren: de beleving van seksua­li­teit is heel per­soon­lijk en zo zal wat iemand in verlei­ding brengt, waartoe en tot wie hij zich ero­tisch aangetrokken voelt, van persoon tot persoon verschillen. Ook de gevoels­we­reld die daar­mee samenhangt, verschilt van mens tot mens; en er is wat dat betreft meestal een flink verschil tussen vrouwen en mannen en tussen mensen met een hetero­sek­su­ele of homo­sek­su­ele inclinatie en tussen mensen met een narcis­tische of trau­ma­tische per­soon­lijk­heid­stoor­nis, sterk egocentrische mensen of - aan de andere kant - mensen met een even­wich­tig gevoelsleven, gerijpte affec­ti­vi­teit en on­der­schei­ding.

Laat ik het maar gelijk zeggen: volmaakt zal de beleving van het celibaat nooit zijn, we blijven mensen en de gevolgen van de erfzonde werken in ons door. Het is zeker niet zo dat iemand die bekoringen heeft op dit vlak, daarom niet even­wich­tig is. Integen­deel, het lijkt me logisch en na­tuur­lijk dat die bekoringen er zijn, dat we een strijd moeten voeren en dat is ook goed. We wor­den erdoor gevormd. De bekoring zelf is na­tuur­lijk ook geen zonde, het gaat erom hoe we ermee om gaan. Ander­zijds, dat een priester feite­lijk zijn celibaat onderhoudt door geen han­de­lin­gen te stellen die tegen de zuiver­heid ingaan en door zijn gedachten op dit punt tame­lijk geor­dend te kunnen hou­den, wil nog niet alles zeggen. Soms kan dat bij­voor­beeld eerder voort­ko­men uit perfectionisme, de behoefte om controle te hebben, een vorm van autisme of welke niet even­wich­tige ont­wik­ke­ling op het relationele vlak dan ook. De Ratio Funda­mentalis (n. 23) voor de priester­oplei­ding legt dan ook een klemtoon op een gezond affec­tief gevoelsleven door het ont­wik­ke­len van goede relaties met ouders, familie, leef­tijdgenoten, enzovoorts. Inder­daad zijn vriend­schappen en een net­werk van goede kennissen be­lang­rijk voor het beleven van het celibaat en het beleven van het priester­schap dat nu eenmaal wordt ge­ken­merkt door de harte­lijke en open omgang met mensen van allerlei ach­ter­gron­den en over­tui­gingen.

Moei­lijk­he­den bij de vor­ming tot het celibaat

We staan in onze tijd in onze seminaries bij het begin van de vor­ming al op achterstand. Vijftig, zestig jaar gele­den kwamen de kan­di­da­ten voor het groot-seminarie ge­woon­lijk van een klein-seminarie en in de zeldzame gevallen dat een kandidaat voor het groot-seminarie van buiten het klein-seminarie kwam, moest die meestal alsnog een jaar van dat klein-seminarie doen; trouwens naar alle waar­schijn­lijk­heid had ook een kandidaat die niet van een klein-seminarie kwam op een school voor jongens alleen gezeten. Ik heb zelf nog net zo’n beetje op een klein-seminarie gezeten, maar ik kan me nog her­in­ne­ren wat het met ons jongens deed toen er in de vierde klas een meisje in de klas kwam. Dat meisjes had een beper­king - zij was licha­me­lijk ge­han­di­capt - maar het was een meisje en wij waren pubers. Hiermee wil ik niet zeggen dat het per se niet goed is als middel­ba­re scholieren op school zitten met leer­lin­gen van het andere geslacht; in ieder geval hoort de omgang met vrouwen bij een normale affectieve ont­wik­ke­ling. Maar het lijkt me wel dat een zekere afstand de keuze voor een celi­ba­tair leven iets ge­mak­ke­lijker maakt.

Nog lastiger is de vor­ming tot het celibaat gewor­den door de ‘pornificatie van de samen­le­ving’. Erotische en porno­gra­fische uitingen zijn overal verkrijg­baar en dringen zich aan ons op, op TV en zelfs in de publieke ruimte. En dat het percentage porno­gra­fische websites dat bekeken wordt, gedaald is in de loop der jaren, wil alleen maar zeggen dat het internet­ver­keer als geheel zich sterk heeft uit­ge­breid. We hebben internet nu gewoon nodig voor tal van zaken. De cijfers zeggen dat 70% van de mannen porno kijkt, nog steeds betreft 13% van de zoek­op­drachten porno en op smart­phones is dat zelfs 20%. Kinderen vanaf acht jaar kijken porno, volgens de onder­zoeken. Vele seksuele zon­den zijn in onze tijd heel erg verbreid. Deze ‘pornificatie van de samen­le­ving’ betekent dat een oor­zaak dat er weinig kan­di­da­ten naar het seminarie komen, mede is dat voor veel jon­ge­ren een celi­ba­tair leven niet erg rea­lis­tisch is. Wie de zuiver­heid van de ziel van een kind heeft bewaard, zal zich met groter gemak geheel aan God kunnen geven. In de seksua­li­teit is het toch wel zo dat iedere keer dat een mens een grens is overgegaan, het moei­lijker wordt om celi­ba­tair te leven. Dat geldt met name voor porno kijken, masturbatie, wisselende seksuele contacten. Alleen een diep­gaande bekering kan dan uit­komst bie­den. Ik denk overigens dat dit niet helemaal zo geldt voor een weduw­naar die priester wordt; dat is een heel ander verhaal. Vooral de verslaving aan on­ge­or­dende seksua­li­teit is een probleem. Doordat seksua­li­teit verslavend is, zijn er minder kan­di­da­ten die kiezen voor het volgen van een roe­ping tot het priester­schap.

Na­tuur­lijk is dat niet de enige reden. Er zijn allerlei andere factoren die met de seculari­sa­tie van de samen­le­ving verband hou­den. Waar vroeger een groot deel van de katho­lie­ken dage­lijks naar de Mis ging, dage­lijks de rozen­krans bad, voor en na het eten dankte en de dag opende en afsloot met een avond- en ochten­ge­bed, ziet iemand zich nu als een gods­dienstige held als hij één keer in de maand naar de kerk gaat. En het leven is vluchtig, gehaast, volgepropt, er is weinig stilte en gelegen­heid tot reflectie, zeker als het gaat om het leven van jonge mensen. Dat kan na­tuur­lijk niet zonder gevolgen blijven. Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat God nog steeds roept en Jezus Christus nog steeds uitnodigt om Hem te volgen en alles achter te laten. Jezus Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en altijd (hebr. 13,8).

Als het gaat om vor­ming tot het celibaat kunnen we er in feite dus niet vroeg genoeg bij zijn. Niet in de zin van verbo­den (als het bij­voor­beeld gaat om masturbatie: na­tuur­lijk kan dat ter sprake komen, maar als het gaat om het aansnij­den van dit thema bij jongens in de puber­teit, moet dat wel heel begrip­vol, zeer afgewogen en even­wich­tig gebeuren, om hen niet te ont­moe­di­gen).

De toela­ting tot het seminarie

Wanneer een kandidaat wordt aangenomen voor het seminarie, moet het thema ‘celibaat’ na­tuur­lijk ter sprake komen: het gaat om een van de be­lang­rijk­ste kenmerken en pijlers van het dage­lijks leven van een priester. Het zou na­tuur­lijk idioot zijn als het celibaat en de beleving ervan in de gesprekken bij de aanname niet aan de orde zou­den komen. De vraag of een kandidaat seksuele contacten heeft gehad en welke rol seksua­li­teit in zijn leven tot dan toe heeft gespeeld, moet zeker besproken kunnen wor­den. Dit kan bij­voor­beeld in het kader van het stap voor stap doornemen van iemands levensge­schie­de­nis. De kandidaat mag weten dat het er niet om gaat of zijn leven tot dan toe perfect is geweest, wel dat het van het grootste belang is dat hij eer­lijk en transparant is en dat hij in samen­spraak met degenen die verant­woor­de­lijk zijn voor zijn vor­ming kan afwegen of hij inder­daad in staat zal zijn als priester in woord en daad een coherent ge­tui­ge­nis te geven. In dat kader lijkt me het ook van belang voor seminarie-lei­ding zich niet te laten ‘chanteren’. Excuses voor dit zware woord, ik doel hiermee op vragen om een uit­zon­de­rings­be­han­de­ling, zoals het verlof om niet in het seminarie te wonen, per se op een bepaalde plaats te willen studeren en niet op een andere, gedispenseerd willen wor­den in stille dagen, enzovoorts. Niet voor niets vraagt de Kerk dat een kandidaat de volledige vor­mings­tijd of - als dat volgens het oor­deel van de dio­ce­sane Bis­schop nodig is - minder, maar tenminste vier jaar in het seminarie verblijft, behou­dens dispen­sa­tie van de Con­gre­ga­tie voor de clerus. Na­tuur­lijk zijn er bepaalde omstandig­he­den waarin een uit­zon­de­ring billijk en rede­lijk is, maar in het algemeen is het niet aan te bevelen in te gaan op vragen om een eigen be­han­de­ling waardoor de kandidaat zich in feite aan de gewone vor­ming onttrekt. Als iemand dat wil, is dat meestal geen goed teken, al hoeven de redenen waarom iemand dat wenst na­tuur­lijk niet met het celibaat te maken te hebben. De leer­ling van Jezus wil alles achter laten om de Heer te volgen.

Evaluatie-gesprekken en per­soon­lijke be­ge­lei­ding

De verant­woor­de­lijken voor de vor­ming moeten regel­ma­tig met de se­mi­na­risten spreken en naar hen luisteren in een sfeer van open­heid en vertrouwen. In de evaluatie-gesprekken moet vanzelf­spre­kend de gees­te­lij­ke en per­soon­lijke be­ge­lei­ding aan de orde komen. Het interne forum wordt niet geschon­den als de verant­woor­de­lijken voor de vor­ming vragen naar frequentie van het contact en hoe het contact verloopt, tenminste in algemene termen. De verant­woor­de­lijken zijn verant­woor­de­lijk voor de gehele vor­ming en daartoe behoort de gees­te­lij­ke vor­ming. Met respect voor de vertrouwe­lijk­heid van de inhoud van gesprekken, mag en moet de verant­woor­de­lijke vragen naar het per­soon­lijk contact met de gees­te­lijk bege­lei­der en de ont­wik­ke­ling daarvan (wie is de biecht­va­der? Frequentie van de biecht en de gees­te­lij­ke be­ge­lei­ding, appreciatie van het contact met de gees­te­lijk bege­lei­der: helpt hij goed, begrijpt hij de se­mi­na­rist enz., eventuele moei­lijk­he­den in de be­ge­lei­ding, is de biecht­va­der/gees­te­lijk bege­lei­der goed bereik­baar, enzovoorts). De Ratio Funda­mentalis onder­streept het belang van per­soon­lijke be­ge­lei­ding in n. 44. Die per­soon­lijke be­ge­lei­ding is met name voor een geïntegreerde beleving van het celibaat van belang. Open­heid is daarbij cruciaal. De Ratio Funda­mentalis noemt in dit verband het belang van jezelf kennen en jezelf laten kennen, alsmede de eer­lijk­heid en transparantie van de se­mi­na­rist (n. 45). Dat is nood­za­ke­lijk voor de se­mi­na­rist om uit te groeien tot een gebalanceerde persoon, met een goed geïntegreerde seksua­li­teit (n 94). Deze gesprekken met de verant­woor­de­lijken voor de vor­ming moeten regel­ma­tig plaats­vin­den, onder meer met als doel dat de se­mi­na­rist de eigen talenten en eigen zwak­heid leert kennen (n. 46). Fun­da­men­teel daarvoor is na­tuur­lijk een weder­zijds vertrouwen, die be­lang­rijk is voor heel het vor­mings­pro­ces (n. 47). De se­mi­na­rist moet kunnen beleven dat de verant­woor­de­lijken voor de vor­ming er zijn om hem te helpen zich als mens te ont­wik­ke­len en een goed priester te wor­den.

Geschikt­heid van de kandidaat voor de celibaats­be­le­ving

De Ratio Funda­mentalis be­klem­toont dat de verant­woor­de­lijken voor de vor­ming zich de over­tui­ging moeten kunnen verwerven dat iemand geschikt is voor het celibaat en het celi­ba­tair leven. Het is zeer impru­dent iemand tot de wij­dingen toe te laten die niet vrij een serene en affectieve rijp­heid bezit, stelt de Ratio. De kandidaat moet trouw zijn aan het celibaat door de beoefe­ning van men­se­lijke en god­de­lijke deug­den, verstaan als open­heid voor de wer­king van de genade, niet alleen door wils­kracht (n. 110). Compulsief porno kijken of masturberen zijn met de celi­ba­taire levens­staat niet verenig­baar. Een se­mi­na­rist kan een keer een zonde begaan en bepaalde situaties van stress of anderszins kunnen daar debet aan zijn, maar als iemand een paar jaar voor de wij­dingen nog serieus worstelt met pro­ble­ma­tieken van porno kijken of zelfbevredi­ging, kan hij de stap naar de celibaats­be­lof­te niet zetten. In de gees­te­lij­ke be­ge­lei­ding moet hem dan ontra­den wor­den die stap te gaan zetten; in het externe forum is het goed dit thema in gesprek te brengen. Het celibaat moet passen in zijn leven, het is niet voldoende dat iemand met wils­kracht dit wel een tijdje vol kan hou­den. Het is zeker geen nederlaag als iemand eer­lijk erkent dat een celi­ba­taire levensweg niet bij hem past.

Over homo­sek­su­ele ten­denties heeft de Ratio Funda­mentalis het in n. 199-201. De ervaring leert dat het goed is zeer voor­zichtig te zijn met de aanname van personen met deze inclinatie. Leven in een mannen­ge­meen­schap zal voor deze personen be­grij­pe­lijk extra lastig zijn. Het gebeurt te vaak dat dit niet goed gaat met alle risico’s van versprei­ding en besmet­ting. Als de homo­sek­su­ele geneigd­heid alleen uiting is geweest van een voorbij­gaand probleem, bij­voor­beeld van een fase in de groei naar volwassen­heid, kan iemand toe­ge­la­ten wor­den, maar tenminste drie jaar voor de diaken­wij­ding -zo stelt de Ratio - moet dui­de­lijk zijn het probleem helemaal overwonnen is. Een se­mi­na­rist moet hierover praten, het zou zeer oneer­lijk zijn dit verborgen te hou­den omdat het gaat over een zeer bepalend en be­lang­rijk onder­deel van de pries­ter­lijke exis­tentie.

Daar­mee komen we aan een fun­da­men­tele vraag: is de se­mi­na­rist eer­lijk en open? Als dat niet zo is, bij­voor­beeld als we merken dat dit op andere gebie­den niet zo is, dan is er alle reden voor enige achterdocht. Ook wanneer voor een se­mi­na­rist altijd alles alleen maar mooi en goed is, mogen er vragen wor­den gesteld bij de mooie facade. Open­heid en eer­lijk­heid zijn de essentie van de pries­ter­lijke vor­ming. Als we merken dat iemand niet eer­lijk is op bepaalde gebie­den, kan dat ook voor andere terreinen gel­den, zeker voor dat van de seksua­li­teit. Oneer­lijk­heid en zich niet willen openen zijn aspecten die alarmbellen laten rinkelen!

Be­lang­rijke aspecten van een goede beleving van het celibaat

In mijn boek “Het celibaat van de priester” heb ik een aantal voor­waar­den genoemd waaraan voldaan moet wor­den om tot een even­wich­tige celibaats­be­le­ving te komen.[1] Die kunt U na­tuur­lijk zelf ook wel nalezen, maar ik wil deze punten hier alleen kort samen­vat­ten, omdat die de rich­ting aan geven voor de vor­ming tot het celibaat.

1. Komen tot zelfgave

De kern van iedere chris­te­lijke roe­ping is dat de geroepene zijn leven wil geven aan God, aan Zijn Zoon, en dat hij van Hem wil getuigen. De geroepene geeft zijn leven zozeer aan de Heer dat hij Hem toebehoort, dat hij in een bij­zon­dere bete­ke­nis van dat woord “Christus­dra­ger” zal zijn.

Het gaat er dus niet om dat iemand slechts bepaalde dingetjes moet doen, bepaalde vaardig­he­den moet aanleren, bepaalde kennis en compe­tenties moet verwerven voordat hij gewijd kan wor­den. Na­tuur­lijk moet hij dat wel doen, maar het gaat er uit­ein­de­lijk om dat hij zichzelf geeft, zodat hij voor het ontvangen van de heilige wij­dingen volmondig kan zeggen: “Ja, hier ben ik”.

In de vor­ming zal dit aspect van je leven geven aan God, alles verlaten om Jezus te volgen, dus niet kunnen ontbreken.

2. De eigen roe­ping koesteren en in dank­baar­heid leven (na inner­lijke gene­zing)

Alles wordt anders door de ervaring die iemand van God heeft opgedaan: de ervaring dat hij gezien wordt en gekend door God zelf. Die inner­lijke over­tui­ging: “Hij kent mij en Hij heeft mij lief”, is de basis waarop een mens van harte ertoe kan besluiten zijn leven aan Hem te geven op de wijze waartoe Hij ons roept.

Iedere se­mi­na­rist zal daarom de genade van zijn roe­ping in zijn hart bij zich hou­den. De genade van een roe­ping is iets heel kost­baars, omdat daarin ervaren wordt dat de Heer bezig is met degene die deze roe­ping ontvangt en dat Hij een heel specifieke bedoeling met diens leven heeft.

Om de generosi­teit van het ant­woord te voe­den en het en­thou­sias­me en de bereid­heid om Jezus te volgen, is het be­lang­rijk de eigen roe­pingsweg te gedenken. Hoe heeft de Heer deze geroepene aangeraakt en geleid? Uit de weg die God met hem is gegaan, moet de geroepene de kracht putten om vrijgevig te zijn in zijn ant­woord op die genade.

Wanneer een geroepene inner­lijk wordt vastge­hou­den door gevoelens van kwaad­heid en in zijn hart geweld­da­dig is en vol conflicten, zich isoleert van de anderen en wellicht ook wanhopig is, bij­voor­beeld door jeugdtrauma’s die onvoldoende ver­werkt zijn, dan kan hij fun­da­men­teel niet leven vanuit die dank­baar­heid en hoop en kan hij het goede nieuws, de blijde bood­schap niet brengen. Een nega­tief zelf­beeld zal er vaak mee verbon­den zijn. Dit alles zal zijn gebedsleven, zijn omgang met anderen en de vrucht­baar­heid van zijn apos­to­laat sterk beïnvloe­den en maken dat hij geen gelukkig priester kan zijn. Het is zeer aanneme­lijk dat hij ook gevangen raakt in per­soon­lijke problemen waarvan het niet onder­hou­den van het celibaat er één is.

Dit maakt dui­de­lijk hoe be­lang­rijk de vor­mings­pe­rio­de in het seminarie is en hoe cruciaal het is dat de se­mi­na­rist de eigen inner­lijke won­den onder ogen durft te zien. Het begin van gene­zing is dat de priester of se­mi­na­rist zelf tot zich toelaat wat er aan de hand is: dat de kwaad­heid zijn priester­schap vernietigt.[2]

3. Lief­heb­ben

Jezus wijst in het evan­ge­lie op het eerste en voor­naam­ste gebod en het tweede dat daar­mee gelijk­waar­dig is: de liefde tot God en de liefde tot de naaste.

In dit licht kunnen we begrijpen waarom van de priester het celibaat wordt gevraagd: hij belooft geen intieme relaties aan te gaan - geen seksuele relatie, geen relaties die anderen uitsluiten - en in zuiver­heid te leven, in volledige ont­hou­ding omwille van het rijk der hemelen, omdat juist de priester geroepen is een beeld te zijn van de totali­teit en het alles en iedereen omvattende karakter van de liefde van Jezus. Zonder deze liefde is alles waardeloos. Het is vanuit deze liefde dat het offer wordt gebracht van seksuele en andere “bij­zon­dere”, intieme relaties.

Deze liefde die ertoe brengt er voor een ander te zijn, vooral voor de zwakkeren en armen, de zieken en anderen die hulp nodig hebben, is een be­lang­rijke voor­waarde voor het (goed) kunnen beleven van het celibaat. Het celibaat is geen afzien van de liefde, maar een verbre­ding en een radi­ca­li­sering van die liefde. Het is geen liefde die zich afzondert, maar één die zich opent. Het is wezen­lijk een herder­lijke liefde.

Dat een se­mi­na­rist leert om niet te veel om zichzelf heen te cirkelen, klaar te staan voor anderen, nederig en dienst­baar te zijn, gevend te leven, helpt veel om het celibaat goed te beleven.

4. Levens­stijl

De beleving van het celibaat ver­on­der­stelt een bepaalde levens­stijl. Gejaagd en ambitieus streven naar bepaalde zaken en de misluk­kingen die daarbij wor­den ervaren, kunnen een weer­slag hebben op de beleving van het celibaat. Het is voor de priester van groot belang in Gods te­gen­woor­dig­heid te leven, leven en werk aan de Vader uit han­den te geven, zo goed moge­lijk afstand te doen van pres­ta­tie­drang waarbij de eigen persoon te zeer op de voor­grond staat. Een te druk en gespannen leven, heeft meestal zijn weer­slag, vooral als die druk even wegvalt.

Om met God te kunnen leven is een zekere inner­lijke vrede en rust nodig, die wordt bevorderd door een goede en gezonde levens­stijl: op tijd naar bed gaan, niet te veel drinken, voldoende bewe­ging nemen, internet- en social media-gebruik en films kijken ordenen en “aan ban­den leggen”, enzovoorts. Alles met mate.

5. Intens gees­te­lijk leven

Bij­zon­dere vermel­ding verdient het gees­te­lijk leven. Als een priester niet bidt, zal dat niet zonder ernstige gevolgen blijven voor zijn pries­ter­lijk leven en celibaat. Want de bron waaruit zijn leven wordt gevoed is de intieme ver­hou­ding met Christus. Daarom zullen de over­we­ging van het Woord van God en de viering van de heilige Eucha­ris­tie een voorname plaats moeten innemen in het leven van de priester. Verder zal een priester een innige, affectieve vertrouwensband moeten ont­wik­ke­len met de Moeder van God. Dit alles zal hem helpen zijn geloof levend en per­soon­lijk te hou­den en te verdiepen. In zijn pas­to­rale taken zal een priester die zich met geloof en ijver in dienst van de zielen, van het heil van mensen stelt, eveneens een be­lang­rijke voe­dings­bron vin­den.

 6. Biecht en gees­te­lij­ke lei­ding

Een priester behoort een vaste biecht­va­der en leidsman te hebben, die hij met regelmaat bezoekt en met wie hij open­har­tig spreekt.

7. Broe­der­lijke ge­meen­schap en zich ge­waar­deerd voelen

Van groot belang is verder het beleven van ge­meen­schap en het ervaren van waar­de­ring. Na­tuur­lijk kan dit op ver­schil­lende manieren, maar het is niet goed voor een priester om alleen te zijn.[3] Uit een Ameri­kaans onder­zoek onder jonge priesters bleek dat 71% van de gevraagde dio­ce­sane priesters en 58% van de priesterreli­gi­euzen gelukkig waren in hun priester­schap en er zeker van zei­den te zijn dat zij hun ambt niet zou­den verlaten. 5% van de jonge dio­ce­sane priesters en 14% van de jonge priesterreli­gi­euzen gaven echter aan dat zij zeker zou­den uittre­den, dat zij waar­schijn­lijk zou­den uittre­den of onzeker waren. Bij degenen die aangaven gelukkig te zijn scoor­den de pries­ter­lijke werkzaam­he­den (74%), de contacten met de gelo­vi­gen (73%), het celi­ba­taire leven (59%), de leef­si­tua­tie (57%), de relatie met de bis­schop of de overste (52%) en de steun van andere priesters (42%) het hoogst. Minder tevre­den waren de priesters over hun gees­te­lijk leven en vooral het tijd­ge­brek.[4] Hoe be­lang­rijk de relationele factoren en de ge­meen­schaps­be­le­ving zijn, komt nog dui­de­lijker naar voren in de groep die problemen had: bij vrijwel allen kwam eenzelfde ervaring naar voren: zij voel­den zich eenzaam en niet ge­waar­deerd. Deze ervaring bleek het fun­da­men­teel vereiste voor vrijwel ieder uittre­den: zonder deze negatieve ervaring bleek uittre­den zeer onwaar­schijn­lijk.93 Na­tuur­lijk zullen hier vaak nog andere per­soon­lijke en psychische problemen achter liggen, die groten­deels in de seminarie­tijd onder ogen moeten wor­den gezien. Maar dui­de­lijk is: het is nood­za­ke­lijk dat een priester de sacra­men­tele ge­meen­schap kan beleven met zijn medebroeders-priesters en dat hij in de gelegen­heid is om zijn leven van toe­wij­ding, gebed en zelfgave aan Christus en Zijn Kerk te delen met anderen. Het is niet voldoende ont­moe­tingen te or­ga­ni­se­ren in een vergader-sfeer met pas­to­raal werkers en andere leken samen. De priester moet gelegen­heid hebben zijn eigen specifieke, sacra­men­tele, pries­ter­lijke band te beleven die hem met de andere priesters verbindt. Kransen, andere in­for­mele ont­moe­tingen, priester-retraites en -bede­vaarten, deelname aan de chrisma-mis, studie­da­gen voor de priesters, het creëren van een ont­moe­tings­plaats, enzovoorts moeten daarom bevorderd wor­den. Terug­hou­dend­heid omdat zo’n bij­een­komst niet collegiaal zou zijn naar de leken-mede­wer­kers, is niet op zijn plaats. Die andere mede­wer­kers zijn veelal gehuwd, hebben een gezin en zijn een heel andere verbin­ding met de Kerk aangegaan. Met name voor de dio­ce­sane priesters is van het grootste belang dat er een echte “communio” , ja een vertrouwe­lijke sfeer tussen de Bis­schop en zijn priesters in het bisdom ont­staat.[5] Hier ligt een be­lang­rijk aan­dachts­punt voor de Bis­schop en andere verant­woor­de­lijken in het diocees, maar ook voor de priesters zelf, die mede hun broeders hoeder zijn.[6] Dit houdt ook in dat gestreefd moet wor­den naar een pas­to­rale organi­sa­tie waarbij voldoende ruimte en aan­dacht voor het beleven van deze “communio” kan ontstaan. In het geci­teerde onder­zoek bleek dat de jonge priesters gebrek aan een­heid (“polari­sa­tie”) en de werkdruk als grootste problemen zagen.[7]

BESLUIT

Velen lijken het (pries­ter­lijk) celibaat niet op waarde schatten, terwijl het toch om een van de evan­ge­lische raden gaat. Ze zien er een achterhaalde, Mid­del­eeuwse instelling in.

Maar het celibaat is vanaf de eerste eeuwen door de priesters beleefd en door de Kerk trouw bewaard. Het verleent een concrete uitdruk­king aan wat het priester­schap wezen­lijk is.

Uit onder­zoek blijkt dat niet het celibaat op zich maakt dat priesters ongelukkig zijn in hun priester­schap. De priesters die gelukkig waren in hun priester­schap gaven in het geci­teerde Ameri­kaanse onder­zoek juist in groten getale aan gelukkig te zijn in het celi­ba­taire leven. Het probleem is om­ge­keerd: Priesters die ongelukkig zijn, die zich alleen en niet ge­waar­deerd voelen, zullen ge­mak­ke­lijk problemen krijgen met het celi­ba­taire leven. Dit betekent dat in de voor­be­rei­ding op het priester­schap bij­zon­dere aan­dacht moet wor­den gegeven aan de groei van de kandidaat tot een even­wich­tige, volwassen persoon, die in staat is liefde­volle relaties aan te gaan op een open, va­der­lijke wijze die bij het celi­ba­tair priester­schap past, en dat “communio” en ge­meen­schap zeer be­lang­rijke waar­den zijn. Dit alles neemt echter niet weg dat de basis voor een vrucht­baar beleven van het celibaat in de priester zelf ligt, in zijn vermogen tot zelfgave en dank­baar­heid, zijn ascese en toegewijd gees­te­lijk leven, kortom in zijn verlangen en inzet om met vreugde priester te zijn en de Heer als een “alter Christus” te­gen­woor­dig te stellen.

 



[1] Het celibaat van de priester. Ge­schie­de­nis, theo­lo­gie en beleving (Tilten­bergstudies 2, Vo­ge­len­zang, 2008), pp. 64-75.

[2] Zie over deze thema’s bijv. ST. ROSSETTI, The Joy of priesthood (Notre Dame, Indiana, 2004), pp. 151-164 en 167-183. Rossetti ver­telt op p. 151 dat priesters die voor een be­han­de­ling komen in zijn Saint Luke’s instituut meestal zelf niet door­heb­ben hoe boos ze eigen­lijk zijn.

 

[3] D. HOGE, The first five years of the priesthood. A study of newly ordained catholic priests (Collegeville, Minesota, 2002), p. 35.

[4] Ibidem, pp. 36vv.

[5] Ibidem, nn. 91-95. Vgl. ROSSETTI, o.c., p. 180: “The more we foster presbyterates and dioceses that are places of true communion, the more healing and life-giving they will be”.

[6] Vgl. PO 8; Sacerdotalis caelibatus 81.

[7] D. HOGE, o.c., p. 39.

Terug