Arsacal
button
button
button


De vorming tot het celibaat

Lezing gehouden op de stavenconferentie priesteropleidingen 2019

overweging_roeping - gepubliceerd: woensdag, 9 oktober 2019

Wanneer is iemand geschikt voor het seminarie? Welke moeilijkheden komt de opleiding tegen waar het om de vorming tot het celibaat betreft? Wat is belangrijk voor een goede beleving van het celibaat? Dat zijn vragen die aan de orde komen in de onderstaande lezing die ik op 9 oktober 2019 heb gehouden op de staven­con­fe­ren­tie van de Nederlandse priester­oplei­dingen in het Redemptoris Mater seminarie te Nieuwe Niedorp.

 

De vorming tot het celibaat

Persoons­vor­ming en celibaat

Voor de vorming van kandidaten tot het celibaat is onze eigen, per­soon­lijke ervaring als celibatair levende priesters heel belangrijk. Wij weten uit eigen beleving wat het is.

Zeker, we kunnen onze eigen bekoringen niet veralgemeniseren: de beleving van seksua­li­teit is heel per­soon­lijk en zo zal wat iemand in verleiding brengt, waartoe en tot wie hij zich erotisch aangetrokken voelt, van persoon tot persoon verschillen. Ook de gevoelswereld die daarmee samenhangt, verschilt van mens tot mens; en er is wat dat betreft meestal een flink verschil tussen vrouwen en mannen en tussen mensen met een heteroseksuele of homoseksuele inclinatie en tussen mensen met een narcistische of traumatische per­soon­lijkheid­stoor­nis, sterk egocentrische mensen of - aan de andere kant - mensen met een evenwichtig gevoelsleven, gerijpte affectiviteit en onderscheiding.

Laat ik het maar gelijk zeggen: volmaakt zal de beleving van het celibaat nooit zijn, we blijven mensen en de gevolgen van de erfzonde werken in ons door. Het is zeker niet zo dat iemand die bekoringen heeft op dit vlak, daarom niet evenwichtig is. Integendeel, het lijkt me logisch en natuurlijk dat die bekoringen er zijn, dat we een strijd moeten voeren en dat is ook goed. We worden erdoor gevormd. De bekoring zelf is natuurlijk ook geen zonde, het gaat erom hoe we ermee om gaan. Anderzijds, dat een priester feitelijk zijn celibaat onderhoudt door geen handelingen te stellen die tegen de zuiverheid ingaan en door zijn gedachten op dit punt tamelijk geordend te kunnen houden, wil nog niet alles zeggen. Soms kan dat bij­voor­beeld eerder voortkomen uit perfectionisme, de behoefte om controle te hebben, een vorm van autisme of welke niet evenwichtige ont­wik­ke­ling op het relationele vlak dan ook. De Ratio Fundamentalis (n. 23) voor de priester­oplei­ding legt dan ook een klemtoon op een gezond affectief gevoelsleven door het ontwikkelen van goede relaties met ouders, familie, leeftijdgenoten, enzovoorts. Inderdaad zijn vriend­schappen en een netwerk van goede kennissen belangrijk voor het beleven van het celibaat en het beleven van het priester­schap dat nu eenmaal wordt gekenmerkt door de hartelijke en open omgang met mensen van allerlei achtergronden en overtuigingen.

Moeilijkheden bij de vorming tot het celibaat

We staan in onze tijd in onze seminaries bij het begin van de vorming al op achterstand. Vijftig, zestig jaar geleden kwamen de kandidaten voor het groot-seminarie gewoonlijk van een klein-seminarie en in de zeldzame gevallen dat een kandidaat voor het groot-seminarie van buiten het klein-seminarie kwam, moest die meestal alsnog een jaar van dat klein-seminarie doen; trouwens naar alle waar­schijn­lijkheid had ook een kandidaat die niet van een klein-seminarie kwam op een school voor jongens alleen gezeten. Ik heb zelf nog net zo’n beetje op een klein-seminarie gezeten, maar ik kan me nog herinneren wat het met ons jongens deed toen er in de vierde klas een meisje in de klas kwam. Dat meisjes had een beperking - zij was lichamelijk gehandicapt - maar het was een meisje en wij waren pubers. Hiermee wil ik niet zeggen dat het per se niet goed is als middelbare scholieren op school zitten met leerlingen van het andere geslacht; in ieder geval hoort de omgang met vrouwen bij een normale affectieve ont­wik­ke­ling. Maar het lijkt me wel dat een zekere afstand de keuze voor een celibatair leven iets gemakkelijker maakt.

Nog lastiger is de vorming tot het celibaat geworden door de ‘pornificatie van de samenleving’. Erotische en pornografische uitingen zijn overal verkrijgbaar en dringen zich aan ons op, op TV en zelfs in de publieke ruimte. En dat het percentage pornografische websites dat bekeken wordt, gedaald is in de loop der jaren, wil alleen maar zeggen dat het internetverkeer als geheel zich sterk heeft uitgebreid. We hebben internet nu gewoon nodig voor tal van zaken. De cijfers zeggen dat 70% van de mannen porno kijkt, nog steeds betreft 13% van de zoekopdrachten porno en op smartphones is dat zelfs 20%. Kinderen vanaf acht jaar kijken porno, volgens de onderzoeken. Vele seksuele zonden zijn in onze tijd heel erg verbreid. Deze ‘pornificatie van de samenleving’ betekent dat een oorzaak dat er weinig kandidaten naar het seminarie komen, mede is dat voor veel jongeren een celibatair leven niet erg realistisch is. Wie de zuiverheid van de ziel van een kind heeft bewaard, zal zich met groter gemak geheel aan God kunnen geven. In de seksua­li­teit is het toch wel zo dat iedere keer dat een mens een grens is overgegaan, het moeilijker wordt om celibatair te leven. Dat geldt met name voor porno kijken, masturbatie, wisselende seksuele contacten. Alleen een diepgaande bekering kan dan uitkomst bieden. Ik denk overigens dat dit niet helemaal zo geldt voor een weduwnaar die priester wordt; dat is een heel ander verhaal. Vooral de verslaving aan ongeordende seksua­li­teit is een probleem. Doordat seksua­li­teit verslavend is, zijn er minder kandidaten die kiezen voor het volgen van een roeping tot het priester­schap.

Natuurlijk is dat niet de enige reden. Er zijn allerlei andere factoren die met de secularisatie van de samenleving verband houden. Waar vroeger een groot deel van de katholieken dagelijks naar de Mis ging, dagelijks de rozenkrans bad, voor en na het eten dankte en de dag opende en afsloot met een avond- en ochtengebed, ziet iemand zich nu als een godsdienstige held als hij één keer in de maand naar de kerk gaat. En het leven is vluchtig, gehaast, volgepropt, er is weinig stilte en gelegenheid tot reflectie, zeker als het gaat om het leven van jonge mensen. Dat kan natuurlijk niet zonder gevolgen blijven. Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat God nog steeds roept en Jezus Christus nog steeds uitnodigt om Hem te volgen en alles achter te laten. Jezus Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en altijd (hebr. 13,8).

Als het gaat om vorming tot het celibaat kunnen we er in feite dus niet vroeg genoeg bij zijn. Niet in de zin van verboden (als het bij­voor­beeld gaat om masturbatie: natuurlijk kan dat ter sprake komen, maar als het gaat om het aansnijden van dit thema bij jongens in de puberteit, moet dat wel heel begripvol, zeer afgewogen en evenwichtig gebeuren, om hen niet te ontmoedigen).

De toelating tot het seminarie

Wanneer een kandidaat wordt aangenomen voor het seminarie, moet het thema ‘celibaat’ natuurlijk ter sprake komen: het gaat om een van de belangrijkste kenmerken en pijlers van het dagelijks leven van een priester. Het zou natuurlijk idioot zijn als het celibaat en de beleving ervan in de gesprekken bij de aanname niet aan de orde zouden komen. De vraag of een kandidaat seksuele contacten heeft gehad en welke rol seksua­li­teit in zijn leven tot dan toe heeft gespeeld, moet zeker besproken kunnen worden. Dit kan bij­voor­beeld in het kader van het stap voor stap doornemen van iemands levensgeschiedenis. De kandidaat mag weten dat het er niet om gaat of zijn leven tot dan toe perfect is geweest, wel dat het van het grootste belang is dat hij eerlijk en transparant is en dat hij in samenspraak met degenen die verant­woor­de­lijk zijn voor zijn vorming kan afwegen of hij inderdaad in staat zal zijn als priester in woord en daad een coherent getuigenis te geven. In dat kader lijkt me het ook van belang voor seminarie-leiding zich niet te laten ‘chanteren’. Excuses voor dit zware woord, ik doel hiermee op vragen om een uitzonderings­be­han­de­ling, zoals het verlof om niet in het seminarie te wonen, per se op een bepaalde plaats te willen studeren en niet op een andere, gedispenseerd willen worden in stille dagen, enzovoorts. Niet voor niets vraagt de Kerk dat een kandidaat de volledige vormingstijd of - als dat volgens het oordeel van de diocesane Bisschop nodig is - minder, maar tenminste vier jaar in het seminarie verblijft, behoudens dispensatie van de Con­gre­ga­tie voor de clerus. Natuurlijk zijn er bepaalde omstandigheden waarin een uitzondering billijk en redelijk is, maar in het algemeen is het niet aan te bevelen in te gaan op vragen om een eigen behandeling waardoor de kandidaat zich in feite aan de gewone vorming onttrekt. Als iemand dat wil, is dat meestal geen goed teken, al hoeven de redenen waarom iemand dat wenst natuurlijk niet met het celibaat te maken te hebben. De leerling van Jezus wil alles achter laten om de Heer te volgen.

Evaluatie-gesprekken en per­soon­lijke begeleiding

De verant­woor­de­lijken voor de vorming moeten regelmatig met de seminaristen spreken en naar hen luisteren in een sfeer van openheid en vertrouwen. In de evaluatie-gesprekken moet vanzelfsprekend de geestelijke en per­soon­lijke begeleiding aan de orde komen. Het interne forum wordt niet geschonden als de verant­woor­de­lijken voor de vorming vragen naar frequentie van het contact en hoe het contact verloopt, tenminste in algemene termen. De verant­woor­de­lijken zijn verant­woor­de­lijk voor de gehele vorming en daartoe behoort de geestelijke vorming. Met respect voor de vertrouwelijkheid van de inhoud van gesprekken, mag en moet de verant­woor­de­lijke vragen naar het per­soon­lijk contact met de geestelijk begeleider en de ont­wik­ke­ling daarvan (wie is de biechtvader? Frequentie van de biecht en de geestelijke begeleiding, appreciatie van het contact met de geestelijk begeleider: helpt hij goed, begrijpt hij de seminarist enz., eventuele moeilijkheden in de begeleiding, is de biechtvader/geestelijk begeleider goed bereikbaar, enzovoorts). De Ratio Fundamentalis onderstreept het belang van per­soon­lijke begeleiding in n. 44. Die per­soon­lijke begeleiding is met name voor een geïntegreerde beleving van het celibaat van belang. Openheid is daarbij cruciaal. De Ratio Fundamentalis noemt in dit verband het belang van jezelf kennen en jezelf laten kennen, alsmede de eerlijkheid en transparantie van de seminarist (n. 45). Dat is noodzakelijk voor de seminarist om uit te groeien tot een gebalanceerde persoon, met een goed geïntegreerde seksua­li­teit (n 94). Deze gesprekken met de verant­woor­de­lijken voor de vorming moeten regelmatig plaatsvinden, onder meer met als doel dat de seminarist de eigen talenten en eigen zwakheid leert kennen (n. 46). Fundamenteel daarvoor is natuurlijk een weder­zijds vertrouwen, die belangrijk is voor heel het vormingsproces (n. 47). De seminarist moet kunnen beleven dat de verant­woor­de­lijken voor de vorming er zijn om hem te helpen zich als mens te ontwikkelen en een goed priester te worden.

Geschiktheid van de kandidaat voor de celibaatsbeleving

De Ratio Fundamentalis beklemtoont dat de verant­woor­de­lijken voor de vorming zich de overtuiging moeten kunnen verwerven dat iemand geschikt is voor het celibaat en het celibatair leven. Het is zeer imprudent iemand tot de wijdingen toe te laten die niet vrij een serene en affectieve rijpheid bezit, stelt de Ratio. De kandidaat moet trouw zijn aan het celibaat door de beoefening van menselijke en goddelijke deugden, verstaan als openheid voor de werking van de genade, niet alleen door wils­kracht (n. 110). Compulsief porno kijken of masturberen zijn met de celibataire levensstaat niet verenigbaar. Een seminarist kan een keer een zonde begaan en bepaalde situaties van stress of anderszins kunnen daar debet aan zijn, maar als iemand een paar jaar voor de wijdingen nog serieus worstelt met problematieken van porno kijken of zelfbevrediging, kan hij de stap naar de celibaatsbelofte niet zetten. In de geestelijke begeleiding moet hem dan ontraden worden die stap te gaan zetten; in het externe forum is het goed dit thema in gesprek te brengen. Het celibaat moet passen in zijn leven, het is niet voldoende dat iemand met wils­kracht dit wel een tijdje vol kan houden. Het is zeker geen nederlaag als iemand eerlijk erkent dat een celibataire levensweg niet bij hem past.

Over homoseksuele tendenties heeft de Ratio Fundamentalis het in n. 199-201. De ervaring leert dat het goed is zeer voorzichtig te zijn met de aanname van personen met deze inclinatie. Leven in een mannen­ge­meen­schap zal voor deze personen begrijpelijk extra lastig zijn. Het gebeurt te vaak dat dit niet goed gaat met alle risico’s van verspreiding en besmetting. Als de homoseksuele geneigdheid alleen uiting is geweest van een voorbijgaand probleem, bij­voor­beeld van een fase in de groei naar volwassenheid, kan iemand toegelaten worden, maar tenminste drie jaar voor de diaken­wijding -zo stelt de Ratio - moet duidelijk zijn het probleem helemaal overwonnen is. Een seminarist moet hierover praten, het zou zeer oneerlijk zijn dit verborgen te houden omdat het gaat over een zeer bepalend en belangrijk onderdeel van de priesterlijke existentie.

Daarmee komen we aan een fundamentele vraag: is de seminarist eerlijk en open? Als dat niet zo is, bij­voor­beeld als we merken dat dit op andere gebieden niet zo is, dan is er alle reden voor enige achterdocht. Ook wanneer voor een seminarist altijd alles alleen maar mooi en goed is, mogen er vragen worden gesteld bij de mooie facade. Openheid en eerlijkheid zijn de essentie van de priesterlijke vorming. Als we merken dat iemand niet eerlijk is op bepaalde gebieden, kan dat ook voor andere terreinen gelden, zeker voor dat van de seksua­li­teit. Oneerlijkheid en zich niet willen openen zijn aspecten die alarmbellen laten rinkelen!

Belangrijke aspecten van een goede beleving van het celibaat

In mijn boek “Het celibaat van de priester” heb ik een aantal voorwaarden genoemd waaraan voldaan moet worden om tot een evenwichtige celibaatsbeleving te komen.[1] Die kunt U natuurlijk zelf ook wel nalezen, maar ik wil deze punten hier alleen kort samenvatten, omdat die de richting aan geven voor de vorming tot het celibaat.

1. Komen tot zelfgave

De kern van iedere christelijke roeping is dat de geroepene zijn leven wil geven aan God, aan Zijn Zoon, en dat hij van Hem wil getuigen. De geroepene geeft zijn leven zozeer aan de Heer dat hij Hem toebehoort, dat hij in een bijzondere betekenis van dat woord “Christusdrager” zal zijn.

Het gaat er dus niet om dat iemand slechts bepaalde dingetjes moet doen, bepaalde vaardigheden moet aanleren, bepaalde kennis en competenties moet verwerven voordat hij gewijd kan worden. Natuurlijk moet hij dat wel doen, maar het gaat er uiteindelijk om dat hij zichzelf geeft, zodat hij voor het ontvangen van de heilige wijdingen volmondig kan zeggen: “Ja, hier ben ik”.

In de vorming zal dit aspect van je leven geven aan God, alles verlaten om Jezus te volgen, dus niet kunnen ontbreken.

2. De eigen roeping koesteren en in dankbaarheid leven (na innerlijke genezing)

Alles wordt anders door de ervaring die iemand van God heeft opgedaan: de ervaring dat hij gezien wordt en gekend door God zelf. Die innerlijke overtuiging: “Hij kent mij en Hij heeft mij lief”, is de basis waarop een mens van harte ertoe kan besluiten zijn leven aan Hem te geven op de wijze waartoe Hij ons roept.

Iedere seminarist zal daarom de genade van zijn roeping in zijn hart bij zich houden. De genade van een roeping is iets heel kostbaars, omdat daarin ervaren wordt dat de Heer bezig is met degene die deze roeping ontvangt en dat Hij een heel specifieke bedoeling met diens leven heeft.

Om de generositeit van het antwoord te voeden en het enthousiasme en de bereidheid om Jezus te volgen, is het belangrijk de eigen roepingsweg te gedenken. Hoe heeft de Heer deze geroepene aangeraakt en geleid? Uit de weg die God met hem is gegaan, moet de geroepene de kracht putten om vrijgevig te zijn in zijn antwoord op die genade.

Wanneer een geroepene innerlijk wordt vastgehouden door gevoelens van kwaadheid en in zijn hart gewelddadig is en vol conflicten, zich isoleert van de anderen en wellicht ook wanhopig is, bij­voor­beeld door jeugdtrauma’s die onvoldoende verwerkt zijn, dan kan hij fundamenteel niet leven vanuit die dankbaarheid en hoop en kan hij het goede nieuws, de blijde bood­schap niet brengen. Een negatief zelfbeeld zal er vaak mee verbonden zijn. Dit alles zal zijn gebedsleven, zijn omgang met anderen en de vrucht­baar­heid van zijn apostolaat sterk beïnvloeden en maken dat hij geen gelukkig priester kan zijn. Het is zeer aannemelijk dat hij ook gevangen raakt in per­soon­lijke problemen waarvan het niet onderhouden van het celibaat er één is.

Dit maakt duidelijk hoe belangrijk de vormingsperiode in het seminarie is en hoe cruciaal het is dat de seminarist de eigen innerlijke wonden onder ogen durft te zien. Het begin van genezing is dat de priester of seminarist zelf tot zich toelaat wat er aan de hand is: dat de kwaadheid zijn priester­schap vernietigt.[2]

3. Liefhebben

Jezus wijst in het evangelie op het eerste en voornaamste gebod en het tweede dat daarmee gelijk­waar­dig is: de liefde tot God en de liefde tot de naaste.

In dit licht kunnen we begrijpen waarom van de priester het celibaat wordt gevraagd: hij belooft geen intieme relaties aan te gaan - geen seksuele relatie, geen relaties die anderen uitsluiten - en in zuiverheid te leven, in volledige onthouding omwille van het rijk der hemelen, omdat juist de priester geroepen is een beeld te zijn van de totaliteit en het alles en iedereen omvattende karakter van de liefde van Jezus. Zonder deze liefde is alles waardeloos. Het is vanuit deze liefde dat het offer wordt gebracht van seksuele en andere “bijzondere”, intieme relaties.

Deze liefde die ertoe brengt er voor een ander te zijn, vooral voor de zwakkeren en armen, de zieken en anderen die hulp nodig hebben, is een belangrijke voorwaarde voor het (goed) kunnen beleven van het celibaat. Het celibaat is geen afzien van de liefde, maar een verbreding en een radicalisering van die liefde. Het is geen liefde die zich afzondert, maar één die zich opent. Het is wezenlijk een herderlijke liefde.

Dat een seminarist leert om niet te veel om zichzelf heen te cirkelen, klaar te staan voor anderen, nederig en dienstbaar te zijn, gevend te leven, helpt veel om het celibaat goed te beleven.

4. Levensstijl

De beleving van het celibaat veronderstelt een bepaalde levensstijl. Gejaagd en ambitieus streven naar bepaalde zaken en de mislukkingen die daarbij worden ervaren, kunnen een weerslag hebben op de beleving van het celibaat. Het is voor de priester van groot belang in Gods te­gen­woor­digheid te leven, leven en werk aan de Vader uit handen te geven, zo goed mogelijk afstand te doen van prestatiedrang waarbij de eigen persoon te zeer op de voorgrond staat. Een te druk en gespannen leven, heeft meestal zijn weerslag, vooral als die druk even wegvalt.

Om met God te kunnen leven is een zekere innerlijke vrede en rust nodig, die wordt bevorderd door een goede en gezonde levensstijl: op tijd naar bed gaan, niet te veel drinken, voldoende beweging nemen, internet- en social media-gebruik en films kijken ordenen en “aan banden leggen”, enzovoorts. Alles met mate.

5. Intens geestelijk leven

Bijzondere vermelding verdient het geestelijk leven. Als een priester niet bidt, zal dat niet zonder ernstige gevolgen blijven voor zijn priesterlijk leven en celibaat. Want de bron waaruit zijn leven wordt gevoed is de intieme verhouding met Christus. Daarom zullen de overweging van het Woord van God en de viering van de heilige Eucha­ris­tie een voorname plaats moeten innemen in het leven van de priester. Verder zal een priester een innige, affectieve vertrouwensband moeten ontwikkelen met de Moeder van God. Dit alles zal hem helpen zijn geloof levend en per­soon­lijk te houden en te verdiepen. In zijn pastorale taken zal een priester die zich met geloof en ijver in dienst van de zielen, van het heil van mensen stelt, eveneens een belangrijke voedingsbron vinden.

 6. Biecht en geestelijke leiding

Een priester behoort een vaste biechtvader en leidsman te hebben, die hij met regelmaat bezoekt en met wie hij openhartig spreekt.

7. Broederlijke gemeen­schap en zich gewaardeerd voelen

Van groot belang is verder het beleven van gemeen­schap en het ervaren van waardering. Natuurlijk kan dit op verschillende manieren, maar het is niet goed voor een priester om alleen te zijn.[3] Uit een Amerikaans onderzoek onder jonge priesters bleek dat 71% van de gevraagde diocesane priesters en 58% van de priesterreligieuzen gelukkig waren in hun priester­schap en er zeker van zeiden te zijn dat zij hun ambt niet zouden verlaten. 5% van de jonge diocesane priesters en 14% van de jonge priesterreligieuzen gaven echter aan dat zij zeker zouden uittreden, dat zij waar­schijn­lijk zouden uittreden of onzeker waren. Bij degenen die aangaven gelukkig te zijn scoorden de priesterlijke werkzaamheden (74%), de contacten met de gelovigen (73%), het celibataire leven (59%), de leefsituatie (57%), de relatie met de bisschop of de overste (52%) en de steun van andere priesters (42%) het hoogst. Minder tevreden waren de priesters over hun geestelijk leven en vooral het tijdgebrek.[4] Hoe belangrijk de relationele factoren en de gemeen­schapsbeleving zijn, komt nog duidelijker naar voren in de groep die problemen had: bij vrijwel allen kwam eenzelfde ervaring naar voren: zij voelden zich eenzaam en niet gewaardeerd. Deze ervaring bleek het fundamenteel vereiste voor vrijwel ieder uittreden: zonder deze negatieve ervaring bleek uittreden zeer onwaar­schijn­lijk.93 Natuurlijk zullen hier vaak nog andere per­soon­lijke en psychische problemen achter liggen, die grotendeels in de seminarietijd onder ogen moeten worden gezien. Maar duidelijk is: het is noodzakelijk dat een priester de sacramentele gemeen­schap kan beleven met zijn medebroeders-priesters en dat hij in de gelegenheid is om zijn leven van toe­wijding, gebed en zelfgave aan Christus en Zijn Kerk te delen met anderen. Het is niet voldoende ontmoetingen te organiseren in een vergader-sfeer met pastoraal werkers en andere leken samen. De priester moet gelegenheid hebben zijn eigen specifieke, sacramentele, priesterlijke band te beleven die hem met de andere priesters verbindt. Kransen, andere informele ontmoetingen, priester-retraites en -bedevaarten, deelname aan de chrisma-mis, studiedagen voor de priesters, het creëren van een ontmoetings­plaats, enzovoorts moeten daarom bevorderd worden. Te­rug­hou­dend­heid omdat zo’n bijeenkomst niet collegiaal zou zijn naar de leken-medewerkers, is niet op zijn plaats. Die andere medewerkers zijn veelal gehuwd, hebben een gezin en zijn een heel andere verbinding met de Kerk aangegaan. Met name voor de diocesane priesters is van het grootste belang dat er een echte “communio” , ja een vertrouwelijke sfeer tussen de Bisschop en zijn priesters in het bisdom ontstaat.[5] Hier ligt een belangrijk aandachtspunt voor de Bisschop en andere verant­woor­de­lijken in het diocees, maar ook voor de priesters zelf, die mede hun broeders hoeder zijn.[6] Dit houdt ook in dat gestreefd moet worden naar een pastorale organisatie waarbij voldoende ruimte en aandacht voor het beleven van deze “communio” kan ontstaan. In het geciteerde onderzoek bleek dat de jonge priesters gebrek aan eenheid (“polarisatie”) en de werkdruk als grootste problemen zagen.[7]

BESLUIT

Velen lijken het (priesterlijk) celibaat niet op waarde schatten, terwijl het toch om een van de evangelische raden gaat. Ze zien er een achterhaalde, Middeleeuwse instelling in.

Maar het celibaat is vanaf de eerste eeuwen door de priesters beleefd en door de Kerk trouw bewaard. Het verleent een concrete uitdrukking aan wat het priester­schap wezenlijk is.

Uit onderzoek blijkt dat niet het celibaat op zich maakt dat priesters ongelukkig zijn in hun priester­schap. De priesters die gelukkig waren in hun priester­schap gaven in het geciteerde Amerikaanse onderzoek juist in groten getale aan gelukkig te zijn in het celibataire leven. Het probleem is omgekeerd: Priesters die ongelukkig zijn, die zich alleen en niet gewaardeerd voelen, zullen gemakkelijk problemen krijgen met het celibataire leven. Dit betekent dat in de voor­be­rei­ding op het priester­schap bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de groei van de kandidaat tot een evenwichtige, volwassen persoon, die in staat is liefdevolle relaties aan te gaan op een open, vaderlijke wijze die bij het celibatair priester­schap past, en dat “communio” en gemeen­schap zeer belangrijke waarden zijn. Dit alles neemt echter niet weg dat de basis voor een vruchtbaar beleven van het celibaat in de priester zelf ligt, in zijn vermogen tot zelfgave en dankbaarheid, zijn ascese en toegewijd geestelijk leven, kortom in zijn verlangen en inzet om met vreugde priester te zijn en de Heer als een “alter Christus” te­gen­woor­dig te stellen.

 



[1] Het celibaat van de priester. Geschiedenis, theologie en beleving (Tiltenbergstudies 2, Vogelenzang, 2008), pp. 64-75.

[2] Zie over deze thema’s bijv. ST. ROSSETTI, The Joy of priesthood (Notre Dame, Indiana, 2004), pp. 151-164 en 167-183. Rossetti vertelt op p. 151 dat priesters die voor een behandeling komen in zijn Saint Luke’s instituut meestal zelf niet doorhebben hoe boos ze eigenlijk zijn.

 

[3] D. HOGE, The first five years of the priesthood. A study of newly ordained catholic priests (Collegeville, Minesota, 2002), p. 35.

[4] Ibidem, pp. 36vv.

[5] Ibidem, nn. 91-95. Vgl. ROSSETTI, o.c., p. 180: “The more we foster presbyterates and dioceses that are places of true communion, the more healing and life-giving they will be”.

[6] Vgl. PO 8; Sacerdotalis caelibatus 81.

[7] D. HOGE, o.c., p. 39.

Terug