Arsacal
button
button
button
button


Geslaagd symposium over Petrus Codde en het schisma van 1723

In de H. Joannes de Doperkerk in Hoofddorp

Artikel Overig - gepubliceerd: zaterdag, 22 oktober 2022 - 3684 woorden
met mgr. dick schoon
met mgr. dick schoon
flinke opkomst
flinke opkomst
mgr. dr. Dick Schoon aan het woord
mgr. dr. Dick Schoon aan het woord

Zater­dag­mid­dag 22 ok­to­ber vond ein­de­lijk het symposium plaats naar aan­lei­ding van het boek van mgr. dr. Dick Schoon, oud-katho­liek bis­schop van Haar­lem, "Een aarts­bis­schop aangeklaagd in Rome", ver­sche­nen in 2019. Het symposium moest in 2020 wor­den afgelast van­wege Covid. Onder flinke belang­stel­ling kon het nu wor­den gehou­den in de Hoofd­dorpse Joannes de Doper­kerk, met na afloop pannen­koe­ken eten in het onder de kerk gelegen "Funda­ment".

Het pro­gram­ma

Sprekers waren deze mid­dag - onder lei­ding van dagvoor­zit­ter mw. drs. Marieke Ridder - mgr. Dick Schoon, die onder meer toelichtte dat de aan­lei­ding voor het boek de vondst was op de pastoriezol­der van de dag­boeken (in het Latijn) van Petrus Codde en zijn gezellen, over hun reis naar Rome, toen deze aarts­bis­schop zich daar moest verant­woor­den over zijn opvat­tingen; Prof. Paul van Geest sprak over de genadeop­vat­ting van Au­gus­ti­nus die het Jansenisme beïn­vloedde; mgr. Dick Schoon ver­telde daarna hoe het na terug­keer van Codde uit Rome ver­der ging tot de breuk van 1723 door de bis­schops­wij­ding van Cornelis Steenoven zon­der pau­se­lijk mandaat. Ver­vol­gens heb ik een evaluatie gegeven van de dag­boeken, het is de lezing die U hier­on­der vindt. mr. dr. Carolina Lenarduzzi ver­telde daarna hoe het schisma door lekenogen werd gezien en bracht scherpe gedichten uit die tijd van voor- en tegen­stan­ders van de "oud bis­schop­pe­lijke clerezij" (zoals de groep los van Rome ging heten) naar voren.
Er was flinke belang­stel­ling voor dit symposium. Ook de voor­zit­ter van de Raad van Kerken, dr. Geert van Dartel was aanwe­zig.

Vespers en pannen­koe­ken

Afgesloten werd met een vesper­vie­ring volgens de oudkatho­lie­ke traditie waarbij een vrouwen­koor heel fraai de psalmen zong en dr. Matthijs Ploe­ger het orgel bespeelde. Aan­slui­tend was er een receptie in het onder de kerk gelegen "Funda­ment" waar op pannen­koe­ken werd getrac­teerd, omdat Codde en diens reisgezellen die ook aten tij­dens hun verblijf in Rome. Er blijkt al uit dat ze niet helemaal kon­den aar­den...

 

Een apos­to­lisch vica­ris in conflict met Rome - De dag­boeken van Petrus Codde

Het boek

De publi­ca­tie van de oud-katho­lie­ke bis­schop Dick Schoon, “Een aarts­bis­schop aangeklaagd in Rome. De dag­boeken van aarts­bis­schop Petrus Codde en zijn metgezellen Jacobus Krijs en Benedict de Waal over hun reis naar en hun verblijf in Rome, 1700-1703” is een monu­men­taal werk, dat ik met veel plezier heb gelezen. Het is de eerste keer dat een Neder­landse vertaling is ge­pu­bli­ceerd van de complete Latijnse dag­boeken van Petrus Codde en zijn reisgenoten. Zeer inte­res­sant is vooral het verblijf van het gezel­schap in Rome want het ver­slag daar­van en met name van alle daar gevoerde gesprekken werpt meer licht op de onverkwikke­lijke affaire die uitmondde in een schisma door de wij­ding van een bis­schop zon­der pau­se­lijk mandaat, verricht door een Franse missie-bis­schop, Marie-Dominique Varlet, die enkele jaren tevoren was gesuspen­deerd wegens Jansenisme. Een eerste deel van het boek van bis­schop Schoon geeft een kun­dige inlei­ding op de situatie van de katho­lie­ke kerk in de Republiek der Zeven Verenigde Neder­lan­den.

Een aarts­bis­schop aangeklaagd...” bevat dus een vertaling van de dag­boeken van Codde en diens reisgezellen en die be­schrij­ven van­zelf­spre­kend de moei­lijk­he­den die Codde in Rome ondervond vanuit hun per­spec­tief. Toch is het moge­lijk door de opmer­kingen van dit gezel­schap heen een bre­der beeld te krijgen van de situatie waarin zij zich te Rome bevon­den.

Apos­to­lische vica­ris en Hollandse missie

De inlei­ding en de toelich­tingen van mgr. Dick Schoon zijn tame­lijk objec­tief gehou­den al kan een enigszins oud-katho­lie­ke invals­hoek er niet aan ontzegd wor­den. Dat blijkt al wel uit de titel waarin Codde geen Apos­to­lisch Vica­ris wordt genoemd, maar “Aarts­bis­schop”. Petrus Codde was inder­daad titulair aarts­bis­schop van Sebaste, het titulair bisdom dat de paus hem had toegekend bij zijn benoe­ming, maar zijn functie was die van Apos­to­lisch Vica­ris, dat wil zeggen: iemand die in naam van de paus een bepaald gebied ker­ke­lijk bestuurt. Dat is overigens geen principiële keuze van de auteur: de uitdruk­king “Apos­to­lisch Vica­ris” wordt meer dan eens vermeld in het boek. Die functie van Apos­to­lisch Vica­ris was van toepas­sing nadat ons land tot missie­ge­bied was gewor­den na het verbod op de uit­oefe­ning van de katho­lie­ke gods­dienst in ons land. De missie­ge­bie­den vielen onder de Congregatio de Pro­pa­gan­da Fide, de Con­gre­ga­tie voor de verbrei­ding van het geloof. Codde en zijn reisgenoten hebben het in hun dag­boeken dan ook steeds over “de Missie” als zij het over de kerk in Neder­land hebben. Zo brengt Codde aan de paus ver­slag uit over de “staat van de Missie” (p. 308). Er is dus geen sprake van dat zij die missie-situatie niet erken­den of inzagen, al berustte later de keuze van Steenhoven en diens bis­schops­wij­ding-zon­der- pau­se­lijk-mandaat op een redene­ring over nog bestaande kapit­tel­rechten ontleend aan de bis­dom­men-indeling van vóór de Alteratie (de overgang van ons land naar het Pro­tes­tantisme), dus van vóór het begin van de “Hollandse missie”. Een eerste aanzet in deze denkrich­ting van “kapit­tel­rechten” die zou lei­den tot de keuze van een bis­schop van Utrecht, is halverwege het boek te vin­den in het dag­boek van De Waal die het daar ineens over de bis­dom­men Utrecht en Haar­lem heeft (p. 466).

Pa­ral­lel­len

Veel ele­menten in deze casus doen denken aan de recentere verwikkelingen rond een andere Aarts­bis­schop: Marcel Lefebvre (1905-1991), die even­eens Apos­to­lisch Vica­ris was (van Dakar in West-Afrika) en later bis­schop van Tulle in Frank­rijk werd en generaal overste van de Spiri­tijnen. Na vele gesprekken met Rome over zijn voorbehoud in de accep­ta­tie van het tweede Vati­caans concilie, ging Lefebvre op 30 juni 1988 over tot het wij­den van bis­schop­pen zon­der pau­se­lijk mandaat.

Dat laatste heeft Codde zelf nooit gedaan, de pa­ral­lel­len zitten vooral in de gesprekken met Rome en het verloop daar­van; ze zitten in de over­tui­ging dat Rome het katho­lie­ke geloof te ge­mak­ke­lijk maakte en open stond voor de dwalingen van de tijd en ze zijn gelegen in het initiëren van een traject dat ongewild tot een schisma zou lei­den.

Ontstaan van de problemen

De problemen rond Codde be­gon­nen toen hij in Parijs Franse vrien­den maakte die onder Jansenis­tische invloed ston­den. Het Jansenisme was een stro­ming die vooral In Frank­rijk en de Neder­lan­den verbreid raakte en waar ik straks iets meer over zal zeggen. Met die Jansenis­tische vrien­den stond Codde ook in contact toen hij in Rome verbleef, zoals bij­voor­beeld blijkt uit het dag­boek van Krijs, een van de reisgenoten van Codde (bijv. 23 sep­tem­ber 1701, p. 296). Dit had ertoe geleid dat Codde daags voor zijn bis­schops­wij­ding tegen­over de internuntius - de gezant van de paus - had gewei­gerd het Formulier van Alexan­der VII (Denz. 2020, de Nodus) te onder­te­ke­nen, dat onder ver­wij­zing naar twee pau­se­lijke Con­sti­tu­ties, stellingen uit “Au­gus­ti­nus” van Cornelius Jansenius ver­oor­deelde (pp. 326, Codde F; 334; 479; 504). Jansenius was een bis­schop van Ieper die na zijn dood naamgever van het Jansenisme werd. Ondanks dat deze ver­plich­ting niet was vervuld, was de bis­schops­wij­ding in strijd met de voor­schriften toch door­ge­gaan. De wei­gering van Codde en van de Jansenisten om het Formulier te tekenen, was gestoeld op hun mening dat de visie van dit werk van Jansenius in de Con­sti­tu­ties waarop de tekst van het Formulier betrek­king nam, niet correct was weerge­ge­ven. Met de moge­lijk­heid dat daarover terechte dis­cus­sie zou kunnen ontstaan, was echter al reke­ning gehou­den in de formu­le­ring van de tekst van het Formulier; in feite ging het voor Codde dan ook niet alleen om de juist­heid van citaten. Het ging ook om “de leer van de Leuvenaren”, de Jansenis­tisch beïn­vloede leer die aan de Uni­ver­si­teit van Leuven werd on­der­we­zen (p. 323) en die inging tegen de leer van de Jezuïeten die de vrije wil en de men­se­lijke mede­wer­king aan de genade be­klem­toon­den. Dat het voor Codde om de leer ging, blijkt uit diens afkeer van tegen­over­ge­stelde stro­mingen in de genadeleer en als Codde het Formulier ook niet wil tekenen met een voorbehoud over de vraag of dat Formulier de visie van Jansenius correct weergeeft (p. 494).

Wat dat willen tekenen met een voorbehoud betreft, lijkt er op een gegeven moment een ont­wik­ke­ling te zijn: in au­gus­tus 1702 lijkt Codde zover te zijn dat hij zou willen tekenen met een toe­ge­voegde Ver­kla­ring (pp. 507-514). Wat die Ver­kla­ring voor Codde precies zou hebben moeten inhou­den, wordt niet helemaal dui­de­lijk.

Er blijft echter twijfel bij de kar­di­na­len­com­mis­sie over Codde’s opvat­tingen over de ver­diensten van Christus’ dood en over de bete­ke­nis van de verlos­sing (bijv. pp. 520; 609; 619). De moge­lijk Jansenis­tische sympathieën van Codde en de zijnen wor­den af en toe beves­tigd in terloopse opmer­kingen in de Dagboeken (bij­voor­beeld over Van Espen, p. 546) en in de po­si­tie­ve, inlevende weergave van gesprekken met Jansenis­tische gees­te­lij­ken (bijv. pp. 669-670), al doen hij en zijn gezel­schap zeker aan­vanke­lijk hun best de leerstellige bezwaren als onbedui­dend en niet ter zake neer te zetten (bijv. p. 680).

Jansenisme

Wat hield deze Jansenis­tische leer in? En was dit allemaal nu echt zo be­lang­rijk dat er zo’n gedoe uit moest voort­ko­men? Het Jansenisme legde de nadruk op de slecht­heid van de mens, wiens heil alleen van God en diens voorbeschik­king afhing. Zo ont­wik­kelde zich tegen­over de leer van het concilie van Trente een opvat­ting met predestinatie-ach­tige trekken. Het bezwaar tegen Codde is dat hij dit “rigorisme en jansenisme” te zeer is toe­ge­daan en de versprei­ding van boeken in die geest ge­schre­ven, niet tegen ging (p. 438).

Bekend zijn mis­schien ook bij U de zo­ge­naamde jansenis­tische kruisen die door de katho­lie­ke kerk des­tijds verbo­den wer­den: Christus houdt op die kruisen Zijn armen niet wijd open, maar omhoog, als om aan te geven dat het er maar weinigen zijn die gered zullen wor­den. Een be­lang­rijk punt was dan ook de biecht waarin bij de biech­teling een over­heer­sende liefde nood­za­ke­lijk werd geacht om ver­ge­ving te kunnen krijgen, een “gewone” spijt over de zon­den was niet voldoende. In dit dispuut over contritio en attritio ston­den Codde en zijn gezel­schap aan de kant van de Jansenisten, zo blijkt uit het boek (vgl. bijv. p. 314, p. 429 : “de slaafse attritie”). In de praktijk leidde dit tot een strenge biecht­prak­tijk bij de gees­te­lij­ken van deze ten­dentie - meest wereldheren - met veel­vul­dig uitstel van de absolutie. Dit heeft nog lang door­ge­werkt, ook binnen de Rooms-Katho­lie­ke kerk: men ging liever biechten bij de paters. Jansenis­tische opvat­tingen had­den dus een door­wer­king in een strenge pas­to­rale en sacra­men­tele praktijk.

Ook in de ritenstrijd, die ontstond toen de Jezuïeten met het oog op de Chinese cultuur bepaalde aanpas­singen in de li­tur­gische riten toepasten, namen Codde en de zijnen het striktere stand­punt in. Zij kwalifi­ceer­den die aanpas­singen als “Chinese bij­ge­lo­vig­he­den” (p. 428).

Dat heeft voor ons na­tuur­lijk iets won­der­lijks omdat de Oud-Katho­lie­ke Kerk die uit dit conflict is ontstaan, heden ten dage juist veel liberaler is dan de Rooms Katho­lie­ke Kerk, terwijl Rome, de paus en de reli­gi­euzen toen juist een mil­der stand­punt omhels­den.

De hou­ding van Petrus Codde

Vanaf het begin zat er in de hou­ding van Codde iets strijdvaar­digs en pole­misch. Degenen die zijn posities niet ac­cep­teren, de aankla­gers, zijn “de vijan­den” (p. 446) of “de vijan­den van de missie” (p. 450). De vraag die hem en zijn gezel­schap bezig houdt is: wie is er vóór mij en wie is er tegen mij (bijv. pp. 341 en 343)? Codde probeert de kar­di­na­len en andere leden van de com­mis­sie te beïn­vloe­den om guns­tig over hem te oor­de­len (pp. 392-393). Hij lijkt zelf betrokken bij druk die vanuit de kapit­tels, hogere bur­gers, burge­mees­ters, dominees en staten wordt uit­geoe­fend om Codde vrij te pleiten (bijv. pp. 532; 535). Als de weerstand tegen pro-vica­ris De Cock kan wor­den aangewakkerd, zou dat guns­tig zijn, meldt Codde (p. 535). Codde gaat stevig te keer tegen Jezuïeten en Karmelieten en tegen andere gees­te­lij­ken die “ultramon­taans” (p. 392) en tegen hem waren (bijv. pp. 380, 384, 388).

Hij denkt in partijen: de partij van Fabroni en de Jezuïeten (p. 450) is tegen hem en de zijnen. De paus “is voor de Jezuïeten”(p. 452). Vooral de Jezuïeten ziet hij dus als zijn grote vijan­den (bijv. pp. 404; 407; 409; 413; 423; 460). Zo zegt hij over de kar­di­na­len die met hem over de onder­te­kening van het Formulier spreken: “Die zijn de Jezuïeten toe­ge­daan en door Fabroni opgehitst”. Tegen­over deze Fabroni, de se­cre­ta­ris van de Congregatio de pro­pa­gan­da fide (en dus in feite zijn overste!) windt hij er geen doekjes om: “Ik legde hem ver­vol­gens krach­tig uit, hoe onwaar­dig hij in deze zaak handelde”(p. 380).

Codde had geen groot gevoel voor tact en ook de open­heid om inhou­de­lijk in gesprek te gaan is vrij ver te zoeken. Zijn taal is vaak dreigend, klagend en nega­tief over anderen die zijn stand­pun­ten niet ac­cep­teren.

Ook Steenhoven, gezel van Codde wiens bis­schops­wij­ding later het schisma zal veroor­zaken, laat zich pit­tig uit tegen­over Fabroni: “Wat zijn we er ellen­dig aan toe, omdat Uwe Hoog­waarde Hoog­heid voorin­ge­no­men is tegen de leer van de HH. Au­gus­ti­nus en Thomas”(p. 401). Fabroni komt er dan ook niet goed af bij Codde: “een onbuigzame man, fel, lis­tig, een groentje in de theo­lo­gie, molinist, verknocht en totaal verknocht aan de jezuïeten en een mate­loze vijand van jansenisten...”, enzo­voorts (p. 409). Het Molinisme is een leer die terug gaat op de Jezuïet Luis de Molina (1535-1600) en die de rol van de vrije wil be­klem­toont.[1] Het Molinisme was ketters, volgens Codde (p. 777).

Standsverschil

In enkele passages van de dag­boeken wordt dui­de­lijk dat behalve Jansenisme en rigorisme ook standsverschil een rol speelt. De gees­te­lij­ken uit de hogere klassen had­den zelf hun studies kunnen betalen en vaak in Leuven gestu­deerd; anderen waren reli­gi­eus gewor­den of had­den met een beurs aan een college van de Pro­pa­gan­da Fide in Rome gestu­deerd.

Zo wei­gert Codde Theodorus de Cock op verzoek van Rome als pro-vica­ris aan te stellen of zijn aan­stel­ling te bekrach­tigen. De reden is niet alleen gelegen in de theo­lo­gische opvat­tingen van De Cock, maar ook in diens lagere afkomst: hij is niet uit een voorname familie (p. 474). Dat speelt even­eens een rol in de druk die de burge­mees­ters van Am­ster­dam en andere ste­den ten gunste van Codde uitoefen­den, hoewel het katho­li­cisme “religio illicita”, een niet toegestane gods­dienst was (zie bijv. p. 483). Tenslotte gaan ook de Staten zich ermee bemoeien ten gunste van Codde en tegen De Cock, na lobby vanuit “voorname” katho­lie­ken (p. 525; 528).

Het verloop van het verblijf in Rome

Codde liet zijn ant­woor­den inzake de genadeleer drukken en verspreidde die tekst onder een grote groep mensen, ook personen buiten de com­mis­sie van tien kar­di­na­len voor wie die ant­woor­den bestemd waren. Op 18 de­cem­ber 1701 vond een bij­een­komst van de tien kar­di­na­len plaats waarin over het tekenen van het Formulier werd ge­spro­ken. Acht dagen later, op tweede kerst­dag, had Codde weer een au­diën­tie bij de paus die per­soon­lijk erop aan dringt dat Codde alsnog het Formulier zou tekenen, maar deze wei­gert met omstan­dige redene­ringen en zei dat hij het gewe­tens­be­zwaar daartegen niet kon over­win­nen (pp.332-336). De paus bleef vrien­de­lijk en gaf aan dat hij een volgende keer ver­der met Codde hierover wilde overleggen (p. 336). Op 9 februari 1702 heeft Codde opnieuw een au­diën­tie bij de paus en wei­gert hij opnieuw waarbij hij aangeeft dat hij wel bereid was zijn ambt neer te leggen maar dat de Missie dan met onrust en schandalen vervuld zou wor­den (p. 353, vgl. p. 504). Zo gaat het bij herhaling: Codde wil niet tekenen (bijv. p. 404). Hij is wel bereid af te tre­den maar niet om een rus­tige situatie in de Missie te bevor­de­ren.

Op andere momenten meent Codde weer dat hem nooit is gevraagd het Formulier te onder­te­ke­nen of dat dit niet op wet­tige wijze is voor­ge­steld (bijv. p. 577) en later is ook zijn bereid­heid om af te tre­den weer verdwenen (pp. 616-617). Uit­ein­de­lijk zal de paus hem toestem­ming geven om naar de Missie terug te gaan als hij afstand doet van zijn ambt als Apos­to­lisch Vica­ris (pp. 721-722). Dat ac­cep­teert Codde tenslotte (p. 765) maar hij wei­gert naar Holland te schrijven dat ze De Cock moeten gehoor­za­men (p. 769).

Codde werd in Rome met veel egards behandeld. Zo stuurde de paus zijn eigen lijfarts toen Codde ziek was met de opdracht niet alleen zorg te dragen voor diens ge­zond­heid maar ook mee te werken in alles wat voor Codde wen­se­lijk was. Alles wat in het pau­se­lijk paleis te vin­den was, stond ter beschik­king van Codde (p. 286). Andere keren stelde de paus hem zijn koets en muilezels ter beschik­king en in­for­meerde hij per­soon­lijk bij Codde of zijn bevelen daar­om­trent tot tevre­den­heid waren uitge­voerd (p. 308; 378). In de vele au­diën­ties die Codde bij de paus kreeg, was de paus “zoals ge­woon­lijk zeer beleefd en welwillend” (p. 308). Codde zei op een gegeven moment tegen Jacobus Krijs, één van zijn reisgezellen: “Ik kan niet vrien­de­lijker met U omgaan, dan Zijne Hei­lig­heid dat met mij doet” (p. 308).

Tege­lijk bleef men in Rome eraan vast­hou­den dat hij het Formulier (de Nodus) moest tekenen en dat zijn leer niet voldoende overeen kwam met de opvat­ting en leer van de Apos­to­lische Stoel en dat hij theologen aanprees die van jansenis­tische ten­dens waren. Vanaf het begin is de onder­te­kening van het Formulier als afzwe­ring van het Jansenisme de crux: Codde wil daar niet aan (p. 413 onderaan; vgl. pp. 436-437; 496; 498; 500). Dat Codde het rigorisme en het Jansenisme beguns­tigde was samen met zijn wei­gering het Formulier te tekenen, het voor­naam­ste bezwaar van Rome (pp. 438-439). Codde is op dat punt niet te bewegen, hij blijft wei­geren het Formulier te onder­te­ke­nen (pp. 453-455; 463-464).

Besluit

De lezing van het voor­tref­fe­lijke werk van mgr. Dick Schoon geeft een be­lang­rijke inkijk in het denken van aarts­bis­schop Petrus Codde en de clerici van de Hollandse Missie. In zekere zin is het verloop van het verblijf van Codde en de zijnen in Rome met alle dis­cus­sies en gesprekken, heel herken­baar en tege­lijk pijn­lijk.

Het is herken­baar omdat dit soort zaken zich ook in onze tijd voordoet, zowel ter rechterzijde als ter linkerzijde. Pa­ral­lel­len zijn er dus met de dis­cus­sies die er zijn geweest met mgr. Lefebvre en zijn Pius X broe­der­schap al gingen die meer over li­tur­gische vernieu­wingen, de open­heid voor oecumene en voor de dialoog en met name over de ver­hou­ding van Kerk en Staat. De gesprekken zijn op niets uitgelopen omdat gewetens­over­tui­gingen een rol speel­den, waardoor de ver­te­gen­woor­digers van Pius X meen­den bepaalde stappen niet te kunnen zetten, terwijl Rome de verworven­he­den van het tweede Vati­caans concilie niet wil en kan opgeven. Pius X wil niet toe­ge­ven omdat die broe­der­schap meent dat de kerk de Traditie niet onverlet laat.
Aan de andere kant zijn er de gesprekken met ver­te­gen­woor­digers van de Synodale Weg van de katho­lie­ke kerk in Duits­land, waarin ook paus Fran­cis­cus en ver­schil­lende Di­cas­te­ries van de Romeinse curie zijn betrokken. Hier gaat het er meer om dat de rooms-katho­lie­ke kerk haar tra­di­tio­nele stand­pun­ten inzake de bele­ving van seksua­li­teit, het gewijde ambt en de uit­oefe­ning van juris­dic­tie zou moeten verlaten in het licht onder meer van een gegroeid besef van de rechten van de mens en een andere kijk op seksua­li­teit. Ook hier spelen zowel in Duits­land als in Rome gewetens­over­tui­gingen een be­lang­rijke rol; de ver­hou­dingen lijken zich helaas te verhar­den.

De reactie van Rome was in de tijd van Codde en ook nu zeer omzich­tig. Zeker waar het degenen betreft die de lei­ding hebben, zoals de paus en de kar­di­na­len van de com­mis­sie, zien we over het alge­meen een vrien­de­lijke en welwillende bena­dering op het men­se­lijke vlak (Codde heeft vele au­diën­ties en gesprekken met de paus en de be­tref­fen­de kar­di­na­len, ook in een in­for­mele set­ting), zoals dat ook wel herken­baar is in de dialogen van Rome met mgr. Lefebvre en de Duitse Synodale Weg. Uit­ein­de­lijk spelen ener­zijds het geweten en ander­zijds de nede­rig­heid en het belang dat men hecht aan de een­heid van de kerk en de communio met de paus, een door­slag­ge­vende rol. En na­tuur­lijk is er het grote belang van ons gebed voor die intentie, samen met onze Heer op de laatste avond van Zijn aardse leven: Mogen zij allen één zijn...

De een­heid ver­bre­ken en uit elkaar gaan, gebeurt meestal met hef­tig­heid en vuur­werk; de een­heid her­stel­len is een lang­zaam en traag proces en kan eeuwen duren. Toch kan de een­heid her­steld wor­den, mits de partijen op het vlak van de inhoud van het geloof niet te ver van elkaar verwij­derd raken. Dat oude kerken tot elkaar komen die al rond het concilie van Chalcedon (451) ge­schei­den zijn geraakt op geloofs­pun­ten zoals de vereni­ging van de god­de­lijke en men­se­lijke natuur in Christus, is hoop­vol. Met ver­schil­lende van deze kerken res­te­ren alleen prak­tische bezwaren die de volle­dige een­heid in de weg staan, maar zij hebben de apos­to­lische traditie eigen­lijk volle­dig bewaard. Een mooi teken ervan is de aanvaar­ding van de Armeense heilige Gregorius van Narek als kerk­le­raar in de katho­lie­ke kerk met een plaats op de algemene heiligenkalen­der. De dialogen en gemeen­schap­pe­lijke ge­loofs­be­lij­de­nissen die de afgelopen tien­tal­len jaren hebben plaats gevon­den, geven hoop dat herstel van een­heid moge­lijk is.

In de ver­hou­ding van de Rooms Katho­lie­ke kerk met de Oud-Katho­lie­ke kerk spelen vraag­stukken rond genadeleer, predestinatie, attritie en contritie en Jansenisme niet meer de rol die des­tijds tot con­flic­ten leidde. Er zijn gelei­de­lijk andere verschil­pun­ten voor in de plaats geko­men, leerstellig en prak­tisch. Zo is het dit jaar hon­derd jaar gele­den dat de Oud Katho­lie­ke kerk het verplichte celi­baat voor gees­te­lij­ken afschafte. De men­se­lijke ver­hou­dingen zijn zeker verbeterd.
En dat er wegen naar een­heid moge­lijk zijn, wil ik hopen, daarvoor wil ik bid­den!

 

                                                                              +Jan Hendriks



[1] P. SMULDERS, “Molina, Luis de” en P. PLOUMEN, “Molinisme” in: Theo­lo­gisch Woor­den­boek, deel II (Roermond, Maaseik, 1957), kol. 3322-3327.


Fotoserie

Klik op een foto voor een uitvergroting.
Terug