Arsacal
button
button
button
button


Dag voor het leven

Casa Nova, Heilige Landstichting

Overweging Bezinning - gepubliceerd: zondag, 9 juni 2013 - 1465 woorden
Het prachtig gelegen pelgrims- en retraitehuis
Het prachtig gelegen pelgrims- en retraitehuis

Zater­dag 8 juni werd in het pelgrimshuis "Casa Nova" in de Heilig Land­stich­ting de Dag voor het Leven gehou­den, waar­mee op bij­zon­dere wijze pater Koopman SSS werd geëerd die zich tij­dens zijn leven steeds heeft ingezet voor de bescher­ming van het ongeboren leven.

Op deze dag, waarop li­tur­gisch de ge­dach­te­nis vann het On­be­vlekt Hart van Maria werd gevierd, heb ik voor de aanwwe­zigen - goed zes­tig personen - de heilige Eucha­ris­tie gevierd en in de preek stil gestaan bij de zuivere liefde die Maria had voor God en voor ons, mensen die aan haar door Jezus zijn toe­ver­trouwd.

Ook ons eigen hart moeten we bewaken en over­we­gen wat ons over­komt en wat we doen en zeggen om te kunnen groeien, beter mensen te wor­den. Het ergste wat ons kan over­ko­men is niet dat we zon­daars zijn - juist dat heeft de grote genade opge­roe­pen dat God voor ons mens werd en als mens Zijn leven voor ons heeft gegeven -, maar dat we ons hart voor God afsluiten en onbereik­baar wor­den voor Zijn genade. Op de voor­spraak van Maria willen we bid­den om een zuiver hart, gericht op het goede, gericht op God.

In de lezing die ik na de pauze heb gehou­den, stond ik stil bij ont­wik­ke­lingen in onze maat­schap­pij en het grote, fun­da­men­tele belang van onvoor­waar­de­lijk respect voor het men­se­lijk leven. Het eerste gedeelte van de lezing laat ik hier­on­der volgen.

lezing (eerste deel)

We zijn vandaag bijeen voor de “Dag voor het leven”. Wij willen opkomen voor het respect voor het men­se­lijk leven. Voor ons als katho­lie­ke gelo­vi­gen speelt daarin na­tuur­lijk mee dat we het men­se­lijk leven zien als een gave van God, die ons is toe­ver­trouwd en waarover we niet naar believen zelf mogen be­schik­ken.

Uit­ein­de­lijk geldt voor ons dat we geloven in een bedoeling en een plan van Gods Voor­zienig­heid met ons leven en dat Gods plan met ons leven anders kan zijn dan wij­zelf had­den gedacht en dat het onze roe­ping is om ons daaraan toe te ver­trouwen, ook al kan het zijn dat God ons een heel moei­lijke weg laat gaan, niet omdat Hij ons wil laten lij­den, maar wel omdat Hij dat lij­den - dat voor ons ergens een mysterie blijft dat met de gebroken­heid van ons men­se­lijk bestaan na de zondeval is verbon­den - een bete­ke­nis en een doel geeft, zodat wij door ons lij­den “mogen aanvullen wat aan het lij­den van Christus ontbreekt”.

Op een won­der­lijke wijze waar­van wij de diepte en de bete­ke­nis niet kunnen doorgron­den, heeft God het meest af­schu­we­lijke, dat een gevolg is van het heersen van de zonde in deze wereld, als het ware “omgebogen” tot iets met bete­ke­nis en verlos­sings­kracht. Zo is voor ons als chris­te­nen cruciaal dat we vanuit ons geloof in Christus en de verlos­sing die Hij ons heeft gebracht, de over­tui­ging zijn toe­ge­daan dat het lij­den niet weg te denken is uit ons men­se­lijk bestaan en dat dit lij­den - hoe verdrie­tig en pijn­lijk ook en hoe­zeer ook iets dat we willen voor­ko­men en bestrij­den - toch niet zonder zin en bete­ke­nis is. Lijden is niet per de­fi­ni­tie zinloos, dat heeft ons het verlossend lij­den en sterven van onze Heer Jezus Christus geleerd.

Hier gaat het om een gelo­vi­ge over­tui­ging van iemand die Christus heeft leren kennen met een inner­lijke kennis, waardoor dit geloof iets van hem- of haar­zelf is gewor­den. Dat betekent echter niet dat het respect voor het leven alleen iets voor gelo­vi­ge mensen is. Want mensen vormen tevens de basis van de samen­le­ving en dat geldt voor iedere samen­le­ving van mensen. Het woord “samen­le­ving”zegt het eigen­lijk al: het gaat om het sa­men­le­ven van mensen, dus om mensen niet indi­vi­dua­lis­tisch opgevat, maar om mensen als sociale wezens.

Dit maakt het respect voor de mens en het men­se­lijk leven tot grond­slag en basis van de samen­le­ving. Het aantasten van dit respect voor het men­se­lijk leven door toe te staan dat sommige mensen in die samen­le­ving anderen om het leven brengen - ook al is dat met voor­waar­den en clausules omgeven -, tast de grond­slag van die samen­le­ving en het respect voor het men­se­lijk leven aan en dat kan eigen­lijk niet anders dan erns­tige gevolgen hebben.

Naar mijn over­tui­ging doet het verhullend spreken over ongeboren men­se­lijk leven alsof er bij een onge­bo­re­ne geen sprake is van men­se­lijk leven, laat staan van een mens, niets af aan het feit dat de basis van de samen­le­ving wordt aangetast door abortus toe te staan. Het is dan ook niet vreemd dat het verzet tegen abortus sterk blijft in veel lan­den en dat ook niet-gelo­vi­ge mensen ervaren dat het tegen de kern van hun mens-zijn ingaat en dat hun geweten hen toch niet met rust laat.

Veel vrouwen nemen de beslis­sing tot een abortus na­tuur­lijk in een nood­si­tua­tie waarin die abortus de enige uitweg lijkt, er is bijna niemand die vindt dat het moreel totaal on­ver­schil­lig is of je ongeboren leven laat abor­te­ren. Men ziet abortus als een vangnet, een oplos­sing in een nood­si­tua­tie, maar dat impli­ceert in feite ook dat er toch een gevoel leeft dat die abortus niet zo goed is (maar dan gele­gi­ti­meerd wordt door een moei­lijke situatie). Het is dan ook niet ver­won­der­lijk dat de abortus die iemand in een nare situatie gezien heeft als een uitweg, later toch tot diepe spijt en trauma’s leidt.

Dit geldt na­tuur­lijk anders bij eutha­na­sie, omdat daar de dood op volgt. Iemand kan in dit aardse leven geen spijt meer hebben over een daad die hij of zij heeft gezien als een uitweg in een nood­si­tua­tie. De omstanders - familie, vrien­den - voelen zich hier toch iets meer toe­schou­wers; op hen rust niet de verant­woor­de­lijk­heid voor de beslis­sing die door de lij­dende is geno­men. Maar ook hier geldt dat eutha­na­sie steeds vaker een beslis­sing wordt van die omstanders: reeds geboren men­se­lijk leven kan in steeds meer gevallen opzette­lijk door anderen wor­den beëindigd: ziekte, handicaps of ouderdom wor­den in toe­ne­mende mate als voldoende reden gezien om men­se­lijk leven te laten beëindigen. Dat is uitermate zorge­lijk.

Tege­lijker­tijd - en dat is een ont­wik­ke­ling die niet helemaal los te zien is van de zojuist be­spro­ken ont­wik­ke­ling - staan de ge­zond­heids­zorg en de zorg voor ouderen en voor wie een verstan­de­lijke of licha­me­lijke beper­king hebben, onder druk. De kwali­teit van de zorg leidt tot veel klachten over de lange wacht­lijsten, een soms weinig “klant­vrien­de­lijke” benade­ring van pa­tiën­ten, gebrek aan tijd van artsen en verple­ging voor het tij­dig en zorg­vul­dig ver­rich­ten van medische han­de­lin­gen en voor men­se­lijk contact, zijn enkele van de veel gehoorde klachten. Deze situatie waarin we verkeren - van bezuini­gingen die lei­den tot “ontmen­se­lij­king” in de zorg, van een toename van het gevoel tot last te zijn, er eigen­lijk niet te mogen zijn - draagt niet bij aan respect voor de men­se­lijke waar­dig­heid en zelfrespect van mensen.

Parallel daar­mee lopen gebrek aan respect en een sterk ont­wik­keld indi­vi­dua­lis­me in de samen­le­ving. Volgens de monito­ring van het Sociaal en Cultureel Plan­bu­reau betreffen de grootste zorgen van de Neder­landers ook in deze tijd van eco­no­mische crisis, het sa­men­le­ven: het gebrek aan omgangs­vor­men, soli­da­ri­teit, normen en waar­den, onver­schil­lig­heid en agressie. Ondanks de fi­nan­cieel-eco­no­mische problemen blijven de zorgen omtrent de kwali­teit van ons sa­men­le­ven en de sociale cohesie, over­heer­sen.

Op deze “Dag voor het leven” vragen we om respect voor het men­se­lijke leven en de waar­dig­heid van iedere mens, niet alleen vanuit ons geloof, maar ook vanuit de over­tui­ging dat het gebrek aan dat respect de grond­slag van onze samen­le­ving in gevaar brengt en dat het respect voor het men­se­lijk leven de meest centrale en finale kern vormt van het respect voor de men­se­lijke waar­dig­heid. Als de onaantast­baar­heid van het men­se­lijk leven niet wordt ge­res­pec­teerd, wat zal men dan uit­ein­delijk nog aan respect voor de men­se­lijke waar­dig­heid mogen en kunnen ver­wach­ten?

In de omstan­dig­he­den van onze samen­le­ving is de chris­te­lijke bood­schap meer dan ooit urgent: God heeft ons lief en Hij heeft een bij­zon­dere voor­keurs­liefde voor de armen, de zwakken, de lijden­den, de ge­han­di­capten, die mens die niet zo zelfvoor­zienend is, de vluch­te­ling en daarom heeft Hijzelf op deze wijze ons leven willen delen: als een kleine, lij­dende, verstoten mens., en Hij verlangt ernaar dat wij die liefde zicht­baar maken in deze wereld door onze liefde. Wat zou ik graag zien dat er steeds meer mensen komen die de prach­tige bood­schap waarvoor wij mogen staan willen rea­li­se­ren door vanuit hun geloof en liefde andere mensen - vooral die zwakken en kleinen - te bena­de­ren als mensen - in het onder­wijs, in de zorg, in de sport... en overal - en niet als een zieke aan wie bepaalde han­de­lin­gen moeten wor­den verricht of een vat dat gevuld moet wor­den met bepaalde vormen van kennis.

Terug