Wilde de rk kerk dat priesters kinderen doopten in de moederschoot?
Het dagblad "Trouw" pakte op maandag 1 december groot uit met een artikel op de voorpagina en in "De Verdieping" over priesters die keizersnedes zouden hebben uitgevoerd om kinderen te dopen. Zoiets had ik nog nooit gehoord... maar is het ook waar?
De artikelen (voorpagina en twee pagina's van "de Verdieping") baseren zich op een gesprek met wetensschapssocioloog Trudy Dehue en haar onderzoek.
Natuurlijk, als er ernstige fouten zijn begaan en aan hoogzwangere vrouwen kwaad is gedaan, moet dat recht gezet worden. Ik heb op dit moment te weinig gegevens om er veel over te kunnen schrijven. Daarom een korte eerste reactie.
Nooddoop
Ik wijs er allereerst wel op dat voor een nooddoop geen priester aanwezig hoeft te zijn en gewoonlijk wordt die door iemand anders verricht: "in geval van nood mag en moet een ieder dopen", is de regel. Ook is me bekend dat er in de tijd waarover mw. Dehue spreekt (de achttiende eeuw) door de Sacra Congregatio Concilii - een dicasterie van de Romeinse Curie destijds - een beoordeling is gegeven van een voorval waarin een chirurg een kind in de baarmoeder had gedoopt omdat het in gevaar was. Toen het kind daarna toch geboren was, wilde de pastoor het niet opnieuw dopen, omdat het al gedoopt was. De Congregatio Concilii oordeelde dat het kind onder voorwaarde toch gedoopt moest worden, omdat dit dopen in de baarmoeder in feite weinig zekerheid gaf voor de geldigheid (S.C.C. Sutrina, 12 juli 1794). Het standpunt is in 1897 herhaald (16 maart 1897). Deze vorm van dopen werd dus niet erg gestimuleerd.
Ongedoopt sterven
Natuurlijk was er een aandrang ook vanuit de gelovigen om ervoor te zorgen dat een kind niet ongedoopt zou sterven. Er werd vroeger in de samenleving veel belang gehecht aan het doopsel, omdat er meer geloof was. We kennen bijna allemaal wel gevallen van grootouders die hun kleinkind stiekem doopten omdat de ouders dat niet lieten doen. Aan de ene kant te begrijpen, toch keurde en keurt de kerk dat niet goed.
Wel kenden de gelovigen vanouds het doopsel van begeerte. Maar kon een onmondig kind het doopsel wensen, begeren? John Henry Newman (1801-1890) hield al rekening met de mogelijkheid dat God op het moment van sterven van zo'n baby de mogelijkheid zou geven aan onmondige kinderen om voor Hem te kunnen kiezen.
Hoe de heilsnoodzakelijkheid van het doopsel verstaan?
Daarmee wordt al duidelijk: de heilsnoodzakelijkheid van het doopsel heeft een bijbelse basis ("Wei gelooft en gedoopt is zal gered worden (Mc. 16, 16) en: “Ga, en maak alle volkeren tot mijn leerlingen; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” (Mt. 28, 19), maar de vraag is natuurlijk hoe die heilsnoodzakelijkheid verstaan moet worden. Dit is een thema waarmee de Dogmatische Constitutie Lumen Gentium van het tweede Vaticaans concilie zich uitvoerig heeft bezig gehouden (vgl. de conclusie in LG 16). Er is hoop op redding van ongedoopten, ook van kinderen. Een belangrijk document over het lot van ongedoopte kinderen is dat van de Internationale Theoligsche Commissie, De hoop op verlossing voor kinderen die sterven zonder gedoopt te zijn (2007, zie: The Hope of Salvation for Infants Who Die Without Being Baptised).
Codex 1917
In de antwoorden van de SC Congregatio Concillii zat dus weinig aanmoediging om kinderen in de moederschoot te dopen, ondanks de heilsnoodzakelijkheid van het doopsel. De geldigheid is onzeker, het doopsel moet worden herhaald en een verplichting voor priesters (of leken) om te dopen in de moederschoot lees ik er niet. Ook het kerkelijk wetboek van 1917 is niet enthousiast. In c. 746 par 1 wordt doopsel in de moederschoot verboden zolang er enige waarschijnlijkheid (probabilis spes) is dat het kind geboren kan worden. Er zijn geen aanmoedigingen aan priesters om zich hierin op het terrein van medici te gaan begeven.
Abortus
Mw. Dehue ziet in misstanden binnen opvattingen van de katholieke kerk de oorzaak van veel hedendaags onheil, waartoe zij met name het verzet van de kerk tegen abortus rekent. Abortus is een thema dat mensen heel erg raakt. Dehue geeft aan voor Nederland en België veel bewijsmateriaal te hebben geleverd in een in 2023 door haar gepubliceerd boek.
Nogmaals, ik kan haar onderzoek nu niet beoordelen, al lijkt het interview in de krant te getuigen van een vooropgezet oordeel over de standpunten van de katholieke kerk.
Sacra embyologia
In het artikel in Trouw verwijst zij naar een boek "Sacra embryologia" dat ook in het Nederlands vertaald zou zijn en in 1784 gepubliceerd. Dat was dus nog in de tijd dat de katholieke kerk in ons land officieel verboden was, al waren de schuilkerken toen al tamelijk 'zichtbaar' in de samenleving. De katholieke kerk was al haar bezit ontnomen en katholieken konden geen officiële ambten bekleden. Katholieken behoorden tot een gediscrimineerde minderheidsgroep. Die achtergrond maakte voor mij de beoordeling wel wat extra wrang.
Vermeersch-Creusen
Ik ben in een tamelijk bekend handboek van Vermeersch-Creusen, Epitome Iuris canonici, (Tomus II, n. 30) wél de casus tegengekomen van het toepassen van de keizersnede om het kind te kunnen redden. Die keizersnede wordt aangeraden als daardoor het kind gered kan worden, wanneer de moeder gestorven is. Een priester moet dat zelf niet doen, want het is niet zijn vak en het kan strafbaar zijn, al erkent het handboek van Vermeersch-Creusen dat in 1780 door Rome aan een missionaris in China in een bepaald geval de opdracht was gegeven om de taak van chirurg uit te voeren.
Het boek uit 1784 ken ik niet, maar het lijkt me uit de geciteerde bronnen dat de kerk terughoudend was met het dopen in de moederschoot of het toepassen van de keizersnede door anderen dan deskundige artsen of verloskundigen. Of er toch een praktijk is geweest dat priesters een keizersnee toepasten, zoals mw. Dehue meent, om het kind ter wereld te brengen, weet ik niet.
PS, Met dank aan degene die de verwijzing stuurde, het gaat om: Sacra embryologia: sive de officio sacerdotum medicorum et aliorum circa aeternam parvulorum in utero existentium salutem. Libri quatuor. In dit boek uit de 18e eeuw wordt de aanwijzing gegeven de keizersnede toe te passen als een zwangere vrouw overleden was om het kindje te kunnen redden of tenminste te kunnen dopen.
Iemand anders verwees me naar de doctoraalscriptie van W.P.J.M. Brand over "Het Zeeuwse deel van het bisdom Gent" (Tilburg, 1981) waarin verhaald wordt over een priester in het Zeeuwse die geen medewerking kreeg van de arts en toen zelf maar een keizersnede toepaste, nadat de dood van de moeder was geconstateerd. Hij werd daarvoor voor het gerecht veroordeeld. De praktijk om een keizersnede toe te passen als de zwangere vrouw was overleden om het kind tenminste te kunnen dopen, werd aangegeven in instructies van Van Hooijdonk (1834) en Delebecque (1847) en komt in verschillende moraalhandboeken (Dens, Merkelbach, Prümmer enz.) voor. Daar wordt meer casuïstiek overwogen rond zwangerschap en geboorte, vooral voor de gevallen dat zich ernstige problemen voordoen. Een moeder heeft niet de verplichting om een keizersnede te ondergaan zodat haar kind nog gedoopt kan worden, maar zij mag er wel voor kiezen, zegt Prümmer bijvoorbeeld.


















