Vaticanum II. Munus en potestas en de bisschopswijding
Lezing bij het symposium 60 jaar Vaticanum II
De vragen die we in deze lezing zullen bespreken, zijn momenteel bijzonder actueel, zowel door de vragen die door de synode over synodaliteit zijn opgeworpen, als door de door de Priesterbroederschap van de heilige Pius X voorgenomen bisschopswijdingen. Dat alles raakt aan de communio binnen de kerk.
Het begrip Communio is door de Congregatie voor de Geloofsleer in 1992 de kern genoemd voor het verstaan van de ecclesiologie van het tweede Vaticaans concilie en het is door dit Dicasterie dan ook tot uitgangspunt genomen voor een specifiek document, “Communionis notio”.[1] Communio duidt aan dat de gelovigen een gemeenschap vormen, met eigen kenmerken die in de Dogmatische Constitutie Lumen Gentium van het tweede Vaticaans concilie nader worden beschreven. Een belangrijk aspect van die communio is dat alle gelovigen, ook de leken, deel hebben aan de zending van de kerk, reeds op grond van hun doopsel en vormsel: “Het apostolaat van de leken is een deelname aan de heilszending van de Kerk, tot welk apostolaat allen door de Heer door doopsel en vormsel worden afgevaardigd” (LG 33, 2; AA 2). Onder apostolaat wordt iedere inzet verstaan die de wereld op Christus richt (AA2). Leken kunnen bovendien door de hiërarchie geroepen worden om bepaalde taken te verrichten, waarvoor zij een zending krijgen (vgl. LG 34). Aan de ene kant is er dus de afvaardiging die zij ontvangen door de sacramenten van doopsel en vormsel, aan de andere kant is er de zending vanwege de hiërarchie die de uitoefening van taken invoegt, zodat die in communio en in naam van de Kerk worden verricht. Iets dergelijks geldt ook voor het gewijde ambt en in het bijzonder voor het bisschopsambt, zoals we zullen zien.
Tegelijkertijd doet momenteel zich het feit voor dat de Priesterbroederschap van de heilige Pius X het als geoorloofd ziet om bisschoppen te gaan wijden, zonder mandaat van de paus, hoewel het kerkelijk wetboek bepaalt dat zowel de bisschop die de wijding toedient als degene die de wijding ontvangt een excommunicatie oploopt die aan de Apostolische Stoel is voorbehouden.[2] De Priesterbroederschap geeft enerzijds aan het ambt van Petrus en de paus te erkennen, anderzijds niet aan deze bepalingen te hoeven gehoorzamen vanwege de situatie van de kerk. Zoals we zullen zien heeft deze opvatting van de Priesterbroederschap te maken met een visie op de communio en de betekenis van de bisschopswijding, de verhouding van wijding en jurisdictie, zoals die door het tweede Vaticaans concilie wordt geleerd.
De drie munera Christi
De Dogmatische Constitutie Lumen Gentium hanteert een schematische indeling van de voornaamste taken van Jezus Christus die door en in de Kerk worden uitgeoefend, namelijk de drie "munera Christi": de priesterlijke (heiligende) taak of gave, de profetische (verkondigende) taak of gave en de koninklijke of herderlijke (bestuurlijke) taak of gave. Het woord “munus” kan dus zowel taak als gave betekenen, het gaat immers om wat in de sacramenten wordt doorgegeven, een geschenk of gave die tegelijk een opdracht is, een taak. Deze indeling wordt gebruikt als een structuurprincipe en komt steeds weer opnieuw terug als de Constitutie de taken beschrijft eerst van alle gelovigen, daarna van de bisschoppen (LG 24-27), de priesters (LG 28), de diakens (LG 29) en van de leken (LG 34-36). Aldus wordt de deelneming van alle leden van het volk van God aan de zending van Christus aangeduid. Zo komt duidelijk naar voren dat alle gelovigen de zending van Christus vervullen en dat ieder op zijn eigen wijze en op zijn eigen plaats geroepen is om daaraan deel te hebben. Naast het eigene van iedere roeping wordt zo ook het gemeenschappelijke - en daarmee de communio van alle gelovigen - beklemtoond: allen hebben deel aan de ene zending van Christus.
Binnen de katholieke theologie was deze beschrijving van de drie "munera Christi" binnengekomen door een protestant die katholiek geworden was: de negentiende-eeuwse hoogleraar canoniek recht George Phillips (1804-1872). In protestantse publicaties was deze driedeling gebruikt om de volmachten (potestates) aan te duiden die Jezus na zijn verrijzenis aan de ambtsdragers van de Kerk had overgedragen. Phillips gaf hier een katholieke wending aan na zijn bekering tot het katholicisme, door te schrijven en te onderrichten dat deze volmachten door Christus aan de paus, Christus’ plaatsbekleder op aarde, waren toevertrouwd en dat deze machten door de paus "als door een kanaal" doorstromen naar alle leden van de Kerk.[3] Hier valt tegelijk het belangrijke verschil op met de leer van het tweede Vaticaans concilie, dat weliswaar de driedeling van Phillips overneemt, maar niet als iets dat wordt gegeven door de paus, maar in de sacramenten en niet als volmacht (potestas) maar als gave (munus). De verwijzing naar het werk van Phillips kan dus een bron van verwarring worden, een verwarring die we inderdaad zullen zien in de benadering van de Priesterbroederschap van de H. Pius X, waarover later meer. Voor de betekenis van de drie munera in het tweede Vaticaans concilie moeten we eerder teruggaan naar de heilige Schrift. Jezus Christus komt daarin naar voren als priester, koning en profeet en de eerste Petrusbrief spreekt de gelovigen in diezelfde geest aan: “Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk” (1 Petr. 2,9; vgl. Apc. 1, 5-6). Het concilie is niet gebaseerd op een bepaalde theoloog of canonist, maar veeleer op dat bijbelse fundament.
De sacramentaliteit van de bisschopswijding
Een van de meest plechtige uitspraken van het tweede Vaticaans concilie gaat over de bisschopswijding. LG 21 leert op plechtige wijze (“Docet autem Sancta Synodus”) dat door de bisschopswijding de volheid van het wijdingssacrament wordt meegedeeld.[4] Daarmee heeft dit concilie aangegeven dat de bisschopswijding sacramenteel is én de volheid verleent van het wijdingssacrament waaraan op ondergeschikte wijze de priester in de graad van het priesterschap (LG 28) en de diaken, gewijd “ad ministerium” (voor het dienstwerk, LG 29), deelhebben.
Deze vaststelling was uitermate belangrijk omdat het sacramentele karakter van de bisschopswijding en de diakenwijding tot dan toe soms werden betwijfeld en diakenwijding en bisschopswijding dan slechts werden gezien als gelegenheid waarbij jurisdictionele bevoegdheden werden verleend. G. van Noort schreef in zijn commentaar De Sacramentis (1930) dat de mening die de bisschopswijding voor sacramenteel hield, de meest gangbare was. Tegelijk gaf hij aan dat meerderen (“plures”) van mening waren dat presbyteraat en episcopaat twee onderscheiden wijdingen waren, waarmee hij vermoedelijk bedoelde dat ze door die auteurs niet werden gezien als een gradueel verschillende deelname aan het ene wijdingssacrament. Dat de diakenwijding sacramenteel is, hield Van Noort voor “theologice certa” (theologisch zeker), maar de bekende hoogleraar aan de Pauselijke Universiteit Gregoriana prof. dr. Jean Beyer s.j. zag dat in het decennium vóór het tweede Vaticaans concilie nog anders.[5]
De uitspraak van het tweede Vaticaans concilie over de bisschopswijding noemt als basis voor het gezag binnen de kerk en de daarmee verbonden macht: het ontvangen wijdingssacrament. Lumen Gentium sluit uit dat de bisschopswijding slechts een ceremoniële verlening van jurisdictie-volmachten door de kerkelijke overheid is. Lumen Gentium noemt de macht die door de gewijde bedienaren wordt uitgeoefend “sacra potestas”(LG 27) en geeft aan dat de priester door het wijdingssacrament wordt gewijd om het evangelie te verkondigen, de gelovigen te weiden en de goddelijke eredienst te vieren (LG 28).
Munus en potestas
De priesterlijke en bisschoppelijke bevoegdheden vinden dus een zekere basis in het ontvangen wijdingssacrament. Maar niet de gehele bisschoppelijke bevoegdheid wordt alleen door het wijdingssacrament verleend. Lumen Gentium 21 maakt onderscheid tussen de drie “munera” (gaven of taken; munus sanctificandi, munus docendi, munus regendi) en de “potestas”(macht) die van nature (“natura sua”) alleen “in hierarchica communione” kan worden uitgeoefend (LG 21, 2; vgl. 22,1). Het woord munus wordt gebruikt om aan te duiden wat door het sacrament wordt verleend. Dat wordt door Lumen Gentium 21 omschreven als : het doorgeven van de gave van de heilige Geest (“donum spirituale tradiderunt”) of ook: de mededeling van de genade van de heilige Geest en de verlening van het heilig (onuitwisbaar) merkteken (“...gratiam Spiritus Sancti ita conferri et sacrum characterem ita imprimi...”) . Door de handoplegging en het wijdingsgebed wordt een heilig merkteken zo ingeprent dat de bisschoppen als Christus de Leraar, de Herder en de Hogepriester kunnen optreden en in Zijn persoon kunnen handelen (LG 21, 22 in fine). Het gaat bij de munera die in de wijding worden doorgegeven dus om geestelijke gaven voor het verrichten van bepaalde taken, om een gelijkvormig worden aan Christus. Het onderscheid tussen munus en potestas is om aan te geven dat het bij de sacramenteel doorgegeven munus niet gaat om een macht die gereed is voor gebruik (“potestas ad actum expedita”), aldus de aan Lumen Gentium toegevoegde Nota Explicativa Praevia (n. 2).
Dit exposé over de verhouding van wijding en jurisdictie, munus en potestas, heeft een bijzonder belang voor de dialoog met de Oosterse kerken. De benadering van het Concilie onderstreept het belang van het sacramentele aspect als basis voor het handelen met bisschoppelijke macht; die macht kan namelijk niet uitsluitend wordt teruggevoerd op een verlening van jurisdictie door de paus. Tegelijkertijd krijgt daardoor het begrip “communio hierarchica”, dat de noodzaak van gemeenschap met de paus en het bisschoppencollege aanduidt, een grote en centrale betekenis in de visie van het Concilie op kerk en bisschopsambt.[6]
Communio hierarchica
Om de munus tot een concrete macht te laten worden is de communio nodig. Als de paus geen communio verleent, kunnen bisschoppen niet in hun ambt worden opgenomen (LG 24 einde). Het is door de sacramentele wijding en de hierarchische communio met de paus, hoofd van het bisschoppencollege, en met de leden van dat college, dat een bisschop lid wordt van het Bisschoppencollege (“Membrum Corporis episcopalis aliquis constituitur vi sacramentalis consecrationis et hierarchica communione cum Collegii Capite atque membris”, LG 22, 1). Lumen Gentium gebruikt de uitdrukking “communio hierarchica” als het gaat over de bisschop of het bisschoppencollege in hun gemeenschap met de paus, welke communio volgens de Nota Explicativa Praevia n. 4 een noodzakelijke voorwaarde is voor het handelen - het uitoefenen van macht - door een bisschop of bisschoppenconferentie (vgl. LG 21. 22; CD 5). Het concilie onderscheidt hiermee een sacramenteel-ontologisch aspect dat niet kan worden uitgeoefend zonder een canoniek-juridische bepaling of verlening.[7] Het is dus duidelijk dat de munus duidelijk onderscheiden moet worden van de potestas. Zo ontvangt de wijdeling de geestelijke gaven, de gelijkvormigheid aan Jezus Christus in de bisschopswijding, door de benoeming die de paus hem verleent wordt hij bisschop van een bepaald bisdom of ontvangt hij een andere aanstelling waardoor de munus tot concrete potestas wordt.
De opvatting van de Priesterbroederschap van de H. Pius X
Het juiste begrip van de munera die in de wijding worden meegedeeld, speelt een rol in de verdediging van de bisschopswijdingen zonder pauselijk mandaat die de Priesterbroederschap van de H. Pius X (FSSPX) wil laten toedienen. In de redenering van de Priesterbroederschap zouden die wijdingen niet schismatiek zijn en zou door die wijding niet de excommunicatie worden opgelopen die het canoniek recht in zo’n geval voorziet, omdat niet de jurisdictie wordt verleend die van de paus moet komen. Degenen die deze wijdingen wél schismatiek vinden zouden volgens deze priesterbroederschap uitgaan van de bewering van Lumen Gentium 21die volgens haar niet overeenkomt met de traditionele leer van de Kerk:
“De constitutie Lumen Gentium over de Kerk stelt in hoofdstuk III, nr. 21, dat de jurisdictiebevoegdheid door de bisschopswijding wordt verleend, tegelijk met de wijdingsmacht. Het decreet Christus Dominus, over het pastorale ambt van de bisschoppen in de Kerk, vermeldt hetzelfde principe in zijn preambule, nr. 3. Deze bewering wordt overgenomen in het Wetboek van Canoniek Recht van 1983, in canon 375 § 2”.
Volgens de Priesterbroederschap wordt in LG 21 dus geleerd dat de bisschopswijding zowel de wijdingsmacht als de jurisdictiemacht meedeelt. Deze uitspraak zou tegen de traditionele leer van de kerk zijn. Deze stellingname vanuit de Priesterbroederschap gaat dus voorbij aan het onderscheid tussen munus en potestas, dat in de Nota Explicativa Praevia nog eens wordt toegelicht als zijnde onderscheiden. De Priesterbroederschap geeft dus - ten onrechte! - aan dat Lumen Gentium een niet-katholieke leer weergeeft omdat het conciliedocument jurisdictie en wijding niet zou onderscheiden! Een excommunicatie wordt, volgens de Priesterbroederschap, alleen opgelopen door het zich toe-eigenen van jurisdictie in strijd met de wil van de paus, maar dat zou bij de bisschopswijdingen binnen FSSPX niet het geval zijn.[8] De leer van het tweede Vaticaans concilie wordt hiermee helemaal niet correct weergegeven door de Priesterbroederschap. Het concilie maakt juist onderscheid tussen de munera die door de wijding worden meegedeeld en de jurisdictie waardoor de concrete potestas wordt verleend. De munus en potestas kunnen echter niet zodanig gescheiden worden dat wat in de wijding ontvangen is zonder instemming van de paus en tegen diens wil kan worden uitgeoefend, want de wijding wordt ontvangen ten dienste van het lichaam van Christus dat de Kerk is, die wordt geleid door de paus en de bisschoppen in vereniging met hem en de uitoefening van bisschoppelijke en priesterlijke macht moet gebeuren “in communione hierarchica”. De Nota Explicativa Praevia heeft aangegeven niet in te gaan op vragen van geldigheid of geoorloofdheid wanneer geen jurisdictieverlening plaatsvindt, waarmee met name ten aanzien van de gescheiden Oosterse kerken allerlei vragen verbonden zijn. In de Latijnse katholieke kerk hangt de geldigheid van de biecht en van het vormsel naast de wijdingsmacht in de meeste gevallen af van de verlening van een bevoegdheid (faculteit, vgl. CIC cc. 882 en 966). De paus heeft er nooit voor gekozen de geldigheid van wijdingen afhankelijk te laten zijn van de verlening van een faculteit, al schijnt de optie om een voorwaarde voor de geldigheid in te voeren wel overwogen te zijn, bijvoorbeeld ter zake van de bisschopswijdingen zonder pauselijk mandaat die in communistisch China plaatsvonden.
Is de wijding een noodzakelijke voorwaarde voor de potestas?
Nog een andere belangrijke vraag is opgekomen naar aanleiding van de leer van het tweede Vaticaans concilie en de uitwerking daarvan in de tijd erna.
Het kerkelijk wetboek van 1917 bepaalde dat alleen clerici jurisdictiemacht konden verkrijgen (CIC ’17, c. 118). Clerici waren allen die de tonsuur hadden ontvangen (CIC ’17, cc. 108 §1; 111 §2). De tonsuur was echter een kerkelijke instelling en een sacramentale, geen sacrament of instelling van Godswege (vgl. CIC ’17, c. 108 §3). Jurisdictiemacht was dus verbonden aan het clericaat, niet aan iemand die wijdingsmacht had ontvangen. Na het tweede Vaticaans concilie werd echter bepaald dat iemand clericus werd door het ontvangen van de diakenwijding (CIC ’83, c. 266 §1). Het kerkelijk wetboek van 1983 geeft voorts aan dat christengelovigen leken volgens de normen van het recht aan de uitoefening van de bestuursmacht kunnen meewerken (c. 129 §2).
Gezien deze ontwikkelingen is onder theologen en canonisten discussie ontstaan over de vraag wat het “meewerken” van c. 129 §2 inhoudt en of binnen de kerk bepaalde (bestuurlijke) taken kunnen worden toevertrouwd aan personen die niet de munus hebben ontvangen door het wijdingssacrament en op welke grond dit dan zou kunnen. Daarbij gaat het om bevoegdheden die gewoonlijk aan priesters of zelfs aan bisschoppen werden toevertrouwd. De pausen hebben de mogelijkheid geopend dat leken rechter zijn in een kerkelijke rechtbank en secretaris van een Dicasterie van de Romeinse Curie, ambten die een deelname aan de bestuursmacht van de kerk inhouden.[9]
Is dit een verkeerde ontwikkeling die (ten dele) zou moeten worden terug gedraaid of impliceert die ontwikkeling een theologisch verantwoorde vooruitgang?
Om de discussie hierover zeer kort samen te vatten (al doe ik hiermee wellicht tekort aan allerlei nuances): sommigen zeggen dat het tweede Vaticaans concilie de verbinding van herderlijke taken met het gewijde ambt sterker dan voorheen heeft beklemtoond, onder meer door te spreken over “sacra potestas” (heilige, gewijde macht) een begrip dat in LG 27 geworteld lijkt te zijn in de ontvangen wijding. Anderen daarentegen geven aan dat de toelichting van de Nota Explicativa Praevia hierbij moet worden betrokken, die door de paus bij Lumen Gentium is gevoegd als kader waarbinnen de tekst van Lumen Gentium moet worden begrepen.[10] Daar wordt het onderscheid tussen wijding en jurisdictie juist beklemtoond. Daarenboven wordt door deze auteurs verwezen naar historische situaties waarin onder meer abdissen bisschoppelijke bestuurlijke bevoegdheden hebben uitgeoefend.
Zoals vermeld, zijn er door de pausen enkele beslissingen genomen die de uitoefening van jurisdictie door leken mogelijk maken: zo kunnen leken delen in de rechterlijke macht en in de uitvoerende macht van Dicasteries van de Romeinse curie. Leken kunnen dus deel krijgen aan taken waaraan bestuur en gezag verbonden is en volgens de woorden van paus Franciscus in het document waarmee de nieuwe ordening van de Romeinse Curie gestalte kreeg, moet dat ook gebeuren.[11] De discussie over de vraag in hoeverre de potestas binnen de kerk gebaseerd is op de ontvangen sacramenten en welke rol de verlening van jurisdictie hierin speelt, gaat echter door. Kan er bestuursmacht worden gegeven die geen basis heeft in het wijdingssacrament maar alleen door een (pauselijke) juridische act wordt verleend? Door de sacramenten worden volgens Lumen Gentium de drie munera ontvangen. Met name in Lumen Gentium 21 waar het over de bisschopswijding gaat, wordt - zoals hiervoor besproken - iets meer over de betekenis en de inhoud van de munera aangegeven. Lumen Gentium en de Nota Explicativa Praevia maken duidelijk dat de in het sacrament verkregen munera zonder verlening of toestemming door de kerkelijke overheid geen concrete potestas (macht) en niet “ad actum expedita” (gereed voor gebruik) zijn. Dit beantwoordt echter nog niet de vraag of de potestas ook op andere wijze kan worden verkregen dan door het wijdingssacrament. Met andere woorden: de munera die worden ontvangen door de wijding staan gericht op het verrichten van bepaalde priesterlijke taken. Kunnen sommige van die taken ook langs niet-sacramentele weg, louter door verlening van jurisdictie, verkregen worden en zo ja: kan dat passend zijn als de Heer een sacrament heeft ingesteld dat geestelijk toerust voor deze taken? En als die vraag eveneens bevestigend wordt beantwoord: onder welke voorwaarden en in welke omstandigheden is dat dan mogelijk en passend? Deze vraag stelt zich met name inzake bevoegdheden die verbonden schijnen te zijn met het gewijde dienstwerk, buiten de toediening van de sacramenten, bijvoorbeeld voor de uitoefening van de verkondigingstaak, de herderlijke (bestuurlijke) of rechterlijke macht. Buiten kijf staat dat de bedienaar het wijdingssacrament moet hebben ontvangen als het gaat om de viering van het eucharistisch offer, de bediening van het vormsel, de biecht, de ziekenzalving en de heilige wijdingen, maar is dat ook zo waar het gaat om de herderlijke macht en de verkondiging? Voor wat betreft de verkondiging is duidelijk dat bepaalde vormen van prediking (in een woorddienst) en catechese door leken kunnen worden verricht (vgl. CIC, cc. 766. 776 en 780). Kardinaal Ghirlanda, raadgever van paus Franciscus, acht het mogelijk dat de paus krachtens zijn petrinisch ambt en krachtens de volheid van zijn bestuursmacht deze bestuursmacht delegeert aan leken.[12] Gezien de ecclesiologie van Lumen Gentium is duidelijk dat de uitoefening van die taken in communio geschieden moet, maar in welke gevallen is die voorwaarde voor de geldigheid van de handeling gesteld? En zijn er uitzonderingen mogelijk? En in hoeverre is die communio wezenlijk sacramenteel?
Sommige auteurs proberen hierop een antwoord te geven door te verwijzen naar de charismata, de geestesgaven. Het is de heilige Geest die de communio in de kerk tot stand brengt. Het geestelijke en het structurele aspect zijn binnen de kerk wel onderscheiden, maar niet te scheiden (vgl. LG 8). Charismatische gaven moeten onderkend worden en een invoeging vinden in het leven van de kerk. Lumen Gentium vraagt om erkenning van de charisma’s en de ordelijke uitoefening ervan (LG 12,2). Die charisma’s geschonken door de Geest moeten derhalve worden geïntegreerd in het leven van de kerk ten dienste van het werk dat diezelfde heilige Geest in en door de kerk verricht. Een scheiding tussen charismatische kerk en hiërarchische kerk is niet aanvaardbaar. Maar is het mogelijk dat een niet-gewijde gelovige op het gebied van de bestuursmacht een bepaald charisma bezit dat door de kerkelijke overheid wordt erkend en aanvaard? Is er niet een bijzondere reden om die deelname te verlenen op grond van de erkenning van het charisma dat aan een gelovige geschonken is? In een artikel in de Vaticaanse media pleit kardinaal Marc Ouellet er voor dat vanuit een onderscheiding van bepaalde charisma’s aan leken leidende posities kunnen worden toevertrouwd binnen de Romeinse Curie, “ingevoegd in en gegarandeerd door de overkoepelende jurisdictie van de paus ten aanzien van de Romeinse Curie”.[13] Hiermee geeft de kardinaal aan dat de leken in de Curie hun taken niet (alleen) uitoefenen op grond van door de paus gedelegeerde bestuursmacht, maar dat zij een bijdrage geven (mede) vanuit hun charismatische gaven die door de kerk zijn onderscheiden als doelmatig en nuttig voor de hernieuwing en de uitbouw van de kerk (LG 12, 2). Dit voorstel roept echter ook vragen op en laat nog veel zaken open. Zo maakt het nog niet duidelijk welke functies in welke mate verbonden zijn met de bestuursmacht die aan de herders van de kerk is toevertrouwd, maar brengt vooral belangrijke vragen naar voren ten aanzien van de kerk die een hiërarchische communio en een communio van en in de Geest is. Naar mogelijkheden die door onder meer kardinaal Ouellet worden gesuggereerd, wordt vaak gezocht om vrouwen meer plaats te kunnen geven in het bestuur van de kerk, zonder haar ordening van Godswege geweld aan te doen. Het thema van de uitoefening van de bestuursmacht in de kerk werd behandeld door de vijfde studiegroep die in het kader van de synode over synodaliteit werd ingesteld om de deelname van vrouwen aan het bestuur van de kerk te bespreken. Het eindrapport van de studiegroep, uitgewerkt binnen het Dicasterie voor de Geloofsleer, bespreekt de oorsprong van de bestuursmacht in de kerk en het onderscheid tussen wijdingsmacht en jurisdictie, zonder voor een theologische school te kiezen. Het document voegt zich in de lijn die kardinaal Ouellet heeft aangegeven dat aan gelovigen op grond van hun doopsel en charisma en de nadere bepaling door de hiërarchie, een gezag en bestuursmacht kunnen toekomen.[14] Het eindrapport, hoewel uitgewerkt binnen het Dicasterie voor de Geloofsleer, heeft geen pauselijke goedkeuring en is geen kerkelijk document, maar een bijdrage aan het voortgaande gesprek over dit thema.
Het zal ieder wel duidelijk zijn dat het hier om belangrijke en praktische vragen gaat: Het tweede Vaticaans concilie heeft opgeroepen met vertrouwen ambten aan leken toe te vertrouwen (PO 9). Maar welke ambten? Lumen Gentium 32, 4 heeft het erover dat leken degenen tot “broeders [hebben] die krachtens hun aanstelling in het gewijde ambt met het gezag van Christus onderwijzen, heiligen en besturen en de familie van God ... weiden”. Er is dus een vorm van onderwijzen, heiligen en besturen die bij het gewijde ambt hoort. Past het bij de katholieke ecclesiologie als leken bijvoorbeeld leiding geven aan een parochie, aan een bisdom of in de Romeinse Curie? Die leiding lijkt sterk verbonden met de herderlijke macht die een priester uitoefent (mede) op grond van zijn wijding. Past het als leken verkondigen, als die verkondiging nauw met de Eucharistie en de sacramenten verbonden zijn? De Duitse bisschoppen hebben onlangs opnieuw verlof gevraagd om leken te laten preken tijdens de Eucharistieviering, die verkondiging is tot nu toe beperkt tot inleidingen tot de lezingen en het geven van een getuigenis, terwijl de homilie door de gewijde bedienaar wordt gehouden. Kunnen leken zelfstandig rechterlijke macht uitoefenen binnen de kerk? Op dat terrein is de binding aan de priester minder vanzelfsprekend en zijn er reeds mogelijkheden geopend. Was de quasi-bisschoppelijke herderlijke macht die sommige abdissen in de Middeleeuwen uitoefenden een misbruik of een legitieme optie? En wat te zeggen van de macht die invloedrijke leken gedurende vele eeuwen op het kerkelijk leven uitoefenden, zoals door bisschopsbenoemingen door een vorst? Was de uitoefening van pauselijk gezag door een tot paus gekozen diaken vóór diens bisschopswijding een misbruik of een mogelijkheid?[15] Zo blijven er nog vele vragen.
Het is door hun communio met de paus dat bisschoppen bij het uitoefenen van hun verkondigingstaak getuigen zijn van de goddelijke en katholieke waarheid. Die communio komt op duidelijke wijze tot uiting in een Oecumenisch Concilie (LG 25). Het bisschoppencollege bezit samen met de paus en in eenheid met hem de hoogste en volledige macht over de universele kerk (LG 22, 2). De collegialiteit van de bisschoppen heeft een sacramenteel fundament in de bisschopswijding.[16] Ook het ambt van Petrus, dat krachtens goddelijk recht wordt uitgeoefend door de bisschop van Rome, heeft een fundament in de bisschopswijding (vgl. 332 §1). De collegialiteit (collegialitas effectiva) is aanwezig waar het bisschoppencollege als college macht uitoefent in een oecumenisch concilie of wanneer het, verspreid over de wereld, door de paus als hoofd van het college wordt geroepen tot een collegiale handeling (potestas collegialis, LG 22,3).[17]
Uiteindelijk zijn munus en potestas, sacrament en jurisdictie dus naar Gods bedoeling verbonden. Het wijdingssacrament is door Christus ingesteld met een bepaald doel voor ogen en reeds in de Apostolische tijd zien we dat presbyters en episkopen belast zijn met de leiding van de gemeenschap. De sacramenten zijn door Christus ingesteld en aan de kerk toevertrouwd. Dat geeft aan de kerk een zekere ruimte voor de invulling en gestaltegeving van het gewijde ambt, maar altijd wel in overeenstemming met de instelling en de bedoeling van Jezus Christus. Over de precieze verhouding van munus en potestas en de uitoefening van met name de bestuursmacht in de kerk, zal de theologische en canoniekrechtelijke verdieping dus zeker moeten worden voortgezet. Het tweede Vaticaans concilie heeft gezegd dat een “seculiere karaktertrek bijzonder eigen is” aan de leken (LG31). Het is dus niet de bedoeling dat een clericalisering van de leek plaatsvindt. Religieuze instituten en andere door de kerk aanvaarde instituten en verenigingen hebben een eigen door de kerk erkend charisma. En door de wil van Jezus Christus heeft het priesterschap een eigen taak en wezen. Dat eigen karakter van het priesterschap en de daarmee verbonden taken zal in trouw aan de instelling door Christus en aan de leer van de kerk, steeds beter in het licht gesteld moeten worden, als men leken, vrouwen en mannen, meer wil laten delen in de bestuursmacht binnen de kerk.
Haarlem, 24 maart 2026
+Johannes Hendriks
Bisschop van Haarlem-Amsterdam
[1] CONGREGATIO PRO DOCTRINA FIDEI, Litterae Communionis notio , 28 mei 1992, n. 3 in: AAS 85(1993), pp. 838-850,
[2] CIC, Can. 1387 - Episcopus qui sine pontificio mandato aliquem consecrat in Episcopum, itemque qui ab eo consecrationem recipit, in excommunicationem latae sententiae Sedi Apostolicae reservatam incurrunt.
[3] Zie hierover L. SCHICK, "Die Tria-Munera in den Schriften George Phillips und in den Dokumenten des II. Vatikanische Konzils - Ein Vergleich -", in: Oesterreichisches Archiv für Kirchenrecht 32(1981), pp. 59-78, m.n. pp. 62-65.69.77.
[4] “Episcopus, plenitudine sacramenti Ordinis insignitus...”, LG 26.
[5] G. VAN NOORT, J.P. VERHAAR, Tractatus de sacramentis II (Paul Brand, Hilversum, 1930), nn. 210-213, pp. 140-143; J. BEYER, De diaconatu animadversiones, in : Periodica 69(1980), pp. 441-460 ; IDEM, Nature et position du Sacerdoce, in : Nouvelle Revue Théologique 78(1954), pp. 356-373. 469-480.
[6] Vgl. hierover : G. GHIRLANDA, “Hierarchica communio“. Significato della formule nella “Lumen Gentium”, Analecta Gregoriana, vol. 216 (Rome, Università Gregoriana Editrice, 1980). Bijv. Pp. 2-3 en passim.
[7] Nota Explicativa Praevia, n. 2 en N.B. In het N.B. geeft de Nota aan dat vragen over geldigheid of geoorloofdheid van de uitoefening van de munus (m.n. bij de gescheiden Oosterse kerken) buiten beschouwing worden gelaten.
[8] “Nu hangt in de Kerk de ontvangst van de bisschoppelijke jurisdictiebevoegdheid volgens het goddelijk recht af van de wil van de paus, en wordt schisma juist gedefinieerd als de handeling van iemand die zich op autonome wijze en zonder rekening te houden met de wil van de paus een jurisdictie toe-eigent. Om deze reden zou volgens deze documenten een bisschopswijding tegen de wil van de paus noodzakelijkerwijs een schismatieke daad zijn. Dit argument, dat zou willen concluderen dat toekomstige bisschopswijdingen binnen de Broederschap schismatieke zouden zijn, berust volledig op het postulaat van het Tweede Vaticaans Concilie, volgens hetwelk de bisschopswijding tegelijkertijd de bevoegdheid van orde en die van jurisdictie zou verlenen. Volgens de mening van herders en theologen wier autoriteit ten tijde van het Tweede Vaticaans Concilie werd erkend, is dit postulaat echter niet traditioneel en ontbeert het een solide basis”, zie FSSPX attualità, Ordine e giurisdizione: inconsistenza dell’accusa di scisma: “La costituzione Lumen gentium sulla Chiesa enuncia al capitolo III, n° 21, che il potere di giurisdizione è conferito dalla consacrazione episcopale contemporaneamente al potere d’ordine. Il decreto Christus Dominus, sull’ufficio pastorale dei vescovi nella Chiesa, enuncia il medesimo principio nel suo Preambolo al n° 3. Tale affermazione è ripresa dal Codice di Diritto Canonico del 1983, al canone 375 § 2. Ora, nella Chiesa, la ricezione del potere episcopale di giurisdizione dipende per diritto divino dalla volontà del Papa, e lo scisma si definisce precisamente come l’atto di colui che si arroga una giurisdizione in modo autonomo e senza tenere conto della volontà del Papa. È per questo motivo che, secondo tali documenti, una consacrazione episcopale compiuta contro la volontà del Papa sarebbe necessariamente un atto scismatico. Questa argomentazione, che vorrebbe concludere che le future consacrazioni episcopali in seno alla Fraternità sarebbero scismatiche, riposa interamente sul postulato del Concilio Vaticano II, secondo cui la consacrazione episcopale conferirebbe contemporaneamente il potere d’ordine e quello di giurisdizione. Ora, secondo il parere di pastori e teologi la cui autorità era riconosciuta al tempo del Concilio Vaticano II, questo postulato non è tradizionale ed è privo di fondamento solido” , in: https://fsspx.it/it/news/ordine-e-giurisdizione-inconsistenza-dellaccusa-di-scisma-57305.
[9] Over dit thema is veel gepubliceerd. Zie bijv. M. BLANCO, La mujer en la Iglesia, in: Ius Canonicum 60(2020), pp. 1-45; J. HUELS, “The power of governance and its exercise by lay persons: a juridical approach”, in: Studia canonica 35(2001), pp. 59-96.
[10] “Superiore dein Auctoritate communicatur Patribus nota explicativa praevia ad Modos circa caput tertium Schematis de Ecclesia, ad cuius notae mentem atque sententiam explicari et intelligi debet doctrina in eodem capite tertio exposita”, Notificationes voorafgaand aan de Nota Explicativa Praevia.
[11] P. Franciscus Praedicate Evangelium, 19 maart 2022, n. 10 « ...renovatio complectatur oportet laicarum laicorumque participationem, qui munera quoque gerant regiminis et auctoritatis », in : https://www.vatican.va/content/francesco/la/apost_constitutions/documents/20220319-costituzione-ap-praedicate-evangelium.html.
[12] GHIRLANDA, “L’origine e l’esercizio della potestà di governo dei vescovi. Una questione di 2000 anni”, in: Periodica 106 (2017), pp. 537-631.
[13] Over de rol van de H. Geest in de kerk en de charisma‘s: Kard. M. OUELLET, Laici in posizioni di autorità nella Curia, Vatican News, 16 febr. 2026, https://www.vaticannews.va/it/vaticano/news/2026-02/ouellet-laici-autorita-curia-romana-concessione-progresso.html. De karidnaal heeft deze gedachten ook elders gepubliceerd.
[14] GRUPPI DI STUDIO n. 5 su questioni rilevanti della Relazione di Sintesi della Prima Sessione della XVI Assemblea Generale Ordinaria del Sinodo dei Vescovi. Rapporto finale La partecipazione delle donne alla vita e alla guida della chiesa (maart 2026). Appendix V.
[15] Over dit thema bestaat zeer veel literatuur. In dit verband volstaan we met de verwijzing naar het artikel van kardinaal G. GHIRLANDA dat de discussie vooral met het oog op de bestuursmacht samenvat: “L’origine e l’esercizio della potestà di governo dei vescovi. Una questione di 2000 anni”, in: Periodica 106 (2017), pp. 537-631. De visie van de kardinaal wordt zeker niet door iedereen gedeeld (zijn visie is kenmerkend voor de school van de Pont. Un. Gregoriana en enkele andere stromingen binnen de canonistiek), maar die geeft hier wel verschillende standpunten weer. Hij was de expert die paus Franciscus in canonieke vragen terzijde stond.
[16] Relatio finalis, cit. IIC4, EV n. 1803.
[17] Vgl. Relatio finalis IIC 4 en 5, EV nn.1803-1805..


















