Arsacal
button
button
button
button


Vaticanum II. Munus en potestas en de bisschopswijding

Lezing bij het symposium 60 jaar Vaticanum II

Artikel Vaticanumii - gepubliceerd: dinsdag, 24 maart 2026 - 5281 woorden
bisschopswijding
bisschopswijding

De vragen die we in deze lezing zullen bespreken, zijn momen­teel bij­zon­der actueel, zowel door de vragen die door de synode over synodali­teit zijn opge­wor­pen, als door de door de Pries­ter­broe­der­schap van de heilige Pius X voor­ge­no­men bis­schops­wij­dingen. Dat alles raakt aan de communio binnen de kerk.

Het begrip Communio is door de Con­gre­ga­tie voor de Ge­loofs­leer in 1992 de kern genoemd voor het verstaan van de ecclesio­lo­gie van het tweede Vati­caans concilie en het is door dit Di­cas­te­rie dan ook tot uitgangs­punt geno­men voor een spe­ci­fiek do­cu­ment, “Communionis notio”.[1] Communio duidt aan dat de gelo­vi­gen een ge­meen­schap vormen, met eigen kenmerken die in de Dogma­tische Con­sti­tu­tie Lumen Gentium van het tweede Vati­caans concilie nader wor­den be­schre­ven. Een be­lang­rijk aspect van die communio is dat alle gelo­vi­gen, ook de leken, deel hebben aan de zen­ding van de kerk, reeds op grond van hun doopsel en vormsel: “Het apos­to­laat van de leken is een deelname aan de heilszen­ding van de Kerk, tot welk apos­to­laat allen door de Heer door doopsel en vormsel wor­den af­ge­vaar­digd” (LG 33, 2; AA 2). Onder apos­to­laat wordt iedere inzet verstaan die de wereld op Christus richt (AA2). Leken kunnen bovendien door de hiërarchie ge­roe­pen wor­den om bepaalde taken te ver­rich­ten, waarvoor zij een zen­ding krijgen (vgl. LG 34). Aan de ene kant is er dus de afvaar­diging die zij ont­van­gen door de sacra­menten van doopsel en vormsel, aan de andere kant is er de zen­ding van­wege de hiërarchie die de uit­oefe­ning van taken invoegt, zodat die in communio en in naam van de Kerk wor­den verricht. Iets derge­lijks geldt ook voor het gewijde ambt en in het bij­zon­der voor het bis­schops­ambt, zoals we zullen zien.

Tege­lijker­tijd doet momen­teel zich het feit voor dat de Pries­ter­broe­der­schap van de heilige Pius X het als geoorloofd ziet om bis­schop­pen te gaan wij­den, zon­der mandaat van de paus, hoewel het ker­ke­lijk wet­boek bepaalt dat zowel de bis­schop die de wij­ding toedient als degene die de wij­ding ont­vangt een excom­mu­ni­ca­tie oploopt die aan de Apos­to­lische Stoel is voorbe­hou­den.[2] De Pries­ter­broe­der­schap geeft ener­zijds aan het ambt van Petrus en de paus te erkennen, ander­zijds niet aan deze bepa­lin­gen te hoeven gehoor­za­men van­wege de situatie van de kerk. Zoals we zullen zien heeft deze opvat­ting van de Pries­ter­broe­der­schap te maken met een visie op de communio en de bete­ke­nis van de bis­schops­wij­ding, de ver­hou­ding van wij­ding en juris­dic­tie, zoals die door het tweede Vati­caans concilie wordt geleerd.

De drie munera Christi

De Dogma­tische Con­sti­tu­tie Lumen Gentium han­teert een sche­ma­tische indeling van de voor­naamste taken van Jezus Christus die door en in de Kerk wor­den uit­geoe­fend, name­lijk de drie "munera Christi": de pries­ter­lijke (heiligende) taak of gave, de profe­tische (ver­kon­di­gende) taak of gave en de ko­nin­klij­ke of her­der­lijke (bestuur­lijke) taak of gave. Het woord “munus” kan dus zowel taak als gave betekenen, het gaat immers om wat in de sacra­menten wordt doorge­ge­ven, een geschenk of gave die tege­lijk een opdracht is, een taak. Deze indeling wordt gebruikt als een structuur­prin­ci­pe en komt steeds weer opnieuw terug als de Con­sti­tu­tie de taken beschrijft eerst van alle gelo­vi­gen, daarna van de bis­schop­pen (LG 24-27), de pries­ters (LG 28), de diakens (LG 29) en van de leken (LG 34-36). Aldus wordt de deelne­ming van alle leden van het volk van God aan de zen­ding van Christus aangeduid. Zo komt dui­de­lijk naar voren dat alle gelo­vi­gen de zen­ding van Christus vervullen en dat ieder op zijn eigen wijze en op zijn eigen plaats ge­roe­pen is om daaraan deel te hebben. Naast het eigene van iedere roe­ping wordt zo ook het gemeen­schap­pe­lijke - en daar­mee de communio van alle gelo­vi­gen - be­klem­toond: allen hebben deel aan de ene zen­ding van Christus.
Binnen de katho­lieke theo­lo­gie was deze beschrij­ving van de drie "munera Christi" binnenge­ko­men door een pro­tes­tant die katho­liek gewor­den was: de negen­tien­de-eeuwse hoog­le­raar canoniek recht George Phillips (1804-1872). In pro­tes­tantse publi­ca­ties was deze drie­de­ling gebruikt om de vol­machten (potestates) aan te dui­den die Jezus na zijn ver­rij­ze­nis aan de ambts­dra­gers van de Kerk had over­ge­dragen. Phillips gaf hier een katho­lieke wen­ding aan na zijn beke­ring tot het katho­li­cisme, door te schrijven en te on­der­richten dat deze volmach­ten door Christus aan de paus, Christus’ plaatsbekle­der op aarde, waren toe­ver­trouwd en dat deze machten door de paus "als door een kanaal" door­stro­men naar alle leden van de Kerk.[3] Hier valt tege­lijk het be­lang­rijke verschil op met de leer van het tweede Vati­caans concilie, dat welis­waar de drie­de­ling van Phillips overneemt, maar niet als iets dat wordt gegeven door de paus, maar in de sacra­menten en niet als vol­macht (potestas) maar als gave (munus). De ver­wij­zing naar het werk van Phillips kan dus een bron van ver­war­ring wor­den, een ver­war­ring die we inder­daad zullen zien in de bena­dering van de Pries­ter­broe­der­schap van de H. Pius X, waarover later meer. Voor de bete­ke­nis van de drie munera in het tweede Vati­caans concilie moeten we eer­der terug­gaan naar de heilige Schrift. Jezus Christus komt daarin naar voren als pries­ter, koning en profeet en de eerste Petrus­brief spreekt de gelo­vi­gen in die­zelfde geest aan: “Gij zijt een uit­ver­ko­ren geslacht, een ko­nin­klijk pries­ter­schap, een heilige natie, Gods eigen volk” (1 Petr. 2,9; vgl. Apc. 1, 5-6). Het concilie is niet gebaseerd op een bepaalde theoloog of canonist, maar veeleer op dat bijbelse fun­dament.

De sacra­mentali­teit van de bis­schops­wij­ding

Een van de meest plech­tige uit­spra­ken van het tweede Vati­caans concilie gaat over de bis­schops­wij­ding. LG 21 leert op plech­tige wijze (“Docet autem Sancta Synodus”) dat door de bis­schops­wij­ding de vol­heid van het wij­dings­sa­cra­ment wordt meege­deeld.[4] Daar­mee heeft dit concilie aange­ge­ven dat de bis­schops­wij­ding sacra­menteel is én de vol­heid verleent van het wij­dings­sa­cra­ment waaraan op onder­ge­schikte wijze de pries­ter in de graad van het pries­ter­schap (LG 28) en de diaken, gewijd “ad ministerium” (voor het dienst­werk, LG 29), deel­heb­ben.
Deze vast­stel­ling was uitermate be­lang­rijk omdat het sacra­men­tele karakter van de bis­schops­wij­ding en de diaken­wij­ding tot dan toe soms wer­den betwijfeld en diaken­wij­ding en bis­schops­wij­ding dan slechts wer­den gezien als gelegen­heid waarbij ju­ris­dic­tio­nele bevoegd­he­den wer­den verleend. G. van Noort schreef in zijn com­men­taar De Sacra­mentis (1930) dat de mening die de bis­schops­wij­ding voor sacra­menteel hield, de meest gang­ba­re was. Tege­lijk gaf hij aan dat meer­de­ren (“plures”) van mening waren dat presbyteraat en epis­co­paat twee on­der­schei­den wij­dingen waren, waar­mee hij vermoe­de­lijk bedoelde dat ze door die auteurs niet wer­den gezien als een gradueel ver­schil­lende deelname aan het ene wij­dings­sa­cra­ment. Dat de diaken­wij­ding sacra­menteel is, hield Van Noort voor “theologice certa” (theo­lo­gisch zeker), maar de bekende hoog­le­raar aan de Pau­se­lijke Uni­ver­si­teit Gregoriana prof. dr. Jean Beyer s.j. zag dat in het decennium vóór het tweede Vati­caans concilie nog anders.[5]
De uit­spraak van het tweede Vati­caans concilie over de bis­schops­wij­ding noemt als basis voor het gezag binnen de kerk en de daar­mee verbon­den macht: het ont­van­gen wij­dings­sa­cra­ment. Lumen Gentium sluit uit dat de bis­schops­wij­ding slechts een ceremoniële verle­ning van juris­dic­tie-vol­machten door de ker­ke­lijke over­heid is. Lumen Gentium noemt de macht die door de gewijde be­die­naren wordt uit­geoe­fend “sacra potestas”(LG 27) en geeft aan dat de pries­ter door het wij­dings­sa­cra­ment wordt gewijd om het evan­ge­lie te ver­kon­di­gen, de gelo­vi­gen te wei­den en de god­de­lijke ere­dienst te vieren (LG 28).

Munus en potestas

De pries­ter­lijke en bis­schop­pe­lijke bevoegd­he­den vin­den dus een zekere basis in het ont­van­gen wij­dings­sa­cra­ment. Maar niet de gehele bis­schop­pe­lijke bevoegd­heid wordt alleen door het wij­dings­sa­cra­ment verleend. Lumen Gentium 21 maakt on­der­scheid tussen de drie “munera” (gaven of taken; munus sanctificandi, munus docendi, munus regendi) en de “potestas”(macht) die van nature (“natura sua”) alleen “in hierarchica communione” kan wor­den uit­geoe­fend (LG 21, 2; vgl. 22,1). Het woord munus wordt gebruikt om aan te dui­den wat door het sacra­ment wordt verleend. Dat wordt door Lumen Gentium 21 om­schre­ven als : het door­ge­ven van de gave van de heilige Geest (“donum spirituale tradi­derunt”) of ook: de mede­de­ling van de genade van de heilige Geest en de verle­ning van het heilig (onuitwis­baar) merkteken (“...gratiam Spiritus Sancti ita conferri et sacrum characterem ita imprimi...”) . Door de handopleg­ging en het wij­dings­ge­bed wordt een heilig merkteken zo ingeprent dat de bis­schop­pen als Christus de Leraar, de Herder en de Hoge­pries­ter kunnen optre­den en in Zijn persoon kunnen han­de­len (LG 21, 22 in fine). Het gaat bij de munera die in de wij­ding wor­den doorge­ge­ven dus om gees­te­lij­ke gaven voor het ver­rich­ten van bepaalde taken, om een gelijk­vormig wor­den aan Christus. Het on­der­scheid tussen munus en potestas is om aan te geven dat het bij de sacra­menteel doorge­ge­ven munus niet gaat om een macht die gereed is voor gebruik (“potestas ad actum expedita”), aldus de aan Lumen Gentium toe­ge­voegde Nota Explicativa Praevia (n. 2).

Dit exposé over de ver­hou­ding van wij­ding en juris­dic­tie, munus en potestas, heeft een bij­zon­der belang voor de dialoog met de Oosterse kerken. De bena­dering van het Concilie onder­streept het belang van het sacra­men­tele aspect als basis voor het han­de­len met bis­schop­pe­lijke macht; die macht kan name­lijk niet uit­slui­tend wordt terugge­voerd op een verle­ning van juris­dic­tie door de paus. Tege­lijker­tijd krijgt daardoor het begrip “communio hierarchica”, dat de nood­zaak van ge­meen­schap met de paus en het bis­schop­pen­col­lege aanduidt, een grote en centrale bete­ke­nis in de visie van het Concilie op kerk en bis­schops­ambt.[6]

Communio hierarchica

Om de munus tot een concrete macht te laten wor­den is de communio nodig. Als de paus geen communio verleent, kunnen bis­schop­pen niet in hun ambt wor­den opgeno­men (LG 24 einde). Het is door de sacra­men­tele wij­ding en de hierarchische communio met de paus, hoofd van het bis­schop­pen­col­lege, en met de leden van dat college, dat een bis­schop lid wordt van het Bis­schop­pen­col­lege (“Membrum Corporis epis­co­palis aliquis constituitur vi sacra­mentalis consecrationis et hierarchica communione cum Collegii Capite atque membris”, LG 22, 1). Lumen Gentium gebruikt de uitdruk­king “communio hierarchica” als het gaat over de bis­schop of het bis­schop­pen­col­lege in hun ge­meen­schap met de paus, welke communio volgens de Nota Explicativa Praevia n. 4 een nood­za­ke­lijke voor­waarde is voor het han­de­len - het uit­oefe­nen van macht - door een bis­schop of bis­schop­pen­con­fe­ren­tie (vgl. LG 21. 22; CD 5). Het concilie on­der­scheidt hiermee een sacra­menteel-onto­lo­gisch aspect dat niet kan wor­den uit­geoe­fend zon­der een canoniek-juri­dische bepaling of verle­ning.[7] Het is dus dui­de­lijk dat de munus dui­de­lijk on­der­schei­den moet wor­den van de potestas. Zo ont­vangt de wij­de­ling de gees­te­lij­ke gaven, de ge­lijk­vor­mig­heid aan Jezus Christus in de bis­schops­wij­ding, door de benoe­ming die de paus hem verleent wordt hij bis­schop van een bepaald bisdom of ont­vangt hij een andere aan­stel­ling waardoor de munus tot concrete potestas wordt.

De opvat­ting van de Pries­ter­broe­der­schap van de H. Pius X


Het juiste begrip van de munera die in de wij­ding wor­den meege­deeld, speelt een rol in de ver­de­di­ging van de bis­schops­wij­dingen zon­der pau­se­lijk mandaat die de Pries­ter­broe­der­schap van de H. Pius X (FSSPX) wil laten toedienen. In de redene­ring van de Pries­ter­broe­der­schap zou­den die wij­dingen niet schis­ma­tiek zijn en zou door die wij­ding niet de excom­mu­ni­ca­tie wor­den opgelopen die het canoniek recht in zo’n geval voorziet, omdat niet de juris­dic­tie wordt verleend die van de paus moet komen. Degenen die deze wij­dingen wél schis­ma­tiek vin­den zou­den volgens deze pries­ter­broe­der­schap uit­gaan van de bewe­ring van Lumen Gentium 21die volgens haar niet overeen­komt met de tra­di­tio­nele leer van de Kerk:

“De con­sti­tu­tie Lumen Gentium over de Kerk stelt in hoofd­stuk III, nr. 21, dat de juris­dic­tiebevoegd­heid door de bis­schops­wij­ding wordt verleend, tege­lijk met de wij­dings­macht. Het decreet Christus Dominus, over het pas­to­rale ambt van de bis­schop­pen in de Kerk, vermeldt het­zelfde principe in zijn preambule, nr. 3. Deze bewe­ring wordt over­ge­no­men in het Wetboek van Canoniek Recht van 1983, in canon 375 § 2”.

Volgens de Pries­ter­broe­der­schap wordt in LG 21 dus geleerd dat de bis­schops­wij­ding zowel de wij­dings­macht als de juris­dic­tie­macht mee­deelt. Deze uit­spraak zou tegen de tra­di­tio­nele leer van de kerk zijn. Deze stel­ling­name vanuit de Pries­ter­broe­der­schap gaat dus voorbij aan het on­der­scheid tussen munus en potestas, dat in de Nota Explicativa Praevia nog eens wordt toe­ge­licht als zijnde on­der­schei­den. De Pries­ter­broe­der­schap geeft dus - ten onrechte! - aan dat Lumen Gentium een niet-katho­lieke leer weergeeft omdat het concilie­do­cu­ment juris­dic­tie en wij­ding niet zou on­der­schei­den! Een excom­mu­ni­ca­tie wordt, volgens de Pries­ter­broe­der­schap, alleen opgelopen door het zich toe-eigenen van juris­dic­tie in strijd met de wil van de paus, maar dat zou bij de bis­schops­wij­dingen binnen FSSPX niet het geval zijn.[8] De leer van het tweede Vati­caans concilie wordt hiermee helemaal niet correct weerge­ge­ven door de Pries­ter­broe­der­schap. Het concilie maakt juist on­der­scheid tussen de munera die door de wij­ding wor­den meege­deeld en de juris­dic­tie waardoor de concrete potestas wordt verleend. De munus en potestas kunnen echter niet zodanig ge­schei­den wor­den dat wat in de wij­ding ont­van­gen is zon­der instem­ming van de paus en tegen diens wil kan wor­den uit­geoe­fend, want de wij­ding wordt ont­van­gen ten dienste van het lichaam van Christus dat de Kerk is, die wordt geleid door de paus en de bis­schop­pen in vereni­ging met hem en de uit­oefe­ning van bis­schop­pe­lijke en pries­ter­lijke macht moet gebeuren “in communione hierarchica”. De Nota Explicativa Praevia heeft aange­ge­ven niet in te gaan op vragen van gel­dig­heid of geoorloofd­heid wanneer geen juris­dic­tie­ver­le­ning plaats­vindt, waar­mee met name ten aanzien van de ge­schei­den Oosterse kerken allerlei vragen verbon­den zijn. In de Latijnse katho­lieke kerk hangt de gel­dig­heid van de biecht en van het vormsel naast de wij­dings­macht in de meeste gevallen af van de verle­ning van een bevoegd­heid (facul­teit, vgl. CIC cc. 882 en 966). De paus heeft er nooit voor gekozen de gel­dig­heid van wij­dingen af­han­ke­lijk te laten zijn van de verle­ning van een facul­teit, al schijnt de optie om een voor­waarde voor de gel­dig­heid in te voeren wel overwogen te zijn, bij­voor­beeld ter zake van de bis­schops­wij­dingen zon­der pau­se­lijk mandaat die in communis­tisch China plaatsvon­den.

Is de wij­ding een nood­za­ke­lijke voor­waarde voor de potestas?

Nog een andere be­lang­rijke vraag is opge­ko­men naar aan­lei­ding van de leer van het tweede Vati­caans concilie en de uit­wer­king daar­van in de tijd erna.
Het ker­ke­lijk wet­boek van 1917 bepaalde dat alleen clerici juris­dic­tie­macht kon­den ver­krij­gen (CIC ’17, c. 118). Clerici waren allen die de tonsuur had­den ont­van­gen (CIC ’17, cc. 108 §1; 111 §2). De tonsuur was echter een ker­ke­lijke in­stel­ling en een sacra­mentale, geen sacra­ment of in­stel­ling van Godswege (vgl. CIC ’17, c. 108 §3). Juris­dic­tie­macht was dus verbon­den aan het clericaat, niet aan iemand die wij­dings­macht had ont­van­gen. Na het tweede Vati­caans concilie werd echter bepaald dat iemand clericus werd door het ont­van­gen van de diaken­wij­ding (CIC ’83, c. 266 §1). Het ker­ke­lijk wet­boek van 1983 geeft voorts aan dat christen­ge­lo­vigen leken volgens de normen van het recht aan de uit­oefe­ning van de be­stuurs­macht kunnen mee­werken (c. 129 §2).
Gezien deze ont­wik­ke­lingen is onder theologen en canonisten dis­cus­sie ontstaan over de vraag wat het “mee­werken” van c. 129 §2 inhoudt en of binnen de kerk bepaalde (bestuur­lijke) taken kunnen wor­den toe­ver­trouwd aan personen die niet de munus hebben ont­van­gen door het wij­dings­sa­cra­ment en op welke grond dit dan zou kunnen. Daarbij gaat het om bevoegd­he­den die ge­woon­lijk aan pries­ters of zelfs aan bis­schop­pen wer­den toe­ver­trouwd. De pausen hebben de moge­lijk­heid geopend dat leken rechter zijn in een ker­ke­lijke recht­bank en se­cre­ta­ris van een Di­cas­te­rie van de Romeinse Curie, ambten die een deelname aan de be­stuurs­macht van de kerk inhou­den.[9]
Is dit een ver­keerde ont­wik­ke­ling die (ten dele) zou moeten wor­den terug gedraaid of impli­ceert die ont­wik­ke­ling een theo­lo­gisch verant­woorde voor­uit­gang?
Om de dis­cus­sie hierover zeer kort samen te vatten (al doe ik hiermee wellicht tekort aan allerlei nuances): som­mi­gen zeggen dat het tweede Vati­caans concilie de verbin­ding van her­der­lijke taken met het gewijde ambt sterker dan voor­heen heeft be­klem­toond, onder meer door te spreken over “sacra potestas” (heilige, gewijde macht) een begrip dat in LG 27 gewor­teld lijkt te zijn in de ont­van­gen wij­ding. Anderen daar­en­te­gen geven aan dat de toelich­ting van de Nota Explicativa Praevia hierbij moet wor­den betrokken, die door de paus bij Lumen Gentium is gevoegd als kader waar­bin­nen de tekst van Lumen Gentium moet wor­den begrepen.[10] Daar wordt het on­der­scheid tussen wij­ding en juris­dic­tie juist be­klem­toond. Daarenboven wordt door deze auteurs verwezen naar his­to­rische situaties waarin onder meer abdissen bis­schop­pe­lijke bestuur­lijke bevoegd­he­den hebben uit­geoe­fend.

Zoals vermeld, zijn er door de pausen enkele beslis­singen geno­men die de uit­oefe­ning van juris­dic­tie door leken moge­lijk maken: zo kunnen leken delen in de rech­ter­lijke macht en in de uit­voerende macht van Di­cas­te­ries van de Romeinse curie. Leken kunnen dus deel krijgen aan taken waaraan bestuur en gezag verbon­den is en volgens de woor­den van paus Fran­cis­cus in het do­cu­ment waar­mee de nieuwe orde­ning van de Romeinse Curie gestalte kreeg, moet dat ook gebeuren.[11] De dis­cus­sie over de vraag in hoeverre de potestas binnen de kerk gebaseerd is op de ont­van­gen sacra­menten en welke rol de verle­ning van juris­dic­tie hierin speelt, gaat echter door. Kan er be­stuurs­macht wor­den gegeven die geen basis heeft in het wij­dings­sa­cra­ment maar alleen door een (pau­se­lijke) juri­dische act wordt verleend? Door de sacra­menten wor­den volgens Lumen Gentium de drie munera ont­van­gen. Met name in Lumen Gentium 21 waar het over de bis­schops­wij­ding gaat, wordt - zoals hier­voor be­spro­ken - iets meer over de bete­ke­nis en de inhoud van de munera aange­ge­ven. Lumen Gentium en de Nota Explicativa Praevia maken dui­de­lijk dat de in het sacra­ment verkregen munera zon­der verle­ning of toestem­ming door de ker­ke­lijke over­heid geen concrete potestas (macht) en niet “ad actum expedita” (gereed voor gebruik) zijn. Dit beant­woordt echter nog niet de vraag of de potestas ook op andere wijze kan wor­den verkregen dan door het wij­dings­sa­cra­ment. Met andere woor­den: de munera die wor­den ont­van­gen door de wij­ding staan gericht op het ver­rich­ten van bepaalde pries­ter­lijke taken. Kunnen som­mi­ge van die taken ook langs niet-sacra­men­tele weg, louter door verle­ning van juris­dic­tie, verkregen wor­den en zo ja: kan dat passend zijn als de Heer een sacra­ment heeft inge­steld dat gees­te­lijk toerust voor deze taken? En als die vraag even­eens beves­tigend wordt beant­woord: onder welke voor­waar­den en in welke omstan­dig­he­den is dat dan moge­lijk en passend? Deze vraag stelt zich met name inzake bevoegd­he­den die verbon­den schijnen te zijn met het gewijde dienst­werk, buiten de toedie­ning van de sacra­menten, bij­voor­beeld voor de uit­oefe­ning van de ver­kon­di­gings­taak, de her­der­lijke (bestuur­lijke) of rech­ter­lijke macht. Buiten kijf staat dat de be­die­naar het wij­dings­sa­cra­ment moet hebben ont­van­gen als het gaat om de vie­ring van het eucha­ris­tisch offer, de bedie­ning van het vormsel, de biecht, de zie­ken­zal­ving en de heilige wij­dingen, maar is dat ook zo waar het gaat om de her­der­lijke macht en de ver­kon­di­ging? Voor wat betreft de ver­kon­di­ging is dui­de­lijk dat bepaalde vormen van predi­king (in een woord­dienst) en catechese door leken kunnen wor­den verricht (vgl. CIC, cc. 766. 776 en 780). Kar­di­naal Ghirlanda, raadgever van paus Fran­cis­cus, acht het moge­lijk dat de paus krachtens zijn petri­nisch ambt en krachtens de vol­heid van zijn be­stuurs­macht deze be­stuurs­macht dele­geert aan leken.[12] Gezien de ecclesio­lo­gie van Lumen Gentium is dui­de­lijk dat de uit­oefe­ning van die taken in communio geschie­den moet, maar in welke gevallen is die voor­waarde voor de gel­dig­heid van de han­de­ling gesteld? En zijn er uit­zon­de­ringen moge­lijk? En in hoeverre is die communio wezen­lijk sacra­menteel?
Som­mi­ge auteurs proberen hierop een ant­woord te geven door te ver­wij­zen naar de cha­rismata, de geestesgaven. Het is de heilige Geest die de communio in de kerk tot stand brengt. Het gees­te­lij­ke en het struc­tu­rele aspect zijn binnen de kerk wel on­der­schei­den, maar niet te schei­den (vgl. LG 8). Charis­ma­tische gaven moeten onderkend wor­den en een invoe­ging vin­den in het leven van de kerk. Lumen Gentium vraagt om erken­ning van de cha­risma’s en de orde­lijke uit­oefe­ning ervan (LG 12,2). Die cha­risma’s ge­schon­ken door de Geest moeten derhalve wor­den geïntegreerd in het leven van de kerk ten dienste van het werk dat die­zelfde heilige Geest in en door de kerk verricht. Een schei­ding tussen cha­ris­ma­tische kerk en hië­rar­chische kerk is niet aanvaard­baar. Maar is het moge­lijk dat een niet-gewijde gelo­vi­ge op het gebied van de be­stuurs­macht een bepaald cha­risma bezit dat door de ker­ke­lijke over­heid wordt erkend en aanvaard? Is er niet een bij­zon­dere reden om die deelname te verlenen op grond van de erken­ning van het cha­risma dat aan een gelo­vi­ge ge­schon­ken is? In een artikel in de Vati­caanse media pleit kar­di­naal Marc Ouellet er voor dat vanuit een onder­schei­ding van bepaalde cha­risma’s aan leken lei­dende posities kunnen wor­den toe­ver­trouwd binnen de Romeinse Curie, “ingevoegd in en gegaran­deerd door de overkoepelende juris­dic­tie van de paus ten aanzien van de Romeinse Curie”.[13] Hiermee geeft de kar­di­naal aan dat de leken in de Curie hun taken niet (alleen) uit­oefe­nen op grond van door de paus gedele­geerde be­stuurs­macht, maar dat zij een bijdrage geven (mede) vanuit hun cha­ris­ma­tische gaven die door de kerk zijn on­der­schei­den als doel­ma­tig en nut­tig voor de hernieu­wing en de uit­bouw van de kerk (LG 12, 2). Dit voorstel roept echter ook vragen op en laat nog veel zaken open. Zo maakt het nog niet dui­de­lijk welke functies in welke mate verbon­den zijn met de be­stuurs­macht die aan de her­ders van de kerk is toe­ver­trouwd, maar brengt vooral be­lang­rijke vragen naar voren ten aanzien van de kerk die een hië­rar­chische communio en een communio van en in de Geest is. Naar moge­lijk­he­den die door onder meer kar­di­naal Ouellet wor­den gesug­ge­reerd, wordt vaak gezocht om vrouwen meer plaats te kunnen geven in het bestuur van de kerk, zon­der haar orde­ning van Godswege geweld aan te doen. Het thema van de uit­oefe­ning van de be­stuurs­macht in de kerk werd behandeld door de vijfde studie­groep die in het kader van de synode over synodali­teit werd inge­steld om de deelname van vrouwen aan het bestuur van de kerk te bespreken. Het eind­rap­port van de studie­groep, uit­ge­werkt binnen het Di­cas­te­rie voor de Ge­loofs­leer, bespreekt de oorsprong van de be­stuurs­macht in de kerk en het on­der­scheid tussen wij­dings­macht en juris­dic­tie, zon­der voor een theo­lo­gische school te kiezen. Het do­cu­ment voegt zich in de lijn die kar­di­naal Ouellet heeft aange­ge­ven dat aan gelo­vi­gen op grond van hun doopsel en cha­risma en de nadere bepaling door de hiërarchie, een gezag en be­stuurs­macht kunnen toe­ko­men.[14] Het eind­rap­port, hoewel uit­ge­werkt binnen het Di­cas­te­rie voor de Ge­loofs­leer, heeft geen pau­se­lijke goed­keu­ring en is geen ker­ke­lijk do­cu­ment, maar een bijdrage aan het voort­gaande gesprek over dit thema.

Het zal ieder wel dui­de­lijk zijn dat het hier om be­lang­rijke en prak­tische vragen gaat: Het tweede Vati­caans concilie heeft opge­roe­pen met ver­trouwen ambten aan leken toe te ver­trouwen (PO 9). Maar welke ambten? Lumen Gentium 32, 4 heeft het erover dat leken degenen tot “broe­ders [hebben] die krachtens hun aan­stel­ling in het gewijde ambt met het gezag van Christus onder­wij­zen, heiligen en besturen en de familie van God ... wei­den”. Er is dus een vorm van onder­wij­zen, heiligen en besturen die bij het gewijde ambt hoort. Past het bij de katho­lieke ecclesio­lo­gie als leken bij­voor­beeld lei­ding geven aan een pa­ro­chie, aan een bisdom of in de Romeinse Curie? Die lei­ding lijkt sterk verbon­den met de her­der­lijke macht die een pries­ter uitoefent (mede) op grond van zijn wij­ding. Past het als leken ver­kon­di­gen, als die ver­kon­di­ging nauw met de Eucha­ris­tie en de sacra­menten verbon­den zijn? De Duitse bis­schop­pen hebben onlangs opnieuw verlof gevraagd om leken te laten preken tij­dens de Eucha­ris­tie­vie­ring, die ver­kon­di­ging is tot nu toe beperkt tot inlei­dingen tot de lezingen en het geven van een ge­tui­ge­nis, terwijl de homilie door de gewijde be­die­naar wordt gehou­den. Kunnen leken zelf­stan­dig rech­ter­lijke macht uit­oefe­nen binnen de kerk? Op dat terrein is de bin­ding aan de pries­ter min­der van­zelf­spre­kend en zijn er reeds moge­lijk­he­den geopend. Was de quasi-bis­schop­pe­lijke her­der­lijke macht die som­mi­ge abdissen in de Mid­del­eeuwen uitoefen­den een mis­bruik of een legitieme optie? En wat te zeggen van de macht die invloedrijke leken gedurende vele eeuwen op het ker­ke­lijk leven uitoefen­den, zoals door bis­schopsbenoe­mingen door een vorst? Was de uit­oefe­ning van pau­se­lijk gezag door een tot paus gekozen diaken vóór diens bis­schops­wij­ding een mis­bruik of een moge­lijk­heid?[15] Zo blijven er nog vele vragen.

Het is door hun communio met de paus dat bis­schop­pen bij het uit­oefe­nen van hun ver­kon­di­gings­taak getuigen zijn van de god­de­lijke en katho­lieke waar­heid. Die communio komt op dui­de­lijke wijze tot uiting in een Oecu­me­nisch Concilie (LG 25). Het bis­schop­pen­col­lege bezit samen met de paus en in een­heid met hem de hoogste en volle­dige macht over de uni­ver­se­le kerk (LG 22, 2). De col­le­giali­teit van de bis­schop­pen heeft een sacra­menteel fun­dament in de bis­schops­wij­ding.[16] Ook het ambt van Petrus, dat krachtens god­de­lijk recht wordt uit­geoe­fend door de bis­schop van Rome, heeft een fun­dament in de bis­schops­wij­ding (vgl. 332 §1). De col­le­giali­teit (col­le­gialitas effectiva) is aanwe­zig waar het bis­schop­pen­col­lege als college macht uitoefent in een oecu­me­nisch concilie of wanneer het, verspreid over de wereld, door de paus als hoofd van het college wordt ge­roe­pen tot een col­le­giale han­de­ling (potestas col­le­gialis, LG 22,3).[17]
Uit­ein­de­lijk zijn munus en potestas, sacra­ment en juris­dic­tie dus naar Gods bedoeling verbon­den. Het wij­dings­sa­cra­ment is door Christus inge­steld met een bepaald doel voor ogen en reeds in de Apos­to­lische tijd zien we dat presbyters en episkopen belast zijn met de lei­ding van de ge­meen­schap. De sacra­menten zijn door Christus inge­steld en aan de kerk toe­ver­trouwd. Dat geeft aan de kerk een zekere ruimte voor de invulling en gestalte­ge­ving van het gewijde ambt, maar altijd wel in overeenstem­ming met de in­stel­ling en de bedoeling van Jezus Christus. Over de precieze ver­hou­ding van munus en potestas en de uit­oefe­ning van met name de be­stuurs­macht in de kerk, zal de theo­lo­gische en canoniek­rechte­lijke ver­die­ping dus zeker moeten wor­den voort­ge­zet. Het tweede Vati­caans concilie heeft gezegd dat een “seculiere karaktertrek bij­zon­der eigen is” aan de leken (LG31). Het is dus niet de bedoeling dat een cleri­ca­li­se­ring van de leek plaats­vindt. Reli­gi­euze in­sti­tu­ten en andere door de kerk aanvaarde in­sti­tu­ten en vereni­gingen hebben een eigen door de kerk erkend cha­risma. En door de wil van Jezus Christus heeft het pries­ter­schap een eigen taak en wezen. Dat eigen karakter van het pries­ter­schap en de daar­mee verbon­den taken zal in trouw aan de in­stel­ling door Christus en aan de leer van de kerk, steeds beter in het licht gesteld moeten wor­den, als men leken, vrouwen en mannen, meer wil laten delen in de be­stuurs­macht binnen de kerk.

Haar­lem, 24 maart 2026

 

+Johannes Hendriks
Bis­schop van Haar­lem-Am­ster­dam

 

 

 



[1] CONGREGATIO PRO DOCTRINA FIDEI, Litterae Communionis notio , 28 mei 1992, n. 3 in: AAS 85(1993), pp. 838-850,

[2] CIC, Can. 1387 - Episcopus qui sine pontificio mandato aliquem consecrat in Episcopum, itemque qui ab eo consecrationem recipit, in excommunicationem latae sen­tentiae Sedi Apostolicae reservatam incurrunt.

    [3] Zie hierover L. SCHICK, "Die Tria-Munera in den Schrif­ten George Phillips und in den Doku­menten des II. Vatika­nische Konzils - Ein Vergleich -", in: Oesterreichisches Archiv für Kirchen­recht 32(1981), pp. 59-78, m.n. pp. 62-65.69.77.

[4] “Episcopus, plenitudine sacra­menti Ordinis insignitus...”, LG 26.

[5] G. VAN NOORT, J.P. VERHAAR, Tractatus de sacra­mentis II (Paul Brand, Hilversum, 1930), nn. 210-213, pp. 140-143; J. BEYER, De diaconatu animadversiones, in : Periodica 69(1980), pp. 441-460 ; IDEM, Nature et position du Sacerdoce, in : Nouvelle Revue Théologique 78(1954), pp. 356-373. 469-480.

[6] Vgl. hierover : G. GHIRLANDA, “Hierarchica communio“. Significato della formule nella “Lumen Gentium”, Analecta Gregoriana, vol. 216 (Rome, Università Gregoriana Editrice, 1980). Bijv. Pp. 2-3 en passim.

[7] Nota Explicativa Praevia, n. 2 en N.B. In het N.B. geeft de Nota aan dat vragen over gel­dig­heid of geoorloofd­heid van de uit­oefe­ning van de munus (m.n. bij de ge­schei­den Oosterse kerken) buiten be­schou­wing wor­den gelaten.

[8]Nu hangt in de Kerk de ont­vangst van de bis­schop­pe­lijke juris­dic­tiebevoegd­heid volgens het god­de­lijk recht af van de wil van de paus, en wordt schisma juist gede­fi­ni­eerd als de han­de­ling van iemand die zich op autonome wijze en zon­der reke­ning te hou­den met de wil van de paus een juris­dic­tie toe-eigent. Om deze reden zou volgens deze do­cu­menten een bis­schops­wij­ding tegen de wil van de paus nood­za­ke­lijker­wijs een schis­ma­tieke daad zijn. Dit argu­ment, dat zou willen con­clu­deren dat toe­koms­tige bis­schops­wij­dingen binnen de Broe­der­schap schis­ma­tieke zou­den zijn, berust volle­dig op het postulaat van het Tweede Vati­caans Concilie, volgens hetwelk de bis­schops­wij­ding tege­lijker­tijd de bevoegd­heid van orde en die van juris­dic­tie zou verlenen. Volgens de mening van her­ders en theologen wier autori­teit ten tijde van het Tweede Vati­caans Concilie werd erkend, is dit postulaat echter niet tra­di­tio­neel en ontbeert het een solide basis”, zie FSSPX attualità, Ordine e giu­risdizione: inconsistenza dell’accusa di scisma: “La costituzione Lumen gentium sulla Chiesa enuncia al capitolo III, n° 21, che il potere di giu­risdizione è conferito dalla consacrazione epis­co­pale contemporanea­mente al potere d’ordine. Il decreto Christus Dominus, sull’ufficio pas­to­rale dei vescovi nella Chiesa, enuncia il medesimo principio nel suo Preambolo al n° 3. Tale affermazione è ripresa dal Codice di Diritto Canonico del 1983, al canone 375 § 2. Ora, nella Chiesa, la ricezione del potere epis­co­pale di giu­risdizione dipende per diritto divino dalla volontà del Papa, e lo scisma si definisce precisa­mente come l’atto di colui che si arroga una giu­risdizione in modo autonomo e senza tenere conto della volontà del Papa. È per questo motivo che, secondo tali do­cu­menti, una consacrazione epis­co­pale compiuta contro la volontà del Papa sarebbe necessaria­mente un atto scismatico. Questa argo­mentazione, che vorrebbe con­clu­dere che le future consacrazioni epis­co­pali in seno alla Fraternità sarebbero scismatiche, riposa intera­mente sul postulato del Concilio Vaticano II, secondo cui la consacrazione epis­co­pale conferirebbe contemporanea­mente il potere d’ordine e quello di giu­risdizione. Ora, secondo il parere di pastori e teologi la cui autorità era riconosciuta al tempo del Concilio Vaticano II, questo postulato non è tradizionale ed è privo di fon­damento solido” , in: https://fsspx.it/it/news/ordine-e-giu­risdizione-inconsistenza-dellaccusa-di-scisma-57305.

[9] Over dit thema is veel ge­pu­bli­ceerd. Zie bijv. M. BLANCO, La mujer en la Iglesia, in: Ius Canonicum 60(2020), pp. 1-45; J. HUELS, “The power of governance and its exercise by lay persons: a juridical approach”, in: Studia canonica 35(2001), pp. 59-96.

[10] “Superiore dein Auctoritate communicatur Patribus nota explicativa praevia ad Modos circa caput tertium Schematis de Ecclesia, ad cuius notae mentem atque sen­tentiam explicari et intelligi debet doctrina in eodem capite tertio exposita”, Notificationes voor­af­gaand aan de Nota Explicativa Praevia.

[11] P. Fran­cis­cus Praedicate Evangelium, 19 maart 2022, n. 10 « ...renovatio complectatur oportet laicarum laicorumque participationem, qui munera quoque gerant regiminis et auctoritatis », in : https://www.vatican.va/con­tent/francesco/la/apost_constitutions/do­cu­ments/20220319-costituzione-ap-praedicate-evangelium.html.

[12] GHIRLANDA, “L’ori­gi­ne e l’esercizio della potestà di governo dei vescovi. Una questione di 2000 anni”, in: Periodica 106 (2017), pp. 537-631.

[13] Over de rol van de H. Geest in de kerk en de cha­risma‘s: Kard. M. OUELLET, Laici in posizioni di autorità nella Curia, Vatican News, 16 febr. 2026, https://www.vaticannews.va/it/vaticano/news/2026-02/ouellet-laici-autorita-curia-romana-concessione-progresso.html. De karid­naal heeft deze gedachten ook elders ge­pu­bli­ceerd.

[14] GRUPPI DI STUDIO n. 5 su questioni rile­vanti della Relazione di Sintesi della Prima Sessione della XVI Assemblea Generale Ordinaria del Sinodo dei Vescovi. Rapporto finale La partecipazione delle donne alla vita e alla guida della chiesa (maart 2026). Appendix V.

[15] Over dit thema bestaat zeer veel literatuur. In dit ver­band volstaan we met de ver­wij­zing naar het artikel van kar­di­naal G. GHIRLANDA dat de dis­cus­sie vooral met het oog op de be­stuurs­macht samenvat: “L’ori­gi­ne e l’esercizio della potestà di governo dei vescovi. Una questione di 2000 anni”, in: Periodica 106 (2017), pp. 537-631. De visie van de kar­di­naal wordt zeker niet door ieder­een gedeeld (zijn visie is ken­mer­kend voor de school van de Pont. Un. Gregoriana en enkele andere stro­mingen binnen de canonis­tiek), maar die geeft hier wel ver­schil­lende stand­pun­ten weer. Hij was de expert die paus Fran­cis­cus in canonieke vragen terzijde stond.

[16] Relatio finalis, cit. IIC4, EV n. 1803.

[17] Vgl. Relatio finalis IIC 4 en 5, EV nn.1803-1805..

post deze webpagina op: Facebook X / Twitter
Terug