Arsacal
button
button
button
button


Christen zijn in politiek en openbaar bestuur

Enkele fundamentele beschouwingen

Artikel Overig - gepubliceerd: donderdag, 18 juni 2026 - 6647 woorden
Christen zijn in politiek en openbaar bestuur
St. Antonius van Padua kapel Den Haag
St. Antonius van Padua kapel Den Haag

Woens­dag 17 juni hield ik in Den Haag een lezing binnen het kader van een ontbijt­bij­een­komst van ICLN (Inter­na­tio­nal Catholic Legislators Network) over Christen-zijn in poli­tiek en open­baar bestuur, met name over enkele fun­da­men­tele uitgangs­pun­ten van de katho­lieke sociale leer die voor politici en be­stuur­ders lei­dend kunnen zijn. De lezing wordt gevolgd door de toe­spraak van paus Leo XIV tot het Spaanse Congres van af­ge­vaar­dig­den en de Senaat.

Over ICLN zie: Inter­na­tio­nal Catholic Legislators Network

Christen zijn in poli­tiek en open­baar bestuur

Het geloof zon­der werken is dood, zei de apostel Jacobus al (Jak. 2, 26). Wie het Woord van God hoort, moet het ook vol­bren­gen (vgl. Jak. 1, 22). Tal van nieuw­tes­ta­men­tische teksten wijzen op deug­den en alles wat voor een christen nastrevens­waar­dig is. Het grote kader daarvoor is het gebod van de naasten­liefde, liefde niet verstaan als “gevoel” of “sympathie” - die juist een basis kunnen wor­den voor bevoor­de­ling van bepaalde personen en instituties en dus voor onrecht - maar als oblatieve liefde, als inzet, altijd op het fun­dament van de waar­heid. “Wat is waar­heid?”, Pilatus vroeg het al, hij deed dat om schou­derophalend aan die vraag voorbij te gaan (Jo. 18, 38). Zoeken naar waar­heid in deze zin ver­on­der­stelt dat er een objec­tief gegeven is, een uitgangs­punt waaraan de toelaat­baar­heid of opportuni­teit van bestuur­lijke beslis­singen wordt getoetst en waardoor recht­vaar­dig­heid en ge­rech­tig­heid wor­den ge­ob­jec­ti­veerd. “Het goede doen en het kwade laten”, dat is christen-zijn, ook in poli­tiek en bestuur. Binnen een de­mo­cra­tie is er geen poli­tiek zon­der het sluiten van compro­mis­sen. Bij veel thema’s gaat het om afwe­ging en het zoeken naar het juiste mid­den, in andere zaken moet je principieel zijn.

 

I BASISBEGINSELEN

1. Het principieel uitgangs­punt

In de katho­lieke sociale leer is dat principiële uitgangs­punt de absolute waar­dig­heid van de mens. Je mag een on­schul­dig mens niet intentioneel doden, bij­voor­beeld om een dier te red­den. Een ander hiermee samen­han­gend aspect is het alge­meen wel­zijn. Dit houdt na­tuur­lijk onder meer in dat een wet of maat­regel van bestuur “in den brede” moet wor­den bekeken, reke­ning hou­dend met de rechten en plichten van eenie­der en met het goed sa­men­le­ven van alle bur­gers.

2. Waar­heid

“Zonder waar­heid glijdt de liefde af in senti­mentali­teit”(Bene­dic­tus XVI, Enc. Caritas in veritate (2009), n. 3). Een bepaalde situatie kan bij­voor­beeld zeer meelijwekkend over­ko­men, waardoor we geneigd zijn om met een gesug­ge­reerde oplos­sing méé te gaan, maar het is nodig uit te zoomen en van het emo­tio­nele aspect over te gaan naar de vraag hoe een bepaalde “oplos­sing” staat binnen de recht­vaar­dig­heid en het alge­meen wel­zijn van allen. “Zoeken naar de waar­heid is een essentieel ele­ment van de­mo­cra­tie, wat op zich al een manier is om bij te dragen aan het alge­meen wel­zijn” (P. Leo XIV, Enc. Magnifica Humanitas n. 134).

Waar­heid betekent hier dat iets overeen­komt met de objectieve wer­ke­lijk­heid en de natuur der dingen. Er bestaan veel subjectievere waar­heidsop­vat­tingen, tot aan “iets is waar als ik dat vind”. Dat is mis­schien nog te verdragen als iemand zijn eigen smaak nogal verabsolu­teert - “vis is lekker” - , maar als het gaat over fake news bij­voor­beeld, kan het heel proble­ma­tisch wor­den. Waar­heid geldt dan niet meer als vaste basis en uitgangs­punt, maar wordt iets van situaties en omstan­dig­he­den alleen. Het zoeken naar objectieve waar­heid is voor recht­vaar­dig­heid fun­da­men­teel.

3. De waar­dig­heid van de men­se­lijke persoon

Binnen de sociale leer van de kerk is waar­heid wat overeen­komt met de waar­dig­heid die inherent is aan de men­se­lijke persoon. Dat is na­tuur­lijk soms las­tig te bepalen en het beant­woor­den van die vraag leidt in het poli­tieke en bestuur­lijke domein tot menings­ver­schil­len. Wat behoort tot de men­se­lijke waar­dig­heid? Wat wordt door de bescher­ming ervan vereist? Hier is bepalend hoe die waar­dig­heid wordt gede­fi­ni­eerd. Som­mi­gen zullen bij­voor­beeld het zelfbeschik­kings­recht bovenaan plaatsen en er zijn er dan ook die zeggen of feite­lijk menen dat de waar­dig­heid van een mens af­han­ke­lijk is van de mate waarin die mens over zijn eigen leven kan be­schik­ken.

De sociale leer van de Kerk blijft met reden weg van deze opvat­tingen. De waar­dig­heid zoals die in de sociale leer van de kerk wordt verstaan is intrinsiek aan het mens-zijn zelf. Er is dus geen gradatie in waar­dig­heid af­han­ke­lijk van iemands per­soon­lijke vaar­dig­he­den of ge­zond­heid bij­voor­beeld. Als je zo’n gradatie van mens-zijn wél zou aan­ne­men, delven de zwakkeren en “beperkten” het onderspit. Er is bovendien geen instantie, bij­voor­beeld een bur­ger­lijke over­heid, die zich bóven mensen en hun waar­dig­heid mag stellen in de optiek van de sociale leer. Instanties en over­he­den staan ten dienste van de mens. Het schrik­beeld van een over­heid die dit negeert, is treffend ver­woord in George Orwell’s “1984”. We zijn dit jaartal intussen al lang gepasseerd, maar het schrik­beeld is niet verdwenen. Tendensen om het voor de samen­le­ving centrale karakter van de men­se­lijke waar­dig­heid te ver­zwak­ken, zijn in ruime mate aanwe­zig. Bovendien is er een stevige ten­dens om nooit vanuit een vaste grond­slag te denken en projec­te­ren bij het maken van wetten (Vgl. P. Leo XIV, Enc. Magnifica humanitas n. 56; P. Fran­cis­cus, Enc. Fratelli Tutti (3 October 2020), n. 208).

De sociale leer van de katho­lieke kerk heeft er altijd aan vast gehou­den dat er bepaalde inzichten zijn over een mens, dat er een waar­heid is over de mens, die niet af­han­ke­lijk is van je geloof, van de vraag of je christen bent, maar waarover je met je verstand tot het inzicht kunt komen. Daaraan ontlenen mensen­rechten hun “vas­tig­heid”.

4. Een mens is een sociaal wezen

Fun­da­men­teel is dus dat de men­se­lijke persoon in iedere samen­le­ving centraal staat, c.q. moet staan en dat iedere organi­sa­tie­vorm binnen een samen­le­ving daartoe dienend is. In chris­te­lijke zin ver­taald: de mens is beeld van God (vgl. Gaudium et spes 12). Dat dienende karakter van instituties binnen een samen­le­ving, ten dienste van de mens, is ver­taald in het bekende sub­si­dia­ri­teits­be­gin­sel.

Maar het is niet een indi­vi­dua­lis­tisch mens­beeld dat hier wordt geschetst, doch een sociaal mens­beeld: “de mens is .. in het diepst van zijn wezen sociaal en zon­der band met anderen kan hij niet leven noch zijn talenten ontplooien” (Gaudium et spes, n. 12). Een mens is dus van nature ge­roe­pen om samen te leven met anderen. Tenminste in de zin dat hij andere mensen nodig heeft. Dit geeft aan­lei­ding tot twee andere beginselen van de sociale leer: het alge­meen wel­zijn en het soli­da­ri­teits­be­gin­sel.

5. Justitia

Paus Bene­dic­tus XVI publi­ceerde in 2009 de En­cy­cliek “Caritas in veritate” (liefde in waar­heid) en die titel geeft gelijk het principe weer waar het in de sociale leer van de Kerk om draait. “Naasten­liefde in waar­heid”: een principe dat ef­fec­tief vorm aanneemt in criteria die rich­ting geven aan het morele han­de­len. We staan bij enkele van die criteria stil.

Het minimum aan caritas, aan naasten­liefde is de justitia (recht­vaar­dig­heid, ge­rech­tig­heid). Ubi societas, ibi ius, er is geen maat­schappij zon­der recht. Het recht dient de justitia in een samen­le­ving te garan­de­ren. Maar het is een minimum: liefde overstijgt dat minimum, al is er geen liefde zon­der justitita (vgl. Caritas in veritate 6).

6. Mensen­rechten

Uit de waar­dig­heid van de men­se­lijke persoon vloeit voort dat een mens rechten heeft. Pausen hebben dan ook met veel waar­de­ring over de Uni­ver­se­le Ver­kla­ring van de Mensen­rechten (1948) ge­spro­ken (bijv. Magnifica Humanitas, n. 54; P. Johannes Paulus II, Address to the 50th General Assembly of the United Nations (5 October 1995), n. 2; IDEM, Address to the 34th General Assembly of the United Nations (2 October 1979), n. 7).

Mensen­rechten zijn inherent aan de men­se­lijke persoon, niet een soort extra toevoe­ging. Door de mensen­rechten die uit de waar­dig­heid van de men­se­lijke persoon voort­vloei­en, wordt die men­se­lijke persoon fun­dament voor wetten en veror­deningen in de maat­schappij. En doordat die rechten intrinsiek eigen zijn aan de mens, zijn ze onschend­baar. Ze kunnen niet om een of andere reden even “gepar­keerd” wor­den en ze gel­den dus voor ieder­een (Magnifica humanitas, nn. 54-55). Het is daarom goed dat er bij­voor­beeld meer aan­dacht is geko­men voor rechten van min­der­he­den (Magnifica humanitas, n. 57).

7. Absolute morele vereisten of afwe­ging van de situatie

Daarbij zijn er na­tuur­lijk wel afwe­gingen te maken. Er zijn keuzes die recht­streeks ingaan tegen de waar­dig­heid van de men­se­lijke persoon en diens rechten. Als een over­heid toe­staat om vluch­te­lingen te mar­telen, is dat een recht­streekse schen­ding van de men­se­lijke waar­dig­heid. Dat is altijd en in alle omstan­dig­he­den ontoelaat­baar.

Bij het maken van keuzes voor beleidsbeslis­singen en andere maat­regelen speelt afwe­ging van een situatie echter wel een be­lang­rijke rol. De situatie is dan niet zwart of wit. Fun­da­men­tele poli­tieke keuzes en ook bij­voor­beeld chris­te­lijke over­tui­gingen moeten han­den en voeten krijgen in een concrete situatie, waarin diverse aspecten af te wegen zijn. Bij­voor­beeld, in de vluch­te­lingen­pro­ble­ma­tiek kan het chris­te­lijk ant­woord lijken te zijn dat de Bijbel naasten­liefde aanbeveelt en ook gast­vrij­heid (vgl. Rom. 12, 13; Hebr. 13, 2; 1 Petr. 4, 9). Zorg voor vluch­te­lingen en het opnemen van vreem­de­lingen (vgl. Mt. 25, 35; de parabel van de barm­har­tige Samari­taan, Lc. 10, 25-37) wor­den er als een po­si­tie­ve zaak gezien, maar betekent dit dat we geen grenzen zou­den moeten stellen vanuit chris­te­lijk over­tui­ging? Niemand zal beweren dat de gast­vrij­heid grenzeloos moet zijn, zon­der enige beper­king. Concrete afwe­gingen en oplos­singen zijn vaak niet één op één te maken vanuit een Bijbel­woord of de sociale leer van de kerk. Er hangt dus veel vanaf over welk thema het gaat: een recht­streekse schen­ding van de men­se­lijke waar­dig­heid is iets anders dan de modali­teiten van bescher­ming van die waar­dig­heid.

8. De eigen verant­woor­de­lijk­heid van politici en be­stuur­ders

Voor wat dat laatste betreft en de poli­tieke beslis­singen die daar­mee in ver­band staan: de katho­lieke kerk erkent de eigen verant­woor­de­lijk­heid van politici en beleidsmakers en wil zich niet bemoeien met hun vrij­heid van mening daar­om­trent (CONGREGATION FOR THE DOCTRINE OF THE FAITH, Doctrinal Note on some questions regar­ding The Participation of Catholics in Political Life, 24 November 2002.n. 6). Het is niet de taak van de Kerk om concrete poli­tieke oplos­singen te bie­den of te zeggen dat een bepaalde concrete oplos­sing de beste is, maar wél om de waar­den aan te geven waarop die gebaseerd zou­den moeten zijn. Als het leer­ge­zag van de katho­lieke kerk zich over zaken van beleid uitlaat, gaat het dus over de men­se­lijke waar­dig­heid en de rechten en principes (zoals de grond­be­gin­selen van de sociale leer) die daaruit voort­vloei­en of over schen­dingen van die men­se­lijke waar­dig­heid en de rechten van de mens, maar niet over concrete poli­tieke besluiten buiten die welke direct rechten van mensen en hun waar­dig­heid schen­den.

De vrij­heid van een chris­te­lijke politicus wordt dus door de katho­lieke kerk beves­tigd. Die bevesti­ging houdt niet in dat iedere visie op de men­se­lijke persoon even waarde­vol en waar is; poli­tieke vrij­heid gaat veel meer om het feit dat er allerlei ver­schil­lende situaties zijn waarin je op basis van een chris­te­lijk mens­beeld tot beleid wilt komen. Die situaties vragen om afwe­gingen en dat kan dus betekenen dat je vanuit het zelfde achter­lig­gende chris­te­lijk mens­beeld tot ver­schil­lende con­clu­sies kunt komen (vgl. Doctrinal Note, n. 3).

9. Kerk en de­mo­cra­tie

De­mo­cra­tie is de beste garantie voor een directe deelname van bur­gers in poli­tieke keuzes, als de men­se­lijke waar­dig­heid goed verstaan wordt en als fun­dering voor de samen­le­ving geldt (Doctrinal note..., n. 3). Paus Leo XIII, Enc. Diuturnum illud 1881 (Ench delle Enc.deel 3, nn. 227vv.) en latere pausen hebben aange­ge­ven dat de ker­ke­lijke leer niet tegen de­mo­cra­tie is. P. Paulus VI heeft aange­ge­ven (Octogesima adveniens 1971) dat de­mo­cra­tie het best beant­woord aan de katho­lieke sociale leer. Het - in feite democra­tische - sub­si­dia­ri­teits­be­gin­sel is van 1931 (P. Pius XI, Enc. Quadragesimo anno).

Tra­di­tio­na­lis­tische groepen , die zich als katho­liek presen­te­ren, die de­mo­cra­tie en gods­dienst­vrij­heid verwerpen, geven dus geen katho­lieke visie weer.

 

II ENKELE CONCRETE THEMA’S

Tot besluit nog een enkele opmer­king bij som­mi­ge spe­ci­fie­ke thema’s

10. De uni­ver­se­le bestem­ming van de goe­de­ren der aarde

De uni­ver­se­le bestem­ming van de goe­de­ren der aarde gaat over een basis­recht: grond, water, lucht, na­tuur­lijke hulp­bronnen zijn gegeven voor het leven van heel de mens­heid (Magnifica Humanitas, n. 65); het is be­lang­rijk dat de grondrechten die hieruit voort­vloei­en wor­den beschermd, onder meer door ver­kla­ringen, verdragen en wet­ge­ving.

11. Ouders, opvoe­ding en onder­wijs

Het na­tuur­lijk recht (en de plicht) van de ouders om hun kin­de­ren op te voe­den is een onvervreemd­baar recht, dat wordt erkend door de Uni­ver­se­le Ver­kla­ring van de Mensen­rechten (Doctrinal Note, n. 4); en “omdat zij het eerste recht en de plicht hebben om hun kin­de­ren op te voe­den, moeten de ouders ook een echte vrij­heid hebben inzake school­keuze” (Gravissimum Educationis, n. 6, vgl. n. 3). Een school­mo­no­po­lie is tegen de rechten van de mens, omdat dit het recht op opvoe­ding over­een­koms­tig de eigen over­tui­ging negeert. School­vrij­heid is in overeenstem­ming met het sub­si­dia­ri­teits­be­gin­sel.

12. Recht­vaar­dige oorlog?

Het concept van “recht­vaar­dige oorlog” (De bello iusto) heeft nogal ver­an­de­ring onder­gaan. De H. Thomas van Aquino (1225-1274) heeft dat concept ooit als volgt om­schre­ven: oorlog is een laatste middel, geweld moet pro­por­tio­neel zijn, onno­dige schade vermij­den en erop gericht zijn het recht te her­stel­len (Summa Theologica II, sec. 2, q. 40, a. 1). Deze visie is een beetje in crisis geraakt. Niet omdat die niet meer klopt, maar omdat oorlogen zó veran­derd zijn door het gebruik van massaver­nie­ti­gings­wa­pens. Paus Johannes XXIII publi­ceerde in 1963 de En­cy­cliek Pacem in terris en legde de nadruk op dialoog, op een weg van recht­vaar­dig­heid en ver­zoe­ning. In de lijn van de traditie ver­oor­deelde hij de totale oorlog. Het tweede Vati­caans concilie ver­oor­deelde de bewape­ningswedloop. Voor­ge­steld werd te streven naar verdragen die oorlogen uitbannen en een wereldautori­teit con­flic­ten op te laten lossen. Nog tij­dens het tweede Vati­caans Concilie bezocht paus Paulus VI daarom de Verenigde Naties om daar op te roepen tot een ver­ster­king van het gezag van de VN. “Nooit meer oorlog!”, riep de paus daar uit.

13. Eerbie­diging van het men­se­lijk leven

De organi­sa­tie van de maat­schappij gaat dus om de men­se­lijke persoon. Dat de maat­schappij de mensen dient, is een gegeven dat gelo­vi­ge en niet-gelo­vi­ge politici zou­den moeten kunnen delen. Het recht op leven van mensen is dan ook fun­da­men­teel, een basis­prin­ci­pe. Een politicus heeft de erns­tige en dui­de­lijke ver­plich­ting zich te ver­zet­ten tegen iedere wet die het recht op het men­se­lijk leven van de conceptie tot de na­tuur­lijke dood bedreigt (Doctrinal Note, n. 4; P. Johannes Paulus II, Enc. Evangelium vitae, 73). In deze lijn zijn abortus en eutha­na­sie onon­der­handel­baar, evenals de bescher­ming van de rechten van het men­se­lijk embryo (Doctrinal Note, n. 4). Maar let wel: er zijn wetten die iets recht­streeks toestaan of zelfs een recht noemen wat in zich­zelf kwaad is en daar kan een chris­te­lijke politicus vanuit een goed gevormd geweten niet vóór stemmen; vanuit zijn chris­te­lijk gevormd geweten zal een politicus niet voor een wet stemmen die abortus provocatus als recht in de Grondwet opneemt. Maar er zijn ook wetten die een kwaad welis­waar tolereren of niet straf­baar stellen, maar op zich niet billijken. Zo iets gebeurt in vele lan­den met pros­ti­tutie. Iets derge­lijks is ook gebeurd met onze Neder­landse abortuswet die een strafuit­slui­tings­grond kent die inhoudt dat het teweeg­bren­gen van een abortus niet straf­baar is, wanneer een arts de abortus uit­voert volgens de regels die de wet stelt. Het was zo’n soort formu­le­ring die som­mi­ge chris­te­lijke politici over de streep trok om vóór de wet te stemmen, in de hoop een slechter wets­ont­werp te verij­de­len. In beide kamers werd de wet toen met een meer­der­heid van slechts één stem aan­ge­no­men. Som­mi­ge chris­te­lijke politici hebben over die stem­ming lange tijd be­grij­pe­lijke gewetens­pro­ble­men gehad.

Een politicus zou dus niet moeten instemmen met een wet die eutha­na­sie, abortus of experi­menten op men­se­lijke embryo’s toe­staat, maar dat geldt niet voor een wetsvoorstel dat de moge­lijk­he­den van reeds bestaande wetten inperkt. Daar zou een politicus in goed geweten vóór kunnen stemmen, ook als die wet naar chris­te­lijke opvat­ting niet perfect is, maar slechts het kwaad beperkt (Doctrinal Note, n. 4).

Nog anders is het als een over­heid zou besluiten om bui­ten­ge­wone medische be­han­de­lingen te verbie­den, die wellicht kost­baar zijn en het leven slechts een weinig verlengen. Dat kan, indien pro­por­tio­neel, moreel heel legitiem zijn (vgl. Doctrinal Note, n. 4).

Besluit

Er is na­tuur­lijk nog veel meer te zeggen. Ik heb het vrijwel steeds over “chris­te­nen” gehad, omdat het vandaag over waar­den en opvat­tingen gaat, die voort­vloei­en uit een mens­beeld, dat chris­te­nen over grenzen van kerken kunnen delen.

Be­lang­rijke bronnen vanuit de katho­lieke kerk blijven: de Cate­chis­mus van de katho­lieke kerk en het Com­pen­dium van de sociale leer van de Kerk. Voor een aantal thema’s zijn de meer recente ker­ke­lijke do­cu­menten essentieel, zoals bij­voor­beeld Laudato Sì (2015) en Laudate Deum (2023) over de klimaat­cri­sis, Fratelli tutti (2020) over de broe­der­schap van de mensen en Magnifica humanitas (2026) over AI. Inte­res­sant is ook de toe­spraak die paus Leo XIV op 8 juni j.l. hield voor alle Spaanse parle­mentariërs.

Binnen de katho­lieke kerk is de patroon­hei­lige van politici en staatslie­den de H. Thomas More die er altijd wars van was om valse compro­mis­sen te sluiten. Het geweten was voor hem heilig. Hij was zelf gewetens­vol en trouw aan zijn inzichten. Paus Johannes Paulus II zei over hem dat hij door zijn leven en dood liet zien dat je een mens niet van God kunt losmaken en dat je poli­tiek en bestuur niet van morali­teit kunt schei­den. Zijn leven voor de publieke zaak stond in dienst van de men­se­lijke persoon, vooral de zwakken en armen (Johannes Paulus II, Apos­to­lische Brief Motu Proprio Proclai­ming Saint Thomas More Patron of Statesmen and Politicians, 4: AAS 93 (2001), 76). Moge Thomas More ons blijven in­spi­re­ren, moge hij voor ons allen een voor­spraak zijn.

+Jan Hendriks
Bis­schop van Haar­lem-Am­ster­dam

 

 

TOESPRAAK VAN DE HEILIGE VADER
Congres van Afgevaar­dig­den (Madrid)

Maan­dag 8 juni 2026

_______________________________

Premier,

Voor­zit­ter van het Congres van Afgevaar­dig­den,

Voor­zit­ter van de Senaat,

Voor­zit­ter van het Grondwette­lijk Hof,

Voor­zit­ter van het Hoog­gerechtshof en van de Algemene Raad van de Rech­ter­lijke Macht,

Leden van het Congres van Afgevaar­dig­den en van de Senaat,

Dames en heren:

Als bis­schop en her­der

Ik dank de voor­zit­ter voor haar vrien­de­lijke woor­den, evenals voor de uit­no­di­ging die de Apos­to­lische Stoel heeft ont­van­gen ter gelegen­heid van mijn reis naar dit land, en voor de eer om te mogen wor­den ont­van­gen in dit his­to­rische paleis van de Kamer van Afgevaar­dig­den, het vooraan­staande centrum van het in­sti­tu­tio­nele, juri­dische en democra­tische leven van het Ko­nink­rijk Spanje. Ik sta hier voor u allen als bis­schop van Rome en her­der van de katho­lieke Kerk, in het besef dat de missie die aan de op­vol­ger van de apostel Petrus is toe­ver­trouwd als beginsel en fun­dament van de een­heid van de bis­schop­pen en de gelo­vi­gen (cf. Lumen gentium, 23), de Heilige Stoel op een bij­zon­dere wijze in dialoog brengt met de volkeren en de staten.

Autonomie van aardse reali­teiten

Mijn aanwe­zig­heid onder u wil een gebaar van nabij­heid jegens Spanje zijn, in het kader van weder­zijdse samen­wer­king, en een woord dat wordt aan­ge­bo­den vanuit de dienst aan de men­se­lijke persoon. De Kerk “gaat mee met de mens­heid”, deelt haar hoop en haar won­den, luistert naar de vragen van elke tijd en laat zich aanspreken “door alles wat het bestaan van de mannen en vrouwen van vandaag aangaat”. Daarom, wanneer zij zich tot het open­ba­re leven richt, doet zij dat met respect voor de eigen missie van de in­stel­lingen en de legitieme verant­woor­de­lijk­heid van hen die het mandaat hebben ont­van­gen om wetten te maken. Zij erkent “de autonomie van de aardse reali­teiten” en “het on­der­scheid tussen ker­ke­lijke gemeen­schap en poli­tieke gemeen­schap”; en juist vanuit dat besef draagt zij een re­flec­tie bij die voort­komt uit de wens om het alge­meen wel­zijn te dienen en te her­in­ne­ren aan wat het sa­men­le­ven wer­ke­lijk men­se­lijk maakt (cf. Magnifica humanitas, 18-19).

Mens­beeld

In deze ver­ga­der­zaal krijgt het sa­men­le­ven een juri­dische vorm. Hier wor­den de verschillen gehoord, geor­dend en, waar moge­lijk, omgezet in een ge­za­men­lijk besluit. Daarom komt elke wet­ge­vende taak, afgezien van de legitieme verschei­den­heid aan stand­pun­ten, uit­ein­delijk uit bij een beslissende vraag: welk mens­beeld inspireert de wetten en wat voor soort samen­le­ving bouwen die wetten op?

Rijk erf­goed

Wat deze kwestie betreft, beschikt Spanje over een bij­zon­der rijk verle­den. Zijn geo­gra­fische en poli­tieke iden­ti­teit is verweven geraakt met een ge­schie­de­nis waarin geloof en rede, kunst en recht, traditie en ge­dach­te­goed elkaar op vrucht­ba­re wijze hebben weten te vin­den. In zijn ka­the­dralen en uni­ver­si­teiten, in zijn onster­fe­lijke literatuur, in zijn juri­dische in­stel­lingen en in de geest van zijn volk zelf blijft een erf­goed levend dat vorm heeft gegeven aan een manier om vrij­heid te beleven, recht­vaar­dig­heid te beoefenen en het gemeen­schap­pe­lijk leven te ordenen.

De hoge waar­dig­heid van de mens

Van de uni­ver­se­le bladzij­den van Don Quichot, waar Cervantes verkon­digde dat „de vrij­heid [...] een van de kost­baarste gaven is die de hemel de mensen heeft ge­schon­ken” (Don Quichot van La Mancha, II, 58), tot de spi­ri­tu­ele diepgang van de heilige Teresa van Ávila, en van de grote Spaanse juri­dische traditie tot de metafysische zoek­tocht van Unamuno, die eraan herinnerde dat de mens “zich niet volle­dig bij de dood neerlegt” (Del sentimiento trágico de la vida, I), heeft Spanje de mens weten te zien als meer dan slechts een onder­deel van de sociale, econo­mische of poli­tieke orde: het heeft hem erkend als een wezen dat open­staat voor de waar­heid, begif­tigd met vrij­heid en gedreven door een dorst naar eeuwig­heid die geen enkele tij­de­lijke wer­ke­lijk­heid kan blussen; kortom, als iemand wiens waar­dig­heid voorrang heeft boven elk nut en aan wiens dienst de wet­ge­vende macht onder­wor­pen is.

De school van Salamanca

Daarom leidt deze toe­spraak, wanneer we vandaag over de men­se­lijke persoon spreken, van­zelf­spre­kend naar Salamanca en naar het ge­dach­te­goed dat daar tot wasdom kwam. De sym­bo­li­sche aanwe­zig­heid in deze zaal van de koningen Isabella en Ferdinand ver­wijst naar dat moment waarop Spanje voor his­to­rische verant­woor­de­lijk­he­den van uni­ver­se­le reikwijdte kwam te staan; enkele jaren later zou Salamanca met een bij­zon­dere hel­der­heid de morele en juri­dische re­flec­tie op zich nemen die dat scenario vereiste. Op die uni­ver­si­teit, vijf­hon­derd jaar gele­den, toen zich nieuwe werel­den en immense moge­lijk­he­den in de betrek­kingen tussen de volkeren open­den, begrepen som­mi­ge leraren dat de rede niet kon wor­den inge­roe­pen om alles wat macht of eigen­be­lang als wen­se­lijk voorstel­den, van legitimi­teit te voor­zien. Zo introdu­ceer­den zij in het his­to­risch inzicht de vraag naar de onherleid­ba­re waarde van ieder mens en de morele grenzen van de macht. Men moet erkennen dat de samen­le­ving en de Kerk zelf niet altijd opgewassen waren tegen de intuïties die weerklank von­den in hun eigen chris­te­lijke traditie.

Toch opende die vraag een intellectuele en morele horizon die hun eigen his­to­rische moment overstijgt. De intuïtie van de totus orbis, van een men­se­lijke gemeen­schap die ruimer is dan welke par­ti­cu­liere macht dan ook, maakte het moge­lijk het bestaan van juri­dische en morele ban­den tussen de volkeren te beves­tigen. Vanuit Spanje droeg de re­flec­tie van de School van Salamanca - en in het bij­zon­der van broe­der Francisco de Vitoria, samen met andere dominicanen en jezuïeten - bij aan de vor­ming van een juri­disch en moreel bewust­zijn dat in staat was te her­in­ne­ren dat autori­teit altijd een verant­woor­de­lijk­heid met zich mee­brengt en dat ieder mens erkend moet wor­den als dra­ger van rechten en plichten. Dat verlangen spreekt ook vandaag de dag nog steeds: dat waar­dig­heid, recht­vaar­dig­heid en het alge­meen wel­zijn de maatstaf mogen zijn voor sociale relaties, zowel op natio­naal als op inter­na­tio­naal niveau.

Het erf­goed uit Salamanca

Dit is een van de grote erfenissen van Spanje: het hebben verenigd van his­to­risch han­de­len met de hel­der­heid van de morele rede. Die bijdrage, ontstaan aan de oevers van de Tormes, reikte ver­der dan de collegezalen en biblio­the­ken en werd onder­deel van een bre­der bewust­zijn, gedeeld door de inter­na­tio­nale gemeen­schap die zich nog steeds afvraagt hoe vrede kan wor­den opge­bouwd op basis van de erken­ning van de persoon en niet op basis van het opleggen van geweld. Die erfenis leeft ook voort in deze Cortes, telkens wanneer de wetgever zich afvraagt hoe het moge­lijke recht­vaar­dig kan wor­den gemaakt, hoe het wet­tige wer­ke­lijk men­se­lijk kan zijn en hoe de wil van de meer­der­heid de goe­de­ren die aan ieder­een toebe­ho­ren kan be­scher­men en datgene kan res­pec­teren wat geen enkele meer­der­heid legitiem mag schen­den.

De vraag uit Salamanca blijft de taak be­ge­lei­den van hen die het open­ba­re leven dienen. Vandaag de dag wor­den de nieuwe werel­den die zich voor ons openen niet lan­ger op kaarten getekend: ze ontvouwen zich in de techniek, de economie, de biogeneeskunde en het digitale universum, waar de men­se­lijke macht steeds gevoeli­gere domeinen van het per­soon­lijke en sociale leven bereikt.

AI

De voor­uit­gang biedt bewon­de­rens­waar­dige moge­lijk­he­den, en vandaag zien we dat op bij­zon­dere wijze in de ont­wik­ke­ling van kunst­ma­tige intel­li­gentie en de nieuwe techno­lo­gieën. Zoals ik in mijn recente en­cy­cliek heb opgemerkt, is techno­lo­gie op zich­zelf niet neutraal, omdat zij het gezicht aanneemt van degene die haar bedenkt, finan­ciert, reguleert en gebruikt (cf. Magnifica humanitas, 9); daarom moet ons onder­schei­dings­ver­mo­gen, in het licht van de ver­an­de­ringen van onze tijd, zich richten op de plaats die de men­se­lijke persoon inneemt in onze beslis­singen, en op de manier waarop de waar­dig­heid van het werk, de soli­da­ri­teit, het sociaal beleid en het alge­meen wel­zijn vandaag de dag op een nieuwe manier aan de orde komen.

De onschend­ba­re waar­dig­heid van de men­se­lijke persoon

Dit onder­schei­dings­ver­mo­gen begint met een eerste stelling: elke wer­ke­lijk recht­vaar­dige samen­le­ving is gegrondvest op de erken­ning van de onschend­ba­re waar­dig­heid van de men­se­lijke persoon. Deze waar­dig­heid gaat vooraf aan elke concessie van de staat en mag niet onder­ge­schikt wor­den gemaakt aan veran­der­lijke maat­schap­pe­lijke consensus of aan de grillen van de meer­der­he­den van het moment (cf. Bene­dic­tus XVI, Toespraak voor het Duitse Bonds­dag, 22 sep­tem­ber 2011). Zij toe­komt aan ieder mens louter door het feit dat hij bestaat, en daarom moet zij de leidraad vormen voor elke po­si­tie­ve rechts­orde. Het chris­te­lijk geloof verkon­digt haar vanuit de Open­ba­ring; de men­se­lijke rede kan haar erkennen als een vereiste die verankerd is in de waar­heid van de mens (cf. ibid.). Wanneer deze over­tui­ging levend blijft, wordt het recht een bescher­ming voor ieder­een en een waarborg tegen het opleggen van par­ti­cu­liere belangen en agenda’s.

Wegwerp­cul­tuur

Op deze grond­slag is het mijn taak vandaag een rus­tig en vastbera­den woord te richten tot degenen die de zware verant­woor­de­lijk­heid dragen om het maat­schap­pe­lijk sa­men­le­ven juri­disch te ordenen. Dit sa­men­le­ven kan wor­den bedreigd door de wegwerp­cul­tuur, zoals paus Fran­cis­cus zo vaak heeft gewaar­schuwd (cf. Toespraak tot de plenaire ver­ga­de­ring van de Pau­se­lijke Academie voor het Leven, 27 sep­tem­ber 2021). In die zin: als het leven niet lan­ger als een fun­da­men­tele waarde wordt erkend, welke toe­komst kunnen onze samen­le­vingen dan nog hebben? Kan een gemeen­schap die het ongeboren kind, de bejaarde, de zieke, degene die in stilte lijdt of degene die volle­dig af­han­ke­lijk is van de zorg van anderen in de schaduw laat staan, ten volle recht­vaar­dig wor­den genoemd? De ver­de­di­ging van het men­se­lijk leven is geen partij­dige kwestie, noch een confessionele aan­gele­gen­heid: het is een doel van de bescha­ving. Elk men­se­lijk leven moet wor­den erkend en beschermd vanaf de conceptie tot aan het na­tuur­lijke einde, in elke omstan­dig­heid van zijn bestaan. Wanneer deze zeker­heid vervaagt, zijn de meest kwets­ba­ren de eerste slacht­of­fers en verliest de wet haar diepste bete­ke­nis: elke persoon dienen en be­scher­men. Daarom komt de morele groot­heid van een natie vooral tot uiting in haar vermogen om die levens die de grootste kwets­baar­heid doormaken, te be­ge­lei­den, te be­scher­men en lief te hebben.

Alge­meen wel­zijn

Het alge­meen wel­zijn is in zekere zin “de sociale vorm van de men­se­lijke waar­dig­heid” (cf. Magnifica humanitas, 59). Het bestaat niet louter uit de som van par­ti­cu­liere belangen, maar uit “het geheel van omstan­dig­he­den van het sociale leven die het voor de vereni­gingen en voor elk van hun leden moge­lijk maken om hun eigen volmaakt­heid volle­diger en ge­mak­ke­lijker te bereiken” (Gaudium et spes, 26). Wanneer het alge­meen wel­zijn niet lan­ger een gedeelde horizon is, loopt het open­baar han­de­len het risico te versnipperen in partij­dige belangen, die niet in staat zijn te waken over wat aan ieder­een toebehoort.

Het gezin

In deze context is het gezin van bij­zon­der belang, als eerste men­se­lijke reali­teit en na­tuur­lijk fun­dament van de gemeen­schap. In het gezin zijn de gene­ra­ties met elkaar verweven en wordt een levend geheugen doorge­ge­ven dat de samen­le­ving inner­lijke con­ti­nuï­teit geeft. Waar het gezin wordt onder­steund, wordt ook de spi­ri­tu­ele en sociale stabili­teit van de naties ver­sterkt. Het gezin zal altijd de eerste school van men­se­lijk­heid zijn, waar men, eer­der dan waar ook, de ele­mentaire grammatica van het sa­men­le­ven leert: het leven ont­van­gen, voor de ander zorgen, ver­ge­ven, dienen en erbij horen.

Onder­wijs

Ook onder­wijsin­stel­lingen nemen een beslissende plaats in bij deze taak. Daarin kunnen de nieuwe gene­ra­ties leren de waar­heid te zoeken en lief te hebben, zich vragen te stellen over de zin van het leven en de waar­dig­heid van elke persoon. Daarom stellen veel ouders, die graag willen dat hun kin­de­ren leren omgaan met anderen, kri­tisch denken en solide waar­den verwerven, grote hoop in deze in­stel­lingen, als waarde­volle bond­ge­no­ten in de opvoe­ding van hun kin­de­ren. Deze samen­wer­king moet altijd het „primaire en onvervreemd­ba­re recht” van de ouders res­pec­teren om „het soort onder­wijs en opvoe­ding te kiezen dat hun kin­de­ren ont­van­gen, in overeenstem­ming met hun eigen morele, culturele en reli­gi­euze over­tui­gingen” (cf. Magnifica humanitas, 143; cf. Inter­na­tio­naal Verdrag inzake bur­ger­rechten en poli­tieke rechten, art. 18.4).

Migratie

De bevesti­ging van de men­se­lijke waar­dig­heid mag niet abstract blijven wanneer zoveel mensen ge­dwon­gen zijn alles achter te laten om vrede, vei­lig­heid en een toe­komst te zoeken. Ook het tra­gische migratie­drama daagt vandaag het geweten van de naties en het ethische fun­dament van de inter­na­tio­nale orde uit. Talrijke mannen, vrouwen en kin­de­ren wor­den door vaak dra­ma­tische omstan­dig­he­den ge­dwon­gen hun gemeen­schappen te verlaten en gelief­den, verhalen en ban­den achter te laten. Deze reali­teit reikt ver­der dan elke louter demo­gra­fische of econo­mische bena­dering: het is een bij uitstek morele en juri­dische kwestie. Waar een persoon wordt gedis­cri­mi­neerd op grond van zijn natio­nale, etnische, reli­gi­euze of taal­kun­dige afkomst, of van­wege zijn econo­mische of sociale status, wordt het uni­ver­se­le beginsel van de gelijke waar­dig­heid van alle mensen erns­tig geschon­den.

De situatie van mi­gran­ten en vluch­te­lingen vraagt om een aanpak die de mens centraal stelt, de oor­zaken aanpakt die hen dwingen te ver­trek­ken en ver­der gaat dan louter het beheer van migratie­stro­men. Hieruit vloeit een dubbele eis van sociale recht­vaar­dig­heid voort: het bie­den van veilige en legale routes, een respect­volle opvang en reële in­te­gra­tie­moge­lijk­heden; en tege­lijker­tijd het bevor­de­ren van het recht om in het eigen land te blijven, door ernaar te streven dat niemand zijn thuis hoeft te verlaten van­wege een gebrek aan vrede, vei­lig­heid of mens­waar­dige levens­om­stan­dig­heden, van­wege econo­mische onge­lijk­he­den en de gevolgen van de klimaat­cri­sis (cf. Magnifica humanitas, 81).

De steeds gevaar­lijker wor­dende routes hebben de afgelopen jaren de zeer hoge prijs van deze reali­teit aan het licht gebracht, die zo vaak verborgen blijft of gene­geerd wordt. Veel mensen blijven ten prooi aan mensen­hande­laars en smokke­laars die mis­bruik maken van hun wanhoop. Het is nood­za­ke­lijk om preventie, red­ding en hulp aan slacht­of­fers te ver­ster­ken, met name in het kader van regionale en multilaterale samen­wer­king.

Geen enkel land kan een uit­daging van deze omvang alleen het hoofd bie­den. Daarom is een ge­coör­di­neerde, solidaire en doeltreffende aanpak onontbeer­lijk, die in staat is om bescher­ming, opvang en reële in­te­gra­tie­moge­lijk­heden te garan­de­ren aan degenen die emigreren. Wanneer de in­sti­tu­tio­nele aanpak men­se­lijk, recht­vaar­dig en ge­coör­di­neerd is, zijn grenzen niet lan­ger plaatsen van verla­ting, maar kunnen zij ruimtes wor­den waar de men­se­lijke waar­dig­heid op verant­woorde wijze wordt beschermd.

Een spi­ri­tu­ele en culturele crisis

Geachte af­ge­vaar­dig­den:

De wereld maakt een diepe spi­ri­tu­ele en culturele crisis door, die zich uit in talrijke vormen van geweld, polari­sa­tie en weder­zijds wan­trouwen. In deze context presen­teert vrede zich als een poli­tiek streven en, meer nog, als een ware morele nood­zaak. Zij vraagt om een publieke toon die respect toont voor wie er anders over denkt, om in­stel­lingen die ten dienste staan van de ont­moe­ting, om een his­to­risch besef dat streeft naar waar­heid en ver­zoe­ning, en om een sociaal leven dat in staat is bur­ger­lijke vriend­schap en weder­zijds respect te handhaven te mid­den van menings­ver­schil­len.

Oorlog is een nederlaag

Op inter­na­tio­naal vlak vereist vrede diplo­ma­tieke moed, ethische verant­woor­de­lijk­heid en een toe­komst­vi­sie die is gegrondvest op respect voor de iden­ti­teit van elk volk en op de ver­plich­ting van staten om hun geschillen op te lossen via de vreedzame wegen die het inter­na­tio­naal recht biedt. Elke oorlog vormt uit­ein­delijk een pijn­lijke nederlaag voor het vermogen om te onderhan­de­len en ook voor dat gemeen­schap­pe­lijke bewust­zijn van de mens­heid dat recht­vaar­dige ban­den tussen naties erkent. Wapens kunnen tij­de­lijke stilte af­dwin­gen, maar zullen nooit echte en duurzame vrede kunnen opbouwen.

Zorgwekkende herbe­wa­pening

Daarom is het zorgwekkend dat op ver­schil­lende plaatsen in de wereld, en ook in Europa, herbe­wa­pening opnieuw wordt ge­pre­sen­teerd als een bijna onvermij­de­lijk ant­woord op de kwets­baar­heid van het inter­na­tio­nale toneel. Echte vei­lig­heid komt daar­en­te­gen voort uit recht­vaar­dig­heid, gedul­dige dialoog, eerbied voor het inter­na­tio­naal recht en een beleid dat in staat is het leven van volkeren boven de belangen te stellen die baat hebben bij oorlog. Ook de ont­wik­ke­ling van nieuwe techno­lo­gieën en kunst­ma­tige intel­li­gentie op militair gebied vereist een strikte ethische waak­zaam­heid, opdat beslis­singen over leven en dood nooit wor­den over­ge­la­ten aan automatismen of ont­trok­ken aan de morele verant­woor­de­lijk­heid van de mens (cf. Toespraak aan de Uni­ver­si­teit “La Sapienza”, 14 mei 2026).

Dialoog

De inter­na­tio­nale gemeen­schap is ge­roe­pen om de onmis­ba­re waarde van de dialoog te heront­dek­ken als een gedul­dige weg naar recht­vaar­dige en duurzame over­een­kom­sten, gegrondvest op de eerbie­diging van verdragen, op de tran­spa­ran­tie van het diplo­ma­tieke optre­den en op de oprechte bereid­heid om vrede te verkiezen boven het gebruik van geweld. Daaruit vloeien ver­trouwen en hoop voort.

Zoals het motto van de Europese Unie, In varietate concordia, ons herinnert, leidt ware een­heid niet tot uniformi­teit, maar tot samenhang in verschei­den­heid, waarbij culturen, gevoelig­he­den en tradities een kans op weder­zijdse verrij­king vormen.

Ook binnen de samen­le­vingen zelf is het dringend nood­za­ke­lijk een cultuur van wederkerig­heid op te bouwen. Poli­tieke plurali­teit mag niet ontaar­den in een voort­du­rende diskwalifi­ca­tie van de tegen­stan­der. In een volwassen samen­le­ving kan zelfs conflict een weg naar vrede wor­den, wanneer verschillen wor­den ver­zacht door te luis­te­ren en wor­den gericht op de erken­ning van de behoeften, verlangens en capaci­teiten van ieder­een.

De taal ont­wa­penen

Maar vrede is niet alleen een poli­tieke of in­sti­tu­tio­nele reali­teit. Zij ont­staat ook in het geweten, daar waar wrok, onver­schil­lig­heid en haat plaats maken voor ver­zoe­ning. Daarom wordt vrede ook door middel van taal tot stand gebracht en beschermd. Woor­den kunnen wegen openen of afsluiten; ze kunnen de wer­ke­lijk­heid verhel­de­ren of ver­vor­men totdat ont­moe­ting onmoge­lijk wordt. Degenen die een publieke verant­woor­de­lijk­heid uit­oefe­nen, hebben daarom een bij­zon­dere plicht om het woord te bewaken om “de taal te ont­wa­penen” (Bood­schap voor de vas­ten­tijd van 2026, 13 februari 2026). Standvas­tig­heid vereist geen minach­ting; meningsverschil leidt niet tot verne­dering.

Vrij­heid van gods­dienst

Uit dit respect voor de ander vloeit ook de plicht voort om de ruimte te be­scher­men waar zijn over­tui­gingen, zijn geweten en zijn relatie met God tot rij­ping komen. Aandacht voor dat inner­lijke domein maakt het moge­lijk een kwestie beter te begrijpen die van cruciaal belang is voor elke wer­ke­lijk democra­tische samen­le­ving: de vrij­heid van gedachte, geweten en gods­dienst, een grondrecht dat het meest intieme domein van de mens beschermt. De vrij­heid waarop de heden­daag­se staat is gegrondvest, erkent, indien zij authen­tiek is, de reli­gi­euze dimensie van de mens, res­pec­teert deze en beschermt deze juri­disch; en voor­komt dat iemand van­wege zijn geloof moet afzien van een bijdrage aan de samen­le­ving waarin hij leeft.

Wat is vrij­heid?

Zonder het juri­dische vlak te verwarren met het morele, is het goed om ook te bedenken dat vrij­heid een volle­dig begrip van zich­zelf vereist. Vrij zijn betekent niet alleen vrij zijn van dwang of be­schik­ken over vele keuze­moge­lijk­heden; het betekent het goede kunnen herkennen en zich daar op verant­woorde wijze aan kunnen hou­den. Daarom vereist elke wer­ke­lijk vrije samen­le­ving ook een juiste afbake­ning van de open­ba­re macht, zodat de vrij­heid van personen, gemeen­schappen en vereni­gingen niet onno­dig wordt beperkt (cf. Dignitatis humanae, 1). Vanuit dit per­spec­tief mag de legitieme autonomie van de tij­de­lijke orde nooit wor­den ge­ïnter­pre­teerd als vijan­dig­heid jegens het reli­gi­euze feno­meen. Het geloof beoogt zich niet op te dringen door middel van pri­vi­le­ges of dwang; het mag echter evenmin tot zwijgen wor­den gebracht alsof het irrele­vant is voor het open­ba­re leven.

Biechtgeheim

In deze context is het sacra­men­tele biechtgeheim van bij­zon­der belang voor de katho­lieke Kerk. Het past in het bre­dere kader van de gods­dienst­vrij­heid, die gelo­vi­ge gemeen­schappen een eigen ruimte voor leven, organi­sa­tie en interne discipline garan­deert (cf. Con­fe­ren­tie over Vei­lig­heid en Samen­wer­king in Europa, Slotakte van Helsinki, 1 au­gus­tus 1975, Beginsel VII). Dit juri­disch te waar­bor­gen, zoals op verge­lijk­ba­re wijze in som­mi­ge be­roe­pen gebeurt, betekent het behou­den van een heilige ruimte van inner­lijke vrij­heid, waar de gelo­vi­ge zijn ziel voor God kan openen zon­der vrees voor externe druk, zoals ook in inter­na­tio­nale normen wordt erkend (cf. Inter­na­tio­naal Strafhof, Regels inzake pro­ce­dure en bewijs­voe­ring, Regel 73.3).

Dames en heren:

Deze zaal en haar bete­ke­nis

Staat u mij toe even stil te staan bij enkele afbeel­dingen die deze zaal sieren. In deze ver­ga­der­zaal valt het na­tuur­lijke licht binnen via het dakraam dat de zaal bekroont. Dat licht dat van boven komt, kan ons eraan her­in­ne­ren dat ook de poli­tiek een maatstaf moet erkennen die haar voorafgaat en overstijgt.

Ook de schil­derijen boven aan de hoofdmuur, die de ont­vangst van het Evan­ge­lie en de Tien Gebo­den uit­beel­den, her­in­ne­ren aan iets wezen­lijks. Zonder de poli­tieke orde te verwarren met de reli­gi­euze, nodigen deze tekenen uit om te erkennen dat de moderne vrij­heid ook is voor­be­reid door een langdurige vor­ming van het geweten, die diep is getekend door de chris­te­lijke traditie. In die inner­lijke school hebben de volkeren geleerd dat het recht het goede moet dienen, dat ge­rech­tig­heid grenzen stelt aan geweld, dat macht legitimi­teit behoeft, dat de armen ten volle tot de gemeen­schap behoren, dat de vreem­de­ling moet wor­den opgeno­men met inachtne­ming van zijn waar­dig­heid en dat het men­se­lijk leven nooit als handels­waar mag wor­den behandeld.

Een wet bereikt haar ware groots­heid niet louter door het feit dat zij formeel is aan­ge­no­men; zij bereikt die pas wanneer zij, naast het feit dat zij vorme­lijk gel­dig is, zich voor de waar­dig­heid van de persoon kan verant­woor­den en uit die toet­sing kan komen zon­der zich te schamen.

Ik nodig u dan ook uit om uw blik te verheffen: niet om u van de wer­ke­lijk­heid af te keren, maar om te beseffen dat elke beslis­sing van de over­heid mensen van vlees en bloed raakt, in het bij­zon­der degenen die min­der kracht hebben om zich te laten horen. Want een verheven blik bestaat juist uit het dieper kijken naar wat er bij elke publieke beslis­sing op het spel staat. Daarom is er, naast tech­nische oplos­singen en wette­lijke her­vor­mingen, ook behoefte aan een morele vernieu­wing.

De rol van Spanje

Spanje heeft op deze weg veel te bie­den. Het beschikt over een taal die continenten met elkaar verbindt; een culturele, juri­dische en spi­ri­tu­ele traditie die geloof en rede, recht en geweten, een­heid en plurali­teit met elkaar in dialoog heeft weten te brengen. Deze his­to­rische erva­ring herinnert ook aan de waarde van een­dracht en van het gedul­dige streven naar een vreed­zaam en recht­vaar­dig sa­men­le­ven.

Moge deze nobele natie nooit de her­in­ne­ring aan haar wor­tels verliezen, noch de moed om naar de toe­komst te kijken. Moge Spanje een land blijven van ont­moe­ting, cultuur, soli­da­ri­teit en hoop. En moge het open­ba­re leven erin slagen de standvas­tig­heid van over­tui­gingen altijd te verenigen met de edel­moe­dig­heid van de dialoog en de groot­heid van de dienst­baar­heid.

Moge God vrede schenken aan alle volkeren op aarde, een­dracht aan de ge­zin­nen en rust aan de gewetens. En mogen er over het Ko­nink­rijk Spanje, getekend door de apos­to­lische voetafdruk van Sint-Jakobus en door de moe­der­lijke aanwe­zig­heid van de Maagd van Pilar, dagen van wel­vaart, ge­rech­tig­heid en duurzame vrede aan­bre­ken. Harte­lijk dank.

post deze webpagina op: Facebook X / Twitter
Terug