Christen zijn in politiek en openbaar bestuur
Enkele fundamentele beschouwingen
Woensdag 17 juni hield ik in Den Haag een lezing binnen het kader van een ontbijtbijeenkomst van ICLN (International Catholic Legislators Network) over Christen-zijn in politiek en openbaar bestuur, met name over enkele fundamentele uitgangspunten van de katholieke sociale leer die voor politici en bestuurders leidend kunnen zijn. De lezing wordt gevolgd door de toespraak van paus Leo XIV tot het Spaanse Congres van afgevaardigden en de Senaat.
Over ICLN zie: International Catholic Legislators Network
Christen zijn in politiek en openbaar bestuur
Het geloof zonder werken is dood, zei de apostel Jacobus al (Jak. 2, 26). Wie het Woord van God hoort, moet het ook volbrengen (vgl. Jak. 1, 22). Tal van nieuwtestamentische teksten wijzen op deugden en alles wat voor een christen nastrevenswaardig is. Het grote kader daarvoor is het gebod van de naastenliefde, liefde niet verstaan als “gevoel” of “sympathie” - die juist een basis kunnen worden voor bevoordeling van bepaalde personen en instituties en dus voor onrecht - maar als oblatieve liefde, als inzet, altijd op het fundament van de waarheid. “Wat is waarheid?”, Pilatus vroeg het al, hij deed dat om schouderophalend aan die vraag voorbij te gaan (Jo. 18, 38). Zoeken naar waarheid in deze zin veronderstelt dat er een objectief gegeven is, een uitgangspunt waaraan de toelaatbaarheid of opportuniteit van bestuurlijke beslissingen wordt getoetst en waardoor rechtvaardigheid en gerechtigheid worden geobjectiveerd. “Het goede doen en het kwade laten”, dat is christen-zijn, ook in politiek en bestuur. Binnen een democratie is er geen politiek zonder het sluiten van compromissen. Bij veel thema’s gaat het om afweging en het zoeken naar het juiste midden, in andere zaken moet je principieel zijn.
I BASISBEGINSELEN
1. Het principieel uitgangspunt
In de katholieke sociale leer is dat principiële uitgangspunt de absolute waardigheid van de mens. Je mag een onschuldig mens niet intentioneel doden, bijvoorbeeld om een dier te redden. Een ander hiermee samenhangend aspect is het algemeen welzijn. Dit houdt natuurlijk onder meer in dat een wet of maatregel van bestuur “in den brede” moet worden bekeken, rekening houdend met de rechten en plichten van eenieder en met het goed samenleven van alle burgers.
2. Waarheid
“Zonder waarheid glijdt de liefde af in sentimentaliteit”(Benedictus XVI, Enc. Caritas in veritate (2009), n. 3). Een bepaalde situatie kan bijvoorbeeld zeer meelijwekkend overkomen, waardoor we geneigd zijn om met een gesuggereerde oplossing méé te gaan, maar het is nodig uit te zoomen en van het emotionele aspect over te gaan naar de vraag hoe een bepaalde “oplossing” staat binnen de rechtvaardigheid en het algemeen welzijn van allen. “Zoeken naar de waarheid is een essentieel element van democratie, wat op zich al een manier is om bij te dragen aan het algemeen welzijn” (P. Leo XIV, Enc. Magnifica Humanitas n. 134).
Waarheid betekent hier dat iets overeenkomt met de objectieve werkelijkheid en de natuur der dingen. Er bestaan veel subjectievere waarheidsopvattingen, tot aan “iets is waar als ik dat vind”. Dat is misschien nog te verdragen als iemand zijn eigen smaak nogal verabsoluteert - “vis is lekker” - , maar als het gaat over fake news bijvoorbeeld, kan het heel problematisch worden. Waarheid geldt dan niet meer als vaste basis en uitgangspunt, maar wordt iets van situaties en omstandigheden alleen. Het zoeken naar objectieve waarheid is voor rechtvaardigheid fundamenteel.
3. De waardigheid van de menselijke persoon
Binnen de sociale leer van de kerk is waarheid wat overeenkomt met de waardigheid die inherent is aan de menselijke persoon. Dat is natuurlijk soms lastig te bepalen en het beantwoorden van die vraag leidt in het politieke en bestuurlijke domein tot meningsverschillen. Wat behoort tot de menselijke waardigheid? Wat wordt door de bescherming ervan vereist? Hier is bepalend hoe die waardigheid wordt gedefinieerd. Sommigen zullen bijvoorbeeld het zelfbeschikkingsrecht bovenaan plaatsen en er zijn er dan ook die zeggen of feitelijk menen dat de waardigheid van een mens afhankelijk is van de mate waarin die mens over zijn eigen leven kan beschikken.
De sociale leer van de Kerk blijft met reden weg van deze opvattingen. De waardigheid zoals die in de sociale leer van de kerk wordt verstaan is intrinsiek aan het mens-zijn zelf. Er is dus geen gradatie in waardigheid afhankelijk van iemands persoonlijke vaardigheden of gezondheid bijvoorbeeld. Als je zo’n gradatie van mens-zijn wél zou aannemen, delven de zwakkeren en “beperkten” het onderspit. Er is bovendien geen instantie, bijvoorbeeld een burgerlijke overheid, die zich bóven mensen en hun waardigheid mag stellen in de optiek van de sociale leer. Instanties en overheden staan ten dienste van de mens. Het schrikbeeld van een overheid die dit negeert, is treffend verwoord in George Orwell’s “1984”. We zijn dit jaartal intussen al lang gepasseerd, maar het schrikbeeld is niet verdwenen. Tendensen om het voor de samenleving centrale karakter van de menselijke waardigheid te verzwakken, zijn in ruime mate aanwezig. Bovendien is er een stevige tendens om nooit vanuit een vaste grondslag te denken en projecteren bij het maken van wetten (Vgl. P. Leo XIV, Enc. Magnifica humanitas n. 56; P. Franciscus, Enc. Fratelli Tutti (3 October 2020), n. 208).
De sociale leer van de katholieke kerk heeft er altijd aan vast gehouden dat er bepaalde inzichten zijn over een mens, dat er een waarheid is over de mens, die niet afhankelijk is van je geloof, van de vraag of je christen bent, maar waarover je met je verstand tot het inzicht kunt komen. Daaraan ontlenen mensenrechten hun “vastigheid”.
4. Een mens is een sociaal wezen
Fundamenteel is dus dat de menselijke persoon in iedere samenleving centraal staat, c.q. moet staan en dat iedere organisatievorm binnen een samenleving daartoe dienend is. In christelijke zin vertaald: de mens is beeld van God (vgl. Gaudium et spes 12). Dat dienende karakter van instituties binnen een samenleving, ten dienste van de mens, is vertaald in het bekende subsidiariteitsbeginsel.
Maar het is niet een individualistisch mensbeeld dat hier wordt geschetst, doch een sociaal mensbeeld: “de mens is .. in het diepst van zijn wezen sociaal en zonder band met anderen kan hij niet leven noch zijn talenten ontplooien” (Gaudium et spes, n. 12). Een mens is dus van nature geroepen om samen te leven met anderen. Tenminste in de zin dat hij andere mensen nodig heeft. Dit geeft aanleiding tot twee andere beginselen van de sociale leer: het algemeen welzijn en het solidariteitsbeginsel.
5. Justitia
Paus Benedictus XVI publiceerde in 2009 de Encycliek “Caritas in veritate” (liefde in waarheid) en die titel geeft gelijk het principe weer waar het in de sociale leer van de Kerk om draait. “Naastenliefde in waarheid”: een principe dat effectief vorm aanneemt in criteria die richting geven aan het morele handelen. We staan bij enkele van die criteria stil.
Het minimum aan caritas, aan naastenliefde is de justitia (rechtvaardigheid, gerechtigheid). Ubi societas, ibi ius, er is geen maatschappij zonder recht. Het recht dient de justitia in een samenleving te garanderen. Maar het is een minimum: liefde overstijgt dat minimum, al is er geen liefde zonder justitita (vgl. Caritas in veritate 6).
6. Mensenrechten
Uit de waardigheid van de menselijke persoon vloeit voort dat een mens rechten heeft. Pausen hebben dan ook met veel waardering over de Universele Verklaring van de Mensenrechten (1948) gesproken (bijv. Magnifica Humanitas, n. 54; P. Johannes Paulus II, Address to the 50th General Assembly of the United Nations (5 October 1995), n. 2; IDEM, Address to the 34th General Assembly of the United Nations (2 October 1979), n. 7).
Mensenrechten zijn inherent aan de menselijke persoon, niet een soort extra toevoeging. Door de mensenrechten die uit de waardigheid van de menselijke persoon voortvloeien, wordt die menselijke persoon fundament voor wetten en verordeningen in de maatschappij. En doordat die rechten intrinsiek eigen zijn aan de mens, zijn ze onschendbaar. Ze kunnen niet om een of andere reden even “geparkeerd” worden en ze gelden dus voor iedereen (Magnifica humanitas, nn. 54-55). Het is daarom goed dat er bijvoorbeeld meer aandacht is gekomen voor rechten van minderheden (Magnifica humanitas, n. 57).
7. Absolute morele vereisten of afweging van de situatie
Daarbij zijn er natuurlijk wel afwegingen te maken. Er zijn keuzes die rechtstreeks ingaan tegen de waardigheid van de menselijke persoon en diens rechten. Als een overheid toestaat om vluchtelingen te martelen, is dat een rechtstreekse schending van de menselijke waardigheid. Dat is altijd en in alle omstandigheden ontoelaatbaar.
Bij het maken van keuzes voor beleidsbeslissingen en andere maatregelen speelt afweging van een situatie echter wel een belangrijke rol. De situatie is dan niet zwart of wit. Fundamentele politieke keuzes en ook bijvoorbeeld christelijke overtuigingen moeten handen en voeten krijgen in een concrete situatie, waarin diverse aspecten af te wegen zijn. Bijvoorbeeld, in de vluchtelingenproblematiek kan het christelijk antwoord lijken te zijn dat de Bijbel naastenliefde aanbeveelt en ook gastvrijheid (vgl. Rom. 12, 13; Hebr. 13, 2; 1 Petr. 4, 9). Zorg voor vluchtelingen en het opnemen van vreemdelingen (vgl. Mt. 25, 35; de parabel van de barmhartige Samaritaan, Lc. 10, 25-37) worden er als een positieve zaak gezien, maar betekent dit dat we geen grenzen zouden moeten stellen vanuit christelijk overtuiging? Niemand zal beweren dat de gastvrijheid grenzeloos moet zijn, zonder enige beperking. Concrete afwegingen en oplossingen zijn vaak niet één op één te maken vanuit een Bijbelwoord of de sociale leer van de kerk. Er hangt dus veel vanaf over welk thema het gaat: een rechtstreekse schending van de menselijke waardigheid is iets anders dan de modaliteiten van bescherming van die waardigheid.
8. De eigen verantwoordelijkheid van politici en bestuurders
Voor wat dat laatste betreft en de politieke beslissingen die daarmee in verband staan: de katholieke kerk erkent de eigen verantwoordelijkheid van politici en beleidsmakers en wil zich niet bemoeien met hun vrijheid van mening daaromtrent (CONGREGATION FOR THE DOCTRINE OF THE FAITH, Doctrinal Note on some questions regarding The Participation of Catholics in Political Life, 24 November 2002.n. 6). Het is niet de taak van de Kerk om concrete politieke oplossingen te bieden of te zeggen dat een bepaalde concrete oplossing de beste is, maar wél om de waarden aan te geven waarop die gebaseerd zouden moeten zijn. Als het leergezag van de katholieke kerk zich over zaken van beleid uitlaat, gaat het dus over de menselijke waardigheid en de rechten en principes (zoals de grondbeginselen van de sociale leer) die daaruit voortvloeien of over schendingen van die menselijke waardigheid en de rechten van de mens, maar niet over concrete politieke besluiten buiten die welke direct rechten van mensen en hun waardigheid schenden.
De vrijheid van een christelijke politicus wordt dus door de katholieke kerk bevestigd. Die bevestiging houdt niet in dat iedere visie op de menselijke persoon even waardevol en waar is; politieke vrijheid gaat veel meer om het feit dat er allerlei verschillende situaties zijn waarin je op basis van een christelijk mensbeeld tot beleid wilt komen. Die situaties vragen om afwegingen en dat kan dus betekenen dat je vanuit het zelfde achterliggende christelijk mensbeeld tot verschillende conclusies kunt komen (vgl. Doctrinal Note, n. 3).
9. Kerk en democratie
Democratie is de beste garantie voor een directe deelname van burgers in politieke keuzes, als de menselijke waardigheid goed verstaan wordt en als fundering voor de samenleving geldt (Doctrinal note..., n. 3). Paus Leo XIII, Enc. Diuturnum illud 1881 (Ench delle Enc.deel 3, nn. 227vv.) en latere pausen hebben aangegeven dat de kerkelijke leer niet tegen democratie is. P. Paulus VI heeft aangegeven (Octogesima adveniens 1971) dat democratie het best beantwoord aan de katholieke sociale leer. Het - in feite democratische - subsidiariteitsbeginsel is van 1931 (P. Pius XI, Enc. Quadragesimo anno).
Traditionalistische groepen , die zich als katholiek presenteren, die democratie en godsdienstvrijheid verwerpen, geven dus geen katholieke visie weer.
II ENKELE CONCRETE THEMA’S
Tot besluit nog een enkele opmerking bij sommige specifieke thema’s
10. De universele bestemming van de goederen der aarde
De universele bestemming van de goederen der aarde gaat over een basisrecht: grond, water, lucht, natuurlijke hulpbronnen zijn gegeven voor het leven van heel de mensheid (Magnifica Humanitas, n. 65); het is belangrijk dat de grondrechten die hieruit voortvloeien worden beschermd, onder meer door verklaringen, verdragen en wetgeving.
11. Ouders, opvoeding en onderwijs
Het natuurlijk recht (en de plicht) van de ouders om hun kinderen op te voeden is een onvervreemdbaar recht, dat wordt erkend door de Universele Verklaring van de Mensenrechten (Doctrinal Note, n. 4); en “omdat zij het eerste recht en de plicht hebben om hun kinderen op te voeden, moeten de ouders ook een echte vrijheid hebben inzake schoolkeuze” (Gravissimum Educationis, n. 6, vgl. n. 3). Een schoolmonopolie is tegen de rechten van de mens, omdat dit het recht op opvoeding overeenkomstig de eigen overtuiging negeert. Schoolvrijheid is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.
12. Rechtvaardige oorlog?
Het concept van “rechtvaardige oorlog” (De bello iusto) heeft nogal verandering ondergaan. De H. Thomas van Aquino (1225-1274) heeft dat concept ooit als volgt omschreven: oorlog is een laatste middel, geweld moet proportioneel zijn, onnodige schade vermijden en erop gericht zijn het recht te herstellen (Summa Theologica II, sec. 2, q. 40, a. 1). Deze visie is een beetje in crisis geraakt. Niet omdat die niet meer klopt, maar omdat oorlogen zó veranderd zijn door het gebruik van massavernietigingswapens. Paus Johannes XXIII publiceerde in 1963 de Encycliek Pacem in terris en legde de nadruk op dialoog, op een weg van rechtvaardigheid en verzoening. In de lijn van de traditie veroordeelde hij de totale oorlog. Het tweede Vaticaans concilie veroordeelde de bewapeningswedloop. Voorgesteld werd te streven naar verdragen die oorlogen uitbannen en een wereldautoriteit conflicten op te laten lossen. Nog tijdens het tweede Vaticaans Concilie bezocht paus Paulus VI daarom de Verenigde Naties om daar op te roepen tot een versterking van het gezag van de VN. “Nooit meer oorlog!”, riep de paus daar uit.
13. Eerbiediging van het menselijk leven
De organisatie van de maatschappij gaat dus om de menselijke persoon. Dat de maatschappij de mensen dient, is een gegeven dat gelovige en niet-gelovige politici zouden moeten kunnen delen. Het recht op leven van mensen is dan ook fundamenteel, een basisprincipe. Een politicus heeft de ernstige en duidelijke verplichting zich te verzetten tegen iedere wet die het recht op het menselijk leven van de conceptie tot de natuurlijke dood bedreigt (Doctrinal Note, n. 4; P. Johannes Paulus II, Enc. Evangelium vitae, 73). In deze lijn zijn abortus en euthanasie ononderhandelbaar, evenals de bescherming van de rechten van het menselijk embryo (Doctrinal Note, n. 4). Maar let wel: er zijn wetten die iets rechtstreeks toestaan of zelfs een recht noemen wat in zichzelf kwaad is en daar kan een christelijke politicus vanuit een goed gevormd geweten niet vóór stemmen; vanuit zijn christelijk gevormd geweten zal een politicus niet voor een wet stemmen die abortus provocatus als recht in de Grondwet opneemt. Maar er zijn ook wetten die een kwaad weliswaar tolereren of niet strafbaar stellen, maar op zich niet billijken. Zo iets gebeurt in vele landen met prostitutie. Iets dergelijks is ook gebeurd met onze Nederlandse abortuswet die een strafuitsluitingsgrond kent die inhoudt dat het teweegbrengen van een abortus niet strafbaar is, wanneer een arts de abortus uitvoert volgens de regels die de wet stelt. Het was zo’n soort formulering die sommige christelijke politici over de streep trok om vóór de wet te stemmen, in de hoop een slechter wetsontwerp te verijdelen. In beide kamers werd de wet toen met een meerderheid van slechts één stem aangenomen. Sommige christelijke politici hebben over die stemming lange tijd begrijpelijke gewetensproblemen gehad.
Een politicus zou dus niet moeten instemmen met een wet die euthanasie, abortus of experimenten op menselijke embryo’s toestaat, maar dat geldt niet voor een wetsvoorstel dat de mogelijkheden van reeds bestaande wetten inperkt. Daar zou een politicus in goed geweten vóór kunnen stemmen, ook als die wet naar christelijke opvatting niet perfect is, maar slechts het kwaad beperkt (Doctrinal Note, n. 4).
Nog anders is het als een overheid zou besluiten om buitengewone medische behandelingen te verbieden, die wellicht kostbaar zijn en het leven slechts een weinig verlengen. Dat kan, indien proportioneel, moreel heel legitiem zijn (vgl. Doctrinal Note, n. 4).
Besluit
Er is natuurlijk nog veel meer te zeggen. Ik heb het vrijwel steeds over “christenen” gehad, omdat het vandaag over waarden en opvattingen gaat, die voortvloeien uit een mensbeeld, dat christenen over grenzen van kerken kunnen delen.
Belangrijke bronnen vanuit de katholieke kerk blijven: de Catechismus van de katholieke kerk en het Compendium van de sociale leer van de Kerk. Voor een aantal thema’s zijn de meer recente kerkelijke documenten essentieel, zoals bijvoorbeeld Laudato Sì (2015) en Laudate Deum (2023) over de klimaatcrisis, Fratelli tutti (2020) over de broederschap van de mensen en Magnifica humanitas (2026) over AI. Interessant is ook de toespraak die paus Leo XIV op 8 juni j.l. hield voor alle Spaanse parlementariërs.
Binnen de katholieke kerk is de patroonheilige van politici en staatslieden de H. Thomas More die er altijd wars van was om valse compromissen te sluiten. Het geweten was voor hem heilig. Hij was zelf gewetensvol en trouw aan zijn inzichten. Paus Johannes Paulus II zei over hem dat hij door zijn leven en dood liet zien dat je een mens niet van God kunt losmaken en dat je politiek en bestuur niet van moraliteit kunt scheiden. Zijn leven voor de publieke zaak stond in dienst van de menselijke persoon, vooral de zwakken en armen (Johannes Paulus II, Apostolische Brief Motu Proprio Proclaiming Saint Thomas More Patron of Statesmen and Politicians, 4: AAS 93 (2001), 76). Moge Thomas More ons blijven inspireren, moge hij voor ons allen een voorspraak zijn.
+Jan Hendriks
Bisschop van Haarlem-Amsterdam
TOESPRAAK VAN DE HEILIGE VADER
Congres van Afgevaardigden (Madrid)
Maandag 8 juni 2026
_______________________________
Premier,
Voorzitter van het Congres van Afgevaardigden,
Voorzitter van de Senaat,
Voorzitter van het Grondwettelijk Hof,
Voorzitter van het Hooggerechtshof en van de Algemene Raad van de Rechterlijke Macht,
Leden van het Congres van Afgevaardigden en van de Senaat,
Dames en heren:
Als bisschop en herder
Ik dank de voorzitter voor haar vriendelijke woorden, evenals voor de uitnodiging die de Apostolische Stoel heeft ontvangen ter gelegenheid van mijn reis naar dit land, en voor de eer om te mogen worden ontvangen in dit historische paleis van de Kamer van Afgevaardigden, het vooraanstaande centrum van het institutionele, juridische en democratische leven van het Koninkrijk Spanje. Ik sta hier voor u allen als bisschop van Rome en herder van de katholieke Kerk, in het besef dat de missie die aan de opvolger van de apostel Petrus is toevertrouwd als beginsel en fundament van de eenheid van de bisschoppen en de gelovigen (cf. Lumen gentium, 23), de Heilige Stoel op een bijzondere wijze in dialoog brengt met de volkeren en de staten.
Autonomie van aardse realiteiten
Mijn aanwezigheid onder u wil een gebaar van nabijheid jegens Spanje zijn, in het kader van wederzijdse samenwerking, en een woord dat wordt aangeboden vanuit de dienst aan de menselijke persoon. De Kerk “gaat mee met de mensheid”, deelt haar hoop en haar wonden, luistert naar de vragen van elke tijd en laat zich aanspreken “door alles wat het bestaan van de mannen en vrouwen van vandaag aangaat”. Daarom, wanneer zij zich tot het openbare leven richt, doet zij dat met respect voor de eigen missie van de instellingen en de legitieme verantwoordelijkheid van hen die het mandaat hebben ontvangen om wetten te maken. Zij erkent “de autonomie van de aardse realiteiten” en “het onderscheid tussen kerkelijke gemeenschap en politieke gemeenschap”; en juist vanuit dat besef draagt zij een reflectie bij die voortkomt uit de wens om het algemeen welzijn te dienen en te herinneren aan wat het samenleven werkelijk menselijk maakt (cf. Magnifica humanitas, 18-19).
Mensbeeld
In deze vergaderzaal krijgt het samenleven een juridische vorm. Hier worden de verschillen gehoord, geordend en, waar mogelijk, omgezet in een gezamenlijk besluit. Daarom komt elke wetgevende taak, afgezien van de legitieme verscheidenheid aan standpunten, uiteindelijk uit bij een beslissende vraag: welk mensbeeld inspireert de wetten en wat voor soort samenleving bouwen die wetten op?
Rijk erfgoed
Wat deze kwestie betreft, beschikt Spanje over een bijzonder rijk verleden. Zijn geografische en politieke identiteit is verweven geraakt met een geschiedenis waarin geloof en rede, kunst en recht, traditie en gedachtegoed elkaar op vruchtbare wijze hebben weten te vinden. In zijn kathedralen en universiteiten, in zijn onsterfelijke literatuur, in zijn juridische instellingen en in de geest van zijn volk zelf blijft een erfgoed levend dat vorm heeft gegeven aan een manier om vrijheid te beleven, rechtvaardigheid te beoefenen en het gemeenschappelijk leven te ordenen.
De hoge waardigheid van de mens
Van de universele bladzijden van Don Quichot, waar Cervantes verkondigde dat „de vrijheid [...] een van de kostbaarste gaven is die de hemel de mensen heeft geschonken” (Don Quichot van La Mancha, II, 58), tot de spirituele diepgang van de heilige Teresa van Ávila, en van de grote Spaanse juridische traditie tot de metafysische zoektocht van Unamuno, die eraan herinnerde dat de mens “zich niet volledig bij de dood neerlegt” (Del sentimiento trágico de la vida, I), heeft Spanje de mens weten te zien als meer dan slechts een onderdeel van de sociale, economische of politieke orde: het heeft hem erkend als een wezen dat openstaat voor de waarheid, begiftigd met vrijheid en gedreven door een dorst naar eeuwigheid die geen enkele tijdelijke werkelijkheid kan blussen; kortom, als iemand wiens waardigheid voorrang heeft boven elk nut en aan wiens dienst de wetgevende macht onderworpen is.
De school van Salamanca
Daarom leidt deze toespraak, wanneer we vandaag over de menselijke persoon spreken, vanzelfsprekend naar Salamanca en naar het gedachtegoed dat daar tot wasdom kwam. De symbolische aanwezigheid in deze zaal van de koningen Isabella en Ferdinand verwijst naar dat moment waarop Spanje voor historische verantwoordelijkheden van universele reikwijdte kwam te staan; enkele jaren later zou Salamanca met een bijzondere helderheid de morele en juridische reflectie op zich nemen die dat scenario vereiste. Op die universiteit, vijfhonderd jaar geleden, toen zich nieuwe werelden en immense mogelijkheden in de betrekkingen tussen de volkeren openden, begrepen sommige leraren dat de rede niet kon worden ingeroepen om alles wat macht of eigenbelang als wenselijk voorstelden, van legitimiteit te voorzien. Zo introduceerden zij in het historisch inzicht de vraag naar de onherleidbare waarde van ieder mens en de morele grenzen van de macht. Men moet erkennen dat de samenleving en de Kerk zelf niet altijd opgewassen waren tegen de intuïties die weerklank vonden in hun eigen christelijke traditie.
Toch opende die vraag een intellectuele en morele horizon die hun eigen historische moment overstijgt. De intuïtie van de totus orbis, van een menselijke gemeenschap die ruimer is dan welke particuliere macht dan ook, maakte het mogelijk het bestaan van juridische en morele banden tussen de volkeren te bevestigen. Vanuit Spanje droeg de reflectie van de School van Salamanca - en in het bijzonder van broeder Francisco de Vitoria, samen met andere dominicanen en jezuïeten - bij aan de vorming van een juridisch en moreel bewustzijn dat in staat was te herinneren dat autoriteit altijd een verantwoordelijkheid met zich meebrengt en dat ieder mens erkend moet worden als drager van rechten en plichten. Dat verlangen spreekt ook vandaag de dag nog steeds: dat waardigheid, rechtvaardigheid en het algemeen welzijn de maatstaf mogen zijn voor sociale relaties, zowel op nationaal als op internationaal niveau.
Het erfgoed uit Salamanca
Dit is een van de grote erfenissen van Spanje: het hebben verenigd van historisch handelen met de helderheid van de morele rede. Die bijdrage, ontstaan aan de oevers van de Tormes, reikte verder dan de collegezalen en bibliotheken en werd onderdeel van een breder bewustzijn, gedeeld door de internationale gemeenschap die zich nog steeds afvraagt hoe vrede kan worden opgebouwd op basis van de erkenning van de persoon en niet op basis van het opleggen van geweld. Die erfenis leeft ook voort in deze Cortes, telkens wanneer de wetgever zich afvraagt hoe het mogelijke rechtvaardig kan worden gemaakt, hoe het wettige werkelijk menselijk kan zijn en hoe de wil van de meerderheid de goederen die aan iedereen toebehoren kan beschermen en datgene kan respecteren wat geen enkele meerderheid legitiem mag schenden.
De vraag uit Salamanca blijft de taak begeleiden van hen die het openbare leven dienen. Vandaag de dag worden de nieuwe werelden die zich voor ons openen niet langer op kaarten getekend: ze ontvouwen zich in de techniek, de economie, de biogeneeskunde en het digitale universum, waar de menselijke macht steeds gevoeligere domeinen van het persoonlijke en sociale leven bereikt.
AI
De vooruitgang biedt bewonderenswaardige mogelijkheden, en vandaag zien we dat op bijzondere wijze in de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en de nieuwe technologieën. Zoals ik in mijn recente encycliek heb opgemerkt, is technologie op zichzelf niet neutraal, omdat zij het gezicht aanneemt van degene die haar bedenkt, financiert, reguleert en gebruikt (cf. Magnifica humanitas, 9); daarom moet ons onderscheidingsvermogen, in het licht van de veranderingen van onze tijd, zich richten op de plaats die de menselijke persoon inneemt in onze beslissingen, en op de manier waarop de waardigheid van het werk, de solidariteit, het sociaal beleid en het algemeen welzijn vandaag de dag op een nieuwe manier aan de orde komen.
De onschendbare waardigheid van de menselijke persoon
Dit onderscheidingsvermogen begint met een eerste stelling: elke werkelijk rechtvaardige samenleving is gegrondvest op de erkenning van de onschendbare waardigheid van de menselijke persoon. Deze waardigheid gaat vooraf aan elke concessie van de staat en mag niet ondergeschikt worden gemaakt aan veranderlijke maatschappelijke consensus of aan de grillen van de meerderheden van het moment (cf. Benedictus XVI, Toespraak voor het Duitse Bondsdag, 22 september 2011). Zij toekomt aan ieder mens louter door het feit dat hij bestaat, en daarom moet zij de leidraad vormen voor elke positieve rechtsorde. Het christelijk geloof verkondigt haar vanuit de Openbaring; de menselijke rede kan haar erkennen als een vereiste die verankerd is in de waarheid van de mens (cf. ibid.). Wanneer deze overtuiging levend blijft, wordt het recht een bescherming voor iedereen en een waarborg tegen het opleggen van particuliere belangen en agenda’s.
Wegwerpcultuur
Op deze grondslag is het mijn taak vandaag een rustig en vastberaden woord te richten tot degenen die de zware verantwoordelijkheid dragen om het maatschappelijk samenleven juridisch te ordenen. Dit samenleven kan worden bedreigd door de wegwerpcultuur, zoals paus Franciscus zo vaak heeft gewaarschuwd (cf. Toespraak tot de plenaire vergadering van de Pauselijke Academie voor het Leven, 27 september 2021). In die zin: als het leven niet langer als een fundamentele waarde wordt erkend, welke toekomst kunnen onze samenlevingen dan nog hebben? Kan een gemeenschap die het ongeboren kind, de bejaarde, de zieke, degene die in stilte lijdt of degene die volledig afhankelijk is van de zorg van anderen in de schaduw laat staan, ten volle rechtvaardig worden genoemd? De verdediging van het menselijk leven is geen partijdige kwestie, noch een confessionele aangelegenheid: het is een doel van de beschaving. Elk menselijk leven moet worden erkend en beschermd vanaf de conceptie tot aan het natuurlijke einde, in elke omstandigheid van zijn bestaan. Wanneer deze zekerheid vervaagt, zijn de meest kwetsbaren de eerste slachtoffers en verliest de wet haar diepste betekenis: elke persoon dienen en beschermen. Daarom komt de morele grootheid van een natie vooral tot uiting in haar vermogen om die levens die de grootste kwetsbaarheid doormaken, te begeleiden, te beschermen en lief te hebben.
Algemeen welzijn
Het algemeen welzijn is in zekere zin “de sociale vorm van de menselijke waardigheid” (cf. Magnifica humanitas, 59). Het bestaat niet louter uit de som van particuliere belangen, maar uit “het geheel van omstandigheden van het sociale leven die het voor de verenigingen en voor elk van hun leden mogelijk maken om hun eigen volmaaktheid vollediger en gemakkelijker te bereiken” (Gaudium et spes, 26). Wanneer het algemeen welzijn niet langer een gedeelde horizon is, loopt het openbaar handelen het risico te versnipperen in partijdige belangen, die niet in staat zijn te waken over wat aan iedereen toebehoort.
Het gezin
In deze context is het gezin van bijzonder belang, als eerste menselijke realiteit en natuurlijk fundament van de gemeenschap. In het gezin zijn de generaties met elkaar verweven en wordt een levend geheugen doorgegeven dat de samenleving innerlijke continuïteit geeft. Waar het gezin wordt ondersteund, wordt ook de spirituele en sociale stabiliteit van de naties versterkt. Het gezin zal altijd de eerste school van menselijkheid zijn, waar men, eerder dan waar ook, de elementaire grammatica van het samenleven leert: het leven ontvangen, voor de ander zorgen, vergeven, dienen en erbij horen.
Onderwijs
Ook onderwijsinstellingen nemen een beslissende plaats in bij deze taak. Daarin kunnen de nieuwe generaties leren de waarheid te zoeken en lief te hebben, zich vragen te stellen over de zin van het leven en de waardigheid van elke persoon. Daarom stellen veel ouders, die graag willen dat hun kinderen leren omgaan met anderen, kritisch denken en solide waarden verwerven, grote hoop in deze instellingen, als waardevolle bondgenoten in de opvoeding van hun kinderen. Deze samenwerking moet altijd het „primaire en onvervreemdbare recht” van de ouders respecteren om „het soort onderwijs en opvoeding te kiezen dat hun kinderen ontvangen, in overeenstemming met hun eigen morele, culturele en religieuze overtuigingen” (cf. Magnifica humanitas, 143; cf. Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, art. 18.4).
Migratie
De bevestiging van de menselijke waardigheid mag niet abstract blijven wanneer zoveel mensen gedwongen zijn alles achter te laten om vrede, veiligheid en een toekomst te zoeken. Ook het tragische migratiedrama daagt vandaag het geweten van de naties en het ethische fundament van de internationale orde uit. Talrijke mannen, vrouwen en kinderen worden door vaak dramatische omstandigheden gedwongen hun gemeenschappen te verlaten en geliefden, verhalen en banden achter te laten. Deze realiteit reikt verder dan elke louter demografische of economische benadering: het is een bij uitstek morele en juridische kwestie. Waar een persoon wordt gediscrimineerd op grond van zijn nationale, etnische, religieuze of taalkundige afkomst, of vanwege zijn economische of sociale status, wordt het universele beginsel van de gelijke waardigheid van alle mensen ernstig geschonden.
De situatie van migranten en vluchtelingen vraagt om een aanpak die de mens centraal stelt, de oorzaken aanpakt die hen dwingen te vertrekken en verder gaat dan louter het beheer van migratiestromen. Hieruit vloeit een dubbele eis van sociale rechtvaardigheid voort: het bieden van veilige en legale routes, een respectvolle opvang en reële integratiemogelijkheden; en tegelijkertijd het bevorderen van het recht om in het eigen land te blijven, door ernaar te streven dat niemand zijn thuis hoeft te verlaten vanwege een gebrek aan vrede, veiligheid of menswaardige levensomstandigheden, vanwege economische ongelijkheden en de gevolgen van de klimaatcrisis (cf. Magnifica humanitas, 81).
De steeds gevaarlijker wordende routes hebben de afgelopen jaren de zeer hoge prijs van deze realiteit aan het licht gebracht, die zo vaak verborgen blijft of genegeerd wordt. Veel mensen blijven ten prooi aan mensenhandelaars en smokkelaars die misbruik maken van hun wanhoop. Het is noodzakelijk om preventie, redding en hulp aan slachtoffers te versterken, met name in het kader van regionale en multilaterale samenwerking.
Geen enkel land kan een uitdaging van deze omvang alleen het hoofd bieden. Daarom is een gecoördineerde, solidaire en doeltreffende aanpak onontbeerlijk, die in staat is om bescherming, opvang en reële integratiemogelijkheden te garanderen aan degenen die emigreren. Wanneer de institutionele aanpak menselijk, rechtvaardig en gecoördineerd is, zijn grenzen niet langer plaatsen van verlating, maar kunnen zij ruimtes worden waar de menselijke waardigheid op verantwoorde wijze wordt beschermd.
Een spirituele en culturele crisis
Geachte afgevaardigden:
De wereld maakt een diepe spirituele en culturele crisis door, die zich uit in talrijke vormen van geweld, polarisatie en wederzijds wantrouwen. In deze context presenteert vrede zich als een politiek streven en, meer nog, als een ware morele noodzaak. Zij vraagt om een publieke toon die respect toont voor wie er anders over denkt, om instellingen die ten dienste staan van de ontmoeting, om een historisch besef dat streeft naar waarheid en verzoening, en om een sociaal leven dat in staat is burgerlijke vriendschap en wederzijds respect te handhaven te midden van meningsverschillen.
Oorlog is een nederlaag
Op internationaal vlak vereist vrede diplomatieke moed, ethische verantwoordelijkheid en een toekomstvisie die is gegrondvest op respect voor de identiteit van elk volk en op de verplichting van staten om hun geschillen op te lossen via de vreedzame wegen die het internationaal recht biedt. Elke oorlog vormt uiteindelijk een pijnlijke nederlaag voor het vermogen om te onderhandelen en ook voor dat gemeenschappelijke bewustzijn van de mensheid dat rechtvaardige banden tussen naties erkent. Wapens kunnen tijdelijke stilte afdwingen, maar zullen nooit echte en duurzame vrede kunnen opbouwen.
Zorgwekkende herbewapening
Daarom is het zorgwekkend dat op verschillende plaatsen in de wereld, en ook in Europa, herbewapening opnieuw wordt gepresenteerd als een bijna onvermijdelijk antwoord op de kwetsbaarheid van het internationale toneel. Echte veiligheid komt daarentegen voort uit rechtvaardigheid, geduldige dialoog, eerbied voor het internationaal recht en een beleid dat in staat is het leven van volkeren boven de belangen te stellen die baat hebben bij oorlog. Ook de ontwikkeling van nieuwe technologieën en kunstmatige intelligentie op militair gebied vereist een strikte ethische waakzaamheid, opdat beslissingen over leven en dood nooit worden overgelaten aan automatismen of onttrokken aan de morele verantwoordelijkheid van de mens (cf. Toespraak aan de Universiteit “La Sapienza”, 14 mei 2026).
Dialoog
De internationale gemeenschap is geroepen om de onmisbare waarde van de dialoog te herontdekken als een geduldige weg naar rechtvaardige en duurzame overeenkomsten, gegrondvest op de eerbiediging van verdragen, op de transparantie van het diplomatieke optreden en op de oprechte bereidheid om vrede te verkiezen boven het gebruik van geweld. Daaruit vloeien vertrouwen en hoop voort.
Zoals het motto van de Europese Unie, In varietate concordia, ons herinnert, leidt ware eenheid niet tot uniformiteit, maar tot samenhang in verscheidenheid, waarbij culturen, gevoeligheden en tradities een kans op wederzijdse verrijking vormen.
Ook binnen de samenlevingen zelf is het dringend noodzakelijk een cultuur van wederkerigheid op te bouwen. Politieke pluraliteit mag niet ontaarden in een voortdurende diskwalificatie van de tegenstander. In een volwassen samenleving kan zelfs conflict een weg naar vrede worden, wanneer verschillen worden verzacht door te luisteren en worden gericht op de erkenning van de behoeften, verlangens en capaciteiten van iedereen.
De taal ontwapenen
Maar vrede is niet alleen een politieke of institutionele realiteit. Zij ontstaat ook in het geweten, daar waar wrok, onverschilligheid en haat plaats maken voor verzoening. Daarom wordt vrede ook door middel van taal tot stand gebracht en beschermd. Woorden kunnen wegen openen of afsluiten; ze kunnen de werkelijkheid verhelderen of vervormen totdat ontmoeting onmogelijk wordt. Degenen die een publieke verantwoordelijkheid uitoefenen, hebben daarom een bijzondere plicht om het woord te bewaken om “de taal te ontwapenen” (Boodschap voor de vastentijd van 2026, 13 februari 2026). Standvastigheid vereist geen minachting; meningsverschil leidt niet tot vernedering.
Vrijheid van godsdienst
Uit dit respect voor de ander vloeit ook de plicht voort om de ruimte te beschermen waar zijn overtuigingen, zijn geweten en zijn relatie met God tot rijping komen. Aandacht voor dat innerlijke domein maakt het mogelijk een kwestie beter te begrijpen die van cruciaal belang is voor elke werkelijk democratische samenleving: de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, een grondrecht dat het meest intieme domein van de mens beschermt. De vrijheid waarop de hedendaagse staat is gegrondvest, erkent, indien zij authentiek is, de religieuze dimensie van de mens, respecteert deze en beschermt deze juridisch; en voorkomt dat iemand vanwege zijn geloof moet afzien van een bijdrage aan de samenleving waarin hij leeft.
Wat is vrijheid?
Zonder het juridische vlak te verwarren met het morele, is het goed om ook te bedenken dat vrijheid een volledig begrip van zichzelf vereist. Vrij zijn betekent niet alleen vrij zijn van dwang of beschikken over vele keuzemogelijkheden; het betekent het goede kunnen herkennen en zich daar op verantwoorde wijze aan kunnen houden. Daarom vereist elke werkelijk vrije samenleving ook een juiste afbakening van de openbare macht, zodat de vrijheid van personen, gemeenschappen en verenigingen niet onnodig wordt beperkt (cf. Dignitatis humanae, 1). Vanuit dit perspectief mag de legitieme autonomie van de tijdelijke orde nooit worden geïnterpreteerd als vijandigheid jegens het religieuze fenomeen. Het geloof beoogt zich niet op te dringen door middel van privileges of dwang; het mag echter evenmin tot zwijgen worden gebracht alsof het irrelevant is voor het openbare leven.
Biechtgeheim
In deze context is het sacramentele biechtgeheim van bijzonder belang voor de katholieke Kerk. Het past in het bredere kader van de godsdienstvrijheid, die gelovige gemeenschappen een eigen ruimte voor leven, organisatie en interne discipline garandeert (cf. Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa, Slotakte van Helsinki, 1 augustus 1975, Beginsel VII). Dit juridisch te waarborgen, zoals op vergelijkbare wijze in sommige beroepen gebeurt, betekent het behouden van een heilige ruimte van innerlijke vrijheid, waar de gelovige zijn ziel voor God kan openen zonder vrees voor externe druk, zoals ook in internationale normen wordt erkend (cf. Internationaal Strafhof, Regels inzake procedure en bewijsvoering, Regel 73.3).
Dames en heren:
Deze zaal en haar betekenis
Staat u mij toe even stil te staan bij enkele afbeeldingen die deze zaal sieren. In deze vergaderzaal valt het natuurlijke licht binnen via het dakraam dat de zaal bekroont. Dat licht dat van boven komt, kan ons eraan herinneren dat ook de politiek een maatstaf moet erkennen die haar voorafgaat en overstijgt.
Ook de schilderijen boven aan de hoofdmuur, die de ontvangst van het Evangelie en de Tien Geboden uitbeelden, herinneren aan iets wezenlijks. Zonder de politieke orde te verwarren met de religieuze, nodigen deze tekenen uit om te erkennen dat de moderne vrijheid ook is voorbereid door een langdurige vorming van het geweten, die diep is getekend door de christelijke traditie. In die innerlijke school hebben de volkeren geleerd dat het recht het goede moet dienen, dat gerechtigheid grenzen stelt aan geweld, dat macht legitimiteit behoeft, dat de armen ten volle tot de gemeenschap behoren, dat de vreemdeling moet worden opgenomen met inachtneming van zijn waardigheid en dat het menselijk leven nooit als handelswaar mag worden behandeld.
Een wet bereikt haar ware grootsheid niet louter door het feit dat zij formeel is aangenomen; zij bereikt die pas wanneer zij, naast het feit dat zij vormelijk geldig is, zich voor de waardigheid van de persoon kan verantwoorden en uit die toetsing kan komen zonder zich te schamen.
Ik nodig u dan ook uit om uw blik te verheffen: niet om u van de werkelijkheid af te keren, maar om te beseffen dat elke beslissing van de overheid mensen van vlees en bloed raakt, in het bijzonder degenen die minder kracht hebben om zich te laten horen. Want een verheven blik bestaat juist uit het dieper kijken naar wat er bij elke publieke beslissing op het spel staat. Daarom is er, naast technische oplossingen en wettelijke hervormingen, ook behoefte aan een morele vernieuwing.
De rol van Spanje
Spanje heeft op deze weg veel te bieden. Het beschikt over een taal die continenten met elkaar verbindt; een culturele, juridische en spirituele traditie die geloof en rede, recht en geweten, eenheid en pluraliteit met elkaar in dialoog heeft weten te brengen. Deze historische ervaring herinnert ook aan de waarde van eendracht en van het geduldige streven naar een vreedzaam en rechtvaardig samenleven.
Moge deze nobele natie nooit de herinnering aan haar wortels verliezen, noch de moed om naar de toekomst te kijken. Moge Spanje een land blijven van ontmoeting, cultuur, solidariteit en hoop. En moge het openbare leven erin slagen de standvastigheid van overtuigingen altijd te verenigen met de edelmoedigheid van de dialoog en de grootheid van de dienstbaarheid.
Moge God vrede schenken aan alle volkeren op aarde, eendracht aan de gezinnen en rust aan de gewetens. En mogen er over het Koninkrijk Spanje, getekend door de apostolische voetafdruk van Sint-Jakobus en door de moederlijke aanwezigheid van de Maagd van Pilar, dagen van welvaart, gerechtigheid en duurzame vrede aanbreken. Hartelijk dank.



















