Arsacal
button
button
button
button


Kardinaal Burke een hele zondag in de Haarlemse kathedraal

Nieuws - gepubliceerd: zondag, 6 september 2026 - 4773 woorden

Zondag 6 sep­tem­ber was er in de ka­the­drale basiliek van Sint Bavo in Haar­lem een dag van gebed, over­we­ging, vespers, lof en na­tuur­lijk de H. Mis met Z. Em. kar­di­naal Raymond Leo Burke. Opnieuw was er veel belang­stel­ling: een volle ka­the­draal bij de heilige Mis, een zeer goed bezette ka­the­draal bij de lezing in de mid­dag, het lof en de vespers.

Heel veel dank aan alle vrij­wil­li­gers die zich voor deze dagen hebben ingezet in de O.L. Vrouwe­kerk en het Vondel­park in Am­ster­dam en in en rond de ka­the­draal in Haar­lem! Radio Maria met directeur Pieter Zimmermann.

De homilie van de kar­di­naal vindt U hier­on­der in het Neder­lands en Spaans; de Engelse ori­gi­nele versie is te be­luis­te­ren op ka­the­draal TV.

Traducción al Español a continuación, al final de esta publicación

De ver­schil­lende vie­rin­gen en de lezing van de kar­di­naal zijn terug te zien op: Ka­the­draal TV - YouTube

Voor­be­rei­ding voor de h. Mis

Na een lange en vermoeiende, maar mooie en geslaagde zater­dag in Am­ster­dam, waarbij velen hem wil­den ont­moe­ten, met hem spreken, een foto maken enzo­voorts, moest kar­di­naal Raymond Burke zon­dags al weer vroeg op: om 9.30 uur werd hij op de gebruike­lijke wijze verwelkomd bij de hoofd­in­gang van de ka­the­draal: het kruis werd hem aan­ge­bo­den ter ver­ering en met wij­wa­ter zegende hij sym­bo­li­sch allen die bij de ka­the­draal betrokken zijn. Na een kort moment van aanbid­ding van het H. Sacra­ment bij het Sacra­mentsaltaar, ontmoette de kar­di­naal in de sacristie nog enkele mensen en zegende hij onder meer een icoon van de H. Moeder Teresa van Calcutta (Kolkata), bestemd voor een gebeds­ruim­te van Radio Maria.

Zang en spel

Het gehele ka­the­drale koor zong de plech­tige en ponti­fi­cale Eucha­ris­tievierin in de volle ka­the­draal, waarin de ple­baan, de proost van het kapit­tel en de directeur van Radio Maria en ook ik con­ce­le­breer­den met kar­di­naal Burke. Ridders van het H. Graf en de Constan­tijnse Orde liepen mee in de stoet.Aan het begin sprak ik een kort wel­komst­woord (zie onder). De fraaie zang van het ka­the­drale koor en het orgelspel droegen bij aan de fees­te­lijk­heid van de vie­ring.

Terecht­wij­zing

Het evan­ge­lie (Mt. 18, 15-29) ging over de broe­der­lijke terecht­wij­zing, de zgn. correctio fraterna. Dat vin­den we allemaal erg moei­lijk, zei de kar­di­naal in zijn homilie (zie hier­on­der), maar het is toch be­lang­rijk dat we dat durven te doen, dat we onze visie durven te uiten en niet alles zomaar laten passeren. Laten we opkomen voor de chris­te­lijke waar­den en de waar­heid die in onze tijd zo onder druk staan, maar zon­der haat en met vrede.

Ontmoetng en lunch

Na de heilige Mis en het Angelus was er in de tuin van de ka­the­draal tijd voor ont­moe­ting en een broodjeslunch. Er was een mooie overkap­ping tij­de­lijk neer­ge­zet (zie foto). Vele mensen ston­den in de rij om even met de kar­di­naal te kunnen spreken en een foto te maken, todat het moment kwam dat de lezing van de kar­di­naal moest beginnen.

Eerste zater­da­gen en Sint Peregrinus

In de ka­the­draal sprak de kar­di­naal over de bete­ke­nis van de eerste zater­da­gen volgens de ver­schij­ningen in Fatima en over de heilige Peregrinus, die wordt aan­ge­roe­pen als patroon tegen kanker, een ziekte waar­mee vele mensen te kampen hebben. Hij had de reliek van de heilige mee­ge­no­men en gaf daar­mee de zegen. Aan­slui­tend gaf hij gelegen­heid de reliek ook te vereren. De kar­di­naal maakte dui­de­lijk dat een zegen met de reliek niet perse gene­zing brengt, dat is uit­ein­delijk iets wat we aan God moeten over­ge­ven; maar in ieder geval moge die zegen vrede en inner­lijke kracht geven. Veel mensen zullen deze in Neder­land niet zo bekende heilige alleen kennen van het wél bekende mineraal­wa­ter.

Lof en Vespers

Daarna volgde een kort Lof met de rozen­krans van de barm­har­tig­heid. Na an­der­half uur van pauze be­gon­nen om 17.00 uur de plech­tige Vespers met daarna een receptie voor alle mede­wer­kers en de pries­ters, diakens en pas­to­rale krachten, koorle­den en andere vrij­wil­li­gers, hoewel er buiten de kapit­telle­den vrijwel geen pries­ters waren geko­men. De Vespers wer­den prach­tig gezon­gen door ons ka­the­drale koor. Het was niet ver­won­der­lijk dat die vespers het minst druk waren bezocht, maar nog steeds was er een flink aantal gelo­vi­gen dat die bijwoonde en door de prach­tige uit­voe­ring van die Gre­go­ri­aanse Vespers wer­den ze zeker niet teleur­ge­steld. Na afloop was er dus nog een hapje en een drankje, goed ver­zorgd en door velen bijgewoond. De arme kar­di­naal kreeg geen moment rust, velen wil­den zijn zegen, een foto, een kort gesprekje...

Het was een mooie en geslaagde dag.

Welkomst­woord aan het begin van de H. Mis

Eerst de Engelse tekst, daarna volgt een Neder­landse vertaling

Your Eminence,

The invitation extended to you by Radio Maria Netherlands to preside over the ceremonies on the occasion of yesterday’s Rosary Rally presents us with a unique opportunity to welcome you to our ca­the­dral today and to celebrate this Holy Mass.

It is a personal honour and a joy for me to welcome you here, not least in view of your long-stan­ding connection with our diocese and with myself.

I know that you have also taken an interest in our major seminary, and so it is particularly regrettable that the seminarians are unable to be here today. They are on a retreat and spiritual exercises in Kraków, conclu­ding with a pilgrimage to the Divine Mercy and to St Pope John Paul II. They send you all their warmest regards.

May we experience the joy of the one, Catholic faith today together with Your Eminence, in heartfelt communion with our Holy Father, Pope Leo XIV.

Neder­landse vertaling:

Uwe Eminentie,

De uit­no­di­ging die Radio Maria Neder­land aan U heeft gedaan om de plech­tig­he­den te lei­den bij gelegen­heid van de Rosary Rally, is voor ons een unieke gelegen­heid om U te ont­van­gen in onze ka­the­draal en dit heilig Misoffer te vieren.

Het is voor mij per­soon­lijk een eer en een vreugde U hier te ont­van­gen, mede gezien Uw lange ver­bon­den­heid met ons bisdom en mij­zelf.

Ik weet dat U ook ons groot semi­na­rie hebt gevolgd en daarom is het bij­zon­der spij­tig dat de se­mi­na­risten hier vandaag niet aanwe­zig kunnen zijn. Zij zijn op retraite, in Krakau en sluiten af met een bede­vaart naar de God­de­lijke barm­har­tig­heid en de H. paus Johannes Paulus II. Zij laten U allen harte­lijk groeten.

Mogen we de vreugde van het ene, katho­lieke geloof vandaag beleven samen met Uwe Eminentie, in ver­bon­den­heid met onze heilige Vader, paus Leo XIV.

 

Homilie van kar­di­naal Raymond L. Burke

(De Engelse ori­gi­nele tekst is te horen op Ka­the­draal TV, hier­on­der volgen een Neder­landse en Spaanse vertaling)

Drieën­twin­tigste zon­dag door het jaar
Sint-Bavo ka­the­drale basiliek
Haar­lem, Neder­land
6 sep­tem­ber 2026

Lezingen: Ez 33, 7-9; Ps 95, 1-2. 6-7. 8-9; Rom 13, 8-10; Mt 18, 15-20

Preek

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.

Het is voor mij een bron van diepe vreugde om de Heilige Mis te vieren in deze prach­tige ka­the­draal van Sint-Bavo. Ik dank Zijne Hoog­waar­dige Excellentie, mon­seig­neur Johannes Wil­li­brordus Maria Hendriks, bis­schop van Haar­lem-Am­ster­dam, voor het harte­lijke onthaal dat hij mij in het bisdom heeft gegeven, en ik felici­teer ieder­een, in het bij­zon­der pastoor Pieter Zimmermann, die gedurende vele maan­den met zoveel zorg en on­ver­moei­bare toe­wij­ding heeft gewerkt om de vie­ring van vandaag voor te berei­den. Ik draag de heilige mis op voor de gelo­vi­gen van het bisdom Haar­lem-Am­ster­dam.

De leer van onze Heer Jezus in het evan­ge­lie van vandaag is nooit ge­mak­ke­lijk na te leven, en zeker niet in de hui­dige tijd.[1] Er is moed voor nodig om een broe­der die zon­digt terecht te wijzen. En er is nog meer moed voor nodig in onze cultuur, die de vrij­heid van het individu verafgoodt. In onze samen­le­ving bestaat er een sterk vooroor­deel tegen het feit dat iemand wordt terechtgewezen over wat goed en wat kwaad is. Als we te­gen­woor­dig iemand corri­geren die iets erns­tig ver­keerds doet, is de reactie maar al te vaak: „Jij hebt jouw waar­heid en ik heb de mijne.” Sterker nog, som­mi­ge van de erns­tigste morele misstan­den, zoals abortus en eutha­na­sie, zijn zelfs door de staat gelegaliseerd. In een derge­lijke situatie wordt het aan de kaak stellen van de ver­nie­ti­ging van een on­schul­dig en weerloos men­se­lijk leven, of het uit de weg ruimen van degenen die het eerste recht op onze zorg hebben - zij die verzwakt zijn geraakt onder de last van een erns­tige ziekte, speciale behoeften of hoge leef­tijd -, op absurde wijze beschouwd als een poging om een wette­lijk recht te beperken of af te schaffen. Maar wanneer we de waar­heid over de men­se­lijke vrij­heid begrijpen, kunnen we niet zwijgen wanneer een broe­der de gave van de vrij­heid verraadt door iets te doen wat intrinsiek slecht is, ook al is het legaal of maat­schap­pe­lijk aanvaard.

De lezing uit de profeet Ezechiël vormt de inlei­ding tot de leer van Christus over broe­der­lijke terecht­wij­zing. Onze Heer herinnert Ezechiël eraan dat hij is aan­ge­steld als „waker van het huis van Israël“[2] om het volk te waar­schu­wen wanneer het niet lan­ger de wil van God vervult. Onze Heer maakt dui­de­lijk dat de wachter of wacht­post een daad van uiterste naasten­liefde verricht wanneer hij de mens afhoudt van het plegen van een verdorven daad. Zo fun­da­men­teel is de verant­woor­de­lijk­heid - die eigen is aan de naasten­liefde - om de zon­digende broe­der te vermanen, dat Onze Heer de profeet verant­woor­de­lijk stelt voor de slechte daden van degenen die hij niet opzette­lijk heeft terechtgewezen met betrek­king tot derge­lijke daden.[3]

Een bij­zon­dere uit­daging voor de broe­der­lijke terecht­wij­zing is de situatie waarin een broe­der of zuster een moreel stand­punt inneemt dat in strijd is met de leer van Christus en de Kerk. De uit­daging is nog groter wanneer het ver­war­rende of onjuiste stand­punt in het bij­zijn van anderen wordt geuit, waardoor deze tot ver­war­ring en dwaling wor­den verleid. Het morele rela­ti­vis­me van onze samen­le­ving neigt ertoe om alles wat iemand over een bepaalde morele kwestie denkt, als juist te aan­vaar­den. Daardoor komen we vaak in sociale gesprekken of dis­cus­sies met anderen terecht waarin uit­spra­ken wor­den gedaan die in strijd zijn met de morele wet en dus ook met de leer van de Kerk. Als we zwijgen, wekken we de indruk dat we het eens zijn met wat onjuist is en roepen we onze naaste niet op om te onder­zoeken wat hij of zij beweert in het licht van de morele wet en de leer van de Kerk.

Dan is er ook nog de situatie waarin we onrecht onder­gaan van de kant van een ander. In een derge­lijke situatie is de enige liefde­volle reactie het opvolgen van de dui­de­lijke in­struc­tie van de Heer Jezus over de manier waarop we met situaties van onrecht in ons leven moeten omgaan. Maar al te vaak proberen we het kwaad dat ons is aan­ge­daan recht te zetten door agressie tegen de broe­der of zuster die ons heeft bele­digd. Soms kan het gaan om uiter­lijke fysieke agressie, maar vaker gaat het om stille en gees­te­lij­ke agressie: een hou­ding van aan­hou­dende wrok en de wens om de ander te zien lij­den voor wat hij of zij heeft gedaan.

Het mag ons niet verbazen dat deze manier om met onrecht om te gaan niets goeds oplevert, maar de aan­ge­richte schade alleen maar vergroot: er is geen terecht­wij­zing van degene die kwaad doet, er is geen ver­ge­ving, er is geen ver­zoe­ning met de ander en geen inner­lijke vrede. De heilige Paulus maant ons zo in de Brief aan de Romeinen: „Wees niemand iets ver­schul­digd, behalve de liefde voor elkaar; want wie zijn naaste liefheeft, heeft de Wet vervuld... De liefde doet de naaste geen kwaad. De liefde is dus de vervulling van de Wet”.[4]

In tegen­stel­ling tot wat de wereld leert, moet onze reactie als volgelingen van Christus, wanneer wij onrecht onder­gaan, zijn: hoe kan ik mijn broe­der lief­heb­ben die mij onrecht heeft aan­ge­daan? Dat is de liefde naar het voor­beeld van Christus die wij aan al onze naasten ver­schul­digd zijn, zelfs aan degenen die ons kwaad doen. De naaste lief­heb­ben als ons­zelf betekent in wezen zijn heil te begeren en nooit kwaad met kwaad te vergel­den. Zoals Onze Heer ons leert, heeft de manier waarop wij broe­der­lijke verma­ning beoefenen tot doel onze broe­der opnieuw voor Christus te winnen.[5] Wij moeten erop letten dat onze daad van broe­der­lijke verma­ning geen uiting is van woede of van de wens om te straffen. Toen het volk, tij­dens de uit­tocht uit Egypte naar het Beloofde Land, in opstand kwam van­wege het gebrek aan water, werd Mozes boos op hen. Toen Onze Heer in hun nood voorzag met het water dat uit de rots zou stromen - de rots die Hij zelf Mozes had opgedragen met zijn staf te slaan - uitte Mozes zijn woede tegen het volk, terwijl hij juist de hei­lig­heid van God had moeten uitdragen.[6] De ant­woordpsalm van vandaag drukt de god­de­lijke liefde uit die wij in elke situatie van onrecht­vaar­dig­heid moeten weer­spie­gelen: „Verhard uw hart niet zoals in Meriba, zoals op de dag van Massa in de woes­tijn, toen uw vaderen Mij op de proef stel­den en Mij ver­zochten, hoewel zij Mijn werken had­den gezien.”[7] Onze reactie op onrecht­vaar­dig­heid moet een uit­no­di­ging zijn aan degene die deze begaat om naar de stem van God te luis­te­ren, om zijn hart tot de Heer te bekeren, de Enige die „de rots van onze red­ding” is. [8]

Christus leert ons dat broe­der­lijke correctie een fun­da­men­tele verant­woor­de­lijk­heid is van de naasten­liefde, waar­van we ons niet kunnen ont­trek­ken alleen omdat het moei­lijk is om na te leven. Hij beschrijft hoe we broe­der­lijke correctie moeten beoefenen als een daad van naasten­liefde. Zijn in­struc­tie maakt dui­de­lijk dat elke daad van correctie jegens een ander door naasten­liefde moet wor­den gedragen. We moeten het grootste respect voor de ander in acht nemen en eerst onder vier ogen de broe­der of zuster bena­de­ren. Wanneer hij of zij wei­gert te luis­te­ren, moeten we de hulp van anderen inroepen en, als dit geen re­sul­taat oplevert, de zaak voorleggen aan de her­ders van de Kerk. Zodra we de in­struc­tie van Christus hebben opge­volgd, kunnen we in vrede zijn, bid­den voor degene die we hebben terechtgewezen en hem of haar toe­ver­trou­wen aan de uitgestrekte armen van onze Heer. Christus verzekert ons dat de god­de­lijke genade ons bij­staat bij het uit­oefe­nen van broe­der­lijke terecht­wij­zing: „Voor­waar, ik zeg u: alles wat u op aarde bindt, zal in de hemel gebon­den zijn, en alles wat u op aarde ontbindt, zal in de hemel ontbon­den zijn.” [9] Gecon­fron­teerd met de uit­daging van broe­der­lijke terecht­wij­zing in een vol­ko­men per­mis­sieve samen­le­ving, moeten we ver­trouwen op de hulp van Gods genade, zodat we kunnen doen wat lief­da­dig is, wat bijdraagt aan het eeuwige wel­zijn van de ander.

Vaak ver­tellen trouwe leden van de Kerk mij hoe moei­lijk het te­gen­woor­dig is om katho­liek te zijn, vooral wanneer zij wor­den gecon­fron­teerd met ver­war­ring en onjuiste opvat­tingen over wat de Kerk leert en dat zij vaak ge­dwon­gen wor­den om tegen­over anderen verantwoor­ding af te leggen voor hun geloof. In deze moei­lijke situaties is het be­lang­rijk om de in­struc­tie van Christus in het evan­ge­lie van vandaag in gedachten te hou­den. Onze verdui­de­lij­king van de ver­war­ring of correctie van de dwaling is geen daad van hoogmoed, maar veeleer een fun­da­men­tele daad van naasten­liefde, die het wel­zijn van de ander en het wel­zijn van allen nastreeft. Door het sacra­ment van het vormsel vergroot en ver­sterkt Onze-Lieve-Heer de zeven­vou­dige gave van de Heilige Geest, die wij voor het eerst bij het doopsel hebben ont­van­gen, opdat wij op onze beurt een dui­de­lijk en standvas­tig ge­tui­ge­nis van Christus in de wereld mogen geven. De Heilige Communie is het hemelse Brood van onze aardse pelgrims­tocht, dat in ons het leven van de Heilige Geest voedt, opdat jullie je katho­lieke geloof met in­te­gri­teit mogen beleven en bereid zijn om verantwoor­ding af te leggen voor jullie geloof tegen­over anderen, zelfs in de moei­lijkste tij­den.

Laten we ons nu verenigen met Christus in zijn eucha­ris­tisch offer. Laten we onze harten verheffen, verenigd met het On­be­vlekt Hart van Maria, en ze vol ver­trouwen in Zijn Aller­hei­ligste Hart leggen, de onuit­putte­lijke bron van god­de­lijke genade in ons leven. Laten we uit het Hart van Jezus de moed putten om zijn trouwe getuigen in de wereld te zijn. Moge het vuur van de god­de­lijke naasten­liefde in het Heilig Hart van Jezus onze harten in vuur en vlam zetten, opdat wij, door het beoefenen van broe­der­lijke verma­ning, verdui­de­lijken wat ondui­de­lijk is en corri­geren wat ver­keerd is, en zo God ver­heer­lij­ken en bijdragen aan het heil van de zielen.

In de naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest. Amen.

Raymond Leo kar­di­naal BURKE

_________________________________________________

Noten

  1. Mt 18, 15-17.
  2. Ez 33, 7.
  3. Vgl. Ez 33, 8.
  4. Rom 13, 8.10.
  5. Vgl. Mt 18, 15.
  6. Vgl. Num 20, 1-13.
  7. Ps 95, 8-9.
  8. Ps 95, 1.
  9. Mt 18, 18.

 

Traducción al español de la homilía del car­denal Burke

Vigésimo tercer Domingo del Tiempo Ordinario
Basílica Catedral de San Bavón
Haar­lem, Países Bajos
6 de septiembre de 2026

Ez 33, 7-9; Sal 95, 1-2. 6-7. 8-9; Rom 13, 8-10; Mt 18, 15-20

Homilía

En el nombre del Padre, y del Hijo, y del Espíritu Santo. Amén.

Es para mí motivo de profunda alegría celebrar la Santa Misa en esta bellísima Basílica Catedral de San Bavón. Agradezco a Su Excelencia Reverendísima, Monseñor Johannes Wil­li­brordus Maria Hendriks, Obispo de Haar­lem-Ámster­dam, la cordial acogida que me ha dispensado en la Diócesis, y felicito a todos, especial­mente al Padre Pieter Zimmermann, que durante muchos meses han trabajado con tanto esmero e infa­tigable dedicación para preparar la celebración de hoy. Ofrezco la Santa Misa por los fieles de la Diócesis de Haar­lem-Ámster­dam.

La enseñanza de nuestro Señor Jesús en el Evangelio de hoy no nos re­sul­ta fácil de seguir en ningún tiempo, y menos aún en el tiempo presente.[1] Hace falta valor para corregir a un hermano que peca. Y hace falta todavía más valor en nuestra cultura, que rinde culto a la libertad del individuo. En nuestra sociedad existe un fuerte prejuicio contra el hecho de corregir a alguien acerca de lo que está bien y de lo que está mal. Con mucha frecuencia, hoy, cuando corregimos a alguien que hace algo grave­mente malo, la respuesta es: «Tú tienes tu verdad y yo tengo la mía». Más aún, algunos de los males morales más graves, por ejemplo el aborto provocado y la eutanasia, han llegado incluso a ser legalizados por el Estado. En tal situación, denunciar la supresión de una vida humana inocente e indefensa, o la eliminación de quienes tienen el primer derecho a nuestro cuidado —aquellos que se han debilitado bajo el peso de una enfermedad grave, de necesidades especiales o de la edad avanzada—, se consi­dera, de manera absurda, un intento de restringir o de suprimir un derecho legal. Pero, cuando comprendemos la verdad acerca de la libertad humana, entonces no podemos permanecer callados cuando un hermano traiciona el don de la libertad haciendo algo intrínseca­mente malo, aunque sea legal o social­mente aceptado.

La lectura del Profeta Ezequiel constituye la introducción a la enseñanza de Cristo sobre la corrección fraterna. Nuestro Señor recuerda a Ezequiel que ha sido constituido «centinela de la casa de Israel»[2] para advertir al pueblo cuando deja de cumplir la voluntad de Dios. Nuestro Señor deja claro que el centinela o vigía realiza un acto de suma caridad cuando disuade al hombre que está come­tiendo una acción perversa. Tan fun­damental es la responsabilidad, propia de la caridad, de amonestar al hermano que peca, que nuestro Señor hace al profeta responsable de las malas acciones de aquellos a quienes no ha corregido a propósito de tales acciones.[3]

Un desafío particular para la corrección fraterna es la situación en la que un hermano o una hermana sos­tiene una posición moral contraria a la enseñanza de Cristo y de la Iglesia. El desafío es aún mayor cuando la posición confusa o errónea se expresa delante de otros, induciéndolos a la confusión y al error. El relativismo moral de nuestra sociedad tiende a aceptar como justo cuanto una persona piense sobre una determinada cuestión moral. Como consecuencia, con frecuencia nos encontramos en conversaciones sociales o en discusiones con otros en las que se hacen afirmaciones contrarias a la ley moral y, por tanto, a la enseñanza de la Iglesia. Si permanecemos callados, damos la impresión de estar de acuerdo con lo que es erróneo y no llamamos a nuestro prójimo a examinar lo que está afirmando a la luz de la ley moral y de la enseñanza de la Iglesia.

Está también la situación en la que sufrimos una injusticia por parte de otro. En tal situación, la única respuesta caritativa es seguir la clara ins­trucción del Señor Jesús sobre el modo de afrontar las situaciones de injusticia en nuestra vida. Con demasiada frecuencia intentamos corregir el mal que se nos ha hecho mediante la agresión contra el hermano o la hermana que nos ha ofendido. A veces puede tratarse de una agresión física exterior, pero más a menudo se trata de una agresión silenciosa y espiritual: una actitud de resentimiento persis­tente y de deseo de ver sufrir al otro por lo que ha hecho.

No debe sorpren­dernos que este modo de afrontar las injusticias no produzca nada bueno, sino que sólo aumente el daño causado: no hay corrección del que obra mal, no hay perdón, no hay reconciliación con el otro ni paz interior. San Pablo nos amonesta así en la Carta a los Romanos: «No estéis en deuda con nadie, si no es en la del amor mutuo; porque quien ama al prójimo ha cumplido la Ley... La caridad no obra el mal del prójimo. Es, pues, la caridad la plenitud de la Ley».[4]

Contraria­mente a lo que enseña el mundo, cuando sufrimos una injusticia, nuestra respuesta como discípulos de Cristo debe ser: ¿cómo puedo amar a mi hermano que me ha hecho una injusticia? Tal es el amor semejante al de Cristo que debemos a todos nuestros prójimos, incluso a quienes nos hacen el mal. Amar al prójimo como a uno mismo es, fun­damental­mente, desear su salvación y no devolverle jamás mal por mal. Como nos enseña Nuestro Señor, nuestro modo de practicar la corrección fraterna tiene por finalidad ganar de nuevo a nuestro hermano para Cristo.[5] Debemos estar atentos para que nuestro acto de corrección fraterna no sea expresión de ira o del deseo de cas­tigar. Cuando el pueblo, en el éxodo de Egipto hacia la Tierra Prometida, se rebeló a causa de la falta de agua, Moisés se irritó contra él. Cuando Nuestro Señor respondió a su necesidad con el agua que había de brotar de la roca que Él mismo mandó a Moisés golpear con su vara, Moisés manifestó su ira contra el pueblo, cuando debería haber manife­stado la santidad de Dios.[6] El Salmo Responsorial de hoy expresa el amor divino que debemos reflejar en toda situación de injusticia: «No endurezcáis el corazón como en Meribá, como el día de Masá en el desierto, cuando vuestros padres me pusieron a prueba y me tentaron, aunque habían visto mis obras».[7] Nuestra respuesta a la injusticia debe ser una invitación a quien la comete a escuchar la voz de Dios, a convertir su corazón al Señor, el único que es «la roca de nuestra salvación».[8]

Cristo enseña la corrección fraterna como una responsabilidad fun­damental de la caridad, de la que no podemos dispensarnos por el hecho de que resulte difícil de cumplir. Él nos describe el modo de llevar a cabo la corrección fraterna como un acto de caridad. Su ins­trucción pone de manifiesto la caridad que debe sostener todo acto de corregir a otro. Hemos de guardar el mayor respeto hacia el otro, acercándonos primero a solas al hermano o a la hermana. Cuando él o ella se niega a escuchar, debemos entonces buscar la ayuda de otros y, si esto no da re­sul­tado, hemos de remitir el asunto a los pastores de la Iglesia. Una vez que hemos seguido la ins­trucción de Cristo, podemos estar en paz, orando por aquel a quien hemos corregido y confiándolo a los brazos de nuestro Señor. Cristo nos asegura que la gracia divina nos acompaña en el ejercicio de la corrección fraterna: « En verdad os digo, cuanto atareis en la tierra será atado en el cielo, y cuanto desatareis en la tierra será desatado en el cielo».[9] Ante el desafío de la corrección fraterna en una sociedad completa­mente per­misiva, debemos confiar en la ayuda de la gracia de Dios, para que podamos hacer lo que es caritativo, lo que redunda en el bien eterno del otro.

A menudo, fieles miembros de la Iglesia me comentan lo difícil que re­sul­ta hoy ser católico, especial­mente cuando se enfrentan a la confusión y al error acerca de lo que la Iglesia enseña y con frecuencia se ven obligados a dar razón de la fe ante los demás. En estas situaciones difíciles es importante recordar la ins­trucción de Cristo en el Evangelio de hoy. Nuestra aclaración de la confusión o corrección del error no es un acto de soberbia, sino más bien un acto fun­damental de caridad, que busca el bien del otro y el bien de todos. Mediante el Sacra­mento de la Confirmación, Nuestro Señor acrecienta y fortalece el séptuple don del Espíritu Santo, que recibimos por primera vez en el Bautismo, para que nosotros, a nuestra vez, demos un testimonio claro y firme de Cristo en el mundo. La Sagrada Comunión es el Pan celestial de nuestra peregrinación terrena, que ali­menta en nosotros la vida del Espíritu Santo, para que vivan su fe católica con integridad y estén preparados para dar razón de su fe ante los demás, incluso en los tiempos más difíciles.

Unámonos ahora a Cristo en su Sacrificio Eucarístico. Elevemos nuestros cora­zones, unidos al Inmaculado Corazón de María, y colocémoslos con seguridad dentro de su Sacratísimo Corazón, fuente inagotable de la gracia divina en nuestra vida. Bebamos del Corazón de Jesús la valentía de ser sus tes­tigos fieles en el mundo. Que el fuego de la caridad divina en el Sagrado Corazón de Jesús inflame nuestros cora­zones, para que, mediante la práctica de la corrección fraterna, aclaremos lo que está confuso y corrijamos lo que está mal, dando así gloria a Dios y sirviendo a la salvación de las almas.

 

En el nombre del Padre, y del Hijo, y del Espíritu Santo. Amén.

 

Raymond Leo Cardenal BURKE


_________________________________________________

Notas

  1. Mt 18, 15-17.
  2. Ez 33, 7.
  3. Cf. Ez 33, 8.
  4. Rom 13, 8.10.
  5. Cf. Mt 18, 15.
  6. Cf. Nm 20, 1-13.
  7. Sal 95, 8-9.
  8. Sal 95, 1.
  9. Mt 18, 18.
post deze webpagina op: Facebook X / Twitter

Fotoserie

Klik op een foto voor een uitvergroting.
Terug