Kardinaal Burke een hele zondag in de Haarlemse kathedraal
Zondag 6 september was er in de kathedrale basiliek van Sint Bavo in Haarlem een dag van gebed, overweging, vespers, lof en natuurlijk de H. Mis met Z. Em. kardinaal Raymond Leo Burke. Opnieuw was er veel belangstelling: een volle kathedraal bij de heilige Mis, een zeer goed bezette kathedraal bij de lezing in de middag, het lof en de vespers.
Heel veel dank aan alle vrijwilligers die zich voor deze dagen hebben ingezet in de O.L. Vrouwekerk en het Vondelpark in Amsterdam en in en rond de kathedraal in Haarlem! Radio Maria met directeur Pieter Zimmermann.
De homilie van de kardinaal vindt U hieronder in het Nederlands en Spaans; de Engelse originele versie is te beluisteren op kathedraal TV.
Traducción al Español a continuación, al final de esta publicación
De verschillende vieringen en de lezing van de kardinaal zijn terug te zien op: Kathedraal TV - YouTube
Voorbereiding voor de h. Mis
Na een lange en vermoeiende, maar mooie en geslaagde zaterdag in Amsterdam, waarbij velen hem wilden ontmoeten, met hem spreken, een foto maken enzovoorts, moest kardinaal Raymond Burke zondags al weer vroeg op: om 9.30 uur werd hij op de gebruikelijke wijze verwelkomd bij de hoofdingang van de kathedraal: het kruis werd hem aangeboden ter verering en met wijwater zegende hij symbolisch allen die bij de kathedraal betrokken zijn. Na een kort moment van aanbidding van het H. Sacrament bij het Sacramentsaltaar, ontmoette de kardinaal in de sacristie nog enkele mensen en zegende hij onder meer een icoon van de H. Moeder Teresa van Calcutta (Kolkata), bestemd voor een gebedsruimte van Radio Maria.
Zang en spel
Het gehele kathedrale koor zong de plechtige en pontificale Eucharistievierin in de volle kathedraal, waarin de plebaan, de proost van het kapittel en de directeur van Radio Maria en ook ik concelebreerden met kardinaal Burke. Ridders van het H. Graf en de Constantijnse Orde liepen mee in de stoet.Aan het begin sprak ik een kort welkomstwoord (zie onder). De fraaie zang van het kathedrale koor en het orgelspel droegen bij aan de feestelijkheid van de viering.
Terechtwijzing
Het evangelie (Mt. 18, 15-29) ging over de broederlijke terechtwijzing, de zgn. correctio fraterna. Dat vinden we allemaal erg moeilijk, zei de kardinaal in zijn homilie (zie hieronder), maar het is toch belangrijk dat we dat durven te doen, dat we onze visie durven te uiten en niet alles zomaar laten passeren. Laten we opkomen voor de christelijke waarden en de waarheid die in onze tijd zo onder druk staan, maar zonder haat en met vrede.
Ontmoetng en lunch
Na de heilige Mis en het Angelus was er in de tuin van de kathedraal tijd voor ontmoeting en een broodjeslunch. Er was een mooie overkapping tijdelijk neergezet (zie foto). Vele mensen stonden in de rij om even met de kardinaal te kunnen spreken en een foto te maken, todat het moment kwam dat de lezing van de kardinaal moest beginnen.
Eerste zaterdagen en Sint Peregrinus
In de kathedraal sprak de kardinaal over de betekenis van de eerste zaterdagen volgens de verschijningen in Fatima en over de heilige Peregrinus, die wordt aangeroepen als patroon tegen kanker, een ziekte waarmee vele mensen te kampen hebben. Hij had de reliek van de heilige meegenomen en gaf daarmee de zegen. Aansluitend gaf hij gelegenheid de reliek ook te vereren. De kardinaal maakte duidelijk dat een zegen met de reliek niet perse genezing brengt, dat is uiteindelijk iets wat we aan God moeten overgeven; maar in ieder geval moge die zegen vrede en innerlijke kracht geven. Veel mensen zullen deze in Nederland niet zo bekende heilige alleen kennen van het wél bekende mineraalwater.
Lof en Vespers
Daarna volgde een kort Lof met de rozenkrans van de barmhartigheid. Na anderhalf uur van pauze begonnen om 17.00 uur de plechtige Vespers met daarna een receptie voor alle medewerkers en de priesters, diakens en pastorale krachten, koorleden en andere vrijwilligers, hoewel er buiten de kapittelleden vrijwel geen priesters waren gekomen. De Vespers werden prachtig gezongen door ons kathedrale koor. Het was niet verwonderlijk dat die vespers het minst druk waren bezocht, maar nog steeds was er een flink aantal gelovigen dat die bijwoonde en door de prachtige uitvoering van die Gregoriaanse Vespers werden ze zeker niet teleurgesteld. Na afloop was er dus nog een hapje en een drankje, goed verzorgd en door velen bijgewoond. De arme kardinaal kreeg geen moment rust, velen wilden zijn zegen, een foto, een kort gesprekje...
Het was een mooie en geslaagde dag.
Welkomstwoord aan het begin van de H. Mis
Eerst de Engelse tekst, daarna volgt een Nederlandse vertaling
Your Eminence,
The invitation extended to you by Radio Maria Netherlands to preside over the ceremonies on the occasion of yesterday’s Rosary Rally presents us with a unique opportunity to welcome you to our cathedral today and to celebrate this Holy Mass.
It is a personal honour and a joy for me to welcome you here, not least in view of your long-standing connection with our diocese and with myself.
I know that you have also taken an interest in our major seminary, and so it is particularly regrettable that the seminarians are unable to be here today. They are on a retreat and spiritual exercises in Kraków, concluding with a pilgrimage to the Divine Mercy and to St Pope John Paul II. They send you all their warmest regards.
May we experience the joy of the one, Catholic faith today together with Your Eminence, in heartfelt communion with our Holy Father, Pope Leo XIV.
Nederlandse vertaling:
Uwe Eminentie,
De uitnodiging die Radio Maria Nederland aan U heeft gedaan om de plechtigheden te leiden bij gelegenheid van de Rosary Rally, is voor ons een unieke gelegenheid om U te ontvangen in onze kathedraal en dit heilig Misoffer te vieren.
Het is voor mij persoonlijk een eer en een vreugde U hier te ontvangen, mede gezien Uw lange verbondenheid met ons bisdom en mijzelf.
Ik weet dat U ook ons groot seminarie hebt gevolgd en daarom is het bijzonder spijtig dat de seminaristen hier vandaag niet aanwezig kunnen zijn. Zij zijn op retraite, in Krakau en sluiten af met een bedevaart naar de Goddelijke barmhartigheid en de H. paus Johannes Paulus II. Zij laten U allen hartelijk groeten.
Mogen we de vreugde van het ene, katholieke geloof vandaag beleven samen met Uwe Eminentie, in verbondenheid met onze heilige Vader, paus Leo XIV.
Homilie van kardinaal Raymond L. Burke
(De Engelse originele tekst is te horen op Kathedraal TV, hieronder volgen een Nederlandse en Spaanse vertaling)
Drieëntwintigste zondag door het jaar
Sint-Bavo kathedrale basiliek
Haarlem, Nederland
6 september 2026
Lezingen: Ez 33, 7-9; Ps 95, 1-2. 6-7. 8-9; Rom 13, 8-10; Mt 18, 15-20
Preek
In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
Het is voor mij een bron van diepe vreugde om de Heilige Mis te vieren in deze prachtige kathedraal van Sint-Bavo. Ik dank Zijne Hoogwaardige Excellentie, monseigneur Johannes Willibrordus Maria Hendriks, bisschop van Haarlem-Amsterdam, voor het hartelijke onthaal dat hij mij in het bisdom heeft gegeven, en ik feliciteer iedereen, in het bijzonder pastoor Pieter Zimmermann, die gedurende vele maanden met zoveel zorg en onvermoeibare toewijding heeft gewerkt om de viering van vandaag voor te bereiden. Ik draag de heilige mis op voor de gelovigen van het bisdom Haarlem-Amsterdam.
De leer van onze Heer Jezus in het evangelie van vandaag is nooit gemakkelijk na te leven, en zeker niet in de huidige tijd.[1] Er is moed voor nodig om een broeder die zondigt terecht te wijzen. En er is nog meer moed voor nodig in onze cultuur, die de vrijheid van het individu verafgoodt. In onze samenleving bestaat er een sterk vooroordeel tegen het feit dat iemand wordt terechtgewezen over wat goed en wat kwaad is. Als we tegenwoordig iemand corrigeren die iets ernstig verkeerds doet, is de reactie maar al te vaak: „Jij hebt jouw waarheid en ik heb de mijne.” Sterker nog, sommige van de ernstigste morele misstanden, zoals abortus en euthanasie, zijn zelfs door de staat gelegaliseerd. In een dergelijke situatie wordt het aan de kaak stellen van de vernietiging van een onschuldig en weerloos menselijk leven, of het uit de weg ruimen van degenen die het eerste recht op onze zorg hebben - zij die verzwakt zijn geraakt onder de last van een ernstige ziekte, speciale behoeften of hoge leeftijd -, op absurde wijze beschouwd als een poging om een wettelijk recht te beperken of af te schaffen. Maar wanneer we de waarheid over de menselijke vrijheid begrijpen, kunnen we niet zwijgen wanneer een broeder de gave van de vrijheid verraadt door iets te doen wat intrinsiek slecht is, ook al is het legaal of maatschappelijk aanvaard.
De lezing uit de profeet Ezechiël vormt de inleiding tot de leer van Christus over broederlijke terechtwijzing. Onze Heer herinnert Ezechiël eraan dat hij is aangesteld als „waker van het huis van Israël“[2] om het volk te waarschuwen wanneer het niet langer de wil van God vervult. Onze Heer maakt duidelijk dat de wachter of wachtpost een daad van uiterste naastenliefde verricht wanneer hij de mens afhoudt van het plegen van een verdorven daad. Zo fundamenteel is de verantwoordelijkheid - die eigen is aan de naastenliefde - om de zondigende broeder te vermanen, dat Onze Heer de profeet verantwoordelijk stelt voor de slechte daden van degenen die hij niet opzettelijk heeft terechtgewezen met betrekking tot dergelijke daden.[3]
Een bijzondere uitdaging voor de broederlijke terechtwijzing is de situatie waarin een broeder of zuster een moreel standpunt inneemt dat in strijd is met de leer van Christus en de Kerk. De uitdaging is nog groter wanneer het verwarrende of onjuiste standpunt in het bijzijn van anderen wordt geuit, waardoor deze tot verwarring en dwaling worden verleid. Het morele relativisme van onze samenleving neigt ertoe om alles wat iemand over een bepaalde morele kwestie denkt, als juist te aanvaarden. Daardoor komen we vaak in sociale gesprekken of discussies met anderen terecht waarin uitspraken worden gedaan die in strijd zijn met de morele wet en dus ook met de leer van de Kerk. Als we zwijgen, wekken we de indruk dat we het eens zijn met wat onjuist is en roepen we onze naaste niet op om te onderzoeken wat hij of zij beweert in het licht van de morele wet en de leer van de Kerk.
Dan is er ook nog de situatie waarin we onrecht ondergaan van de kant van een ander. In een dergelijke situatie is de enige liefdevolle reactie het opvolgen van de duidelijke instructie van de Heer Jezus over de manier waarop we met situaties van onrecht in ons leven moeten omgaan. Maar al te vaak proberen we het kwaad dat ons is aangedaan recht te zetten door agressie tegen de broeder of zuster die ons heeft beledigd. Soms kan het gaan om uiterlijke fysieke agressie, maar vaker gaat het om stille en geestelijke agressie: een houding van aanhoudende wrok en de wens om de ander te zien lijden voor wat hij of zij heeft gedaan.
Het mag ons niet verbazen dat deze manier om met onrecht om te gaan niets goeds oplevert, maar de aangerichte schade alleen maar vergroot: er is geen terechtwijzing van degene die kwaad doet, er is geen vergeving, er is geen verzoening met de ander en geen innerlijke vrede. De heilige Paulus maant ons zo in de Brief aan de Romeinen: „Wees niemand iets verschuldigd, behalve de liefde voor elkaar; want wie zijn naaste liefheeft, heeft de Wet vervuld... De liefde doet de naaste geen kwaad. De liefde is dus de vervulling van de Wet”.[4]
In tegenstelling tot wat de wereld leert, moet onze reactie als volgelingen van Christus, wanneer wij onrecht ondergaan, zijn: hoe kan ik mijn broeder liefhebben die mij onrecht heeft aangedaan? Dat is de liefde naar het voorbeeld van Christus die wij aan al onze naasten verschuldigd zijn, zelfs aan degenen die ons kwaad doen. De naaste liefhebben als onszelf betekent in wezen zijn heil te begeren en nooit kwaad met kwaad te vergelden. Zoals Onze Heer ons leert, heeft de manier waarop wij broederlijke vermaning beoefenen tot doel onze broeder opnieuw voor Christus te winnen.[5] Wij moeten erop letten dat onze daad van broederlijke vermaning geen uiting is van woede of van de wens om te straffen. Toen het volk, tijdens de uittocht uit Egypte naar het Beloofde Land, in opstand kwam vanwege het gebrek aan water, werd Mozes boos op hen. Toen Onze Heer in hun nood voorzag met het water dat uit de rots zou stromen - de rots die Hij zelf Mozes had opgedragen met zijn staf te slaan - uitte Mozes zijn woede tegen het volk, terwijl hij juist de heiligheid van God had moeten uitdragen.[6] De antwoordpsalm van vandaag drukt de goddelijke liefde uit die wij in elke situatie van onrechtvaardigheid moeten weerspiegelen: „Verhard uw hart niet zoals in Meriba, zoals op de dag van Massa in de woestijn, toen uw vaderen Mij op de proef stelden en Mij verzochten, hoewel zij Mijn werken hadden gezien.”[7] Onze reactie op onrechtvaardigheid moet een uitnodiging zijn aan degene die deze begaat om naar de stem van God te luisteren, om zijn hart tot de Heer te bekeren, de Enige die „de rots van onze redding” is. [8]
Christus leert ons dat broederlijke correctie een fundamentele verantwoordelijkheid is van de naastenliefde, waarvan we ons niet kunnen onttrekken alleen omdat het moeilijk is om na te leven. Hij beschrijft hoe we broederlijke correctie moeten beoefenen als een daad van naastenliefde. Zijn instructie maakt duidelijk dat elke daad van correctie jegens een ander door naastenliefde moet worden gedragen. We moeten het grootste respect voor de ander in acht nemen en eerst onder vier ogen de broeder of zuster benaderen. Wanneer hij of zij weigert te luisteren, moeten we de hulp van anderen inroepen en, als dit geen resultaat oplevert, de zaak voorleggen aan de herders van de Kerk. Zodra we de instructie van Christus hebben opgevolgd, kunnen we in vrede zijn, bidden voor degene die we hebben terechtgewezen en hem of haar toevertrouwen aan de uitgestrekte armen van onze Heer. Christus verzekert ons dat de goddelijke genade ons bijstaat bij het uitoefenen van broederlijke terechtwijzing: „Voorwaar, ik zeg u: alles wat u op aarde bindt, zal in de hemel gebonden zijn, en alles wat u op aarde ontbindt, zal in de hemel ontbonden zijn.” [9] Geconfronteerd met de uitdaging van broederlijke terechtwijzing in een volkomen permissieve samenleving, moeten we vertrouwen op de hulp van Gods genade, zodat we kunnen doen wat liefdadig is, wat bijdraagt aan het eeuwige welzijn van de ander.
Vaak vertellen trouwe leden van de Kerk mij hoe moeilijk het tegenwoordig is om katholiek te zijn, vooral wanneer zij worden geconfronteerd met verwarring en onjuiste opvattingen over wat de Kerk leert en dat zij vaak gedwongen worden om tegenover anderen verantwoording af te leggen voor hun geloof. In deze moeilijke situaties is het belangrijk om de instructie van Christus in het evangelie van vandaag in gedachten te houden. Onze verduidelijking van de verwarring of correctie van de dwaling is geen daad van hoogmoed, maar veeleer een fundamentele daad van naastenliefde, die het welzijn van de ander en het welzijn van allen nastreeft. Door het sacrament van het vormsel vergroot en versterkt Onze-Lieve-Heer de zevenvoudige gave van de Heilige Geest, die wij voor het eerst bij het doopsel hebben ontvangen, opdat wij op onze beurt een duidelijk en standvastig getuigenis van Christus in de wereld mogen geven. De Heilige Communie is het hemelse Brood van onze aardse pelgrimstocht, dat in ons het leven van de Heilige Geest voedt, opdat jullie je katholieke geloof met integriteit mogen beleven en bereid zijn om verantwoording af te leggen voor jullie geloof tegenover anderen, zelfs in de moeilijkste tijden.
Laten we ons nu verenigen met Christus in zijn eucharistisch offer. Laten we onze harten verheffen, verenigd met het Onbevlekt Hart van Maria, en ze vol vertrouwen in Zijn Allerheiligste Hart leggen, de onuitputtelijke bron van goddelijke genade in ons leven. Laten we uit het Hart van Jezus de moed putten om zijn trouwe getuigen in de wereld te zijn. Moge het vuur van de goddelijke naastenliefde in het Heilig Hart van Jezus onze harten in vuur en vlam zetten, opdat wij, door het beoefenen van broederlijke vermaning, verduidelijken wat onduidelijk is en corrigeren wat verkeerd is, en zo God verheerlijken en bijdragen aan het heil van de zielen.
In de naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest. Amen.
Raymond Leo kardinaal BURKE
_________________________________________________
Noten
- Mt 18, 15-17.
- Ez 33, 7.
- Vgl. Ez 33, 8.
- Rom 13, 8.10.
- Vgl. Mt 18, 15.
- Vgl. Num 20, 1-13.
- Ps 95, 8-9.
- Ps 95, 1.
- Mt 18, 18.
Traducción al español de la homilía del cardenal Burke
Vigésimo tercer Domingo del Tiempo Ordinario
Basílica Catedral de San Bavón
Haarlem, Países Bajos
6 de septiembre de 2026
Ez 33, 7-9; Sal 95, 1-2. 6-7. 8-9; Rom 13, 8-10; Mt 18, 15-20
Homilía
En el nombre del Padre, y del Hijo, y del Espíritu Santo. Amén.
Es para mí motivo de profunda alegría celebrar la Santa Misa en esta bellísima Basílica Catedral de San Bavón. Agradezco a Su Excelencia Reverendísima, Monseñor Johannes Willibrordus Maria Hendriks, Obispo de Haarlem-Ámsterdam, la cordial acogida que me ha dispensado en la Diócesis, y felicito a todos, especialmente al Padre Pieter Zimmermann, que durante muchos meses han trabajado con tanto esmero e infatigable dedicación para preparar la celebración de hoy. Ofrezco la Santa Misa por los fieles de la Diócesis de Haarlem-Ámsterdam.
La enseñanza de nuestro Señor Jesús en el Evangelio de hoy no nos resulta fácil de seguir en ningún tiempo, y menos aún en el tiempo presente.[1] Hace falta valor para corregir a un hermano que peca. Y hace falta todavía más valor en nuestra cultura, que rinde culto a la libertad del individuo. En nuestra sociedad existe un fuerte prejuicio contra el hecho de corregir a alguien acerca de lo que está bien y de lo que está mal. Con mucha frecuencia, hoy, cuando corregimos a alguien que hace algo gravemente malo, la respuesta es: «Tú tienes tu verdad y yo tengo la mía». Más aún, algunos de los males morales más graves, por ejemplo el aborto provocado y la eutanasia, han llegado incluso a ser legalizados por el Estado. En tal situación, denunciar la supresión de una vida humana inocente e indefensa, o la eliminación de quienes tienen el primer derecho a nuestro cuidado —aquellos que se han debilitado bajo el peso de una enfermedad grave, de necesidades especiales o de la edad avanzada—, se considera, de manera absurda, un intento de restringir o de suprimir un derecho legal. Pero, cuando comprendemos la verdad acerca de la libertad humana, entonces no podemos permanecer callados cuando un hermano traiciona el don de la libertad haciendo algo intrínsecamente malo, aunque sea legal o socialmente aceptado.
La lectura del Profeta Ezequiel constituye la introducción a la enseñanza de Cristo sobre la corrección fraterna. Nuestro Señor recuerda a Ezequiel que ha sido constituido «centinela de la casa de Israel»[2] para advertir al pueblo cuando deja de cumplir la voluntad de Dios. Nuestro Señor deja claro que el centinela o vigía realiza un acto de suma caridad cuando disuade al hombre que está cometiendo una acción perversa. Tan fundamental es la responsabilidad, propia de la caridad, de amonestar al hermano que peca, que nuestro Señor hace al profeta responsable de las malas acciones de aquellos a quienes no ha corregido a propósito de tales acciones.[3]
Un desafío particular para la corrección fraterna es la situación en la que un hermano o una hermana sostiene una posición moral contraria a la enseñanza de Cristo y de la Iglesia. El desafío es aún mayor cuando la posición confusa o errónea se expresa delante de otros, induciéndolos a la confusión y al error. El relativismo moral de nuestra sociedad tiende a aceptar como justo cuanto una persona piense sobre una determinada cuestión moral. Como consecuencia, con frecuencia nos encontramos en conversaciones sociales o en discusiones con otros en las que se hacen afirmaciones contrarias a la ley moral y, por tanto, a la enseñanza de la Iglesia. Si permanecemos callados, damos la impresión de estar de acuerdo con lo que es erróneo y no llamamos a nuestro prójimo a examinar lo que está afirmando a la luz de la ley moral y de la enseñanza de la Iglesia.
Está también la situación en la que sufrimos una injusticia por parte de otro. En tal situación, la única respuesta caritativa es seguir la clara instrucción del Señor Jesús sobre el modo de afrontar las situaciones de injusticia en nuestra vida. Con demasiada frecuencia intentamos corregir el mal que se nos ha hecho mediante la agresión contra el hermano o la hermana que nos ha ofendido. A veces puede tratarse de una agresión física exterior, pero más a menudo se trata de una agresión silenciosa y espiritual: una actitud de resentimiento persistente y de deseo de ver sufrir al otro por lo que ha hecho.
No debe sorprendernos que este modo de afrontar las injusticias no produzca nada bueno, sino que sólo aumente el daño causado: no hay corrección del que obra mal, no hay perdón, no hay reconciliación con el otro ni paz interior. San Pablo nos amonesta así en la Carta a los Romanos: «No estéis en deuda con nadie, si no es en la del amor mutuo; porque quien ama al prójimo ha cumplido la Ley... La caridad no obra el mal del prójimo. Es, pues, la caridad la plenitud de la Ley».[4]
Contrariamente a lo que enseña el mundo, cuando sufrimos una injusticia, nuestra respuesta como discípulos de Cristo debe ser: ¿cómo puedo amar a mi hermano que me ha hecho una injusticia? Tal es el amor semejante al de Cristo que debemos a todos nuestros prójimos, incluso a quienes nos hacen el mal. Amar al prójimo como a uno mismo es, fundamentalmente, desear su salvación y no devolverle jamás mal por mal. Como nos enseña Nuestro Señor, nuestro modo de practicar la corrección fraterna tiene por finalidad ganar de nuevo a nuestro hermano para Cristo.[5] Debemos estar atentos para que nuestro acto de corrección fraterna no sea expresión de ira o del deseo de castigar. Cuando el pueblo, en el éxodo de Egipto hacia la Tierra Prometida, se rebeló a causa de la falta de agua, Moisés se irritó contra él. Cuando Nuestro Señor respondió a su necesidad con el agua que había de brotar de la roca que Él mismo mandó a Moisés golpear con su vara, Moisés manifestó su ira contra el pueblo, cuando debería haber manifestado la santidad de Dios.[6] El Salmo Responsorial de hoy expresa el amor divino que debemos reflejar en toda situación de injusticia: «No endurezcáis el corazón como en Meribá, como el día de Masá en el desierto, cuando vuestros padres me pusieron a prueba y me tentaron, aunque habían visto mis obras».[7] Nuestra respuesta a la injusticia debe ser una invitación a quien la comete a escuchar la voz de Dios, a convertir su corazón al Señor, el único que es «la roca de nuestra salvación».[8]
Cristo enseña la corrección fraterna como una responsabilidad fundamental de la caridad, de la que no podemos dispensarnos por el hecho de que resulte difícil de cumplir. Él nos describe el modo de llevar a cabo la corrección fraterna como un acto de caridad. Su instrucción pone de manifiesto la caridad que debe sostener todo acto de corregir a otro. Hemos de guardar el mayor respeto hacia el otro, acercándonos primero a solas al hermano o a la hermana. Cuando él o ella se niega a escuchar, debemos entonces buscar la ayuda de otros y, si esto no da resultado, hemos de remitir el asunto a los pastores de la Iglesia. Una vez que hemos seguido la instrucción de Cristo, podemos estar en paz, orando por aquel a quien hemos corregido y confiándolo a los brazos de nuestro Señor. Cristo nos asegura que la gracia divina nos acompaña en el ejercicio de la corrección fraterna: « En verdad os digo, cuanto atareis en la tierra será atado en el cielo, y cuanto desatareis en la tierra será desatado en el cielo».[9] Ante el desafío de la corrección fraterna en una sociedad completamente permisiva, debemos confiar en la ayuda de la gracia de Dios, para que podamos hacer lo que es caritativo, lo que redunda en el bien eterno del otro.
A menudo, fieles miembros de la Iglesia me comentan lo difícil que resulta hoy ser católico, especialmente cuando se enfrentan a la confusión y al error acerca de lo que la Iglesia enseña y con frecuencia se ven obligados a dar razón de la fe ante los demás. En estas situaciones difíciles es importante recordar la instrucción de Cristo en el Evangelio de hoy. Nuestra aclaración de la confusión o corrección del error no es un acto de soberbia, sino más bien un acto fundamental de caridad, que busca el bien del otro y el bien de todos. Mediante el Sacramento de la Confirmación, Nuestro Señor acrecienta y fortalece el séptuple don del Espíritu Santo, que recibimos por primera vez en el Bautismo, para que nosotros, a nuestra vez, demos un testimonio claro y firme de Cristo en el mundo. La Sagrada Comunión es el Pan celestial de nuestra peregrinación terrena, que alimenta en nosotros la vida del Espíritu Santo, para que vivan su fe católica con integridad y estén preparados para dar razón de su fe ante los demás, incluso en los tiempos más difíciles.
Unámonos ahora a Cristo en su Sacrificio Eucarístico. Elevemos nuestros corazones, unidos al Inmaculado Corazón de María, y colocémoslos con seguridad dentro de su Sacratísimo Corazón, fuente inagotable de la gracia divina en nuestra vida. Bebamos del Corazón de Jesús la valentía de ser sus testigos fieles en el mundo. Que el fuego de la caridad divina en el Sagrado Corazón de Jesús inflame nuestros corazones, para que, mediante la práctica de la corrección fraterna, aclaremos lo que está confuso y corrijamos lo que está mal, dando así gloria a Dios y sirviendo a la salvación de las almas.
En el nombre del Padre, y del Hijo, y del Espíritu Santo. Amén.
Raymond Leo Cardenal BURKE
_________________________________________________
Notas
- Mt 18, 15-17.
- Ez 33, 7.
- Cf. Ez 33, 8.
- Rom 13, 8.10.
- Cf. Mt 18, 15.
- Cf. Nm 20, 1-13.
- Sal 95, 8-9.
- Sal 95, 1.
- Mt 18, 18.






















































