Arsacal
button
button
button


Ontwikkelingen binnen de rota jurisprudentie

Op het terrein van psychische onbekwaamheid en het “bonum coniugum”

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: vrijdag, 9 december 2011

(cc. 1055 §1, 1095 nn. 2 en 3 en 1101 §2)

Het tweede Vaticaans concilie heeft bijzondere aandacht aan het huwelijk besteed, waarbij vooral de dimensie van de per­soon­lijke relatie van de gehuwden meer in het licht is gesteld. Dit heeft ook voor de kerkelijke rechtspraak gevolgen gehad. Psychische onbekwaamheid en het welzijn van de echtgenoten (“bonum coniugum”) zijn sleutelbegrippen geworden. Hoe heeft de jurisprudentie van de Romeinse Rota zich op deze terreinen ontwikkeld?

1. DE BETEKENIS VAN DE ROTA-RECHTSPRAAK

De Romeinse Rota heeft een bijzondere positie binnen het rechtssysteem van de Rooms-katholieke Kerk, niet alleen door de bijzondere taken die haar door het canoniek recht worden verleend (vgl. cc. 1405 §3. 1443-1444), maar vooral door het gezag dat aan haar oordelen is toegekend. De bepalingen van het Wetboek van canoniek recht en de Apos­to­lische Constitutie Pastor Bonus geven duidelijker dan tevoren aan dat de rechtspraak van de Rota tot taak heeft eenheid te scheppen en daardoor bepalend is voor de ont­wik­ke­ling van de kerkelijke jurisprudentie.[1] Waar het wetboek van 1917 in canon 20 de uitdrukking “stylus Curiae” gebruikte, maakt het huidige wetboek in canon 19 gewag van “iurisprudentiae Curiae” als iets waarop gelet moet worden wanneer uitdrukkelijke voor­schriften ontbreken, terwijl de aangehaalde Apos­to­lische Constitutie het eerste wetgevende document is dat aan de Rota de functie toekent om de eenheid van de jurisprudentie te waarborgen.[2] In hun jaarlijkse toespraken tot de Rota-auditores hebben de pausen Johannes Paulus II en Benedictus XVI deze eenheid-scheppende betekenis van de Rota-jurisprudentie verschillende malen bevestigd en onderstreept.[3] In de praktijk hangt de verwerkelijking van deze doel­stel­ling grotendeels af van de rechters van de lagere rechtbanken die zich bij het vellen van hun oordelen dienen te richten naar de Rotale jurisprudentie. Beroeps­moge­lijk­heden en het toezicht van de Apos­to­lische Signatuur (vgl. c. 1445 §3, 1) kunnen ertoe bijdragen deze doel­stel­ling te effectueren. Paus Benedictus XVI heeft bij de honderdste verjaardag van de her-oprichting van de Romeinse Rota daarom de wens uitgesproken dat men zint op geschikte middelen om die eenheidscheppende rol steeds beter te vervullen en de rechtspraak van de Rota zo toegankelijk te maken dat die uniforme toepassing vindt in alle kerkelijke rechtbanken.[4]

De jurisprudentie van de Romeinse Rota heeft in de laatste decennia inderdaad een buitengewoon belangrijke rol gespeeld. Dat hangt samen met de ont­wik­ke­lingen die zich in de visie op het huwelijk hebben voorgedaan met name sinds het tweede Vaticaans concilie dat in de pastorale constitutie Gaudium et spes het huwelijk voorstelde als gemeen­schap van personen (communio personarum, GS 12) en als “intieme gemeen­schap van leven en echtelijke liefde” (“Intima communitas vitae et amoris coniugalis”, GS 48). Het Wetboek van canoniek recht (1983) omschreef daarop het huwelijk als een “het algehele leven omvattende gemeen­schap...., die uit haar natuurlijke aard gericht is op het welzijn van de echtgenoten en op het voortbrengen en opvoeden van kinderen” (c. 1055 §1). Deze teksten recipieerden daarmee een bewustwording aangaande de natuur van het huwelijk die in de kerkelijke rechtspraak tevoren al was begonnen, en versterkten die. Er kwam veel meer aandacht voor met name de personalistische aspecten van het huwelijk, voor het noodzakelijk onderscheidings­ver­mogen van de huwenden ten aanzien van de wezenlijke rechten en plichten van het huwelijk en voor de minimale bekwaamheid om de verplichtingen van het huwelijk op zich te kunnen nemen, die dus ook de levens- en liefdes­ge­meen­schap omvatten die het huwelijk is. De geestelijke, personalistische aspecten van het huwelijk kwamen meer in het vizier.

De ont­wik­ke­lingen op dit terrein in de jurisprudentie hebben zich grotendeels afgespeeld tegen de achtergrond van de vast­stel­ling van canon 1095 nn. 2 en 3 dat onbekwaam zijn tot het sluiten van een huwelijk (n. 2) wie lijden aan een ernstig gebrek aan oordeels­ver­mogen met betrekking tot de weder­zijds over te dragen en te aanvaarden wezenlijke rechten en plichten van het huwelijk en (n. 3) wie wegens redenen van psychische aard de wezenlijke verplichtingen van het huwelijk niet op zich kunnen nemen. Op deze beide “capita nullitatis” (nietigheidsgronden), die sinds het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw sterk zijn toegenomen,  is de laatste jaren de grote meerderheid van de huwelijksprocessen gebaseerd; beide capita worden niet zelden samen als onderzoekspunt in hetzelfde proces aanvaard.[5]

Het personalistisch karakter van het huwelijk wordt vaak verwoord met het begrip “bonum coniugum”, het welzijn van de echtelieden. Na enkele algemene opmerkingen over de gegroeide jurisprudentie inzake de nietigheidsgronden c. 1095 nn. 2 en 3, zullen we daarom stilstaan bij de betekenis van het “bonum coniugum”, zoals dat zich in de Rota-rechtspraak heeft ontwikkeld.

Een ander gevolg van de personalistische benadering - dat we hier echter niet nader zullen bespreken - is de gegroeide aandacht voor de opvoeding van de kinderen en de betekenis van het (on)vermogen daartoe in verband met de geldigheid van het huwelijk. Het gaat hierbij om een fundamenteel onvermogen om gedragingen te vermijden die ernstige schade toebrengen aan de psychische, fysieke, morele en godsdienstige ont­wik­ke­ling van de kinderen. A. Vanzi heeft de Rota-jurisprudentie op dit terrein onderzocht, de hoofdlijnen ervan gesystematiseerd en een poging gedaan het vereiste minimum aan bekwaamheid op het gebied van de opvoeding onder woorden te brengen.[6]

De invoering van canon 1098 over de ongeldigheid van een huwelijk dat gesloten wordt door iemand die misleid is door list, staat eveneens niet los van de geschetste ont­wik­ke­ling. Die getuigt er namelijk van dat men zich ervan bewust is geworden dat de basis voor het huwelijk als gemeen­schap van personen wordt verstoord als men in de echt is getreden, misleid door list, aangewend om de consensus te verkrijgen en betreffende een of andere eigen­schap van de andere partij, die uit haar aard de gemeen­schap van echtelijk leven ernstig kan verstoren (c. 1098).

2. ONTWIKKELING VAN DE JURISPRUDENTIE INZAKE CANON 1095 NN. 2 EN 3

Sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw is de jurisprudentie zich bewust geworden van het feit dat per­soon­lijkheids­stoor­nissen of neuroses (een term die overigens te­gen­woor­dig veelal liever wordt vermeden) een ernstig verstorend effect kunnen hebben op de innerlijke vrijheid van de keuze.[7] In de Rota-rechtspraak werd een groot aantal psychische aandoeningen aanvaard als (mogelijke) oorzaak van het ernstig gebrek aan onderscheidings­ver­mogen waarover canon 1095 n. 2 spreekt, zoals: depressies, stoornissen verbonden met een gecompliceerd rouwproces na het overlijden van een eerste echtgenoot, per­soon­lijkheids­stoor­nissen ontstaan door seksueel misbruik in de jeugd, narcistische of anti-sociale per­soon­lijkheids­stoor­nissen, afhankelijke per­soon­lijkheids­stoor­nissen, soms verbonden met een depressieve angst­stoor­nis, gemengde per­soon­lijkheids­stoor­nissen met schizoïde en ontwijkende componenten, affectieve onvolwassenheid, psychische gevolgen van voortdurend cannabis-gebruik, paranoïde per­soon­lijkheid, borderline per­soon­lijkheids­stoor­nissen of psycho-affectieve onvolwassenheid.[8] Oorzaken van dit onvermogen kunnen voorts zijn: schizofrenie, alcoholisme, ernstige onstabiliteit van de persoon of een obsessieve-compulsieve stoornis, om een aantal voorbeelden te noemen.[9] Sommige van deze stoornissen kunnen er tevens de oorzaak van zijn dat iemand de wezenlijke verplichtingen van het huwelijk niet op zich kan nemen, zoals de borderline per­soon­lijkheids­stoor­nis of een narcistische of antisociale per­soon­lijkheids­stoor­nis. De kerkelijke rechtspraak heeft daarbij bijzondere aandacht voor de relatie tussen de aandoening of stoornis en de wezenlijke rechten en plichten van het huwelijk en voor het keuzeproces en de mate waarin iemand zichzelf meester is, waarbij vanuit de antropologie de verschillende “elementen” of fasen van een vrije menselijke wilsdaad worden beschouwd. Een wilsdaad impliceert het kennen en beoordelen, het vermogen om te kiezen en te bevelen, in daad om te zetten.[10] Dit betekent in feite dat de capita van c. 1095 n. 2 en c. 1095 n. 3 nauw met elkaar verbonden zijn: hoe kan iemand die niet het vermogen heeft de wezenlijke verplichtingen van het huwelijk op zich te nemen, een waarachtige keuze - zonder ernstig gebrek aan oordeels­ver­mogen - maken terzake van diezelfde wezenlijke rechten en plichten? Het verschil tussen de beide capita nullitatis ligt veeleer in de invalshoek en de bewijsvoering, die zich bij c. 1095 n.2 richt op de vrijheid en het onderscheidings­ver­mogen van de persoon en bij c. 1095 n. 3 op de vraag of het vaststaat dat deze persoon het huwelijk in zijn wezenlijke kern niet kon volbrengen; in dat laatste geval richt de aandacht zich dus op het object van de consensus.[11]

De ont­wik­ke­ling van de kerkelijke jurisprudentie ten aanzien van de psychische onbekwaamheid (c. 1095) is samengevat door onder meer P. Bianchi in zijn geciteerde artikel. Hij merkt op dat de Rota geleidelijk is terug gekomen van een overvloedig citeren van literatuur op gebied van psychiatrie en psychologie en zich richt op een meer juridische argumentatie die de werking van de aangetoonde stoornissen in verband brengt met de minimum-bekwaamheid die voor het aangaan van een huwelijk nodig is.[12] In de vonnissen van de Rota vindt men veelvuldig het belang onderstreept dat deskundigen die door de rechtbank worden geraadpleegd, van een met het christelijk geloof verenigbaar mensbeeld - een christelijke antropologie - uitgaan. Deze aanbeveling is overgenomen in de door de Pauselijke raad voor de Wetsteksten gegeven instructie Dignitas connubii van 25 januari 2005, die de werkwijze van de diocesane en interdiocesane kerkelijke rechtbanken nader regelt.[13] Het is aan de rechters om af te wegen in hoeverre een stoornis het wettelijk vereiste onderscheidings­ver­mogen heeft verstoord of de bekwaamheid om de wezenlijke verplichtingen van het huwelijk te vervullen. De onbekwaamheid van cc. 1095 nn. 2 en 3 wordt vanuit juridische criteria bewezen en dit betekent dat het oordeel van deskundigen (psychologen, psychiaters...) niet in alle gevallen noodzakelijk is (vgl. c. 1680), zoals de Apos­to­lische Signatuur reeds in 1998 heeft aangegeven.[14]

 

Voorts heeft de Rota-rechtspraak een aantal concepten die in de canon besloten liggen, verhelderd.

Met betrekking tot de door de canon 1095 n. 2 vereiste ernst van het gebrek aan oordeels­ver­mogen (“...qui laborant gravi defectu discretionis iudicii...”), heeft de Rota geoordeeld dat het voor de geldigheid noodzakelijke onderscheidings­ver­mogen zodanig moet zijn dat het beantwoordt aan de wezenlijke kern van het huwelijk (“matrimonio proportionata”). Dit betekent volgens dezelfde rechtbank dat men tenminste in staat moet zijn een minimale afweging te maken ten aanzien van de wezenlijke rechten en plichten en met innerlijke vrijheid moet kunnen kiezen.[15] Normale mensen moeten echter geacht worden bekwaam te zijn en voldoende onderscheidings­ver­mogen te bezitten om geldig een huwelijk aan te kunnen gaan. Het ernstig gebrek aan oordeels­ver­mogen heeft dus betrekking op een psychische stoornis of  - in ieder geval - een abnormale situatie die de innerlijke vrijheid wegneemt.[16] Deze hoofdlijn van de jurisprudentie is gerecipieerd in de instructie Dignitas connubii.[17]

Het onvermogen om de wezenlijke verplichtingen op zich te nemen (c. 1095 n. 3) is een  onbekwaamheid tot het sluiten van een huwelijk als dat onvermogen aanwezig is op het moment van de huwelijkssluiting en uit ernstige psychische oorzaken voortkomt waardoor de partij niet slechts kampt met een ernstige moeilijkheid maar ook met een onmogelijkheid.[18] Om de nietigheid te kunnen vaststellen moet dus worden aangetoond dat de psychisch ernstig abnormale situatie - een uitdrukking die gewoonlijk op een echte stoornis of pathologie wijst - een werkelijke onbekwaamheid teweeg brengt om de wezenlijke verplichtingen op zich te kunnen nemen.[19]

Er zijn verplichtingen die de huwende voor altijd op zich moet kunnen nemen (semper et pro semper), andere verplichtingen laten onderbrekingen toe (semper sed non pro semper), maar altijd gaat het om de bekwaamheid op het moment van de huwelijkssluiting. Is het huwelijk eenmaal geldig gesloten, dan blijft het geldig, ook als een situatie zou ontstaan waarin bepaalde wezenlijke verplichtingen niet meer volbracht kunnen worden. Geleidelijk is in de jurisprudentie uitgekristalliseerd dat alleen sprake kan zijn van onbekwaamheid als die tegenover een ieder geldt, waarmee een relatieve onbekwaamheid als nietigheidsgrond is afgewezen.[20] Canon 1095 n. 3 doelt immers op de personen die de wezenlijke verplichtingen van het huwelijk niet op zich te kunnen nemen, niet op de relatie. Relatieve onbekwaamheid zou betekenen dat de beide partijen van een huwelijk op zich wel bekwaam zijn tot het aangaan van een huwelijk, echter onbekwaam worden de verplichtingen te vervullen in de relatie met elkaar, hetgeen eerder als een bijzondere relationele moeilijkheid dan als een onbekwaamheid van de partijen is te kwalificeren.

Voorts heeft de Rota-rechtspraak trachten te verhelderen waarin de door canon 1095 n. 3 genoemde wezenlijke verplichtingen en de door canon 1095 n. 2 genoemde wezenlijke rechten en plichten van het huwelijk eigenlijk bestaan.[21] Vanzelfsprekend speelt hierbij de omschrijving van het huwelijk die in canon 1055-1056 wordt gegeven, een belangrijke rol.[22] A. Stankiewicz, de huidige decaan van de Romeinse Rota, geeft die in een vonnis van 21 maart 2002 in aansluiting bij de drie Augustiniaanse bona matrimonialia (nakomeling­schap, huwelijkstrouw en onontbindbaarheid) als volgt weer: a) de verplichting de ont­van­ge­nis en geboorte van nakomeling­schap uit de andere huwelijkspartner te aanvaarden door middel van handelingen die geschikt zijn voor het doorgeven van nieuw menselijk leven en de verplichting zorg te dragen voor de fysieke, morele en godsdienstige opvoeding van de voortgebrachte kinderen (cc. 1055 §1; 1061 §1; 1136); b) de verplichting de huwelijkstrouw, dat wil zeggen: het exclusieve weder­zijdse karakter van de huwelijks­ge­meen­schap, die gefundeerd is op de unieke en exclusieve band, te bewaren (cc. 1056; 1134), alsmede de menselijke modaliteit van de echtelijke liefdesdaden te bewaren, dat wil zeggen: deze op menselijke wijze (humano modo) uit te oefenen (c. 1061 §1); c) de verplichting de onontbindbaarheid te bewaren, dat wil zeggen: de ondeelbaarheid en het blijvend karakter van de huwelijks­ge­meen­schap, die gefundeerd zijn op de onontbindbare en altijddurende band, te respecteren (cc. 1056; 1134), en derhalve (...) af te zien van echtscheiding en pogingen een nieuwe verbintenis aan te gaan. Tenslotte noemt Stankiewicz de verplichting die betrekking heeft op het bonum coniugum (c. 1055 §1) en die hieronder besproken wordt.[23]    

3. “BONUM CONIUGUM”

In canon 1055 §1, die een soort huwelijksdefinitie biedt, wordt gesteld dat het huwelijks­insti­tuut (totius vitae consortium) uit haar natuurlijke aard gericht is op het welzijn van de echtgenoten (“indole sua naturali ad bonum coniugum ... ordinatum”). De uitdrukking “bonum coniugum” en de wijze waarop die in de rechtspraak kan worden gehanteerd, is onderwerp van vele boeken en artikelen.[24] Het begrip roept de rijkdom en schoonheid van het huwelijk op, maar in een juridische context gaat het erom het essentiële minimum te identificeren, hetgeen juist vanwege het geestelijke aspect van het huwelijk dat erdoor wordt uitgedrukt, nog niet zo gemakkelijk is. De meerderheid van de auteurs is er wel van overtuigd dat het bij het bonum coniugum (aanvankelijk ook wel communio vitae genoemd) om een eigen essentieel recht en verplichting gaat, die niet samenvalt met de andere wezenlijke elementen of met het totaal ervan en dat op basis hiervan een nieuwe nietigheidsgrond gegeven was.[25] U. Navarrete meende dat dit caput nullitatis weliswaar van grote betekenis is voor de onbekwaamheid om psychische redenen waarvan sprake is in canon 1095, maar kon zich nauwelijks voorstellen dat dit iets zou toevoegen op het terrein van simulatie. Zou iemand alle wezenlijke elementen van het huwelijk kunnen aanvaarden en het recht op (een zekere minimale vorm van) levens­ge­meen­schap niet? De Romeinse Rota heeft in de laatste jaren toch een aantal malen de uitsluiting van het bonum coniugum als caput nullitatis aanvaard.[26] Reeds eerder en in veel meer gevallen stelde deze rechtbank de nietigheid van het huwelijk vast op grond van een onbekwaamheid om de wezenlijke verplichting van het bonum coniugum op zich te nemen.[27] Het is aan deze Rota-oordelen dat we de navolgende preciseringen ontlenen die enigszins duidelijk maken wat het essentiële minimum is van het bonum coniugum dat de partijen op zich moeten kunnen nemen en dat zij niet mogen uitsluiten om een geldig huwelijk te sluiten.

 

De Rota-rechtspraak ziet in het bonum coniugum als wezenlijk element van het huwelijk een juridisch aspect van de liefde tussen man en vrouw tot zijn recht komen, omdat de huwenden uit vrije wil  kiezen voor iets - het huwelijk - waarnaar zij verlangen en dat zij als een goed voor henzelf beschouwen.[28] Daarmee in strijd zou een keuze voor het huwelijk zijn door een persoon die onbekwaam is het welzijn van de andere partij op het oog te hebben, maar handelt bij­voor­beeld om wraak te nemen of uit jaloezie of om zichzelf een bepaalde status te verlenen, of anderszins niet kan handelen dan om motieven die in strijd zijn met het bonum coniugum.

 

Stankiewicz bespreekt de wezenlijke verplichting van het huwelijk die betrekking heeft op het bonum coniugum in zijn reeds geciteerde vonnis van 21 maart 2002. Hij omschrijft die als de verplichting een huwelijkse gemeen­schap van leven en echtelijke liefde aan te vangen, waardoor man en vrouw één vlees worden (Mt. 19, 6; cf. Gen. 2, 24; c. 1061 §1) en deze gemeen­schap steeds te onderhouden door middel van intieme inter-per­soon­lijke en psycho-seksuele com­mu­ni­ca­tie waarbij de echtgenoten ertoe gehouden zijn - met behoud van hun substantiële gelijk­waar­digheid - elkaar weder­zijdse hulp te verlenen en dienstbaar te zijn.[29]

A. McGrath somt de volgende elementen op, die tot het bonum coniugum behoren en die hij heeft ontleend aan de in iure-overwegingen van Rota-rechtspraak die heeft geoordeeld over het uitsluiten van het welzijn van de echtgenoten: dat het huwelijk gaat om een man en een vrouw, binnen een inter-per­soon­lijke relatie die van nature intiem is en seksueel, waarbij de partijen elkaar aanvullen (complementariteit). Deze relatie is gebaseerd op het aanvaarden en respecteren van de fundamenteel gelijke waardigheid van de partners en wordt aangegaan door de gave van zichzelf aan de andere partij en het aanvaarden van die ander. Daarom vereist deze relatie een minimale bekwaamheid tot zelfgave en com­mu­ni­ca­tie met elkaar en zij impliceert de mogelijkheid tot groei naar menselijke en christelijke volkomenheid.[30] Wie dus deze elementen uitsluit of niet in staat is de verplichtingen die hieruit voortvloeien op zich te nemen, sluit het huwelijk ongeldig. Daarbij moet wel voor ogen worden gehouden dat het hier gaat om het juridisch minimum vereist  voor de geldigheid van het huwelijk, temeer daar de termen en begrippen die in dit kader in de weten­schap en jurisprudentie worden gebruikt, tamelijk breed en weinig concreet zijn. Welke elementen behoren tot het wezen van het huwelijk en in hoeverre? De elementen die door Stankiewicz en McGrath worden genoemd, roepen de vraag op hoe men een minimum kan bepalen en afgrenzen. Welke mate van gelijk­waar­digheid, intimiteit, com­mu­ni­ca­tie, bereidheid om te groeien is noodzakelijk voor de geldigheid van het huwelijk? Hier spelen gemakkelijk tijdgebonden en cultuur-bepaalde aspecten een rol. In de huidige tijd wordt veel meer van het relationele karakter van het huwelijk verwacht dan honderd jaar geleden. Hieromtrent bestaat nog geen uitgekristalliseerde jurisprudentie. In een zaak die beoordeeld wordt op grond van psychische onbekwaamheid over­een­komstig canon 1095 n. 3 zal een psychische stoornis of in ieder geval een ernstig abnormale psychische gesteltenis worden vastgesteld waardoor iemand niet in staat is tot een normale inter-per­soon­lijke relatie. Bij een beoordeling op grond van c. 1101 §2 (uitsluiting van een wezenlijk element) ligt het ingewikkelder.

In de weinige zaken waarin de nietigheid werd vastgesteld op grond van uitsluiting van het bonum coniugum had soms een ander caput gekozen kunnen worden:[31] het geval van een vrouw die een veertig jaar oudere man huwde om haar leven “op de rails” te krijgen, maar die niet met hem wilde samenwonen en seksueel contact weigerde, komt dicht in de buurt van totale simulatie (of eventueel uitsluiting van het bonum prolis). Hetzelfde kan worden gezegd van een vrouw die alleen om financiële redenen en omwille van de status een veertien jaar oudere man huwde, zonder met hem een relatie te willen aangaan. Dichter in de buurt komen een vrouw die zonder liefde huwt en haar man voortdurend kwaadaardig kwelt en een man die alleen huwt om zijn moeder een plezier te doen, maar zich vanaf het begin van het huwelijk tiranniek gedraagt en zijn vrouw aan allerlei fysieke en psychologische kwellingen onderwerpt. De causa van een man die vanaf het begin gewelddadig was en steeds agressief bleef, maar aangaf geen enkele intentie te hebben gehad tegen het huwelijk, wijst in de richting van canon 1095 n. 3.

G. Bertolini onderscheidt in de Rota-rechtspraak verschillende, soms tegengestelde opvattingen, die hij min of meer in drie stromingen verdeelt.[32]  De eerste twee benaderingen zien het bonum coniugum in het licht van het mutuum adiutorium (weder­zijdse hulp) dat het kerkelijk wetboek van 1917 als een van de secundaire doelen van het huwelijk formuleerde en sluiten aan bij de visie van kardinaal U. Navarrete.[33] Deze benaderingen in de Rota-rechtspraak zien in het aanvaarden van de traditionele Augustiniaanse bona  - bonum prolis (nakomeling­schap), bonum fidei (huwelijkstrouw) en bonum sacramenti (onontbindbaarheid) - het bonum coniugum voldoende gerespecteerd. Volgens een decreet van het heilig Officie was deze weder­zijdse hulp wezenlijk ondergeschikt aan het eerste doel van het huwelijk (het voortbrengen en opvoeden van nakomeling­schap).[34] Dat hield in dat het mutuum adiutorium alleen de geldigheid van het huwelijk kon beïnvloeden wanneer die hulp nodig was om het eerste doel te realiseren. Een eerste benadering binnen de Rota (zonder veel draagvlak) oordeelt in overeenstemming met dit decreet dat de genoemde drie bona volstaan omdat het huwelijk allereerst bestaat in het recht op de huwelijksdaad (“ius ad actus per se aptos ad prolem generandam”).[35] Waar het wetboek van canoniek recht van 1917 sprak van het uitsluiten van ieder recht op de huwelijksdaad (CIC ‘17, c. 1086 §2), heeft het huidige wetboek het echter over het uitsluiten van een of ander wezenlijk element (“matrimonii essentiale aliquod elementum”, c. 1101 §2). Dit maakt een onderschikking van enig wezenlijk element van het huwelijk aan het recht op de huwelijksdaad niet logisch.

Een tweede benadering, die binnen de Rota de overheersende is, ziet in het bonum coniugum min of meer de som van de drie traditionele bona, die zij met Navarrete ook wel uitgedrukt zien in het begrip mutuum adiutorium (weder­zijdse hulp), dat - verstaan in de bijbelse zin van het woord - refereert aan het huwelijk als “communio personarum”, een intieme levens- en liefdes­ge­meen­schap.[36] Een uitsluiting van het bonum coniugum komt dan in feite neer op een uitsluiting van het huwelijk zelf of een uitsluiting van één van de drie traditionele bona. Voor het vaststellen van een onbekwaamheid op dit gebied is de Rota - zoals gezegd - eerder bereid het begrip bonum coniugum te gebruiken, waarbij het gaat om de onbekwaamheid tot een gevende relatie op grond van een ernstige stoornis of aandoening.

Een derde benadering bepleit de autonomie van het bonum coniugum als wezenlijk element, ook waar het om de uitsluiting ervan gaat. Deze benadering ziet in het bonum coniugum met name de zelfgave van de huwenden tot uitdrukking gebracht. Zij kunnen alleen een inter­per­soon­lijke huwelijksrelatie aangaan wanneer zij zich aan elkaar geven in liefde, in weder­zijdse complementariteit en gelijke waardigheid. Uitsluiting van het bonum coniugum zou dan gegeven zijn wanneer bij het geven van de consensus de menselijke en christelijke noodzaak om steeds meer te groeien in eenheid en geestelijke gemeen­schap en de fundamentele rechten van de ander, uitgesloten zouden zijn door een positieve wilsakt.[37] Van onbekwaamheid tot het bonum coniugum zou sprake zijn wanneer de huwenden de verplichting die uit dit bonum voortvloeit bij de huwelijkssluiting niet voorgoed op zich kunnen nemen.

4. CONCLUSIES

Aan deze formuleringen ziet men hoe de Rota-rechtspraak recht wil doen aan het feit dat het tweede Vaticaans concilie het huwelijk als “communio personarum” beschrijft (GS 12) en als een intieme gemeen­schap van leven en echtelijke liefde (GS 48), maar dat daarbij gemakkelijk een ‘moderne’, ‘hedendaagse’, ‘westerse’, ‘individualistische’ en tot anderhalve eeuw geleden vrijwel onbekende visie op het huwelijk bepalend wordt. Niet de (mate van) gevoels-liefde kan hierbij bepalend zijn, maar de bereidheid zich aan de partner te geven (vgl. Jo. 15,12). Het kan voor de geldigheid slechts gaan om een juridisch minimum bij het geven van de consensus, waarbij geen bijzondere eisen - anders dan de minimale - kunnen worden gesteld aan de bekwaamheid of de bereidheid. Dit minimum heeft betrekking op de relatie van de beide huwenden met elkaar, niet op relaties met anderen of plichten die in het maat­schap­pe­lijk leven te vervullen zijn.[38]

Verschillende auteurs zijn van mening dat het bonum coniugum niet als nietigheidsgrond moet worden aanvaard, vanwege de vaagheid van het begrip en het mogelijk misbruik ervan.[39] Toch kan het op grond van de tekst van het kerkelijk wetboek eigenlijk geen twijfel lijden dat de gerichtheid op het bonum coniugum als een eigen wezenlijk element van het huwelijk moet worden beschouwd, onderscheiden van de gerichtheid op nakomeling­schap (bonum prolis, vgl. c. 1055 §1) en de wezenlijke eigen­schappen van eenheid en onontbindbaarheid (bonum fidei et sacramenti, c. 1056).  Voor wat de uitsluiting van het bonum coniugum betreft, kan men daarbij vooral denken aan wezenlijke mensenrechten zoals de gelijke waardigheid van man en vrouw of de vrijheid van godsdienst en in een enkel geval de uitsluiting van een per­soon­lijke relatie. De onbekwaamheid tot het bonum coniugum is vooral te zoeken in een onvermogen door psychische oorzaken om een ‘normale’ per­soon­lijke relatie aan te gaan en het welzijn van de partner op het oog te hebben.

Het bonum coniugum brengt geen vereisten met zich mee die specifiek zijn voor het christelijk en sacramenteel huwelijk. Het sacramentele karakter van het huwelijk wil zeggen dat het huwelijk een genade-schenkend teken is, maar het gaat om de verheffing en tekenwaarde van de natuurlijke werkelijkheid die het huwelijk is.[40] Ook dit punt is overigens nog wel aan discussie onderhevig - zoals duidelijk werd uit de elementen van het bonum coniugum die McGrath aan de Rota-rechtspraak had ontleend -,  maar de hoofdlijn van de jurisprudentie gaat er van uit dat men geen juridische waarde kan ontlenen aan bij­voor­beeld een onbekwaamheid tot of een uitsluiten van spirituele groei, eenheid in geloof. Dit ligt anders wanneer één van beide partners de ander ieder recht op godsdienstvrijheid zou ontzeggen.

 

De jurisprudentie van de Romeinse Rota is een bindend oriëntatiepunt voor de lagere rechtbanken. Op het terrein van de psychische onbekwaamheid - met name als het gaat om de nietigheidsgronden die op canon 1095 nn. 2 en 3 zijn gebaseerd - hebben zich na het tweede Vaticaans concilie belangrijke ont­wik­ke­lingen voorgedaan, waarbij de rechtspraak van de Romeinse Rota een belangrijke leidraad is geweest door concepten te verhelderen, grenzen af te bakenen, wegen te wijzen. Voor zowel canon 1095 n. 2 als n. 3 is uitgewerkt dat ‘normale’ mensen in staat zijn een huwelijk aan te gaan en dat alleen een stoornis of een ernstig abnormale psychische situatie oorzaak is van nietigheid van een huwelijk op deze gronden. Deze psychische oorzaak neemt de innerlijke vrijheid weg om een werkelijke consensus te kunnen geven (c. 1095 n.2) of de wezenlijke verplichtingen te kunnen vervullen. Welke deze verplichtingen precies zijn is in de Rota-rechtspraak eveneens verhelderd, al is de discussie daaromtrent zeker nog niet ten einde. Een bijzondere rol speelt het bonum coniugum (welzijn van de echtgenoten, c. 1055 §1) in de toepassing van canon 1095 n. 3 en - vooral in de laatste jaren - als mogelijke nietigheidsgrond op basis van canon 1101 §2, maar daarover verschillen de meningen vooralsnog, ook binnen de Rota.

Jan Hendriks

 


[1] “...unitati iurisprudentiae consulit et, per proprias sententias, tribunalibus inferioribus auxilio est”, in: P. IOANNES PAULUS II, Apos­to­lische Constitutie Pastor Bonus, 28 juni 1988, in: AAS 80(1988), pp. 841-930, art. 126. Vgl. ROMANAE ROTAE TRIBUNAL, Normae Quammaxime decet, 18 apr. 1994, in: AAS 86(1994), pp. 508-540. Wetboek van canoniek recht (Codex iuris canonici), Latijns-Nederlandse uitgave (Brussel, Baarn, Kevelaer, 1996[2]). Over de belangrijke plaats van de Romeinse Rota in de huidige tijd, zie bij­voor­beeld: P. MONETA, “La Rota Romana”, in: La giurisprudenza della Rota Romana sul consenso matrimoniale (1908-2008) (Studi giuridici LXXXIII, Città del Vaticano, 2009), pp. 25-35; A. STANKIEWICZ, “La Rota Romana e la giustizia nella chiesa”, ibidem, pp. 11-23; G. ROMANATO, “La Rota Romana restituta nella riforma di S. Pio X”, in: Studio Rotale 19(2009), pp.15-24; Z. GROCHOLEWSKI, “Functie van de Heilige Romeinse Rota en van de Hoogste Rechtbank van de Apos­to­lische Signatuur”, in: Concilium NL 15(1979), nr. 7, pp. 53-58, m.n. pp. 54-55 (waar de auteur, eertijds prefect van de Apos­to­lische Signatuur en op dit moment van de Con­gre­ga­tie voor de Katholieke Opvoeding, pleit voor snellere en selectieve publicatie van de jurisprudentie in verschillende moderne talen); IDEM, “I Tribunali”, in: P. BONNET, C. GULLO (ed.), La Curia Romana nella Cost. Ap. ‘Pastor Bonus’, pp. 395-418, m.n. pp. 414-416; St. KILLERMANN, “Die Rota Romana und ihre Rechtsprechung zu Beginn des neuen Jahrtausends”, in: De processibus matrimonialibus 14(2007), pp. 27-74.

[2] Codex iuris canonici Benedicti Papae XV auctoritate promulgatus [1917] (Typis polyglottis Vaticanis, 1974); vgl. hierover U. NAVARRETE, “Independencia de los jueces eclesiásticos en la interpretación y aplicación del derecho: formación de jurisprudencias matrimoniales locales”, in: Derecho matrimonial canónico. Evolución a la luz del Concilio Vaticano II, pp. 1085-1124, m.n. pp. 1095-1100 (“La Rota Romana: función unificadora de la jurisprudencia”).

[3] NAVARRETE, a.c., pp. 1097-1098 (met verwijzing naar de toespraken van paus Johannes Paulus II van 24 jan. 1981 en 26 febr. 1983).

[4] P. BENEDICTUS XVI, Allocutio ad omnes participes Tribunalis Rotae Romanae, 26 jan. 2008, in: AAS 100(2008), pp. 84-88, hier; p. 87: “Auspico che si studino i mezzi opportuni per rendere la giurisprudenza rotale sempre più manifestamente unitaria, nonché effetivamente accessibile a tutti gli operatori della giustizia, in modo da trovare uniforme applicazione in tutti I tribunali della Chiesa”; V. DE PAOLIS, “La giurisprudenza del tribunale della Rota Romana e i tribunali locali”, in: Periodica 98(2009), pp. 275-319 en 463-483.

[5] “Relazione sull’ attività della Rota Romana nell’anno giudiziario 2008", in: Quaderni dello Studio Rotale 19(2009), pp. 25-53, hier p. 27: “Appare consolidata la situazione di fatto che vede i capi relativi all’incapacità psichica (difetto di discrezione di giudizio e incapacità di assumere gli obblighi coniugali) impegnare la parte di gran lunga maggiore dell’attività giudiziaria del Tribunale. I due capi sono spesso abbinati nella formula del dubbio”; P. BIANCHI, “L’evoluzione della giurisprudenza rotale in materia di incapacità al matrimonio”, in: Quaderni dello Studio Rotale 19(2009), pp. 83-97, hier p. 86, illustreert dat met de cijfers van de gepubliceerde sententies. Het eerste cijfer geeft het aantal oordelen op grond van psychische onbekwaamheid, het cijfer tussen haakjes geeft het totale aantal oordelen weer: 1994: 68 (105); 1995: 61 (108); 1996: 73 (132); 1997: 95 (139); 1998: 104 (141); 1999: 96 (155); 2000: 73 (127); 2001: 66 (114). KILLERMANN, a.c., p. 38 geeft aan dat over de jaren 2000-2004 in 220 gevallen het enige onderzoekspunt c. 1095 n. 3 was en in 263 gevallen c. 1095 n. 2., in totaal dus 483 oordelen op grond van psychische onbekwaamheid.

[6] A. VANZI, L’ incapacità educativa dei coniugi verso la prole come incapacità ad assumere gli oneri essenziali del matrimonio (can. 1095, 3º) (Tesi Gregoriana, serie Diritto canonico 73, Roma, 2006).

[7] Vgl. BIANCHI, a.c., p. 87.

[8] Relazione..., cit., p. 29; Relazione sull’attività della Rota Romana nell’anno giudiziario 2005, in: Quaderni dello Studio Rotale 16(2006), pp. 46-85, hier: p. 50; KILLERMANN, a.c., p. 50.

[9] Relazione...., cit., pp. 28-29; KILLERMANN, a.c., pp. 55-57; vgl. AMERICAN PSYCHIATRIC ASSOCIATION, Diagnostic and Statistical Manual of mental Dosorders (DSM IV-TR, Washington DC, 2000).

[10] Zie hierover bij­voor­beeld: c. STANKIEWICZ, 14 dec. 2007, in: Ius Ecclesiae 22(2010), pp. 107-134, m.n. pp. 116-126; vgl. het commentaar op deze sententie van H. FRANCESCHI, “La capacità per l’atto di volontà: relazione tra il difetto grave della discrezione di giudizio e l’incapacità di assumere gli obblighi essenziali del matrimonio in una recente sentenza c. Stankiewicz”, in: ibidem, pp. 134-147, hier m.n. p. 146.

[11] Vgl. J. HENDRIKS, Huwelijksrecht. Canon 1055-1165 van het Wetboek van canoniek recht (Oegstgeest, Brugge, 1995), pp. 134-135 en 138. Vgl. J.M. SERRANO RUIZ, “La novità normativa e la collocazione sistematica del can. 1095 n. 3", in: P.A. BONNET, C. GULLO (ed.), Diritto matrimoniale canonico, deel 2 Il consenso (Studi giuridici LXI, Città del Vaticano, 2003), pp. 91-119, m.n. pp. 99-100 en 110-112.; P. BIANCHI, “Il difetto di discrezione di giudizio circa i diritti e doveri essenziali del matrimonio”, in: Diritto matrimoniale canonico, deel 2, o.c., pp. 73-89, hier: pp. 77-78.

[12] BIANCHI, “Evoluzione...”, a.c., p. 89; M. F. POMPEDDA, “Dialogo e collaborazione tra giudici e periti nelle cause di nullità di matrimonio”, in: Periodica 88(1999), pp. 141-161, m.n. pp. 152vv.

[13] PAUSELIJKE RAAD VOOR DE WETSTEKSTEN, Instructie Dignitas connubii, 25 januari 2005 (Città del Vaticano, 2005), art. 205 §2: “Maxime curandum est ut periti seligantur qui principiis anthropologiae christianae adhaereant”; vgl. P. BIANCHI, “Evoluzione...”, p. 97.

[14] SUPREMUM SIGNATURAE APOSTOLICAE TRIBUNAL, Quaesitum de usu periti in causis nullitatis matrimonii, 16 juni 1998, in: Periodica 78(1998), pp. 619-622; M.F. POMPEDDA, destijds prefect van de Apos­to­lische Signatuur, a.c., p. 148: “... specificatamente nelle cause matrimoniali concernenti difetti psichici o incapacità fisica, il codice vigente del 1983, come pure la prassi costante e ... la prudenza giudiziaria ... incoraggia certamente ma non richiede l’acquisizione delle opinioni di esperti”; aldus ook bijv. een vonnis c. CABERLETTI, 10 apr. 2003: “Quamvis auxilium peritorum in arte psychologica aut psichiatrica peropportunum sit et nonumquam necessarium, gravis defectus vero probatur per criteria iuridica, quae profluunt ex praesuppositis rectae anthropologiae pro actu humano eliciendo et ex istius relativitate ad iura atque officia essentialia connubii” (geciteerd bij: KILLERMANN, a.c., p. 51, voetnoot 123).

[15] HENDRIKS, o.c., p. 134; BIANCHI,  “Evoluzione...”, p. 90; H. PREE, “Neuestes aus der Ehejudikatur der Rota Romana”, in: Archiv für katholisches Kirchenrecht 159(1990), pp. 60-93, hier: pp. 66-70.

[16] Vgl. bijv. A. STANKIEWICZ, “Quaestiones iurisprudentiales de discretionis iudicii defectu et incapacitate assumendi”, in: Quaderni dello studio rotale 19(2009), pp. 67-82, hier: p. 74: “ Quamvis in facultatem electivam varii factores psycho-affectivi, a peculiari anomalia psychica infecti, suum conturbantem influxum exerceant, sicut tensiones emotionales, commotiones, impulsus indolis obsessivae, inconsistentiae subconsciae, et ita porro, non quaelibet tamen huius facultatis alteratio incapacitatem liberae determinationis inducit, sed illa dumtaxat quae libertatem internam afficit eamque intercludit”.

[17] = DC, zie bijv. art. 209 §2, n., 2: “ In causis ob defectum discretionis iudicii, quaerat [iudex a perito] qualis fuerit anomaliae effectus in facultatem criticam et electivam ad decisiones graves eliciendas, peculiariter ad statum vitae libere eligendum”.

[18] DC art. 209, n. 3: “In causis denique ob incapacitatem assumendi obligationes matrimonii essentiales, [iudex a perito] quaerat quaenam sit natura et gravitas causae psychicae ob quam pars non tantum gravi difficultate sed etiam impossibilitate laboret ad sustinendas actiones matrimonii obligationibus inhaerentes”.

[19] Zie bijv. c. STANKIEWICZ, 14 dec. 2007, sent. cit., n. 21, p. 126: “Gravitas autem causae naturae psychicae, iure requisita..., eius indoli pathologicae haud dubie annuit”.

[20] KILLERMANN, a.c., p. 54 die onder meer een sententie c. PINTO van 22 juni 2001 citeert: “ Nam in iure non dantur gradus incapacitatis utroque vel alterutroque coniuge spectato. Non dantur duo diminutae incapacitates, quae per occursum inter­personale in convictu plenam cuasarent incapacitatem” (aldaar voetnoot 133); .BIANCHI, “Evoluzione...”, p. 92; HENDRIKS, o.c., p. 138.

[21] HENDRIKS, o.c., pp. 136-137; IDEM, Diritto matrimoniale. Commento ai canoni 1055-1165 del Codice di diritto canonico (Milano, 20012), pp. 182-185.

[22] HENDRIKS, o.c., i.l..

[23] Geciteerd bij KILLERMANN, a.c., pp. 53-54, voetnoot 131.

[24] In dit verband citeren we slechts enkele recente gezaghebbende bijdragen: J. KOWAL, “Breve annotazione sul bonum coniugum come capo di nullità”, in: Periodica 96(2007), pp. 59-64; A. McGRATH, “Exclusion of the bonum coniugum: some reflections on emerging Rotal jurisprudence from a first and second instance perspective”, in: Periodica 97(2008), pp. 597-665; C.J. ERRÁZURIZ MACKENNA, “Riflessioni circa il ‘bonum coniugum’ e la nullità del matrimonio”, in: J. KOWAL, J. LLOBELL, “Iustitia et iudicium”. Studi di diritto matrimoniale e processuale canonico in onore di Antoni Stankiewicz (Città del Vaticano, 2010), pp. 169-182; F. TURRIZIANI COLONNA, “Bonum coniugum. Dal mutuum adiutorium al consortium totius vitae”, in: ibidem, pp. 155-168; P.A. BONNET, “Essenza, proprietà essenziali, fini e sacramentalità”, in: P.A. BONNET, C. GULLO (ed.), Diritto matrimoniale canonico, deel 1 (Studi giuridici LVI, Città del Vaticano, 2002), pp. 95-153, hier: pp. 116-127. Zie ook: Relazione sull’attività della Rota Romana nell’anno giudiziario 2005, cit., pp. 60-61 (over uitsluiting van het bonum coniugum en een poging de inhoud van bonum coniugum te bepalen).

[25] Zie bijv. het artikel van de bekende, onlangs overleden canonist kardinaal U. NAVARRETE, “Problemas sobre la autonomía de los capítulos de nulidad del matrimonio por defecto de consentimiento causado por perturbaciones de la personalidad”, in: IDEM, Derecho matrimonial canónico, o.c., pp. 616-638, hier: pp. 635-637: “... parece más probable la sentencia según la cual el derecho-obligación a la comunión de vida... es un derecho-obligación esencial, distinto de cada uno y de la suma de todos los demás derechos-obligaciones esenciales del istituto matrimonial. (...) Si es así, habrá un nuevo capitulo de nulidad...”.

[26] G. BERTOLINI, “La simulazione totale tra esclusione del bonum coniugum e della sacramentalità”, in: AAVV, La giurisprudenza della Rota Romana sul consenso matrimoniale (1908-2008) (Studi giuridici LXXXIII, Città del Vaticano, 2009), pp. 105-157, telde in totaal elf Rota-vonnissen, waarvan er twee waren gepubliceerd (p. 123); McGRATH, a.c., p. 598 noteerde in 2008 een viertal gepubliceerde Rota-oordelen op grond van uitsluiting van het bonum coniugum. Minder gemakkelijk is het aantal vast te stellen van de vonnissen terzake op grond van c. 1095 n.3 omdat de aard van de onbekwaamheid (het niet kunnen opnemen van de verplichting tot bonum coniugum) niet uitdrukkelijk in de bepaling van het caput nullitatis wordt vermeld.

[27] Zie bijv. een oordeel c. GIANNECCHINI, 22 juni 1984, in: F. DELLA ROCCA, Diritto matrimoniale canonico, secondo volume di aggiornamento (Padova, 1987), n. 210, m.n. p. 199; c. PINTO, 9 nov. 1984, in: ibidem, n. 33, p. 293;  c. POMPEDDA, 29 jan. 1985, in: ibidem, n. 259, pp. 236-237 (waar in feite de mogelijkheid van het caputexclusio boni coniugum’ al wordt aangeduid); c. PALESTRO, 21 nov. 1990, in: F. DELLA ROCCA, Diritto matrimoniale canonico, Quarto volume di aggiornamento (Padova, 1995), n. 171, m.n. p. 438 en vele anderen (zie bijv. de CD-rom Ius canonicum et iurisprudentia rotalis (edizione 1995), s.v. bonum coniugum).

[28] Vgl. Relazione sull’attività della Rota... 2005 , cit., p. 60.

[29] Geciteerd bij KILLERMANN, a.c., p. 54, noot 131.

[30] McGRATH, a.c., pp. 634-635.

[31] We ontlenen deze casussen aan G. BERTOLINI, a.c., pp. 131-132.

[32] BERTOLINI, a.c., pp. 125-131.

[33] U. NAVARRETE, “De iure ad vitae communionem: observationes ad novum Schema canonis 1086 §2", in: Periodica 66(1977), pp. 249-270, hier: p. 266: “... terminus ‘mutuum adiutorium’ quod in Genesi (2,18-23) habet significationem adeo profundam et densam nempe complementarietatem et integrationem hominis in omnibus suis dimensionibus - quia in toto suo ‘esse’ sexuatus est -, amisit illum profundum sensum ac, magis in die pauper factus, reductus est ad significandum solummodo iuvamen quoddam perifericum vitae coniugum...”; IDEM, Structura iuridica matrimonii secundum Concilium Vaticanum II (Roma, 1968).

[34] CIC 1917, c. 1013 §1; S. OFFICIUM, Decretum, 29 maart 1944, in: Denz. 3838; vgl. HENDRIKS, Huwelijksrecht, o.c., pp. 64-70; J. BÁNK, Connubia canonica (Romae, Friburgi Brisgoviae, Barcinone, 1949), pp. 21-28.

[35] Ibidem, pp. 125-126. Hij citeert een sententie c. MCKAY van 19 mei 2005: “Essentiae ergo matrimonii est ut partes mutuum concedant ius ad actus coniugales. (...) Bona fidei, sacramenti prolisve, indubitanter sunt iam bonum coniugum”.

[36] BERTOLINI, a.c., pp. 126-128; NAVARRETE, “De iure...”, a.c., p. 266.

[37] BERTOLINI, a.c., pp. 128-131, met name het citaat uit een sententie c. CIVILI, 8 nov. 2000, op p. 130.

[38] Vgl. ERRAZURIZ MACKENNA, a.c., pp. 175-176.

[39] Bijv. ERRAZURIZ MACKENNA, a.c., pp. 178-181.

[40] Vgl. ERRÁZURIZ MACKENNA, a.c., p. 176; P. JOHANNES PAULUS II, Allocutio ad omnes participes Tribunalis Rotae Romanae, 1 febr. 2001, n. 8, in: AAS 93(2001); IDEM, Allocutio ad omnes participes Tribunalis Rotae Romanae, 30 jan. 2003, n. 8, in: AAS 95(2003), p. 397.


Terug