Arsacal
button
button
button
button


Zonnig Sint Jansfeest in Laren

Thema: (werken van) barmhartigheid

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 22 juni 2014 - 1605 woorden
De bruidjes maken zich klaar om mee te gaan in de processie
De bruidjes maken zich klaar om mee te gaan in de processie

Op zon­dag 22 juni werd in Laren het Sint Jans­feest gevierd met grote deelname van gelo­vi­gen en uits­te­kend weer: zonnig, maar ook weer niet te warm. Pastoor Jan Vriend en de Broeder­schap van Sint Jan kunnen terugkijken op een geslaagd feest, dat alle moeite van de voor­be­rei­dingen weer volop waard was. Thema was dit jaar: (de werken van) barm­har­tig­heid.

De burge­mees­ter van laren, drs. Elbert Roest, en zijn echt­ge­note nemen altijd aan de pro­ces­sie deel en zij nodigen voor die gelegen­heid ook een eigen gast uit, dit jaar was dat de burge­mees­ter van Hengelo, drs. Sander Schel­berg. Op­val­lend was dit jaar ook de grote deelname van de Ridders van het heilig Graf, die met ruim der­tig ridders en edelvrouwen aanwe­zig waren. Vanuit het jon­ge­ren­pro­gramma was er dit jaar een dui­de­lijker invloed doordat een jon­ge­ren­koor uit Hilversum, The Golden Voices, en 'worshipleader' Kees Kraayenoord een aantal lie­de­ren ten gehore bracht.

Om 11.00 uur begon de pro­ces­sie naar het kerkhof waar om 12.00 uur de heilige Mis begon. De plaatsen op het kerkhof waren zo goed als allemaal bezet, terwijl er ook nog mensen staande de Mis moesten bijwonen.Op de terugweg naar de basiliek is de tocht een sacra­ments­pro­ces­sie, na terug­komst in de basiliek werd traditie­ge­trouw het Te Deum, tantum ergo en het Sint Jans­lied gezongen.

Tijdens de Eucha­ris­tie­vie­ring op het kerkhof heb ik de volgende homilie gehou­den

Homilie

Als ik gasten krijg uit derde wereldlan­den,
vraag ik weleens wat hen opvalt
in de kerk in Neder­land.
Sommige gasten zijn erg beleefd,
maar sommigen durven het wel te zeggen:
de mensen zijn zo stijf
en ze kijken alsof ze op een begrafenis zitten,
maar de Mis is juist een feest!
(niet alleen voetbal!).
Ook paus Fran­cis­cus vindt dat blijk­baar
want hij heeft kort gele­den
een do­cu­ment ge­schre­ven
over de vreugde van het evan­ge­lie.
Hij schrijft onder meer
dat hij vaak meer vreugde zag bij arme mensen,
dan bij heel rijke personen!

Toen Johannes de Doper geboren werd,
was het groot feest;
ie­der­een was blij.
Zijn komst in de wereld werd zeker niet gezien
als de geboorte van ‘zomaar’ een kind.
Ieder kind dat wordt geboren
is na­tuur­lijk eigen­lijk al een wonder,
maar toen Johannes werd geboren
zagen heel de familie en de buurt dat
als een teken van Gods barm­har­tig­heid,
omdat die geboorte het begin inluidde
van de red­ding, die God de mensen bracht.
Heel de familie zag hoe groot Gods barm­har­tig­heid is.
Tot drie keer toe wordt dat gezegd
in het evan­ge­lie dat we hebben gehoord.
Dat komt ook in de naam ‘Johannes’ tot uiting,
want die betekent: “God is gena­dig”,
God is barm­har­tig.
Ie­der­een was dus blij en vol dank­baar­heid.

Het Sint Jans­feest staat dit jaar
onder het thema van Barm­har­tig­heid
en van de werken van barm­har­tig­heid.
Barm­har­tig­heid, misericordia in het Latijn,
is een begrip
dat de woor­den “erbarmen” en “hart” bevat
het gaat over
medelij­den hebben, meeleven met.
Eigen­lijk zou je kunnen zeggen
dat alles waardoor je van harte
met iemand anders meeleeft
een werk van barm­har­tig­heid is.
Dat kan gaan om troost waar­mee we iemand bijstaan
om moed en goede raad die we geven,
of dat we iets of iemand gedul­dig verdragen
of ver­ge­ven wat iemand ons heeft aan­ge­daan.
Maar een werk van barm­har­tig­heid kan ook
heel concreet iets zijn
wat we voor anderen doen,
van zorg voor armen en vreem­de­lingen,
voor mensen in nood,
van eten en drinken geven
aan wie honger lij­den en dorst
tot het begraven van de doden.

Die barm­har­tig­heid of misericordia
wordt door onze paus Fran­cis­cus
heel erg centraal gesteld.
Het werd hem als het ware ingefluisterd
door die kar­di­naal
die naast hem zat toen hij tot paus gekozen werd
en die toen zachtjes tegen hem zei:
“Vergeet de armen niet”
en dat heeft hij ook niet gedaan:
keer op keer zoekt hij in Rome en daar­bui­ten
de armsten, de zieken en de meest verlaten mensen op:
op het Sint Pieters­plein bij de au­diën­ties,
in iedere pa­ro­chie waar hij komt,
in ieder bisdom dat hij bezoekt.
op elke reis die hij heeft gedaan,
gaat hij naar de armen:
van Lampedusa waar de vluch­te­lingen aanspoelen,
tot Brazilië waar de favela’s, de sloppenwijken zijn,
maar ook in Jordanië en Israël.
En nu gaat de paus naar Albanië,
het land met de laagste levensstan­daard in Europa.

Maar de paus is wel 78 jaar oud,
hij heeft wat weinig adem
en altijd pijn in zijn rug
en mis­schien nog wat andere kwaaltjes,
een pijntje hier en een pijntje daar.
Zijn pro­gram­ma vraagt veel,
zeven dagen per week,
van ‘s morgen vroeg tot ‘s avonds,
heel veel mensen ontmoeten,
aan­dacht geven.
Hij had alles gewoon ook te veel kunnen vin­den.
Maar de mensen die hem van vroeger hebben gekend,
zeggen dat hij juist is opgeknapt,
dat hij blij­moe­diger is, opgewekt, met kracht
en vaker lacht.
En hij schrijft:
“Ik begrijp wel dat je soms geneigd bent bedroefd te zijn
bij de moei­lijk­he­den die op je weg komen,
maar toch, ook dan:
laat er een onder­toon van vreugde zijn,
de vreugde van het geloof,
van een dieper ver­trouwen”,
een ver­trouwen dat sterker is dan die tegen­val­lers.

Het gaat de paus daarbij om één be­lang­rijk ding:
barm­har­tig­heid.
Voor de paus is dat dui­de­lijk niet zomaar iets,
het is niet alleen maar iets doen voor andere mensen
nee, het is de kern van het evan­ge­lie,
het heeft alles met Jezus, met geloof en ver­trouwen te maken;
en dus staat zijn wapen­spreuk ook in dat teken:
miserando atque eligendo luidt die spreuk,
dat wil zeggen:
met barm­har­tig­heid en uitverkiezend
naar iemand omzien.
Die woor­den slaan op de blik waar­mee Jezus
naar de tolle­naar Matteüs keek.
Matteüs was in de greep van geld en bezit,
hij zat bij zijn tolhuis
toen de blik van Jezus op hem rustte
en die liefde­volle blik vol barm­har­tig­heid
haalde de tolle­naar uit zijn bedrijf,
die gaf Matteüs de kracht om op te staan,
alles achter te laten
en met Jezus mee te gaan.

Maar eigen­lijk zijn wij allemaal Matteüs,
want de Heer kijkt ook naar ons
met die blik vol liefde
die ons tege­lijk uit­kiest en uitdaagt
om op te staan,
uit de kleine wereld van onze eigen problemen te tre­den,
ons niet op te laten sluiten in onze problemen,
maar erop uit te gaan,
ons te laten lei­den
door de vreugde en de mooie idealen van het evan­ge­lie
in dienst van onze naaste, van God en mensen.
Als je Gods barm­har­tig­heid ziet,
dan heb je vreugde,
als je vreugde hebt,
dan gaat je wereld open.
Missen wij vreugde?
Maar de grote meerder­heid van de mensen
heeft het veel slechter dan wij;
wij zijn eigen­lijk in een bevoor­rechte positie.
Waarom zien we dan zoveel vreugde bij arme mensen?
Mis­schien zitten wij wel te veel
in de greep van het geld,
zijn we gegijzeld door onze eigen problemen,
te veel in de ban van het hebben en hou­den
en mis­schien van ons verdriet;
te weinig geopend,
cirkelend om ons­zelf,
dan wordt dat verdriet en de pijn als een molensteen
waardoor we niet op kunnen stijgen
tot God en tot hogere, betere, mooiere dingen....

We moeten vrij wor­den, onze ogen openen
voor het licht van Gods barm­har­tig­heid,
want zelfbeklag is een weg
die ons alleen maar afsluit voor alles wat goed en mooi is,
dan zien we Gods gaven niet meer.

Als we niet meer zien wat ons gegeven is,
dan zien we niet meer
hoe de Heer naar ons kijkt
met een blik vol barm­har­tig­heid,
dan raken we gebogen over ons­zelf
en zien we niet meer
wat ons dank­baar kan stemmen.

Kunnen we zien
wat we hebben gekregen?
Zijn Gods gaven en Gods barm­har­tig­heid
in ons blik­veld?
Of is onze horizon die tegen­val­ler,
die teleur­stel­ling, die pijn of dat verdriet?
Waar leven we mee?
Het is een mooie roe­ping voor ons allen
om meer te zien wat ons gegeven is,
wat ons aan goeds en moois ten deel gevallen is,
wat zomaar op onze weg geko­men is,
meer dan wat ons zwaar kan vallen.
Zie het, laat het bij je binnen komen,
ver­won­der je in dank­baar­heid.
Want we wor­den niet gelukkig door wat we bezitten,
maar door de dank­baar­heid waar­mee we ont­van­gen
wat ons gegeven is,
doordat we zien hoe barm­har­tig God voor ons is geweest.

Wat heeft God een goed gedaan
door de geboorte van Sint Jan de Doper!
En het mooie is dat de mensen
van zijn familie en zijn buurt
dat ook zo dui­de­lijk zien:
vol vreugde, vol blij­heid en dank­baar­heid
verwel­ko­men zij dit kind;
er zijn geen negatieve com­mentaren.

Als we Gods barm­har­tig­heid zien,
ons niet laten opsluiten zitten in onze eigen dingen,
als er dank­baar­heid is in ons hart,
dan zullen we eigen­lijk als van­zelf
er ook op uit willen gaan
om andere mensen bij te staan,
de barm­har­tig­heid die je ervaartt
wil je ook delen
door een goed woord,
door een gave,
door concrete hulp,
door een werk van barm­har­tig­heid.

Wie Gods barm­har­tig­heid ervaart,
kan eigen­lijk niet anders
dan zelf barm­har­tig wor­den!

Wat kunnen we doen?
Mis­schien zullen sommigen denken:
“Ik ben te oud”,
of: “Ik ben te druk”,
of”“Ik ben te jong”,
“Ik ben te arm”
of “Ik ben te klein”.
Wat kan ik nu?

Maar nee, zo moeten we niet denken!
Goed te doen, barm­har­tig te zijn
en werken van barm­har­tig­heid te doen
dat is de roe­ping van iedere mens,
van de wieg tot het graf!
Ieder mens kan iets
voor een ander doen,
door een ander bij te staan,
door bid­den, werken, door te geven.

Laten we de Heer bid­den,
op de voor­spraak van Sint Jan
die Gods barm­har­tig­heid kwam aankon­digen,
dat die onder­toon van vreugde er ook bij ons mag zijn,
dat God ons zal ingeven wat we moeten doen
en dat met Zijn hulp zullen kunnen vol­bren­gen.

AMEN

Terug