Arsacal
button
button
button
button


De veilige school

in confessioneel perspectief

Artikel Onderwijs - gepubliceerd: vrijdag, 13 januari 2012 - 3158 woorden
De veilige school

1. Vei­lig­heid op school staat niet los van de bele­ving van waar­den en normen

Tien jaar gele­den hebben we al in de kranten kunnen lezen dat de toen­ma­lige premier Wim Kok slape­loze nachten had van het ver­dwij­nen van waar­den en normen waardoor de vei­lig­heid in open­ba­re ruimten niet meer gewaarborgd is. Vei­lig­heid is nog steeds één van de meest hete hangijzers in de poli­tiek en telkens weer opnieuw blijkt hoe be­lang­rijk dit voor de burgers van ons land in het alge­meen is. Onder­zoeken onder ouderen wijzen uit dat de meesten van hen ‘s avonds niet meer open doen of op straat durven. Het probleem is dus veel ruimer en wijder dan de school alleen, het is een probleem van onze maat­schap­pij als zodanig.

Voor dit grote probleem wor­den ver­schil­lende oor­zaken aange­ge­ven en allerlei oplos­singen aan­ge­dragen: heropvoe­dings­kampen voor jeug­dige delinquenten, opvoe­dings­cur­sussen voor ouders, plaat­sing van video-camera’s in risico-gebie­den zoals uit­gaans­cen­tra en voetbal­stadia enzo­voorts. Er zijn maat­regelen bij die vallen onder de noemer “scherpere controle” en maat­regelen van meer pe­da­go­gisch karakter. De laatste pakken het probleem meer fun­da­men­teel aan dan de eerste cate­go­rie. Maat­regelen die neer­ko­men op scherpere controle, meer surveillance, het “big brother is watching you”-idee maakt dat je een bepaalde misdra­ging nalaat uit angst voor straf. Dat helpt maar ten dele. Als je je alleen aan de maximum-snel­heid houdt omdat er zo’n kastje staat, zul je dit correcte gedrag on­mid­del­lijk nalaten als je weet dat er geen controle is. Bovendien nood­zaakt deze moderne variant van het alziend oog tot almaar meer en almaar intensievere controle. Ik zeg niet dat deze controle maar helemaal nagelaten moet wor­den, maar wel dat we hier niet al ons heil van moeten ver­wach­ten. Het is in feite een repressief systeem: je straft als er iets fout gaat; het conditioneert mensen maar heel beperkt, wil het echt helpen, moet er een pe­da­go­gisch ele­ment bij­ko­men. Als iemand niet inner­lijk een over­tui­ging heeft bij­ge­bracht gekregen en die inzichten heeft aanvaard, zal die persoon zich gedragen als een kind uit een streng en nogal onderdrukkend milieu dat op kamers is gegaan en zich nu ein­de­lijk vrij voelt om zijn gang te kunnen gaan. Kortom, voor een mens­waar­dige maat­schap­pij is nood­za­ke­lijk dat mensen han­de­len vanuit doorleefde waar­den en normen. U kent wellicht die platen van een drie­hoek met een oog erin. Eronder stond: “God ziet U”. Dit diende om zich Gods alziend oog en straffende hand te binnen te brengen. Maar we leer­den vroeger in de cate­chis­mus dat dit slechts onvolmaakt berouw tot stand bracht: je vroeg ver­ge­ving over het kwade uit angst voor de straffen. Volmaakt berouw daar­en­te­gen was het als je ver­ge­ving vroeg uit liefde tot God en je mede­mens die je had gekwetst. Het komt erop neer dat uit­ein­delijk de eigen inner­lijke over­tui­ging alleen maar de basis kan zijn voor een echte per­soon­lijke keuze voor het goede. Die keuze zal niet slechts lei­den tot een afzien van wat nega­tief be­oor­deeld en gesanctio­neerd wordt, maar tot een po­si­tie­ve inzet voor een goed klimaat.

Bij de controle-ele­menten die er na­tuur­lijk ook moeten zijn, moeten we derhalve vooral niet vergeten de eigen verant­woor­de­lijk­heid en de inner­lijke over­tui­ging ten aanzien van waar­den en normen, te sti­mu­leren.

 2. Waar­den en normen zijn niet “los” verkrijg­baar; zij vloeien voort uit een levens­be­schou­wing.

 Wanneer we iets van een besef van waar­den en normen proberen mee te geven, betekent dit dat we mee­werken aan de vor­ming van het geweten; dat is die “instantie” in ons, die ons helpt bij het maken van goed keuzes. Ik wil van­avond zeker niemand voor de voeten lopen die mis­schien gele­den heeft onder een al te angstvallig geweten, dat hem of haar voort­du­rend aanklaagde. Toch meen ik dat het geweten als inner­lijk aan­ge­voeld oor­deel, uit­ein­delijk posi­tief moeten wor­den be­oor­deeld. Het tweede Vati­caans concilie heeft gezegd dat het geweten “de meest verborgen kern en het hei­lig­dom van de mens is, waarin hij alleen is met God, wiens stem binnen in hem weer­klinkt” (GS 16). Re­flec­tie is dan heel be­lang­rijk. Als mensen reflec­te­ren op hun leven, even rus­tig bij de dingen stilstaan, kan hun dieper inner­lijk aanvoelen van wat goed en beter is, in hun daden door­klin­ken. Wat dat betreft is onze “zap”-cultuur, het “druk, druk, druk” en de overvloed aan in­for­ma­tie eigen­lijk een ramp. Die laten geen tijd en ruimte voor over­we­ging en ver­die­ping. Niet voor niets klinkt de roep om onthaas­ting en spiri­tua­li­teit. Voor de eigen bele­ving van een bepaald land­schap is het iets heel anders wanneer je er met de auto door­heen raast, dan wanneer je er op je gemak door­heen wandelt. We moeten meer wan­de­len!

Er is dus zo’n beetje overal weer een roep om waar­den en normen. De liberaal Bolkenstein, hoewel zelf niet gelovig, wilde enkele jaren gel­den al de chris­te­lijke waar­den en normen bevor­de­ren, omdat zaken uit de hand dreigen te lopen. Maar die waar­den en normen zijn niet los verkrijg­baar. Een aantal los geplukte chris­te­lijke waar­den zijn niet de oplos­sing van onze problemen. Het gaat vooral om de inner­lijke motivatie, niet slechts om een lijstje van afspraken. Die chris­te­lijke waar­den en normen zijn verankerd in een persoon, in de Godmens Jezus Christus.

Bij ver­schil­lende gelegen­he­den heeft de zalige paus Johannes Paulus II be­klem­toond dat onze westerse bescha­ving zich in een crisis bevindt en dat de diepste reden daar­van is dat God zelf ge­mar­gi­na­li­seerd is, uit de samen­le­ving is gebannen. We dienen te werken, zo zegt hij, aan een cultuur van soli­da­ri­teit van alle mensen met elkaar. Tegen­over deze gese­cu­la­ri­seerde samen­le­ving, die steeds meer liberale denk­beel­den tot uitgangs­punt neemt, die in feite vaak een vorm van egoïsme zijn, moeten wij de bescha­ving van de liefde stellen die gebaseerd is op uni­ver­se­le waar­den als vrede, soli­da­ri­teit, recht­vaar­dig­heid en vrij­heid, die in Christus hun volle­dige ontplooiing vin­den (TMA 52). De hui­dige paus Bene­dic­tus XVI heeft bij ver­schil­lende gelegen­he­den het rela­ti­vis­me ge­ken­merkt als dé religie van de moderne mens. Als mensen geen maat, geen toetssteen hebben die boven hen­zelf staat, wor­den zij zelf hun eigen maat en toetssteen met alle gevolgen van dien. Veel normen en waar­den die nu nog ergens op de ach­ter­grond meespelen, zijn in het verle­den geves­tigd vanuit het chris­te­lijk geloof. Als God wegvalt in de bele­ving van mensen, verliezen waar­den en normen hun objec­ti­vi­teit. De mens zelf wordt de hoogste instantie: ik vind dit en jij vind dat, jij bent o.k. en ik ben o.k., dat is een tole­ran­tie die uit­ein­delijk vaak uitmondt in het recht van de sterkste.

Kortom, waar­den en normen vloeien voort uit een levens­be­schou­wing; een gods­diens­tige levens­be­schou­wing kan mensen helpen om te ervaren dat normen en waar­den niet wil­le­keu­rig zijn, maar ons zijn voorge­ge­ven.

3. Vei­lig­heid op school heeft te maken met je als mens veilig en geborgen weten.

Mijn eerste pa­ro­chie waar ik als kape­laan was, nu der­tig jaar gele­den, was gelegen in een stadswijk die in de twin­tiger jaren van de 20e eeuw was gebouwd. Schuin achter de kerk stond iedere dag een groep jongens van ongeveer elf, twaalf tot zes­tien jaar. Zij bezorg­den de buurt overlast door het aan­bren­gen van graffiti, door te schreeuwen en door te voetballen waar dat eigen­lijk niet kon. Af en toe sneu­velde er een ruit. Maar toen we een groepje be­gon­nen voor deze jongens en hun een ruimte gaven waar we spel­le­tjes deden, chips aten en cola dronken, bleken het best aar­dige en goed­bedoelende jongens te zijn en de overlast verdween. De thuis­si­tua­tie van geen van deze jongens was om over naar huis te schrijven. Er was niemand thuis als zij uit school kwamen en ze had­den bijna allemaal TV op hun eigen kamer. En nooit vergeet ik een jongen van acht jaar die in januari tegen zessen alleen buiten liep, omdat zijn moeder nog niet thuis was. Hij kreeg geen huissleu­tel meer mee, omdat hij die een keer verloren had. Ik heb me later vaak afge­vraagd wat er van deze jongens gewor­den zou zijn.

De bekende Neder­landse psy­chia­ter mevrouw Dr. Anna Terruwe is we­reld­wijd bekend gewor­den door haar uiteen­zet­tingen over en haar be­han­de­ling van de frustra­tieneurose, die kan ontstaan wanneer een mens te weinig liefde en bevesti­ging heeft ondervon­den. Ieder mens moet de po­si­tie­ve zin van zijn bestaan gaan ervaren; dat kan alleen wanneer hij in zijn goed-zijn beves­tigd wordt door een mede-mens, waardoor bij die mens de erva­ring ont­staat dat hij er inder­daad mag zijn. Dit gebeurt door pure, onzelf­zuch­tige liefde. Wie in zijn ge­voels­le­ven onbeves­tigd blijft, zo schrijft zij, kan geen po­si­tie­ve respons geven en tracht dit gemis aan bevesti­ging door anderen veelal te compenseren door zelfbevesti­ging. Dit verlangen naar bevesti­ging of dit zich­zelf willen bewijzen uit zich in agressie, in des­tructieve en negatieve han­de­lin­gen. Ook wijst zij erop dat het te ge­mak­ke­lijk en te snel ver­krij­gen wat je hebben wil, ervoor zorgt dat ons verlangen ernaar niet rijpen kan, dat het zonder al te veel in­span­ning krijgen wat je hebben wil, maakt dat “het hebben van zaak, het einde van het vermaak” is, dat je er niet echt van genieten kan en je frustratie-tole­ran­tie wordt verlaagd: je krijgt eerder last van onlust­ge­voe­lens als je iets niet hebt of krijgt, als je iets moet missen. Dit alles leidt er niet toe vrede in jezelf te vin­den, gelukkig en tevre­den te zijn.

Als een mens voldoende beves­tigd is in zijn ge­voels­le­ven, voldoende authen­tieke liefde heeft ondervon­den, zich aldus voldoende veilig voelt, zal er eerder een po­si­tie­ve invloed van hem of haar uit­gaan, zal hij of zij anderen eerder vei­lig­heid bie­den. Onvei­lig­heid op school heeft alles te maken met het feit dat veel jonge mensen zich te weinig geborgen en veilig voelen, te weinig de bevesti­ging hebben ont­van­gen dat het goed is dat zij er zijn.

 4. “Geborgen­heid” en “vei­lig­heid” zijn uit­ein­delijk reli­gi­euze begrippen.

 Het is dui­de­lijk dat deze men­se­lijke bevesti­ging, niet in de zin van een sch­ou­derklopje, maar dat je wer­ke­lijk mag bemerken dat je er mag zijn, een mens ook opent voor God. In het schep­pings­ver­haal staat dat God - toen Hij de mens schiep - zag dat het zeer goed was. En dat is precies de erva­ring die we opdoen door bevesti­ging: dat het goed is dat we er zijn. Dit hoort inder­daad tot de kern van het geloof: dat het goed is dat we er zijn, dat er Iemand is, die ons kent en ons liefheeft en ziet dat wij zeer goed zijn, niet omdat wij dat bewezen hebben door pres­ta­ties, maar gewoon vanuit ons­zelf, zoals we zijn.

Dit geloof schenkt ver­trouwen: dat je veilig en geborgen bent, omdat die God en Schepper van je houdt en je ondanks vele gevaren en drei­gingen, in Zijn hand bewaart.

Geborgen­heid en vei­lig­heid zijn dus ten diepste reli­gi­euze begrippen. Het komt er op aan of je uit­ein­delijk veilig en geborgen bent: is je sterven een einde, een zwart gat, of word je dan op­ge­van­gen. En daar­mee verbon­den: is onze ster­fe­lijk­heid iets dat we integreren of iets dat we ver­drin­gen? Een gods­diens­tig basisver­trouwen in het leven draagt ten zeerste bij aan zich geborgen en veilig voelen.

5. Waar­den en normen integreren

Een confessionele school zal er naar streven leer­lin­gen te helpen waar­den en normen te integreren. De reli­gi­euze dimensie van de school en de geborgen­heid en vei­lig­heid die de school biedt, dragen er toe bij dat die waar­den en normen verankerd wor­den in de leer­lin­gen en dat die vanuit reli­gi­eus per­spec­tief kunnen wor­den beleefd.

 In feite is deze stelling een con­clu­sie uit het voor­af­gaande. De confessionali­teit van de school zou juist in onze tijd een zeer be­lang­rijke bijdrage kunnen leveren, onder meer omdat de gods­dienst zo’n be­lang­rijke bron is voor inner­lijk beleefde waar­den en normen in het leven van een mens en dus ook voor een veilige school en maat­schap­pij. Je zou kunnen zeggen dat de school wat dit betreft be­lang­rijker is dan ooit omdat het voor vele jon­ge­ren het enige milieu is waarin zij met confessionali­teit in aanra­king komen. Banden met een pa­ro­chie­ge­meen­schap zijn meestal zeer beperkt. De ouders die met reli­gi­euze en zin­ge­vings­vra­gen weten om te gaan, zijn even­eens dun gezaaid. Dr. Terruwe die ik zojuist heb aangehaald, heeft er bij herhaling op gewezen dat het aantal mensen met een frustra­tieneurose de laatste decennia sterk is toe­ge­no­men, doordat velen die bevesti­ging bie­dende vei­lig­heid en geborgen­heid thuis niet hebben ervaren.

De confessionele school is zeker een milieu waar jonge mensen een groot deel van hun dag vertoeven. Toch kan het ant­woord na­tuur­lijk niet zijn dat wat er ontbroken heeft in het gezin, in de cultuur en de maat­schap­pij, door de confessionele school maar even moet wor­den aan­ge­vuld. De school maakt deel uit van de maat­schap­pij en wat zich in de samen­le­ving afspeelt gaat niet aan de schoolpoort voorbij. Niet voor niets stellen we ons van­avond de vraag naar een veilige school. Het is trouwens niet zo ge­mak­ke­lijk om waar­den en normen mee te geven en vei­lig­heid en geborgen­heid te bie­den vanuit reli­gi­eus per­spec­tief. Toch is het wel zo dat jonge mensen met deze vragen bezig zijn. Mij frappeert bij­voor­beeld iedere keer hoe hoog in enquêtes de percentages zijn van jon­ge­ren die regel­ma­tig zeggen te bid­den. Ik denk trouwens dat de zoek­tocht naar religie en spiri­tua­li­teit in de mens ingebakken zit.

Al wil ik dus bepaald niet zeggen dat de school de oplos­sing is voor alle problemen, noch dat ik de concrete oplos­singen op zak heb voor het creëren van een veilige school die een bijdrage is voor een veilige maat­schap­pij, het voor­af­gaande zegt wel iets over de rich­ting waarin we zou­den kunnen zoeken.

6. Educa­tief, personalis­tisch en communautair

Een katho­lie­ke of chris­te­lijke, confessionele school zou daarom - in de mate van het moge­lijke - edu­ca­tief (gericht op de vor­ming van personen), personalis­tisch (gericht op de mens achter de leer­ling) en communautair (de leer­lin­gen betrekkend op de school als ge­meen­schap) dienen te zijn.

De Mammoet-wet in de zes­tiger jaren vroeg om Mammoet-scholen. Men begon van “leer­fa­brieken” te spreken. Andere plannen van de minister van onder­wijs deden daar een schepje bovenop. Ook als ze niet wer­den uitge­voerd, bepaal­den ze toch mede de denkrich­ting. Ook hoor je regel­ma­tig roepen dat het onder­wijs moet wor­den afgestemd op de behoeften van de markt. De “softies” en het “geitenwollen-sokken-circuit” van de zeven­tiger jaren zijn allang verdwenen en hebben plaats gemaakt voor pres­ta­tiedwang en tempobeurs. We leven onder de druk van het feit dat we een bepaald niveau moeten “halen”, een bepaalde hoeveel­heid stof moeten ver­werken. Die ten­dens tot schaalvergro­ting en ver­zakelij­king van het onder­wijs speelde zich de afgelopen decennia niet alleen in Neder­land af en met name paus Paulus VI (1963-1978) was daar nogal eens bezorgd over. Bijna al zijn toe­spra­ken over school en onder­wijs gaan wel ergens over het gevaar van het erg tech­nisch bezig zijn met onder­wijs, terwijl de mensen om wie het draait wor­den vergeten; paus Paulus vond dat men het gevaar liep de leer­ling te be­schou­wen als een soort vat dat met kennis en weten­schap gevuld moest wor­den, terwijl hij vond dat die weetjes pas be­lang­rijk wor­den wanneer ze geplaatst wor­den in een groter kader, als je er als mens door gevormd wordt, als kennis is geïntegreerd in een mens- en wereld­beeld, in een levens­be­schou­wing.

Het ker­ke­lijk wet­boek, de codex iuris canonici, zegt in canon 796 §1 over de school eigen­lijk niet veel anders: “Onder de mid­de­len tot realise­ring van de opvoe­ding dienen christen­ge­lo­vigen groot belang te hechten aan de scholen, die immers de ouders in de vervulling van hun opvoe­dings­taak een bij­zon­der be­lang­rijke hulp bie­den”. Hoewel het ker­ke­lijk wet­boek elders ook zegt dat het onder­wijs­ni­veau hoog moet zijn, klinkt dat hier helemaal niet door: het gaat om opvoe­ding, om vor­ming van personen, niet om de oplei­ding van die super-knappe hoog­le­raar die het monster van Frankenstein creëert. Er wordt in dit­zelfde wet­boek en in alle ker­ke­lijke do­cu­menten dan ook veel waarde gehecht aan een grote be­trok­ken­heid bij de school van de ouders, die de eerst-verant­woor­de­lijken zijn voor de opvoe­ding van hun kin­de­ren.

Een edu­ca­tieve, op vor­ming gerichte school is een school die zich richt op de mens achter de leer­ling. Paus Johannes Paulus I, die in 1978 der­tig dagen lang paus geweest en heel zacht en beminne­lijk was - waar­schijn­lijk iets té om de last van zo’n ambt te kunnen dragen, want hij stierf on­ver­wacht - had in die korte tijd ons probleem op zijn eigen wijze benaderd. Hij ging heel leuk met kin­de­ren om en tij­dens de grote au­diën­ties vroeg hij meestal wel een kind naar voren met wie hij leuke spontane gesprekjes hield. Bij één van die gelegen­he­den zei hij dat zijn moeder hem ooit eens had ver­teld dat hij als kind heel erg ziek was geweest en dat zij nachten lang bij hem had gewaakt. “Geloof je me?”, vroeg ze toen. En hij heel ver­baasd: “Ja, na­tuur­lijk geloof ik je, maar meer dan in wat je me zegt, geloof ik jou”. En zo is het: de meer be­lang­rijke, diepe dingen van het leven wor­den doorge­ge­ven via die band van ver­trouwen. En deze lachende paus zei ook nog: “Om John Latijn te leren, moet je niet alleen Latijn kennen, je moet ook John leren kennen en beminnen”. Dat roept de vraag op: is er voldoende in­te­res­se in de bele­ving en erva­ring van jon­ge­ren? Wanneer je van iemand een terecht­wij­zing krijgt of gestraft wordt, kan dat bitter­heid achterlaten en een veronge­lijkt gevoel; als iemand naast je staat en je helpt en begeleidt, heb je een vriend; dat schept ver­trouwen en een band.

In het vroegere ker­ke­lijk wet­boek, dat uit 1917 stamde, werd onder een katho­lie­ke school, een school verstaan waar cate­chis­musles werd gegeven en waar de ker­ke­lijke over­heid waak­zaam toe­zicht hield, dat er niets tegen geloof of zeden gebeurde. Na het tweede Vati­caans concilie (1962-1965) is men een school meer gaan zien als een ge­meen­schap waar het geloof wordt beleefd en voor-geleefd, een ge­meen­schap in de geest van het evan­ge­lie. Bij alle gebrekkig­heid waar­mee ons pogen gepaard gaat, is zeker vast te hou­den dat het be­lang­rijk is iets van dit evan­ge­lische ge­meen­schaps­ge­voel te rea­li­se­ren. Je zit niet op een school - dat lijkt me trouwens wat frisjes -, je maakt deel uit van een school, je behoort tot een school­ge­meen­schap. Zijn er voldoende kaders om die be­trok­ken­heid op elkaar te kunnen beleven?

Die zorg voor goede en per­soon­lijke men­se­lijke ver­hou­dingen en een zekere kleinschalig­heid en het sti­mu­leren van het ge­meen­schaps­ka­rak­ter van een school waardoor men op elkaar betrokken is, lijken me heel be­lang­rijke aspecten van een veilige school.

Besluit

Een school die een ge­meen­schap is, waar een leer­ling zich thuis en “opgeno­men” voelt, waar goede men­se­lijke ver­hou­dingen bestaan en de reli­gi­euze dimensie op een ver­trouw­volle wijze wordt beleefd, biedt de beste kans om waar­den en normen door te geven en vei­lig­heid en geborgen­heid te bie­den, die de voor­waar­den zijn voor een veilige school.

Terug