Arsacal
button
button
button


De veilige school

in confessioneel perspectief

artikel_onderwijs - gepubliceerd: vrijdag, 13 januari 2012
De veilige school

1. Veiligheid op school staat niet los van de beleving van waarden en normen

Tien jaar geleden hebben we al in de kranten kunnen lezen dat de toenmalige premier Wim Kok slapeloze nachten had van het verdwijnen van waarden en normen waardoor de veiligheid in openbare ruimten niet meer gewaarborgd is. Veiligheid is nog steeds één van de meest hete hangijzers in de politiek en telkens weer opnieuw blijkt hoe belangrijk dit voor de burgers van ons land in het algemeen is. Onderzoeken onder ouderen wijzen uit dat de meesten van hen ‘s avonds niet meer open doen of op straat durven. Het probleem is dus veel ruimer en wijder dan de school alleen, het is een probleem van onze maat­schappij als zodanig.

Voor dit grote probleem worden ver­schil­lende oorzaken aangegeven en allerlei oplossingen aangedragen: heropvoedingskampen voor jeugdige delinquenten, opvoedings­cursussen voor ouders, plaatsing van video-camera’s in risico-gebieden zoals uitgaanscentra en voetbalstadia enzovoorts. Er zijn maatregelen bij die vallen onder de noemer “scherpere controle” en maatregelen van meer pe­da­go­gisch karakter. De laatste pakken het probleem meer fundamenteel aan dan de eerste categorie. Maatregelen die neerkomen op scherpere controle, meer surveillance, het “big brother is watching you”-idee maakt dat je een bepaalde misdraging nalaat uit angst voor straf. Dat helpt maar ten dele. Als je je alleen aan de maximum-snelheid houdt omdat er zo’n kastje staat, zul je dit correcte gedrag onmiddellijk nalaten als je weet dat er geen controle is. Bovendien noodzaakt deze moderne variant van het alziend oog tot almaar meer en almaar intensievere controle. Ik zeg niet dat deze controle maar helemaal nagelaten moet worden, maar wel dat we hier niet al ons heil van moeten verwachten. Het is in feite een repressief systeem: je straft als er iets fout gaat; het conditioneert mensen maar heel beperkt, wil het echt helpen, moet er een pe­da­go­gisch element bijkomen. Als iemand niet innerlijk een overtuiging heeft bijgebracht gekregen en die inzichten heeft aanvaard, zal die persoon zich gedragen als een kind uit een streng en nogal onderdrukkend milieu dat op kamers is gegaan en zich nu eindelijk vrij voelt om zijn gang te kunnen gaan. Kortom, voor een mens­waar­dige maat­schappij is noodzakelijk dat mensen handelen vanuit doorleefde waarden en normen. U kent wellicht die platen van een driehoek met een oog erin. Eronder stond: “God ziet U”. Dit diende om zich Gods alziend oog en straffende hand te binnen te brengen. Maar we leerden vroeger in de catechismus dat dit slechts onvolmaakt berouw tot stand bracht: je vroeg vergeving over het kwade uit angst voor de straffen. Volmaakt berouw daarentegen was het als je vergeving vroeg uit liefde tot God en je medemens die je had gekwetst. Het komt erop neer dat uit­ein­de­lijk de eigen innerlijke overtuiging alleen maar de basis kan zijn voor een echte per­soon­lijke keuze voor het goede. Die keuze zal niet slechts leiden tot een afzien van wat negatief beoordeeld en gesanctioneerd wordt, maar tot een positieve inzet voor een goed klimaat.

Bij de controle-elementen die er natuurlijk ook moeten zijn, moeten we derhalve vooral niet vergeten de eigen verant­woor­de­lijk­heid en de innerlijke overtuiging ten aanzien van waarden en normen, te stimuleren.

 2. Waarden en normen zijn niet “los” verkrijgbaar; zij vloeien voort uit een levensbeschouwing.

 Wanneer we iets van een besef van waarden en normen proberen mee te geven, betekent dit dat we meewerken aan de vorming van het geweten; dat is die “instantie” in ons, die ons helpt bij het maken van goed keuzes. Ik wil van­avond zeker niemand voor de voeten lopen die misschien geleden heeft onder een al te angstvallig geweten, dat hem of haar voortdurend aanklaagde. Toch meen ik dat het geweten als innerlijk aangevoeld oordeel, uit­ein­de­lijk positief moeten worden beoordeeld. Het tweede Vaticaans concilie heeft gezegd dat het geweten “de meest verborgen kern en het heiligdom van de mens is, waarin hij alleen is met God, wiens stem binnen in hem weerklinkt” (GS 16). Reflectie is dan heel belangrijk. Als mensen reflecteren op hun leven, even rustig bij de dingen stilstaan, kan hun dieper innerlijk aanvoelen van wat goed en beter is, in hun daden doorklinken. Wat dat betreft is onze “zap”-cultuur, het “druk, druk, druk” en de overvloed aan informatie eigenlijk een ramp. Die laten geen tijd en ruimte voor over­we­ging en verdieping. Niet voor niets klinkt de roep om onthaasting en spiri­tua­li­teit. Voor de eigen beleving van een bepaald land­schap is het iets heel anders wanneer je er met de auto doorheen raast, dan wanneer je er op je gemak doorheen wandelt. We moeten meer wandelen!

Er is dus zo’n beetje overal weer een roep om waarden en normen. De liberaal Bolkenstein, hoewel zelf niet gelovig, wilde enkele jaren gelden al de christelijke waarden en normen bevorderen, omdat zaken uit de hand dreigen te lopen. Maar die waarden en normen zijn niet los verkrijgbaar. Een aantal los geplukte christelijke waarden zijn niet de oplossing van onze problemen. Het gaat vooral om de innerlijke motivatie, niet slechts om een lijstje van afspraken. Die christelijke waarden en normen zijn verankerd in een persoon, in de Godmens Jezus Christus.

Bij ver­schil­lende gelegenheden heeft de zalige paus Johannes Paulus II beklemtoond dat onze westerse beschaving zich in een crisis bevindt en dat de diepste reden daarvan is dat God zelf ge­mar­gi­na­li­seerd is, uit de samenleving is gebannen. We dienen te werken, zo zegt hij, aan een cultuur van solidariteit van alle mensen met elkaar. Tegenover deze geseculariseerde samenleving, die steeds meer liberale denkbeelden tot uitgangspunt neemt, die in feite vaak een vorm van egoïsme zijn, moeten wij de beschaving van de liefde stellen die gebaseerd is op universele waarden als vrede, solidariteit, recht­vaar­dig­heid en vrijheid, die in Christus hun volledige ontplooiing vinden (TMA 52). De huidige paus Benedictus XVI heeft bij ver­schil­lende gelegenheden het relativisme gekenmerkt als dé religie van de moderne mens. Als mensen geen maat, geen toetssteen hebben die boven henzelf staat, worden zij zelf hun eigen maat en toetssteen met alle gevolgen van dien. Veel normen en waarden die nu nog ergens op de achtergrond meespelen, zijn in het verleden gevestigd vanuit het christelijk geloof. Als God wegvalt in de beleving van mensen, verliezen waarden en normen hun objec­ti­vi­teit. De mens zelf wordt de hoogste instantie: ik vind dit en jij vind dat, jij bent o.k. en ik ben o.k., dat is een tolerantie die uit­ein­de­lijk vaak uitmondt in het recht van de sterkste.

Kortom, waarden en normen vloeien voort uit een levensbeschouwing; een godsdienstige levensbeschouwing kan mensen helpen om te ervaren dat normen en waarden niet willekeurig zijn, maar ons zijn voorgegeven.

3. Veiligheid op school heeft te maken met je als mens veilig en geborgen weten.

Mijn eerste parochie waar ik als kapelaan was, nu dertig jaar geleden, was gelegen in een stadswijk die in de twintiger jaren van de 20e eeuw was gebouwd. Schuin achter de kerk stond iedere dag een groep jongens van ongeveer elf, twaalf tot zestien jaar. Zij bezorgden de buurt overlast door het aanbrengen van graffiti, door te schreeuwen en door te voetballen waar dat eigenlijk niet kon. Af en toe sneuvelde er een ruit. Maar toen we een groepje begonnen voor deze jongens en hun een ruimte gaven waar we spelletjes deden, chips aten en cola dronken, bleken het best aardige en goedbedoelende jongens te zijn en de overlast verdween. De thuissituatie van geen van deze jongens was om over naar huis te schrijven. Er was niemand thuis als zij uit school kwamen en ze hadden bijna allemaal TV op hun eigen kamer. En nooit vergeet ik een jongen van acht jaar die in januari tegen zessen alleen buiten liep, omdat zijn moeder nog niet thuis was. Hij kreeg geen huissleutel meer mee, omdat hij die een keer verloren had. Ik heb me later vaak afgevraagd wat er van deze jongens geworden zou zijn.

De bekende Neder­landse psychiater mevrouw Dr. Anna Terruwe is wereldwijd bekend geworden door haar uiteenzettingen over en haar behandeling van de frustratieneurose, die kan ontstaan wanneer een mens te weinig liefde en bevestiging heeft ondervonden. Ieder mens moet de positieve zin van zijn bestaan gaan ervaren; dat kan alleen wanneer hij in zijn goed-zijn bevestigd wordt door een mede-mens, waardoor bij die mens de ervaring ontstaat dat hij er inderdaad mag zijn. Dit gebeurt door pure, onzelfzuchtige liefde. Wie in zijn gevoelsleven onbevestigd blijft, zo schrijft zij, kan geen positieve respons geven en tracht dit gemis aan bevestiging door anderen veelal te compenseren door zelfbevestiging. Dit verlangen naar bevestiging of dit zichzelf willen bewijzen uit zich in agressie, in destructieve en negatieve handelingen. Ook wijst zij erop dat het te gemakkelijk en te snel verkrijgen wat je hebben wil, ervoor zorgt dat ons verlangen ernaar niet rijpen kan, dat het zonder al te veel inspanning krijgen wat je hebben wil, maakt dat “het hebben van zaak, het einde van het vermaak” is, dat je er niet echt van genieten kan en je frustratie-tolerantie wordt verlaagd: je krijgt eerder last van onlust­ge­voe­lens als je iets niet hebt of krijgt, als je iets moet missen. Dit alles leidt er niet toe vrede in jezelf te vinden, gelukkig en tevreden te zijn.

Als een mens voldoende bevestigd is in zijn gevoelsleven, voldoende authentieke liefde heeft ondervonden, zich aldus voldoende veilig voelt, zal er eerder een positieve invloed van hem of haar uitgaan, zal hij of zij anderen eerder veiligheid bieden. Onveiligheid op school heeft alles te maken met het feit dat veel jonge mensen zich te weinig geborgen en veilig voelen, te weinig de bevestiging hebben ontvangen dat het goed is dat zij er zijn.

 4. “Geborgenheid” en “veiligheid” zijn uit­ein­de­lijk religieuze begrippen.

 Het is duidelijk dat deze menselijke bevestiging, niet in de zin van een schouderklopje, maar dat je werkelijk mag bemerken dat je er mag zijn, een mens ook opent voor God. In het scheppingsverhaal staat dat God - toen Hij de mens schiep - zag dat het zeer goed was. En dat is precies de ervaring die we opdoen door bevestiging: dat het goed is dat we er zijn. Dit hoort inderdaad tot de kern van het geloof: dat het goed is dat we er zijn, dat er Iemand is, die ons kent en ons liefheeft en ziet dat wij zeer goed zijn, niet omdat wij dat bewezen hebben door prestaties, maar gewoon vanuit onszelf, zoals we zijn.

Dit geloof schenkt vertrouwen: dat je veilig en geborgen bent, omdat die God en Schepper van je houdt en je ondanks vele gevaren en dreigingen, in Zijn hand bewaart.

Geborgenheid en veiligheid zijn dus ten diepste religieuze begrippen. Het komt er op aan of je uit­ein­de­lijk veilig en geborgen bent: is je sterven een einde, een zwart gat, of word je dan opgevangen. En daarmee ver­bonden: is onze sterfelijkheid iets dat we integreren of iets dat we verdringen? Een godsdienstig basisvertrouwen in het leven draagt ten zeerste bij aan zich geborgen en veilig voelen.

5. Waarden en normen integreren

Een confessionele school zal er naar streven leerlingen te helpen waarden en normen te integreren. De religieuze dimensie van de school en de geborgenheid en veiligheid die de school biedt, dragen er toe bij dat die waarden en normen verankerd worden in de leerlingen en dat die vanuit religieus perspectief kunnen worden beleefd.

 In feite is deze stelling een conclusie uit het voor­af­gaande. De confessionaliteit van de school zou juist in onze tijd een zeer belangrijke bijdrage kunnen leveren, onder meer omdat de godsdienst zo’n belangrijke bron is voor innerlijk beleefde waarden en normen in het leven van een mens en dus ook voor een veilige school en maat­schappij. Je zou kunnen zeggen dat de school wat dit betreft belangrijker is dan ooit omdat het voor vele jongeren het enige milieu is waarin zij met confessionaliteit in aanraking komen. Banden met een parochie­ge­meen­schap zijn meestal zeer beperkt. De ouders die met religieuze en zingevingsvragen weten om te gaan, zijn eveneens dun gezaaid. Dr. Terruwe die ik zojuist heb aangehaald, heeft er bij herhaling op gewezen dat het aantal mensen met een frustratieneurose de laatste decennia sterk is toegenomen, doordat velen die bevestiging biedende veiligheid en geborgenheid thuis niet hebben ervaren.

De confessionele school is zeker een milieu waar jonge mensen een groot deel van hun dag vertoeven. Toch kan het antwoord natuurlijk niet zijn dat wat er ontbroken heeft in het gezin, in de cultuur en de maat­schappij, door de confessionele school maar even moet worden aangevuld. De school maakt deel uit van de maat­schappij en wat zich in de samenleving afspeelt gaat niet aan de schoolpoort voorbij. Niet voor niets stellen we ons van­avond de vraag naar een veilige school. Het is trouwens niet zo gemakkelijk om waarden en normen mee te geven en veiligheid en geborgenheid te bieden vanuit religieus perspectief. Toch is het wel zo dat jonge mensen met deze vragen bezig zijn. Mij frappeert bij­voor­beeld iedere keer hoe hoog in enquêtes de percentages zijn van jongeren die regelmatig zeggen te bidden. Ik denk trouwens dat de zoektocht naar religie en spiri­tua­li­teit in de mens ingebakken zit.

Al wil ik dus bepaald niet zeggen dat de school de oplossing is voor alle problemen, noch dat ik de concrete oplossingen op zak heb voor het creëren van een veilige school die een bijdrage is voor een veilige maat­schappij, het voor­af­gaande zegt wel iets over de richting waarin we zouden kunnen zoeken.

6. Educatief, personalistisch en communautair

Een katholieke of christelijke, confessionele school zou daarom - in de mate van het mogelijke - educatief (gericht op de vorming van personen), personalistisch (gericht op de mens achter de leerling) en communautair (de leerlingen betrekkend op de school als gemeen­schap) dienen te zijn.

De Mammoet-wet in de zestiger jaren vroeg om Mammoet-scholen. Men begon van “leer­fa­brieken” te spreken. Andere plannen van de minister van onderwijs deden daar een schepje bovenop. Ook als ze niet werden uitgevoerd, bepaalden ze toch mede de denkrichting. Ook hoor je regelmatig roepen dat het onderwijs moet worden afgestemd op de behoeften van de markt. De “softies” en het “geitenwollen-sokken-circuit” van de zeventiger jaren zijn allang verdwenen en hebben plaats gemaakt voor prestatiedwang en tempobeurs. We leven onder de druk van het feit dat we een bepaald niveau moeten “halen”, een bepaalde hoeveelheid stof moeten verwerken. Die tendens tot schaalvergroting en verzakelijking van het onderwijs speelde zich de afgelopen decennia niet alleen in Neder­land af en met name paus Paulus VI (1963-1978) was daar nogal eens bezorgd over. Bijna al zijn toespraken over school en onderwijs gaan wel ergens over het gevaar van het erg technisch bezig zijn met onderwijs, terwijl de mensen om wie het draait worden vergeten; paus Paulus vond dat men het gevaar liep de leerling te beschouwen als een soort vat dat met kennis en weten­schap gevuld moest worden, terwijl hij vond dat die weetjes pas belangrijk worden wanneer ze geplaatst worden in een groter kader, als je er als mens door gevormd wordt, als kennis is geïntegreerd in een mens- en wereldbeeld, in een levensbeschouwing.

Het kerkelijk wetboek, de codex iuris canonici, zegt in canon 796 §1 over de school eigenlijk niet veel anders: “Onder de middelen tot realisering van de opvoeding dienen christen­ge­lo­vigen groot belang te hechten aan de scholen, die immers de ouders in de vervulling van hun opvoedingstaak een bijzonder belangrijke hulp bieden”. Hoewel het kerkelijk wetboek elders ook zegt dat het onderwijsniveau hoog moet zijn, klinkt dat hier helemaal niet door: het gaat om opvoeding, om vorming van personen, niet om de opleiding van die super-knappe hoogleraar die het monster van Frankenstein creëert. Er wordt in ditzelfde wetboek en in alle kerkelijke documenten dan ook veel waarde gehecht aan een grote betrokkenheid bij de school van de ouders, die de eerst-verant­woor­de­lijken zijn voor de opvoeding van hun kinderen.

Een educatieve, op vorming gerichte school is een school die zich richt op de mens achter de leerling. Paus Johannes Paulus I, die in 1978 dertig dagen lang paus geweest en heel zacht en beminnelijk was - waar­schijn­lijk iets té om de last van zo’n ambt te kunnen dragen, want hij stierf onverwacht - had in die korte tijd ons probleem op zijn eigen wijze benaderd. Hij ging heel leuk met kinderen om en tijdens de grote audiënties vroeg hij meestal wel een kind naar voren met wie hij leuke spontane gesprekjes hield. Bij één van die gelegenheden zei hij dat zijn moeder hem ooit eens had verteld dat hij als kind heel erg ziek was geweest en dat zij nachten lang bij hem had gewaakt. “Geloof je me?”, vroeg ze toen. En hij heel verbaasd: “Ja, natuurlijk geloof ik je, maar meer dan in wat je me zegt, geloof ik jou”. En zo is het: de meer belangrijke, diepe dingen van het leven worden doorgegeven via die band van vertrouwen. En deze lachende paus zei ook nog: “Om John Latijn te leren, moet je niet alleen Latijn kennen, je moet ook John leren kennen en beminnen”. Dat roept de vraag op: is er voldoende interesse in de beleving en ervaring van jongeren? Wanneer je van iemand een terechtwijzing krijgt of gestraft wordt, kan dat bitterheid achterlaten en een verongelijkt gevoel; als iemand naast je staat en je helpt en begeleidt, heb je een vriend; dat schept vertrouwen en een band.

In het vroegere kerkelijk wetboek, dat uit 1917 stamde, werd onder een katholieke school, een school verstaan waar catechismusles werd gegeven en waar de kerkelijke overheid waakzaam toezicht hield, dat er niets tegen geloof of zeden gebeurde. Na het tweede Vaticaans concilie (1962-1965) is men een school meer gaan zien als een gemeen­schap waar het geloof wordt beleefd en voor-geleefd, een gemeen­schap in de geest van het evangelie. Bij alle gebrekkigheid waarmee ons pogen gepaard gaat, is zeker vast te houden dat het belangrijk is iets van dit evangelische gemeen­schapsgevoel te realiseren. Je zit niet op een school - dat lijkt me trouwens wat frisjes -, je maakt deel uit van een school, je behoort tot een school­ge­meen­schap. Zijn er voldoende kaders om die betrokkenheid op elkaar te kunnen beleven?

Die zorg voor goede en per­soon­lijke menselijke verhoudingen en een zekere kleinschaligheid en het stimuleren van het gemeen­schapskarakter van een school waardoor men op elkaar betrokken is, lijken me heel belangrijke aspecten van een veilige school.

Besluit

Een school die een gemeen­schap is, waar een leerling zich thuis en “opgenomen” voelt, waar goede menselijke verhoudingen bestaan en de religieuze dimensie op een vertrouwvolle wijze wordt beleefd, biedt de beste kans om waarden en normen door te geven en veiligheid en geborgenheid te bieden, die de voor­waarden zijn voor een veilige school.

Terug