Arsacal
button
button
button


De priester en zijn bisschop

Overwegingen over de Kerk, 5

overweging_bezinning - gepubliceerd: vrijdag, 30 januari 2015
De bisschop met wijdelingen na de priesterwijding
De bisschop met wijdelingen na de priesterwijding

Het onderstaande artikel is opnieuw een inleiding die gehouden is tijdens de priester­re­traite in het bisdom Roermond over de Constitutie over de Kerk, Lumen gentium. Deze inleiding gaat over het derde hoofdstuk van de Constitutie en met name over de verhouding van de priester met zijn bisschop.

De priester en zijn bisschop

Het wezen van Kerk-zijn...

Lumen Gentium, de dogmatische Constitutie over de Kerk, heeft veel aandacht gegeven aan het Bisschopsambt. Terecht kan men zeggen dat de uiteenzettingen over het episcopaat, naast de visie op de Kerk als volk van God en op de communio, centraal zijn in de Constitutie. Het is zelfs zo dat het Bisschopsambt en de Eucha­ris­tie worden gezien als de twee meest essentiële elementen van het Kerk-zijn. Wanneer we de verschillende documenten van het Concilie bestuderen, komen daar nogal wat elementen van Kerk-zijn naar voren: natuurlijk het doopsel waardoor iemand christen wordt, de andere sacramenten, de verkondiging van het Woord en de gemeen­schap, maar waar deze aanwezig zijn, doch de geldig gewijde Bisschop en de viering van de Eucha­ris­tie ontbreken, spreekt het Concilie niet van ‘Kerk’, maar van ‘kerkelijke gemeen­schappen’ (“communitates ecclesiales”, bijv. UR 22), terwijl het begrip ‘Kerk’ wel wordt toegepast op een gemeen­schap die een Bisschop heeft en de heilige Eucha­ris­tie viert, ook al is die gemeen­schap slechts een onderdeel van een groter geheel. Zo wordt het bisdom een ‘particuliere Kerk’ genoemd; ‘particulier’ omdat ze een deel is - een ‘particula’ - van een groter geheel.’Teilkirche’ zeggen de Duitsers ook wel. Die centrale betekenis van het Bisschopsambt is niet nieuw. De kerkvaders, zoals Ignatius van Antiochië, wisten dit al: “Ubi Episcopus ibi Ecclesia”. Het tweede Vaticaans concilie heeft uitgewerkt waarom dit Bisschopsambt zo fundamenteel is voor het Kerk-zijn. In de praktijk zien we al dat de Bisschop in zekere zin het Kerk-zijn in zijn persoon representeert: hij is de eerste verkondiger van het Woord in zijn bisdom, hij bedient alle sacramenten, hij viert de heilige Eucha­ris­tie en hij is de herder van de gemeen­schap. Vandaar dat het Concilie het woord ‘Pastor’ vooral voor de Bisschop gebruikt en een enkele keer voor de priester die leiding geeft aan de parochie. De parochie zelf wordt niet ‘Kerk’ genoemd, maar zij heeft wel een duidelijk kerkelijk karakter door de band met de Bisschop die ter plaatse door de herder van de gemeen­schap wordt vertegen­woor­digd. De parochie is volgens de liturgie-Constitutie “sub pastore vices gerente Episcopi” (onder de herder - de pastoor - die de plaatsvervanger is van de Bisschop, SC 42). Deze relatie van de priester met de Bisschop wordt zeer beklemtoond, zoals we nog zullen zien.

Waarom die nadruk op het bisschopsambt?

Waarom is dit Bisschopsambt zo centraal in de Kerk? Dat is niet omdat hij nu eenmaal de ‘baas’ is, het voor het zeggen heeft. Het tweede Vaticaans concilie heeft juist verhelderd dat het niet gaat om be­stuurs­macht die door een benoeming in een bepaalde functie is verkregen. Het gaat om de volheid van het apos­to­lisch ambt - het ambt van de apostelen - en de zending die aan hen is toevertrouwd door onze Heer Jezus Christus en die tot aan het einde der tijden moet voortduren. Deze zending die de zending is van Jezus Christus wordt op de eerste plaats voortgezet door de Bis­schop­pen waardoor we kunnen zeggen dat zij de opvolgers van de apostelen zijn. In de Bis­schop­pen, die worden bijgestaan door de priesters, is de hogepriester Christus aanwezig temidden van de gelovigen (LG 21). Het gaat dus niet allereerst om een voortzetten of ‘verder doen’, maar om een mysterievolle handelende aanwezigheid van de hogepriester Christus zelf. Dit Bisschopsambt wordt door een successie vanaf het begin doorgegeven (LG 20).
Er is in de katholieke Kerk lange tijd wat discussie geweest over de vraag waar deze plaats en dit gezag van de Bis­schop­pen op berusten. Vroeger werd alles ‘wijding’ genoemd wat werd toegediend, ook bij­voor­beeld wat wij heden ten dage ‘aan­stel­lingen’ noemen; in de Latijnse Kerk was het gebruikelijk om van zeven wijdingen te spreken: de wijdingen tot ostiarius (deurwachter), exorcist, lector, acoliet, subdiaken, diaken en priester. Niet zelden werd de priester­wijding als de eigenlijke en finale wijding gezien. Niet voor niets spreken we gemakkelijk over het sacrament van het priester­schap in plaats van over het wijdings­sa­cra­ment. Daarbij werd dan weleens gedacht dat de Bisschops­wijding niet méér was dan het vrijgeven van priesterlijke bevoegdheden door een bestuursmaatregel - een jurisdictionele act - die uiteindelijk terug zou gaan op het gezag van de paus, aan wie als opvolger van Petrus immers de hoogste macht binnen de Kerk was toevertrouwd. Het tweede Vaticaans concilie heeft deze visie - die al zieltogend was - de genadeslag toegediend: de Bisschops­wijding verleent de volheid van het wijdings­sa­cra­ment; er is geen opstijgende lijn op een hiërarchische ladder, maar een deelname aan de volheid die sacramenteel in het Bisschopsambt gegeven is. De priesters en de diakens zijn helpers van de Bisschop bij de dienst aan de gemeen­schap (“communitatis ministerium”, LG 20). De bron van het gezag en de macht van een Bisschop is dus wezenlijk sacramenteel. De uitspraak dat de Bisschops­wijding de volheid van het wijdings­sa­cra­ment verleent (LG 21) is een belangrijke constatering, die tegelijk een grote oecumenische betekenis heeft: voor alle Oosterse Kerken is duidelijk geworden dat de katholieke Kerk het gezag van een Bisschop niet slechts baseert op een benoeming van de paus, maar voor alles op het sacrament, ook al beklemtoont het Concilie de fundamentele theologische noodzaak om alles in communio te doen en die communio altijd te bewaren. Het concilie beklemtoont in dit verband niet alleen de trouw aan de paus, maar ook de verbondenheid met de andere Bis­schop­pen in het Bis­schop­pencollege. De Bis­schop­pen worden lid van het Bis­schop­pencollege door de sacramentele wijding en de hiërarchische gemeen­schap met het hoofd en de leden van het college (LG 22,2). Toch blijft het Bisschopsambt de kern en de spil van het Kerk-zijn, want ook al is het waar dat één van de Bis­schop­pen een bijzondere plaats heeft doordat hij de opvolger is van de apostel Petrus, de diocesane Bis­schop­pen zijn de eigen herders van hun particuliere Kerken; zij zijn geen vicarissen van de paus, hun ambt gaat terug op de instelling door Christus en zij oefenen hun ambt in Zijn naam uit.

Medewerkers van de bisschop

Het priester­schap en het diaconaat zijn dus een deelname aan het ambt van de Bisschop, dat als bron wordt gezien voor het wijdings­sa­cra­ment: De apostelen hebben hun opvolgers, de Bis­schop­pen, deel gegeven aan de wijding en zending die Christus hun had gegeven en die hebben hun taak in verschillende gradaties doorgegeven (LG 28, 1).
Nu hebben pastoor vanouds heel erg de naam dat zij hun eigen gang gaan. Klassiek is de anekdote over een Vlaamse pastoor die honderd jaar werd en de vraag kreeg hoe hij die hoge leeftijd toch had bereikt. “Dat is eenvoudig”, antwoordde hij, “iedere dag een borreltje en ik heb de post van het bisdom nooit open gemaakt”. Bis­schop­pen kunnen weleens verzuchten dat zij de indruk hebben dat sommige priesters en diakens vergeten zijn dat zij een belofte van gehoorzaamheid hebben afgelegd. Toch schetst de Constitutie het priesterlijk dienstwerk met grote nadruk als iets dat verbonden is met de Bisschop: de priesters hangen van hem af bij het uitoefenen van hun dienstwerk en zij zijn met hem in het priester­schap verbonden. Dat heeft natuurlijk onder meer te maken met het feit dat de Bisschop - volgens de leer van het tweede Vaticaans concilie - de volheid van het priester­schap bezit en hij een priester daarin laat delen door de priester­wijding. Lumen Gentium 28 is aan het priester­schap gewijd. Priesters zijn, zo staat daar geschreven, “ijverige medewerkers van de orde van de Bis­schop­pen waarvan zij de hulp en het orgaan zijn, geroepen om het volk te dienen” en zij

“vormen met hun Bisschop één enkele priesterschaar... In alle plaatselijke groepen van gelovigen stellen zij de Bisschop, waarmee zij in vertrouwen en grootmoedigheid verbonden zijn, als het ware aanwezig en zij nemen voor hun deel zijn taken en zijn zorgen over... Onder het gezag van de Bisschop heiligen en besturen zij.... . Daar de priesters aldus in het priester­schap en de zending van de Bisschop delen, zullen zij hem werkelijk als hun vader erkennen en met eerbied gehoorzamen”.

Het tweede Vaticaans concilie onderstreept dus de sacramentele band met de Bisschop, de medepriesters en de diakens, alsmede het belang van een houding van eenvoudige dienst­baar­heid en ‘communio’. Lumen Gentium 28 vindt dat de priesters hun Bisschop als hun vader moeten erkennen en gehoorzamen en het spreekt van een “intima fraternitas”, een innige broeder­schap met de andere priesters.

Een echte gemeen­schap....

Nu staat de werkelijkheid vaak veraf van dit ideaal. Priesters kunnen zich nogal eens erg alleen voelen staan of zich zelfs in de steek gelaten voelen. En we kennen allemaal priesters die niet naar de bijeenkomsten of krans komen, die zich afzonderen, hun eigen leven hebben. Maar Lumen Gentium wil juist heel graag dat priesters voor elkaar klaar staan, met elkaar verbonden zijn, naar elkaar omkijken, zorg voor elkaar hebben. Ook dat zou een praktische uitdrukking van de onderlinge sacramentele band moeten zijn.

Die sacramentele band van de priester met de Bisschop wordt door Presbyterorum Ordinis, het decreet over het leven en werken van de priester, zeer belangrijk geacht (vgl. PO 7vv.). Het is hetzelfde priester­schap, hetzelfde dienstwerk van Christus en die vereist hiërarchische gemeen­schap met de Bisschop, een gemeen­schap die in de liturgische concelebratie tot uitdrukking wordt gebracht. Vandaar dat aan de priesters die concelebratie met de Bisschop bijzonder wordt aanbevolen (PO 7). Lumen Gentium 28 beklemtoont dat de priester een helper en een orgaan is van de Bisschop en dat hij onder het gezag van de Bisschop, die Bisschop te­gen­woor­dig stelt en diens taken en verant­woor­de­lijkheden voor een deel op zich neemt. Die relatie met de Bisschop, de mede­wer­king, de gehoorzaamheid en de hartelijke verhouding worden dus zeer sterk beklemtoond door de Constitutie. Lumen Gentium heeft het over broeder­schap en gehoorzaamheid in de verhouding tot de Bisschop en over priesters als zonen en vrienden van de Bisschop.

Hoe is je relatie met de bisschop?

Als je dus een slechte relatie met je Bisschop hebt, heb je dus echt een probleem, omdat je priester­schap zozeer met het zijne verbonden is, zou je kunnen zeggen. Maar we moeten niet uit het oog verliezen dat het hier gaat om een bovennatuurlijke relatie, niet om menselijke sympathie. Als je gewijd wordt, is de Bisschop meestal veel ouder dan jezelf bent. Hij was je Bisschop tijdens de opleiding en je hebt geleerd naar hem op te kijken. Dan krijg je een benoeming en die kan mee- of tegen vallen en dat kan met zich mee brengen dat er een gevoel ontstaat van niet begrepen te worden en niet gewaardeerd. Dan komt er op een gegeven moment een andere Bisschop, die anders is dan degene die je gewend was en aan wie je gehoorzaamheid hebt beloofd. Misschien is het iemand die je kent van het seminarie, misschien is het iemand die je niet zo graag mag, of van wie je niet zo’n hoge dunk hebt. En tenslotte komt er een Bisschop die jonger is dan jezelf bent, misschien wel iemand die je kapelaan - je ‘ondergeschikte’ - is geweest en die veel minder ervaring heeft. Iedereen begrijpt: de verhouding van een priester tot zijn Bisschop vraagt een speciale houding, een bepaalde instelling van een priester: om namelijk in de Bisschop - los nog van de per­soon­lijke aspecten - Christus te zien, van harte en in geloof - en nog los van per­soon­lijke overwegingen - te aanvaarden dat zij de diocesane gemeen­schap leiden als “vicarii et legati Christi”, plaatsbekleders en gezanten van Christus (LG 27 begin). Er zal vast en zeker in je leven op een gegeven moment een Bisschop zijn met wie je het moeilijk hebt en de bekoring kan opkomen om dan maar je eigen weg te gaan: je in het bisdom af te sluiten, op te sluiten, je innerlijk onbereikbaar te maken of daad­wer­ke­lijk het bisdom te verlaten. Er zijn priesters die heel moeilijk ergens te benoemen zijn omdat er altijd wel iets is dat hen niet aanstaat en waarover zij bezwaren maken. Soms is dat terecht omdat de gezondheid of de capaciteiten van een priester niet toereikend zijn. Andere priesters zijn er die altijd be­schik­baar en bereid zijn, ook om de menselijk minder aantrekkelijke opdrachten te aanvaarden. Een priester zal altijd een middel en een weg vinden om weg te kunnen komen, een eigen weg te gaan, niet te hoeven gehoorzamen, zelfs zonder formeel ongehoorzaam te zijn. Maar zijn roeping en zending is het om een toegewijd medewerker te zijn van de Bisschop, werkelijk te delen in diens zending en dat wil dus ook zeggen: van harte de pastorale initiatieven mee te dragen die hij in gang zet, zelf met voorstellen te komen, de broederlijkheid en verbondenheid in het bisdom te bevorderen, een ijverig, open, trouw priester en man van eenheid en communio te zijn en iets van de last en de hitte van de dag mee te dragen. Bijna iedere Bisschop voelt een dankbaarheid in zijn hart als hij denkt aan priesters die hem steunen, die meedenken, die bereid waren een moeilijke taak te aanvaarden, die er waren. Dat hoeven niet noodzakelijk priesters met grote en bijzondere capaciteiten te zijn. Als een Bisschop ervaart - direct of via via - dat een priester met hart en ziel zijn priester­schap beleeft en zich inzet, ook met een oog op het geheel, de wijdere gemeen­schap van het bisdom en de Kerk, dan verheugt hem dat. Het belang van deze openheid tot samen­wer­king, die het grotere geheel in het oog houdt, eenheid en communio zoekt en de leiding van paus en Bisschop hartelijk aanvaardt, wordt in Lumen Gentium 28 bijzonder onderstreept. Het is een vreugde en een inspiratie als je mag ervaren dat een priester - ook al heeft hij natuurlijk zijn gebreken, zijn fouten - uiteindelijk niets anders wenst dan in Christus, met Christus en voor Christus te leven en door Hem en vanuit Hem te handelen: “Door Hem en met Hem en in Hem...”.

De goede geest bewaren...

De goede geest bewaren, zelfs als je je misschien te kort gedaan voelt. Als dat laatste zo is, is het natuurlijk goed erover te spreken, wellicht met de persoon zelf of een vertrouwd iemand, een geestelijk leidsman zo mogelijk, en niet alleen op de krans, om dat gevoel een goede plaats te kunnen geven, die ervaring af te kunnen geven, niet bitter te worden, je er niet in op te sluiten. Je moet verder, op een heel positieve weg, die van de navolging van Jezus Christus. Het is in ieder geval niet goed om te blijven cirkelen om je eigen wat verbitterde gevoelens.
Paus Franciscus sluit zich daar heel praktisch bij aan:

“We hebben allemaal onze voor- en afkeuren en misschien zijn we op dit moment kwaad op iemand. Laten we de Heer in ieder geval zeggen: “Heer, ik ben kwaad op deze persoon of op die persoon. Ik bid U voor hem of haar”. Bidden voor iemand die ons irriteert, is een prachtige stap vooruit in liefde, een daad van evangelisatie. Laten we dit vandaag nog doen! Sta jezelf niet toe om beroofd te worden van het ideaal van de broederlijke liefde” (Evangelii Gaudium, n. 101).

Hoe wil ik priester zijn? In wat voor geest?

En de diakens?

Natuurlijk waren deze woorden eigenlijk ook al wel voor de diakens bestemd. Zij hoefden alleen maar “diaken” te horen waar priester werd gezegd en het was bijna steeds volledig op hen van toepassing. Toch is aan de diaken een eigen gedeelte gewijd: Lumen Gentium 29. Het was daar dat het permanent diaconaat werd hersteld en dit voor het eerst in de kerkgeschiedenis ook werd geopend voor gehuwden. Het is eveneens daar dat bevestigd wordt dat de diaken een deelname aan het wijdings­sa­cra­ment ontvangt:

“Door de sacramentele genade gesterkt dienen zij het volk van God in de diaconie van de liturgie, van het woord en van de caritas, in gemeen­schap met de Bisschop en zijn presbyterium”.

De diaken is dus innig met de Bisschop en de priesters verbonden doordat hij deel heeft aan het wijdings­sa­cra­ment en doordat het zijn taak is om te dienen. Aan de diaken worden de handen opgelegd niet voor het priester­schap, maar voor het dienstwerk. De diaken is dus dienstbaar op dezelfde terreinen als waar de priester en de Bisschop werkzaam zijn: de liturgie, de verkondiging en de caritas. Die caritas - naasten­liefde - is daarmee de invulling van het herderlijke aspect van het gewijde dienstwerk. De diaken is daar dienstbaar, staat de Bisschop en de priesters bij, maar leeft daarin tegelijk de geest voor die iedere Bisschop en priester moet kenmerken: een geest van dienst­baar­heid. De Bisschop en de priesters hebben een ambt ontvangen uit genade - het is een gave - om dat uit te oefenen ten dienste van de gemeen­schap. Heel hun leven, hun bestaan heeft zijn zin en zijn doel in de dienst aan de gemeen­schap en door die dienst - die de dienst is van Jezus Christus zelf - verheerlijkt hij God. De diaken houdt door zijn geest van dienst­baar­heid daarbij als het ware een spiegel voor aan de priesters en de Bisschop. Datzelfde woord “ministerium” - dienstwerk - dat in Lumen Gentium 29 wordt gebruikt om het diaconaat te karakteriseren in zijn eigenheid tegenover het priester­schap - “hij wordt gewijd voor het dienstwerk en niet voor het priester­schap” - wordt óók gebruikt om het priester­schap te karakteriseren: “sacerdotium ministeriale”: een priester­schap dat dienstwerk is. Dit wezen van het diaconaat moet dus ook de geest van het priester­schap zijn.

Hoe kan ik dienstbaar zijn? Hoe kan ik werkelijk dienstbaar zijn aan deze mensen op hun weg naar God? Zonder mijzelf te willen ver­heer­lij­ken, zonder op mijn strepen te gaan staan, zonder hang naar erkenning, maar door er vóór anderen te zijn, bij hen te zijn en hen mee te nemen naar Christus.

Het tweede Vaticaans concilie schildert ons de priester en de diaken als iemand die in zijn ambt Jezus Christus te­gen­woor­dig stelt, die dienstbaar is en verbonden met de Bisschop en zijn medebroeders.

Lezen: Lumen Gentium 18-29

Terug