Arsacal
button
button
button
button


Betekenis van het Godgewijde leven in de Kerk

Vrouwelijke religieuzen bijeen in Heiloo

nieuws - gepubliceerd: zaterdag, 11 april 2015
groepsfoto na afloop van de vbespers (1) en de kapel (2)
groepsfoto na afloop van de vbespers (1) en de kapel (2)

In het kader van het jaar van het gewijde leven organiseerden de blauwe zusters (de zusters van het mensgeworden Woord) op zaterdag 11 april in Heiloo een dag voor een groep vrouwelijke religieuzen over de roeping van de religieuzen. Er waren zusters van verschillende commu­ni­teiten uit ons bisdom, zoals de Bene­dic­ti­nes­sen van Aalsmeer, de Au­gus­ti­nes­sen van Heemstede, de Julianazusters, de karme­lie­tes­sen van het Goddelijk Hart en uit Dordrecht zusters van Maria Stella Matutina, een nieuwe con­gre­ga­tie. Bij deze gelegenheid heb ik de volgende lezing gehouden.

De betekenis van het Godgewijde Leven in de Kerk

Inleiding

Het Godgewijde leven hoort wezenlijk bij het leven van de Kerk. Dat leert het tweede Vaticaans concilie in de dogmatische constitutie over de Kerk Lumen Gentium. Het zesde hoofdstuk van dit document gaat over de religieuzen en dit gedeelte gaat onmiddellijk naar de kern van dat religieuze leven (LG 43): het is een beleving van de evangelische raden van de aan God gewijde kuisheid, de armoede en de gehoorzaamheid, die gebaseerd is op de woorden en het voorbeeld van de Heer zelf en een Goddelijke gave is. De Kerk heeft deze gave aanvaard en zij bewaart die met de hulp van Zijn genade. De Kerk kan de beleving ervan regelen en bepaalde vormen goedkeuren, maar zij zou het Godgewijde leven nooit kunnen afschaffen. Het Godgewijde leven - waarvan het religieuze leven een zeer belangrijke vorm is - bestaat wezenlijk uit een beleven van de drie evangelische raden en behoort tot het leven en de heiligheid van de Kerk (LG 44,5).

Het Godgewijde leven is dus een wezenlijk onderdeel van de Kerk en op het welzijn van de Kerk, Lichaam van Christus, gericht, hoewel niet hiërarchisch. Het Godgewijde leven vertegen­woor­digt één van de twee centrale en fundamentele aspecten - hiërarchie en heiligheid - van het kerkelijk leven.

1. De betekenis van het Godgewijde leven in de geschiedenis van de Kerk

Het Godgewijde leven heeft steeds een belangrijke plaats ingenomen in het leven van de Kerk. De vernieuwing van het kerkelijk leven is vele malen gekomen door het Godgewijde leven. Kloosterlingen bewerkten vaak een keerpunt in de geschiedenis van de Kerk.

Bijna aan de oorsprong van het Godgewijde leven staat de H. Antonius Abt (251-356), in Midden-Egypte geboren uit welgestelde christelijke ouders. Hij moet ongeveer achttien jaar oud zijn geweest toen hij - na de dood van zijn beide ouders - de zorg kreeg voor zijn jongere zus. Op een dag hoorde hij in de kerk het evangelie voorlezen van de rijke jonge man. Hij besloot te doen wat die rijke jongeling niet had gedaan en trok zich buiten het dorp waar hij woonde terug om zich daar aan ascese te wijden, samen met enkel andere kluizenaars die daar leefden. Geleidelijk trok hij zich steeds verder terug en leefde uiteindelijk meer dan twintig jaar in de woestijn op een berg niet ver van de rode zee. Tweemaal is hij uit de verlatenheid naar Alexandrië gekomen: de eerste keer om tijdens de christenvervolging van 311 de gevangen en ter dood veroordeelde christenen moed in te spreken en een tweede keer in 337 om op verzoek van de geestelijkheid in het openbaar tegen de Arianen op te treden, die de Godheid van Christus loochenden. Het gezag van die beroemde en hoogbejaarde kluizenaar droeg ertoe bij om het Arianisme te over­win­nen! Hiermee gaf Antonius een voorbeeld dat door andere kluizenaars werd nagevolgd: zij leefde verstorven en teruggetrokken, maar als de nood hoog was kwamen zij uit hun eenzaamheid om de Kerk en haar gelovigen te hulp te komen. Zij waren zich ervan bewust dat hun roeping uiteindelijk Ecclesiaal was...

Vele kerkvaders volgden dit voorbeeld. Johannes Chrysostomos (349/350-407) bij­voor­beeld leefde vier jaar als cenobitisch kloosterling en twee jaar als anachoreet voordat hij diaken en priester werd. Basilius van Caesarea (329/330-379), die als monnik leefde op een landgoed van zijn familie, wordt wel de vader van het oosters monnikendom genoemd. Nog steeds leven vele kloosterlingen volgens de regel die hij schreef. Ook hij werd bisschop en net als Chrysostomos en eerder Antonius keerde hij zich tegen het Arianisme en trachtte hij de eenheid van de Kerk te dienen.

Het zijn de monniken die in deze periode van de kerkgeschiedenis een grote invloed hebben gehad op het behoud van de orthodoxie, met name in de strijd tegen het Arianisme.

Benedictus van Nurcia (rond 480 - 547) is één van de patronen van Europa, door paus Paulus in 1964 als zodanig uitgeroepen. Paus Johannes Paulus II voegde daar later andere patronen bij: de heilige Cyrillus en Methodius als vertegen­woor­digers van Oost-Europa (1980) en de heilige Birgitta van Zweden, de heilige Catharina van Siëna en de heilige Theresia Benedicta a Cruce (Edith Stein) in 1999. Zij zijn gekozen omwille van hun diepgaande invloed op en uitnemend belang voor de Europese cultuur. Opvallend is dat allen kloosterlingen zijn! Deze heilige patronen maken tevens duidelijk dat de grote geestelijke impulsen niet alleen van mannen afkomstig zijn; vrouwen hebben hierin een grote rol gespeeld. Dat zien we ook in het leven van de heilige Benedictus, naast wie zijn zus Scholastica stond, en in de geschiedenis van de Benedictijner kloosters.

Benedictus leefde eveneens op een keerpunt van de geschiedenis. Op jonge leeftijd kwam hij naar Rome om te studeren. Hij beleefde daar sterk de decadentie, het geestelijk verval van de stad en kwam tot bekering. Daarna sloot hij zich bij een groep asceten aan, leefde drie jaar als kluizenaar in een grot in Subiaco en stichtte vervolgens een twaalftal kloosters voor monniken die hem volgden. Daarna trok hij naar Montecassino, waar hij in een nieuwe geest begon en de regel schreef die tot op de dag van vandaag aan het leven van vele abdijen ten grondslag ligt. Vanuit die benedictijnse abdijen kwam de grote impuls die het kerkelijk leven en heel de samenleving vernieuwde: missionering, onderwijs, landbouw, cultuur, de invloed die van de Benedictijnerabdijen is uitgegaan, kan moeilijk te hoog worden geschat.

De heilige Norbertus van Gennep (of van: Xanten, omdat Gennep toen tot het aartsdiaconaat Xanten behoorden, 1080/85-1134)) was kanunnik in Xanten en daarna in Keulen. Deze kanunniken leefden in de wereld en leidden vaak een werelds, weelderig leven. Zij maakten deel uit van een Kerk die sterk onder invloed van wereldse heersers stond en zelf verwereldlijkt was. Hier komt opnieuw een nieuwe impuls door het Godgewijde leven: Norbertus komt met een nieuwe vorm van regulier canonicaal leven, dat wil zeggen dat zij een kloosterregel volgden en de gemeen­schap hun geestelijke basis was. Tegelijk namen zij afstand van rijkdom en werelds leven en trokken zij rond als een arme van Christus, predikend en in pastoraal contact met de mensen; zo hervormden zij het kerkelijk leven, ruimden misbruiken uit de weg en evangeliseerden.

Een eeuw later werd Franciscus van Assisi (1181/1182-1226) geboren. Hij leefde in een tijd dat het - weer - niet al te goed ging met de Kerk: rijkdom, verwereldlijking, een groeiende afstand tussen hiërarchie en volk. Het is de tijd van de kruistochten, de katharen - een volksbeweging die een zuiver christendom wilde beleven tegen de Kerk en haar hiërarchie en dualistisch een goede en een boze macht in de schepping zag - en een armoedebeweging die zich geleidelijk ook tegen de kerk ging keren. In deze tijd hoorde Franciscus de woorden: “Zie je niet hoe mijn huis tot een ruïne vervalt. Herstel mijn kerk”. Aanvankelijk verstond hij deze woorden als een opdracht om het kerkje van San Damiano te herstellen, maar geleidelijk werd hem duidelijk dat het om een veel bredere opdracht ging. Franciscus stond met de stichting van zijn orde aan de ene kant in een traditie die al eerder was begonnen en die zich bij­voor­beeld ook in de kruisbeelden uitdrukte: een arme, menselijke, lijdende Christus navolgen, was Franciscus’ ideaal. Daarbij kwamen andere contemporaine idealen bij hem terug, zoals die van de kruistochtspiri­tua­li­teit: Franciscus ging in Noord-Egypte de kruisvaarders bezoeken, maar alles kreeg in Franciscus’orde ook een nieuwe kant, een andere optiek: zo ging hij vreedzaam naar de sultan in Marokko toe om hem Christus te verkondigen, hij voelde zich één met heel de schepping die hij echter als goed zag en niet dualistisch zoals de Katharen dat zagen en hij zag de hiërarchie - ook al was hij bepaald niet blind voor haar fouten - als door God gewild. Met zijn broeders vernieuwde hij het kloosterleven: zij werden rondtrekkende, predikende armen. De impuls die Franciscus heeft gegeven, gaat tot op de dag van vandaag door. Ook onze huidige paus laat zich door hem inspireren om van de Kerk een Kerk van de armen te maken.

In de reformatie werd door de grote hervormers als Luther en in zekere zin ook Calvijn de nadruk gelegd op de per­soon­lijke verhouding van de mens met God. Volgens hen wordt het heil niet doorgegeven door de Kerk en door de sacramenten en de primaire gerichtheid is dus niet op de gemeen­schap. Het gaat om de per­soon­lijke band van de mens met God: het is God die de zonden van de mens bedekt en die mens wordt door het geloof gerechtvaardigd. Luther noemde de katholieke Kerk met de paus de hoer van Babylon; de ware kerk waren de harten en zielen verenigd in Christus. Men keert zich dus in zekere zin af van de sociale kerk­ge­meen­schap en keert zich naar het individu, een verschijnsel dat ook wel de antropologische wending is genoemd en dat zich in zekere zin doorzet in het individualisme van de huidige maat­schappij. In deze veranderingen zitten minder goede en goede elementen. Juist in de spiri­tua­li­teit van de instituten van Godgewijd leven die na de reformatie gingen ontstaan, vinden we een katholiek-gelovig antwoord op deze antropologische wending. Aan de inspiratie waarmee de heilige Ignatius van Loyola de Jezuiëten-orde stichtte ligt bijvorbeeld een inzicht over de onderscheiding der geesten die aan de basis staat van zijn Geestelijke Oefeningen: onderzoekt de geesten of ze uit God zijn, had de heilige apostel Paulus al gezegd. Dat werd door Ignatius heel direct-per­soon­lijk toegepast: hij merkte dat het lezen van ridderromans hem uiteindelijk leeg achterliet en dat het lezen van een heiligenleven ook na het lezen een vrede en vreugde achterliet. Vanuit de onderscheiding der geesten ontwikkelde hij de Geestelijke Oefeningen die bijzonder helpen om de per­soon­lijke band met Christus te ontwikkelen, Hem te volgen en te dienen. Opnieuw stond het charisma van een orde aan de wieg van een nieuwe fase in en een opbloei van het leven van de Kerk. Nu komt het Godgewijde leven geheel in dienst te staan van het apostolaat. De Jezuïeten kennen zelfs een verbod op het gezamenlijk bidden van de getijden! Deze orde is sterk in­di­vi­dueel - daarin volgden de Jezuïeten in feite een tendens van de tijd - maar dat individualistische staat in dienst van en is gericht op het apostolaat. Hun klooster is veeleer een huis waar zij samenwonen om gemeen­schap­pe­lijk de voorzieningen te hebben die het apostolaat mogelijk maken.

Ik ga met zeven-mijls-laarzen door de geschiedenis. Dit overzicht is alleen bedoeld om duidelijk te maken en ons bewust te laten worden hoe Onze Lieve Heer Zijn Kerk door steeds nieuwe charisma’s heeft geleid en hoe die instituten van Godgewijd leven de Kerk op cruciale momenten hebben vernieuwd.

In de negentiende en twintigste eeuw kwam weer een nieuwe fase. De samenleving veranderde drastisch. Niet langer leefde de bevolking grotendeels op het platteland, waar het land werd bewerkt, maar woonde in steden en werkte in fabrieken en kantoren. Deze veranderde situatie maakte ook dat de mensen voor een belangrijk deel van de dag niet meer bereikbaar waren voor geestelijken kloosterlingen. Zij verkeerden daar waar geestelijken geen toegang hadden. Daarbij begon een proces van secularisatie: veel mensen vervreemdden van het kerkelijk leven en uiteindelijk ook van God. Zij leefden ver van God en Kerk. Dit inspireerde tot tal van initiatieven: er werden vele religieuze con­gre­ga­tie gesticht die direct werkzaam waren op plaatsen waar de mensen verbleven: in ziekenhuizen, scholen, in de thuiszorg enzovoorts. Zo werden de mensen toch bereikt. Nog ging dat niet altijd ver genoeg. Er ontstonden Godgewijde instituten die niet langer uitgingen van herkenbaarheid, afscheiding van de wereld en anders-zijn. De leden van seculiere instituten leefden vanuit hun roeping en op basis van de drie evangelische raden met en onder de mensen in school, kantoor of fabriek of waar dan ook. De roeping en de toe­wijding aan God waren alleen aan de binnenkant zichtbaar voor het oog van God, maar de leden leven als zuurdesem in en door de wereld, zonder de bescherming van een gemeen­schap of religieuze kleding. Deze vorm werd in 1947 door de paus goedgekeurd.

Geleidelijk is in de twintigste eeuw meer besef gekomen van de Kerk als gemeen­schap, waarin alle gedoopten met elkaar verbonden zijn, ieder met zijn eigen roeping. De overtuiging groeide dat niet moest worden gedaan of de priesters en de religieuzen de Kerk waren en de andere gelovigen slechts “klanten van de Kerk”, maar dat de overtuiging dat alle gelovigen delen in de zending van de Kerk, die uiteindelijk door het tweede Vaticaans concilie duidelijk is uitgesproken (LG 33,2), duidelijk gestalte moest krijgen in het leven van de Kerk. Dit is met name gebeurd in de grote bewegingen die zijn ontstaan. Ook binnen die bewegingen - en harmonisch deel daarvan uitmakende - zijn nieuwe vormen van God gewijd leven ontstaan.

Daarnaast blijven ook de grote oude instituten de bijdrage geven van hun rijke spiri­tua­li­teit en apos­to­lische inzet en komen er nieuwe religieuze instituten op die eigen antwoorden geven op de grote geestelijke noden van onze tijd.

En zo zal het verder gaan: God antwoordt in iedere tijd op de steeds veranderende noden van de Kerk met nieuwe charisma’s, nieuwe initiatieven, nieuwe vormen van Godgewijd leven.

2. Het Godgewijde leven in het tweede Vaticaans concilie

Het tweede Vaticaans concilie heeft het belang van het religieuze leven in de Kerk onderstreept. Dat heeft het niet gedaan door het te karakteriseren als een staat van volmaaktheid, dus een weg die een volmaaktere levensstaat biedt dan het gewone leven en die dus ook een meer zekere weg naar de hemelse zaligheid biedt. Het concilie heeft duidelijk aangegeven dat het religieuze leven niet een soort “tussenstand” is tussen leken en geestelijken. Religieuzen zijn geen halve priesters, maar hun levensstaat gaat om een toe­wijding aan God en in die zin om een vernieuwing en verdieping van de doopgenade, om een roeping, een gave, een diepere verbinding met het mysterie van de Kerk en om een dienst aan de heilszending van de Kerk (LG 43,2 en 44).

Religieuzen worden door hun toe­wijding dieper met het mysterie van de Kerk verbonden en daaruit vloeit de verplichting om naar mogelijkheid en in overeenstemming van de eigen roeping van het instituut door gebed of ook door actieve apostolaatswerken het Rijk van Christus in de zielen te laten wortelen en te versterken (LG 44,2). De religieuze staat legt getuigenis af van het hemelse leven en tegelijk van het eenvoudige leven van Jezus die kwam om de wil van de Vader te doen (LG 44,3). Hoe religieuzen het leven van Jezus te­gen­woor­dig stellen, moet afhangen van de de geest van de stichter van het religieuze instituut (LG 45, 1: “secundum spiritum fundatorum crescant atque floreant”). Of zij nu Christus te­gen­woor­dig stellen die bidt en overweegt op de berg, of Christus die het rijk van God aan de menigten verkondigt, of de zieken en gewonden geneest, de zondaars bekeert, de kinderen zegent of allen weldoet, waar het accent ook op moge liggen, ieder instituut, iedere religieus is geroepen Christus zichtbaar te maken aan gelovigen en ongelovigen (LG 46,1). Het tweede Vaticaans concilie beklemtoont dus de betekenis van de geloften (of andere heilige banden) op de drie evangelische raden en de kerkelijke dimensie van dat religieuze leven, met name dat de religieuzen bijdragen aan de zending van de Kerk door het leven van Jezus te leven. Daarbij wordt dan ook de noodzaak van eenheid met de bisschop onderstreept en van de erkenning van diens pastorale gezag omdat er eenheid en eendracht in het apostolaat moet zijn (LG 45, 2).

3. De betekenis van het Godgewijde leven voor de Kerk, nu en in de toekomst

Wat kan de betekenis zijn van het religieuze leven in onze tijd en in de toekomst? Veel religieuzen zijn oud geworden en hebben niet zoveel kracht meer. Veel apostolaatswerken die werden geleid door religieuzen zijn niet meer in handen van een religieus instituut.

Laten we allereerst nog even kijken naar de voornaamste punten die paus Franciscus in zijn apos­to­lische brief aan dit bijzondere jaar van het Godgewijde leven heeft meegegeven en waarmee hij de bijzondere betekenis van het religieuze leven wil onderstrepen.

Die punten staan niet zover af van wat we op grond van het Concilie al even hebben aangestipt. Godgewijden zijn geroepen in deze wereld een teken te zijn en we zien al wel aan Simeon en Hanna in de tempel, dat leeftijd er daarbij absoluut niet toe doet, hoewel iedere leeftijd zijn eigen gave heeft.

Hoe kunnen we nu zo’n teken van Christus zijn? Voor veel religieuzen zal het inderdaad niet meer mogelijk zijn dat in apostolaatswerken te doen. Maar het eerste wat de paus heeft genoemd is niet dat, maar iets wat in ons zit: de vreugde. Laat onze kloosters en huizen plaatsen van vreugde zijn, laten wij allen mensen van vreugde zijn, niet somber, niet triest, zo zegt de paus, want de Kerk groeit niet door proselitisme maar door aantrekkings­kracht. We zijn toch verlost? We hebben toch hoop? Wij zien toch toekomst, een toekomst die ligt in de hand van God? Dus: vreugde, een vreugde die sterker en groter is dan wat ons overkomt.

De bron van die vreugde is dat we het gelaat van Christus herkennen in alles, ook als we ons zwak voelen en pijn lijden.“Wanneer ik zwak ben, ben ik sterk”, zei de apostel Paulus al (2 Kor. 12,10) en hoe we ook zijn en wat ons ook mag overkomen, we zijn geborgen in Gods hand, wij zijn mensen van hoop, wij kijken naar iets uit en naar Iemand, zoals Simeon en Hanna in de tempel.

We zijn dus geroepen een teken te zijn en dat noemt de paus tegelijk onze profetische taak: maak de wereld wakker door plaatsen te scheppen waar de evangelische logica wordt geleefd. Dat is een andere logica dan die we om ons heen zien in de wereld van vandaag, die profetische wijze van leven vraagt om de gave van onszelf, om broederlijkheid, aanvaarding van elkaar, verdragen en weder­zijdse liefde.

Om dat te bereiken moeten we met Gods hulp proberen om - zoals de paus dat noemt - experts van ‘communio’ te zijn: erop gericht om mensen bij elkaar te brengen, te verenigen, samen te binden, één te blijven. Geen geroddel, geen afgunst, geen mentaliteit van kritiek, maar begrip en aanvaarding, in liefde open staan voor elkaar. Dat geldt niet alleen in onze eigen gemeen­schap maar ook naar buiten toe: de profetische wijze van leven wil open staan voor ontmoeting met anderen en gemeen­schap scheppen. Dus laten we in zoverre we kunnen en dat bij ons charisma past, naar buiten gaan.... naar de zieken, zwakken, verwaarloosden, alleenstaanden, jongeren, gezinnen. Uiteindelijk nodigt paus Franciscus ons uit om onszelf te bezinnen - uitgaande van ons verlangen om in dit leven, in de wereld, een teken van God te zijn - op deze vraag: Wat vraagt God van mij vandaag, vanuit het charisma van mijn Instituut? Hoe kan ik dat uitzien naar de Heer dat eigen is aan het God gewijde leven, in mijn bestaan gestalte geven?

Dit is wat paus Franciscus als een belangrijke opdracht ziet voor de religieuzen in onze tijd.
Daarbij wil ik graag zijn woorden onderstrepen met wat de heilige paus Johannes Paulus II eerder heeft gezegd. Talloze malen heeft deze heilige paus op het belang van de nieuwe evangelisatie van Europa gewezen. Daarvoor bestaat geen universeel recept, zo stelde deze paus. “Het is liefde wat de mannen en vrouwen van het gewijde leven aan hun tijdgenoten moeten geven. Het geheim van alle evangelisatie bestaat in de ontdekking dat de liefde voor God omgevormd moet worden in dienst aan de naasten. Dit is de reden waarom het geleefde getuigenis van zuivere en authentieke liefde de beste aanbevelingsbrief is die een religieus kan geven. Af en toe wordt deze brief gelezen en de getuige wordt waargenomen door iemand die Jezus Christus niet kent of die zichzelf van de Kerk heeft verwijderd” (17 nov. 2001).

Dus: de kern van het religieuze leven is het leven volgens de evangelische raden en het leven van Jezus leiden, Christus te­gen­woor­dig stellen, die Gods liefde is tot het uiterste.

We moeten ons niet laten ontmoedigen, de kerkgeschiedenis leert ons dat God in iedere tijd een nieuw antwoord geeft op de noden van die tijd door nieuwe charisma’s te schenken.

Laten we ons er allen voor inzetten met vreugde en vertrouwen dit concrete getuigenis van liefde in onze tijd te geven.

Terug