Arsacal
button
button
button


Samen met de leken

Overwegingen over de Kerk 6

overweging_bezinning - gepubliceerd: zaterdag, 27 juni 2015
Het H. Vormsel: zending om te getuigen
Het H. Vormsel: zending om te getuigen

Op 8 december 2015 gedenkt de katholieke Kerk dat vijftig jaar eerder het tweede Vaticaans concilie werd afgesloten. Dan wordt het heilig jaar van de barm­har­tig­heid door paus Franciscus geopend. Een van de kern­punten van dat Concilie was de aandacht voor de leken in de Kerk. De leken hebben volop deel aan de zending van de Kerk. Daarover gaat deze bezinning met enige aandacht voor de strijd die gaande is en die door de paus pas nog weer is gedefi­nieerd als “een derde wereld­oorlog in stukjes”.

Samen met de leken

Het vierde hoofdstuk van de Constitutie over de Kerk is gewijd aan de leken. Wellicht zullen priesters en diakens nu denken dat ze dit gedeelte dus wel over kunnen slaan omdat het niet op hen van toepassing is. Maar het is toch beter dat niet te doen, want het wezen van het priester­schap staat gericht op de gelovigen waarvan de leken verreweg het grootste deel vormen.

Dienst

Het priester­schap of diaconaat is wezenlijk een dienst aan het volk van God; dat geldt zelfs voor priesters of diakens die niet of niet meer actief zijn in de directe zielzorg. Heel het priester­lijk of diaconaal zijn is voor de mensen - propter homines -, al was het alleen maar omdat dat de essentie is van het hoge­priester­schap van Christus die zij tegen­woordig mogen stellen: zij geven hun leven voor de verlossing van velen; dat is geen zelfgave die abstract is en los staat van de mensen, niet een die ook wel voltrokken kan worden geheel op zichzelf, ergens in een kapelletje. Dat geldt zelfs in zekere zin voor wie een contem­pla­tieve roeping heeft. In Aalsmeer zijn zusters Benedic­tinessen begonnen in een nieuwe stichting van een Italiaans klooster. Ik sta er steeds van te kijken hoezeer zij hun leven verstaan als een missie in dienst van de nieuwe evan­ge­li­sa­tie.

In relatie treden...

Dat priesters en diakens zichzelf, hun leven geven voor de verlossing van de mensen, voor hun leven en hun heil, vraagt dat zij met hen in contact treden, dat zij hen proberen te begrijpen, dat zij hen liefhebben, dat zij naast hen staan en voor hen uitgaan om de weg te banen naar Hem die onze Verlosser is. De genade is een genade die om mede­werking vraagt, om een innerlijk contact, om een open hart, om een relatie. Genade veronder­stelt een wissel­werking tussen mens en God en daar staan priesters en diakens middenin. Dit is de focus van het priester-zijn, van het diaconaat en van de pastorale taak en die ligt dus bij de omgang met leken. Dit betekent ook dat zij vrucht­baar­heid niet kunnen meten. Natuurlijk moet er soms ook een profetisch woord gesproken worden of een woord dat uitnodigt tot bekering, maar in het algemeen kan men zeggen dat mensen stappen zetten op een weg naar God wanneer ze innerlijk aangesproken worden, ervaren dat het goed is, dat ze aanvaard en uitgenodigd worden, dat ze worden bemind.

"Waarachtige gelijkheid..."

In eerdere inleidingen hebben we al gezien, dat de concilie­vaders zich geleidelijk steeds meer bewust werden van het feit dat de Kerk allereerst een gemeen­schap van gedoopten is en dat de aanvanke­lijke gedachte om iets te gaan zeggen over de leken omdat zij óók deel hebben aan de zending van de Kerk, eigenlijk nog te mager was. Die intentie om een dergelijke uitspraak te gaan doen, was al een reactie op een verkeerd klerikalisme, dat ervan uitging dat de hiërarchie de Kerk is en de leken zag als “de klanten van de Kerk” - om een uitdrukking van kardinaal Giacomo Biffi te gebruiken. Geleidelijk groeide dus het inzicht onder de concilie­vaders dat een hoofdstuk over de leken die óók deel hebben aan de zending van de Kerk niet genoeg was. Het gaat er niet om te zeggen: “Jullie horen er ook bij”, dat zou je nog kunnen verstaan in de zin van: “Wij, geestelijken, wij zijn het eigenlijke, het draait om ons, maar jullie horen er ook bij”. Daarom verschoof de aandacht geleidelijk naar een eigen, tweede hoofdstuk over de Kerk als volk van God, waarvan alle gedoopten deel uitmaken en waar een waarachtige gelijkheid heerst. Pas daarna komen de verschil­lende ambten en charisma’s die uit­ein­de­lijk allemaal weer ten dienste staan van die gemeen­schap. Die gelijkheid van alle leden van het volk van God wordt door Lumen Gentium opnieuw beklem­toond in nummer 32. We hebben niet allen dezelfde taak, maar we zijn wel gelijk:
“...gelijk is de waardigheid van de ledematen krachtens hun weder­geboorte in Christus; gelijk de genade van het kind­schap, gelijk de roeping tot volmaaktheid, één heil, één hoop, één ondeelbare liefde. In Christus en de Kerk bestaat er dus geen enkele ongelijkheid naar ras, nationaliteit, sociale stand of geslacht...” (LG 32).

Gelijken en dienaren van elkaar

Wanneer U dit gedeelte van de Constitutie verder leest, zal U zeker opvallen hoezeer het concilie de gelijkheid beklem­toont, die vervolgens ook in het kerkelijk wetboek is opgenomen. Het gedeelte over de plichten en rechten van alle gelovigen in de Codex opent met deze “vera aequalitas”, die waarachtige gelijkheid (c. 208). De Constitutie over de Kerk komt zo vaak terug op de gedachte dat alle gelovigen één gemeen­schap vormen, dat wij allen gelijk zijn en dat wij dienaren van elkaar zijn en dat dit laatste heel bijzonder voor de priesters en diakens geldt, dat we deze een centrale gedachte van Lumen Gentium mogen noemen. Deze uitspraak komt te vaak voor en is te fundamen­teel om die af te doen als iets dat meer een wijze van zeggen is en verder niet ter zake doet.
Lumen Gentium 32 zegt:
“Hoewel er enkelen, door de wil van Christus, als leraars, uitdelers van de geheimenissen en herders over de anderen worden aangesteld, toch blijft er tussen allen gelijkheid bestaan ten aanzien van de aan al de gelovigen gemeen­schappe­lijke waardigheid en de bedrijvigheid voor de opbouw van het lichaam van Christus. Want het onderscheid dat de Heer heeft ingesteld tussen de gewijde bedienaren en de rest van het volk van God, brengt tevens een verbinding mee, aangezien de herders en de overige gelovigen elkaar in een net van onderlinge betrekkingen ontmoeten: de herders van de Kerk zijn, naar het voorbeeld van de Meester, dienaren van elkaar en van de andere gelovigen, terwijl deze laatsten blijmoedig met hun herders en leraren samenwerken. Door deze verscheidenheid leggen allen aldus getuigenis af van de wonderbare eenheid die het lichaam van Christus bezielt” (LG 32).

Werkzaamheid in de wereld

Die gelijkheid van alle leden van het volk van God steunt dus op het doopsel, de wedergeboorte in Christus, en het vormsel. Dat is ook de basis voor de roeping van allen om deel te nemen aan de heilszending van de Kerk en die werkdadig aanwezig te laten zijn met name in de plaatsen en omstandigheden waar alleen leken Kerk kunnen zijn: “in die plaatsen en omstandigheden waar zij door hen alleen het zout van de aarde kan vormen” (LG 33,2). Datzelfde nummer van de Constitutie doet de uitspraak waarop velen voor het concilie al hadden gewacht: “Het apostolaat van de leken is een deelneming aan de heilszending zelf van de Kerk. Tot dit apostolaat zijn allen door de Heer zelf door doopsel en vormsel opgeroepen”. Daarbij ziet het Concilie het als de eigen roeping van leken om het rijk van God te zoeken “door tijdelijke aan­ge­le­genheden te behartigen en volgens de wil van God te regelen.... Bij wijze van zuurdeeg” moeten zij “als het ware van binnen uit tot de heiliging van de wereld” bij dragen (LG 31). Zij zijn geroepen om de bood­schap van Christus te brengen door hun woord en levens­ge­tui­genis in de gewone levenssituaties, in huwelijk en gezin (LG 35,2). De werkzaamheid in de wereld en het doordríngen van de wereld met de geest van het evangelie, ziet Lumen Gentium als taak bij uitstek voor de leken. De nieuwe evan­ge­li­sa­tie - waartoe de pausen na het Concilie (en in lijn daarmee) hebben opgeroepen - kan tenslotte alleen maar plaats­vin­den als het evangelie binnendringt op plaatsen en in harten waar het tot nu toe nauwelijks toegang heeft. De leken zijn hierin cruciaal. Veel nieuwe bewegingen en gemeen­schappen proberen juist deze woorden van het Concilie te leven. De leken worden dus geroepen om zuurdesem en zout der aarde te zijn.

Geen tweedeling

Dit wil niet zeggen dat het Concilie opteert voor een soort tweedeling: de Kerk is voor de priesters, de wereld voor de leken. Lumen Gentium 33 vermeldt dat leken in kerkelijke functies kunnen worden geroepen en dat zij gevraagd kunnen worden om meer direct met de herders van de Kerk mee te werken. Lumen Gentium 35,3 vermeldt de evan­ge­li­sa­tie en het vervangen van gewijde bedienaars op het gebied van de verkondiging, wanneer die ontbreken of door vervolging verhinderd zijn. Lumen Gentium 37,4 zegt dat de ervaring van leken belangrijk is, zowel op geestelijk als op tijdelijk gebied en nummer 41,4 van de Constitutie komt nogmaals terug op de leken die met een zending van de Bisschop zich helemaal wijden aan apos­to­lische werken en op de akker van de Heer met zeer veel vrucht werken.
En zo komt het Concilie er tenslotte toe om uit te spreken dat de voornaamste plaats bij de universele opdracht om de wereld van de Geest van Christus te doordrenken, aan de leken toekomt. Leken zijn dus geen klanten, ze zijn niet marginaal, ze zijn centraal en op de voornaamste plaats waar het de eerste opdracht van de Kerk betreft: het evangelie te verkondigen.

missio­naire kerk

Als de leken zo’n centrale en voorname plaats hebben als dragers van de zending van de Kerk, wordt duidelijk dat we naar een Kerk toegaan die gemeen­schap is. Natuurlijk zijn we in de Kerk op dit moment nog heel veel bezig met wat we bijna - een beetje oneerbiedig - ‘verzorgende taken’ zouden kunnen noemen: de uitvaarten, doopsels en vormsels zijn nog steeds lang niet altijd gegeven aan mensen die inderdaad met de zojuist geschetste instelling deel uit willen maken van de Kerk. Velen ontvangen bepaalde gaven van de Kerk, maar worden geen dragers van haar zending. Dat is natuurlijk zeer te betreuren, al moeten we het missio­naire karakter van bij­voor­beeld een uitvaart niet onderschatten. Het fenomeen van de ‘volks­kerk’ zagen en zien we in hoog tempo verdwijnen. We worden allemaal mis­sio­na­rissen! Dat betekent wel dat de verkondiging uit­no­di­gend en evan­ge­li­se­rend zal moeten zijn, de contacten hartelijk en open, uit­no­di­gend en verkondigers en catecheten steeds in de gaten moeten houden dat ze spreken tot mensen die nauwelijks iets van het christelijk geloof weten en dat kunnen ze hen ook niet kwalijk nemen, het is de tijd en de omgeving waarin deze mensen zijn opgegroeid, de cultuur die we dagelijks inademen, de breuk die is ontstaan tussen Kerk en samenleving, die dit hebben bewerkt. Maar de uit­no­di­ging is om stappen te zetten naar gemeen­schap, het geloof te leren kennen als een waarde, een schat voor het leven, en zelf drager te worden van de zending van de Kerk en daar zelfs offers voor te brengen.

Vanuit liefde en aanvaarding

Dat vraagt van priesters en diakens dus een bepaalde wijze van zijn en van omgang met mensen. Hoe kunnen ze uitstralen, laten zien dat zij samen met de andere leden van het volk van God, als gelijken, staan voor hetzelfde doel, allen levend vanuit de gaven die de Heer ons heeft geschonken? En hoe kunnen priesters, diakens en leken samen missio­nair worden?
Het eerste zal zijn dat zij mensen liefhebben en aanvaarden, dat priesters zich als het ware de woorden van de kerkelijke huwelijksbelofte eigen maken, omdat zij tenslotte de bruidegom Christus te­gen­woor­dig mogen en willen stellen, die Zijn leven geeft voor Zijn bruid, de Kerk, dus voor heel het volk van God.
Van de heilige paus Johannes XXIII wordt verteld dat er - toen hij nog patriarch van Venetië was - een pastoor was in zijn bisdom over wie negatieve verhalen de ronde deden: hij was onvriendelijk tegen de mensen, brommerig en lelijk, hij dronk waar­schijn­lijk wel te veel en er waren nog meer klachten, waarvan sommige ernstige. Patriarch Roncalli ging naar de pastoor, klopte aan en zei: “Broeder, ik wil bij je biechten”.
Dit herinnert ons natuurlijk aan wat God zelf voor ons heeft gedaan, hoe Hij naar ons mensen is toegekomen toen wij zondaars waren en hoe Hij ons leven is komen delen en zich juist voor die zondige mens - meer nog dan voor de perfecte Farizeeër of Schriftgeleerde - tot zonde heeft laten maken en zich gegeven heeft tot het uiterste. God is dus tegemoetkomend. Jezus vraagt zijn leerlingen om niet anders te zijn:
“Ik zeg U geen weerstand te bieden aan het onrecht... als iemand U vordert één mijl met hem te gaan, ga er twee met hem. Geef aan wie U vraagt, en wend U niet af als iemand van U lenen wil. (...) Bemint U vijanden en bidt voor wie U vervolgen.... Weest dus volmaakt, zoals Uw Vader in de hemel volmaakt is” (Mt. 5,38-48).

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw was de tegensteling tussen christenen en socialisten/communisten nog heel scherp, zeker in Italië. Nog steeds toen de heilige paus Johannes XXIII nog patriarch van Venetië was, werd de landelijke 32e partijdag van de Socialistische Partij van Italië in Venetië gehouden. De vijanden van de Kerk in de stad van de patriarch! In heel de stad liet de patriarch aanplakbiljetten ophangen met onder meer de volgende tekst:
“Ik begroet de buitengewone betekenis van deze gebeur­te­nis, die van zo groot belang is voor de naaste toekomst van ons land... Ik wek iedereen op de sa­men­komst van zo vele broeders uit geheel Italië die gemeen­schap­pe­lijk de idealen van waarheid, welvaart, gerechtigheid en vrede willen verwerkelijken, zo vruchtbaar mogelijk te maken”.
Tegemoetkomend, uit­no­di­gend, zich opstellend als vriend, open, zonder vrees, we hebben niets te verliezen....

In gemeen­schap

De Heer zelf vraagt ons, herders en andere gelovigen, dus om tegemoetkomend en benaderbaar te zijn. Natuurlijk is dat een eerste voor­waarde voor een vruchtbare werkzaamheid als priester. Maar er wordt nog iets meer van ons gevraagd: het beeld dat de eerste christenen ons hebben nagelaten van de beginnende Kerk, kort na het Pinksterfeest, is dat van een gemeen­schap: “Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeen­schap­pe­lijk”. Wij leven in het ik-tijdperk en celibataire priesters zijn gewend om op zichzelf te leven en hun eigen gang te gaan, zonder aan iemand anders verantwoording af te hoeven leggen dan aan de Heer. Toch heeft de Heer alle mensen - ook de priesters en diakens - als sociale wezens geschapen, hen tot gemeen­schap geroepen en Hij heeft de priesters en diakens bovendien in een taak gesteld die wezenlijk een gemeen­schaps-ambt is. Vandaar dat zij door het Concilie worden uitgenodigd om veel en goed contact te hebben met leken, veel met hen samen te werken, samen met hen voor hetzelfde doel te staan en gemeen­schap te vormen. Lumen Gentium 37,3 werkt dit uit:
“Laten de gewijde herders van hun kant de waardigheid en verant­woor­de­lijk­heid van de leken in de Kerk erkennen en bevorderen, van hun wijze raad dankbaar gebruik maken, hun in dienst van de Kerk met vertrouwen opdrachten verlenen, bewegingsvrijheid en ruimte voor hen scheppen, meer nog, hen aanmoedigen om ook uit eigen beweging tot handelen over te gaan”.
Ook de opdracht van de leken zelf op dit vlak wordt geschetst (LG 37, 1-2). Het gaat om een goede samen­wer­king, samen voor hetzelfde doel, als broeders en zusters: ‘Van die vertrouwelijke omgang tussen leken en herders is voor de Kerk zeer veel goeds te verwachten” (LG 35, 4).

De dramatiek van de situatie waarin we verkeren

Hoe kunnen we dit realiseren? We zitten in de Kerk in West-Europa en daarbuiten in een overgangssituatie. We zijn getuigen van een dramatisch cultureel verval en de teloorgang van gemeen­schap­pe­lijk gedeelde normen en waarden; aan de andere kant en deels in reactie daarop toenemend fundamentalisme en religieus gefundeerd geweld. Alles kan en alles mag en tegelijk komt de vrijheid zich te uiten steeds meer onder druk te staan. De zedeloosheid die er aan de ene kant is, staat anderzijds bloot aan gewelddadige reacties. Christenen zijn helaas in beide situaties slachtoffers van onverdraagzaamheid. Waar het precies naar toe zal gaan is - lijkt me - nog niet duidelijk.
Vele gelovigen zijn zeer druk met hun banen, gezin en allerlei andere verplichtingen; priesters en diakens hebben vaak de zorg voor een heel aantal ver­schil­lende (parochie)gemeen­schappen gekregen en ze vervullen een soort openbare functie die gemakkelijk bloot staat aan kritiek. Vrij­wil­lig­ers in onze gemeen­schappen zijn bezig met concrete, praktische taken rond het kerk­ge­bouw. Veel mensen in onze Kerk zijn dus druk met allerlei dingen die ze moeten doen.

Samen Kerk: dat beeld voor ogen!

Toch is het van belang dat we op een of andere manier bij ons werken het bredere beeld van een Kerk­ge­meen­schap voor ogen houden, waarvan alle leden geroepen zijn samen met elkaar missio­nair te zijn en te proberen bij te dragen aan de verwezenlijking van dat beeld van de Kerk dat het Concilie ons heeft geschetst en dat nog steeds veel meer ingang moet krijgen in het leven van de Kerk...

Terug