Arsacal
button
button
button


Geroepen tot heiligheid

Overwegingen over de Kerk 7

overweging_bezinning - gepubliceerd: dinsdag, 18 augustus 2015
Geroepen tot heiligheid

Deze inleiding - oor­spron­ke­lijk gehouden tijdens een retraite voor priesters en diakens - gaat over de algemene roeping tot heiligheid, thema van het vijfde hoofdstuk van de dogmatische constitutie Lumen Gentium van het tweede Vaticaans concilie (n. 39-42). Het gaat over een streven naar heiligheid dat aangepast moet zijn aan onze roeping in het leven. En wat is de beekenis van de drie evangelische raden?

Aangepaste vroomheid

Op het feest van de H. Franciscus van Sales lezen we in het getijdengebed ieder jaar die mooie lezing uit de geestelijke werken van deze heilige over een vroomheid die aangepast moet zijn: de vroomheid van een Bisschop is anders dan die van een soldaat of een kluizenaar maar in al deze gevallen moet er wel degelijk vroomheid, devotie zijn, want die maakt alles mooier en stralender zoals dat gebeurt bij een knikker die in de honing wordt gedoopt. Kortom, onze vroomheid moet niet los van onze opdracht in het leven gezocht worden. Het is een belangrijk punt en ook iets waar menigeen - volgens Franciscus van Sales - de mist mee in gaat.

Je taak goed vervullen

De vroomheid moet aangepast zijn. Zo geven de constitutie en andere kerkelijke documenten als bij­voor­beeld de Codex en het Directorium voor de priesters (2013) aan dat de eerste weg naar heiligheid voor de priester is: het trouw vervullen van zijn dienstwerk.
“Clerici zijn op een bijzondere wijze gehouden om in hun levenswandel de heiligheid na te streven, omdat zij, in het ontvangen van de wijding op een nieuwe titel aan God toegewijd, de uitdelers van Gods geheimen zijn ten dienste van Zijn volk. Om deze volmaaktheid te kunnen bereiken dienen zij vooral de plichten van de pastorale bediening trouw en onvermoeibaar te vervullen” (c. 276 §§ 1-2, 1º).
Hierna gaat de tekst natuurlijk verder: het Woord van God en de Eucha­ris­tie, het getijdengebed, de retraite, de veelvuldige biecht en de verering van Maria, worden genoemd. Maar het streven naar heiligheid begint dus bij de trouwe uitoefening van het eigen dienstwerk. Ook het Concilie noemt dit aspect van de trouwe vervulling van de eigen bediening als eerste:
“Op de eerste plaats moeten de herders van de kudde van Christus, naar het voorbeeld van de eeuwige Hogepriester, de Herder en Behoeder van onze zielen, hun ambt met heiligheid en ijver, deemoed en sterkte uitoefenen. Aldus waargenomen, zal dit ambt ook voor hen een uitstekend middel tot heiliging zijn” (LG 41, 2).
Deze woorden worden in feite gericht tot de Bis­schop­pen. Het woord “pastor” (herder) wordt in de Concilieteksten bijna uitsluitend voor hen gebruikt. Het woord “pastor” wordt gebruikt voor iemand die de herder is en de leiding heeft van een geloofs­ge­meen­schap. Het kan dus ook voor een pastoor worden gebruikt, wat in het Kerkelijk Wetboek inderdaad gebeurt (c. 515 §2). Maar ook al worden de geciteerde woorden uit Lumen Gentium allereerst tot de bis­schop­pen gericht, voor de priesters geldt hetzelfde; zij “zijn naar de gelijkenis van de orde van de Bis­schop­pen aangesteld”, stelt Lumen Gentium 41, om te vervolgen: “Ook zij moeten door hun dagelijkse ambtsvervulling in liefde tot God en de naaste groeien” .

Inzet en verlangen naar stilte


Wie het getijdengebed bidt kent die homilie van paus Gregorius de Grote wel, die we op zijn gedenkdag 3 september, lezen en waarin hij zich beklaagt dat hij door zijn vele werkzaamheden en alle zaken waarmee hij zich als bestuurder moet inlaten, niet meer in staat is zijn geest voortdurend in gebed te houden en zijn tong te beteugelen, zoals hij dat eigenlijk best wel goed kon toen hij nog een monnik was. Het is een klacht die degenen die werkzaam zijn in de pastorale zorg wel kunnen herkennen. Ik heb een emeritus-pastoor wel eens horen zeggen dat één van de mooie dingen van zijn emeritaat was dat hij nu eindelijk eens wat meer tijd had om zijn brevier met aandacht te bidden. Wie zich wel eens in de stilte terug trekt, merkt dat we op dagen van een retraite of een stille dag God, ons leven en alles wat daarbij komt, anders ervaren dan in de drukte van ons dagelijks bestaan en ook dat die stilte ons goed doet, ook al kan die weleens confronterend zijn.
Maar als paus Gregorius verder gaat met zijn homilie, verandert ineens de toon als hij zich met enige pathos heeft afgevraagd wat voor een sufferd hij wel niet is dat hij nog altijd neerligt “in het dal van de zwakheid”. Het antwoord volgt dan meteen:
“De Schepper en Verlosser van de mensen is machtig. Ondanks mijn onwaardigheid kan Hij me een hoogstaand leven schenken en een werkdadig woord. Uit liefde voor Christus spaar ik me immers niet, als het erom gaat Hem te verkondigen”.
Dit is een antwoord dat voor ons allen geldt: het feit dat wij in de drukte van ons bestaan van God worden afgeleid, moeilijk tot echt bidden komen, niet een vroom en devoot leven kunnen leiden, maakt ons duidelijk dat we heiligheid en volmaaktheid niet moeten zien als het resultaat van onze prestatie. Niet voor niets is het Pelagianisme - een ketterij die de noodzaak van Gods genade ontkende - opgekomen in de sfeer van de woestijnmonniken met hun strenge ascese, hun teruggetrokkenheid en leven van gebed. Hoewel zij zeker ook hevig moesten strijden tegen allerlei bekoringen, konden zij gemakkelijker geneigd zijn de vereniging met God als het resultaat van eigen inspanning en ascese te zien en niet als een geschenk van Gods genade wat het toch op de eerste plaats is. “Wij kunnen het zelf”, dat is in feite de meest fundamentele bekoring, nauw verwant aan de bekoring die leidde tot de erfzonde, die met het leven zelf wordt meegegeven. De ervaring van de eigen onmacht, eigen kleinheid en onvolkomenheid, dat we het niet zelf kunnen, is cruciaal en fundamenteel voor iedere vorm van heiligheid en volmaaktheid. De slotwoorden van paus Gregorius geven aan: ook al wordt me duidelijk dat ik het niet zelf kan, dat ik een gebrekkige, kleine mens ben, ik geef me helemaal, mijn inzet voor Christus is er.
Daar gaat het om, niet dat wijzelf een soort kunstmatige perfectie in een eigen afgesloten luchtbel bereiken. Heiligheid en volmaaktheid zijn niet méér van toepassing in situaties waarin mensen zich van alles hebben afgesloten om in hun eigen, kleine wereldje te bidden en vroom niets verkeerds te doen. Ik herhaal nog maar een keer de woorden van paus Franciscus in de Apos­to­lische Exhortatie Evangelii Gaudium:
“Ik geef de voorkeur aan een Kerk die gebutst is, gewond en smerig omdat zij erop uit gegaan is langs de straten boven een Kerk die ziek is door haar geslotenheid en door het gemak zich vast te klampen aan de eigen zekerheden”.

Jezelf geven


De heiligheid zit dus meer in het geven van onszelf dan in het vroom bepaalde dingen doen, waarmee ik natuurlijk niet wil zeggen dat we geen vrome godsdienstige oefeningen moeten doen, maar - zoals de apostel Jakobus zegt - het geloof zonder de daad is dood (Jak. 2,26). Op zich kleine godsdienstige oefeningen zijn heel vaak een uiting van een groter verlangen: het verlangen om trouw te zijn, te dienen, zichzelf te geven. Daardoor krijgt dat kleine gebed een waarde die ver uitstijgt boven de directe betekenis ervan.
Toen de heilige paus Johannes XXIII op 28 oktober 1958 tot paus was gekozen, kwam hij heel laat in de avond naar de pauselijke vertrekken in het Apos­to­lische Paleis. Daar werden de zegels verwijderd waarmee de vertrekken waren afgesloten na de dood van paus Pius XII. Allerlei mensen gingen meteen aan de slag om kisten en meubels aan te slepen en het pauselijk verblijf weer bewoonbaar te maken. Bijna niemand had de paus in de gaten tot zijn secretaris, de enkele jaren geleden kardinaal geworden Loris Capovilla hem in een hoekje vond met zijn brevier. “Door alles wat er vandaag gebeurd is”, zei de nieuwe paus, “was ik helemaal achterop geraakt met mijn brevier”. Iets dergelijks is ook gebeurd met de heilige paus Johannes Paulus II. Toen die ontwaakte uit de narcose na de spoedoperatie die was gevolgd op de aanslag op zijn leven, was de eerste vraag die hij zijn secretaris Stanislas Dziwisz stelde: “Heb ik de completen gebeden?” Hij dacht dat het nog de avond van de aanslag was, woensdag 13 mei 1981....
Dit bidden van het brevier was in deze voorbeelden niet ingegeven door een verkeerd soort formalisme, maar door het verlangen zichzelf in trouw volledig te geven.
Niemand heeft groter liefde dan hij die zichzelf geeft.... Daarom zegt de Constitutie dat de ambtsuitoefening “met heiligheid en ijver, deemoed en sterkte” moet worden uitgeoefend (LG 41,2). In een nederige en verborgen bediening laten priesters een schitterend bewijs van heiligheid na (vgl. LG 41, 3). Door de apos­to­lische zorgen, gevaren en weder­waar­digheden zullen de priesters opstijgen tot hogere heiligheid (LG 41, 3).
De Constitutie geeft daarom voor verschillende levensstaten en categorieën van mensen aan hoe zij de heiligheid kunnen nastreven, juist door hun eigen taak, hun ambt, hun roeping goed te vervullen, vanuit de geest van het evangelie. De gehuwden streven naar de volmaaktheid door hun trouw en liefde voor elkaar en de kinderen, weduwen en ongehuwden doen dat weer op een andere manier, arbeiders vervolmaken zich door hun arbeid, de seminaristen door zich goed op hun ambtsvervulling later als priester af te stemmen (LG 41, 4-5).

Liefde, nederigheid en kracht


Daarnaast worden nog allerlei andere concrete deugden genoemd die Bis­schop­pen, priesters en diakens op bijzondere wijze moeten nastreven. Natuurlijk moeten zij zoeken te groeien in liefde tot God en de naaste (LG 41,3; 42). We hebben zojuist ook de nederigheid en de kracht genoemd als belangrijke deugden (LG 41,2). Deze drie aspecten: de liefde - die natuurlijk bovenaan staat -, de nederigheid en de kracht hebben we dikwijls in combinatie nodig. In onze tijd waarin voor allerlei wezenlijke aspecten van het katholieke geloof weinig begrip bestaat, moeten we nogal eens met kracht ergens voor uitkomen: we moeten opkomen voor de zuiverheid van de liturgie, dat bepaalde vieringen geen folkloristische feestjes worden, voor de moraal en wat al niet meer. Dit vraagt kracht en een zekere geestelijke moed. Maar we zullen de juiste toon nooit kunnen vinden als we niet tegelijkertijd de liefde en de nederigheid in ons hart bewaren. Zonder die beide deugden wordt onze strijd een machtsspel en lopen we vrijwel geen kans dat onze bedoelingen goed worden verstaan. De priester of diaken zegt het moeilijke wat hij moet zeggen en wat hij aan de Heer en Zijn Kerk verplicht is, niet vanuit een emotie, een kwaadheid, een irritatie, machtsdenken of wat dan ook. Hij moet het zeggen uit liefde voor God en de naaste, als een dienst - hoe krachtig hij wellicht ook zal moeten vasthouden - en niet heerszuchtig.

Communio

Daarnaast noemt de Constitutie het bewaren van de band van priesterlijke ‘communio’, het gebed en offer voor hun gelovigen en voor heel de Kerk, dat we in praktijk brengen wat we prediken. Aan de diocesane priesters houdt de Constitutie voor te gedenken hoezeer de getrouwe band en edelmoedige samen­wer­king met de Bisschop bijdraagt tot hun heiliging. Het gaat hier om belangrijke dingen: de gemeen­schap van de priesters en diakens onder elkaar en met de Bisschop. De priesters hebben geen gezin achter zich staan, zij hebben hun leven aan God gegeven en de Kerk als gezin gekozen; daarom is het voor hen des te belangrijker dat er structuren zijn waardoor de betrokkenheid gestalte krijgt: kransen, de zorg van de deken, de Bisschop(pen) of vicaris(sen). Wij priesters moeten proberen elkaar een beetje in de gaten te houden, te zorgen dat niemand verloren loopt. Het is belangrijk het door te geven wanneer iemand ziek is of met een probleem zit. Het gebeurt heel vaak dat iemand zich in de steek gelaten voelt. Wij priesters hebben dat misschien wel tegenover de deken, de Bisschop of het bisdom, dat we eigenlijk vinden dat we weinig aandacht en zorg hebben gekregen, tegelijkertijd kunnen we ook niet uitsluiten dat mensen in onze parochie datzelfde gevoel tegenover ons hebben. Ook zorg en aandacht moeten vaak gestructureerd, georga­ni­seerd worden, omdat anders mensen of wijzelf gauw tussen wal en schip vallen. We zijn allemaal gebrekkige mensen, met onze grenzen, met onze lacunes, onze onmacht. Het is niet erg om dat toe te geven als we in aandacht en liefde tekort geschoten zijn. We maken nu eenmaal fouten. Natuurlijk is ook weleens de vraag of een situatie die zorg en aandacht behoeft, duidelijk genoeg is gesignaleerd. Als we zelf op dit vlak een fout die we hebben gemaakt gaan verdedigen, maken we het probleem groter. We hoeven onszelf maar voor te stellen hoe dat werkt: als wij bij­voor­beeld de ervaring hebben dat het bisdom tegenover ons is tekort geschoten en de reactie is alleen dat dit wordt weggepraat en niet wordt erkend, dan voelen we ons alleen maar ellendiger en bozer.
Dat alles geldt natuurlijk meestal evenzeer voor de diakens, van wie door de Constitutie gezegd wordt dat zij zich van alle ondeugden verre moeten houden, dat zij God moeten behagen en in alles moeten voorzien wat voor de mensen heilzaam is (LG 41, 4).

Evangelische raden

Het concilie stelt tenslotte de evangelische raden voor als algemene weg naar heiligheid. Natuurlijk wordt hier nader op in gegaan in het zesde hoofdstuk van de Constitutie dat over de religieuzen gaat, maar ook in het hoofdstuk over de algemene roeping tot heiligheid worden de evangelische raden aan de orde gesteld, in nummer 42, 2-4. Het concilie spreekt er zijn vreugde over uit dat zo velen de weg van volmaakte onthouding, armoede en gehoorzaamheid kiezen om Jezus van meer nabij te volgen. Deze drie raden behoren op een bijzondere wijze ook tot onze levensweg. Dat geldt zowel voor de diakens als de priesters.

Celibaat

Van deze drie raden, krijgt het celibaat van de geestelijke zeker de meeste aandacht. Ook de permanent diaken legt in zekere zin een voorwaardelijke belofte van celibaat af aangezien hij niet opnieuw mag trouwen als zijn echtgenote overleden is. Alleen in uitzonderlijke gevallen - als de gezinssituatie een nieuwe echtgenote nodig maakt en het diaconaal dienstwerk van deze diaken noodzakelijk is - wordt daarop soms een uitzondering gemaakt.
De wederkomst van Jezus wordt in het Nieuwe Testament vooral geschetst met het beeld van een bruiloftsfeest. Jezus is de bruidegom, de bruid is het nieuwe Israël. Vanuit deze gedachte is begrijpelijk waarom Jezus ongehuwd was. In dit beeld van bruidegom en bruid, wordt in feite de metafoor van het huwelijk tussen God en Israël uit het Oude Testament weer opgenomen.
Het hart van het celibaat is: uit liefde afzien van liefde. Liefde is in de bijbel niet iets emotioneels of in­di­vi­dueel-psychologisch maar een delen met anderen; deze liefde kan daarom ook wel door het woord vriend­schap worden omschreven. De Kerk is de gemeen­schap waar men zich blijvend met elkaar verbindt en waarmee de priester zich verbindt als een andere Christus, de bruidegom. Het sociale aspect van ons handelen is zichtbaar doorgegeven liefde Gods. Het celibaat is een uitdrukking van volledigheid en radicaliteit: het is een aan God toebehoren niet alleen met het hart maar ook met het lichaam (vgl. 1 Kor. 7). De geestelijke - de priester, de diaken - behoort zo totaal aan God als echtgenoten elkaar toebehoren. Allerlei roepingen vragen om liefde. Iedereen moet zijn roeping met liefde vervullen. Maar voor de priester is die roeping Christus, in dienst aan de Vader, de Schepper. Voor Paulus is het daarom een volkomen logische consequentie dat de liefde voor Hem alles overvleugelt. Celibaat is “grotere liefde” die de vrijheid geeft alles op één kaart te zetten, niet een verachting van menselijke liefde en seksua­li­teit. De Constitutie over de Kerk spreekt in dit verband over “volmaakte onthouding omwille van het rijk der hemelen”.

Gehoorzaamheid en armoede


Hoewel het celibaat altijd de meeste aandacht krijgt van de evangelische raden, zeker als het over het leven van een diocesane priester of diaken gaat, kunnen ook de beide andere evangelische raden niet ontbreken. Niet alleen het celibaat wordt uitdrukkelijk aanvaard bij de diaken­wijding, ook de gehoorzaamheid aan de Bisschop. Ik weet niet wat moeilijker in praktijk is te brengen: het celibaat of de gehoorzaamheid, die voor een diocesane priester een be­schik­baarheid is voor een zending die de Bisschop hem toevertrouwt en een band van loyaliteit en verbondenheid, met een bereidheid en een verlangen om de priesterlijke zending in eenheid met de Bisschop te vervullen. De Constitutie vermeldt de gehoorzaamheid - zoals reeds is aangegeven - niet alleen waar het over de religieuzen gaat, maar ook in het algemene gedeelte over de heiligheid (hoofdstuk V), met woorden die bijzonder aan de gewijde bedienaren doen denken: zij onderwerpen zich aan een mens om aan de gehoorzame Christus vollediger gelijkvormig te worden.

De armoede hoort eveneens op een of andere wijze thuis in het leven van een diocesane priester. Lumen Gentium zegt daarover dat de gelovigen zich de armoede zo eigen moeten maken dat zij zich bij het nastreven van de volmaakte liefde niet laten tegenhouden door het gebruik van de aardse goederen en de gehechtheid aan de rijkdom tegen de geest van de evangelische armoede in (LG 42, 5). En we moeten ons natuurlijk ook bedenken dat we als priesters en diakens een voorbeeld moeten geven van een eenvoudige levensstijl. Als mensen naar hun priesters en diakens zien, moeten ze de levensstijl van Jezus Christus kunnen herkennen. Van priesters mogen zij verwachten dat die de maagdelijkheid en de armoede van Christus van meer nabij navolgen (vgl. LG 50,1). Het gaat dus om een zekere eenvoud van leven, een eenvoudige manier van omgaan met de mensen en een leven waarin materie een volstrekt ondergeschikte rol speelt. Paus Franciscus wijst ons hierop door zijn voorbeeld.

Terug