Arsacal
button
button
button
button


Geroepen tot heiligheid

Overwegingen over de Kerk 7

Overweging Bezinning - gepubliceerd: dinsdag, 18 augustus 2015 - 2967 woorden
Geroepen tot heiligheid

Deze inlei­ding - oor­spron­ke­lijk gehou­den tij­dens een retraite voor pries­ters en diakens - gaat over de algemene roe­ping tot hei­lig­heid, thema van het vijfde hoofd­stuk van de dog­ma­tische con­sti­tu­tie Lumen Gentium van het tweede Vati­caans concilie (n. 39-42). Het gaat over een streven naar hei­lig­heid dat aangepast moet zijn aan onze roe­ping in het leven. En wat is de beekenis van de drie evan­ge­lische raden?

Aangepaste vroom­heid

Op het feest van de H. Fran­cis­cus van Sales lezen we in het getij­den­ge­bed ieder jaar die mooie lezing uit de gees­te­lij­ke werken van deze heilige over een vroom­heid die aangepast moet zijn: de vroom­heid van een Bis­schop is anders dan die van een soldaat of een kluize­naar maar in al deze gevallen moet er wel dege­lijk vroom­heid, devotie zijn, want die maakt alles mooier en stralender zoals dat gebeurt bij een knikker die in de honing wordt gedoopt. Kortom, onze vroom­heid moet niet los van onze opdracht in het leven gezocht wor­den. Het is een be­lang­rijk punt en ook iets waar menigeen - volgens Fran­cis­cus van Sales - de mist mee in gaat.

Je taak goed vervullen

De vroom­heid moet aangepast zijn. Zo geven de con­sti­tu­tie en andere ker­ke­lijke do­cu­menten als bij­voor­beeld de Codex en het Di­rec­to­rium voor de pries­ters (2013) aan dat de eerste weg naar hei­lig­heid voor de pries­ter is: het trouw vervullen van zijn dienst­werk.
“Clerici zijn op een bij­zon­dere wijze gehou­den om in hun levenswandel de hei­lig­heid na te streven, omdat zij, in het ont­van­gen van de wij­ding op een nieuwe titel aan God toegewijd, de uitdelers van Gods geheimen zijn ten dienste van Zijn volk. Om deze volmaakt­heid te kunnen bereiken dienen zij vooral de plichten van de pas­to­rale bedie­ning trouw en on­ver­moei­baar te vervullen” (c. 276 §§ 1-2, 1º).
Hierna gaat de tekst na­tuur­lijk verder: het Woord van God en de Eucha­ris­tie, het getij­den­ge­bed, de retraite, de veel­vul­dige biecht en de vere­ring van Maria, wor­den genoemd. Maar het streven naar hei­lig­heid begint dus bij de trouwe uit­oefe­ning van het eigen dienst­werk. Ook het Concilie noemt dit aspect van de trouwe vervulling van de eigen bedie­ning als eerste:
“Op de eerste plaats moeten de herders van de kudde van Christus, naar het voor­beeld van de eeuwige Hoge­pries­ter, de Herder en Behoeder van onze zielen, hun ambt met hei­lig­heid en ijver, deemoed en sterkte uit­oefe­nen. Aldus waar­ge­no­men, zal dit ambt ook voor hen een uits­te­kend middel tot heili­ging zijn” (LG 41, 2).
Deze woor­den wor­den in feite gericht tot de Bis­schop­pen. Het woord “pastor” (herder) wordt in de Concilie­tek­sten bijna uit­slui­tend voor hen gebruikt. Het woord “pastor” wordt gebruikt voor iemand die de herder is en de lei­ding heeft van een geloofs­ge­meen­schap. Het kan dus ook voor een pastoor wor­den gebruikt, wat in het Ker­ke­lijk Wetboek inder­daad gebeurt (c. 515 §2). Maar ook al wor­den de geci­teerde woor­den uit Lumen Gentium aller­eerst tot de bis­schop­pen gericht, voor de pries­ters geldt het­zelfde; zij “zijn naar de gelijkenis van de orde van de Bis­schop­pen aan­ge­steld”, stelt Lumen Gentium 41, om te ver­volgen: “Ook zij moeten door hun dage­lijkse ambts­ver­vul­ling in liefde tot God en de naaste groeien” .

Inzet en verlangen naar stilte


Wie het getij­den­ge­bed bidt kent die homilie van paus Gregorius de Grote wel, die we op zijn gedenk­dag 3 sep­tem­ber, lezen en waarin hij zich beklaagt dat hij door zijn vele werk­zaam­he­den en alle zaken waar­mee hij zich als be­stuur­der moet inlaten, niet meer in staat is zijn geest voort­du­rend in gebed te hou­den en zijn tong te beteugelen, zoals hij dat eigen­lijk best wel goed kon toen hij nog een monnik was. Het is een klacht die degenen die werk­zaam zijn in de pas­to­rale zorg wel kunnen herkennen. Ik heb een emeritus-pastoor wel eens horen zeggen dat één van de mooie dingen van zijn emeritaat was dat hij nu ein­de­lijk eens wat meer tijd had om zijn brevier met aan­dacht te bid­den. Wie zich wel eens in de stilte terug trekt, merkt dat we op dagen van een retraite of een stille dag God, ons leven en alles wat daarbij komt, anders ervaren dan in de drukte van ons dage­lijks bestaan en ook dat die stilte ons goed doet, ook al kan die weleens con­fron­terend zijn.
Maar als paus Gregorius verder gaat met zijn homilie, verandert ineens de toon als hij zich met enige pathos heeft afge­vraagd wat voor een sufferd hij wel niet is dat hij nog altijd neerligt “in het dal van de zwak­heid”. Het ant­woord volgt dan meteen:
“De Schepper en Ver­los­ser van de mensen is mach­tig. Ondanks mijn onwaar­dig­heid kan Hij me een hoogstaand leven schenken en een werk­da­dig woord. Uit liefde voor Christus spaar ik me immers niet, als het erom gaat Hem te ver­kon­di­gen”.
Dit is een ant­woord dat voor ons allen geldt: het feit dat wij in de drukte van ons bestaan van God wor­den afgeleid, moei­lijk tot echt bid­den komen, niet een vroom en devoot leven kunnen lei­den, maakt ons dui­de­lijk dat we hei­lig­heid en volmaakt­heid niet moeten zien als het re­sul­taat van onze pres­ta­tie. Niet voor niets is het Pelagianisme - een ketterij die de nood­zaak van Gods genade ontkende - op­ge­ko­men in de sfeer van de woes­tijnmonniken met hun strenge ascese, hun terugge­trok­ken­heid en leven van gebed. Hoewel zij zeker ook hevig moesten strij­den tegen allerlei beko­ringen, kon­den zij ge­mak­ke­lijker geneigd zijn de vereni­ging met God als het re­sul­taat van eigen in­span­ning en ascese te zien en niet als een geschenk van Gods genade wat het toch op de eerste plaats is. “Wij kunnen het zelf”, dat is in feite de meest fun­da­men­tele beko­ring, nauw verwant aan de beko­ring die leidde tot de erfzonde, die met het leven zelf wordt meege­ge­ven. De erva­ring van de eigen onmacht, eigen klein­heid en onvol­ko­men­heid, dat we het niet zelf kunnen, is cruciaal en fun­da­men­teel voor iedere vorm van hei­lig­heid en volmaakt­heid. De slotwoor­den van paus Gregorius geven aan: ook al wordt me dui­de­lijk dat ik het niet zelf kan, dat ik een gebrekkige, kleine mens ben, ik geef me helemaal, mijn inzet voor Christus is er.
Daar gaat het om, niet dat wij­zelf een soort kunst­ma­tige perfectie in een eigen afgesloten luchtbel bereiken. Hei­lig­heid en volmaakt­heid zijn niet méér van toepas­sing in situaties waarin mensen zich van alles hebben afgesloten om in hun eigen, kleine wereldje te bid­den en vroom niets ver­keerds te doen. Ik herhaal nog maar een keer de woor­den van paus Fran­cis­cus in de Apos­to­lische Exhor­ta­tie Evangelii Gaudium:
“Ik geef de voor­keur aan een Kerk die gebutst is, gewond en smerig omdat zij erop uit gegaan is langs de straten boven een Kerk die ziek is door haar gesloten­heid en door het gemak zich vast te klampen aan de eigen zeker­he­den”.

Jezelf geven


De hei­lig­heid zit dus meer in het geven van ons­zelf dan in het vroom bepaalde dingen doen, waar­mee ik na­tuur­lijk niet wil zeggen dat we geen vrome gods­diens­tige oefe­ningen moeten doen, maar - zoals de apostel Jakobus zegt - het geloof zonder de daad is dood (Jak. 2,26). Op zich kleine gods­diens­tige oefe­ningen zijn heel vaak een uiting van een groter verlangen: het verlangen om trouw te zijn, te dienen, zich­zelf te geven. Daardoor krijgt dat kleine gebed een waarde die ver uitstijgt boven de directe bete­ke­nis ervan.
Toen de heilige paus Johannes XXIII op 28 ok­to­ber 1958 tot paus was gekozen, kwam hij heel laat in de avond naar de pau­se­lijke ver­trek­ken in het Apos­to­lische Paleis. Daar wer­den de zegels verwijderd waar­mee de ver­trek­ken waren afgesloten na de dood van paus Pius XII. Allerlei mensen gingen meteen aan de slag om kisten en meubels aan te slepen en het pau­se­lijk verblijf weer bewoon­baar te maken. Bijna niemand had de paus in de gaten tot zijn se­cre­ta­ris, de enkele jaren gele­den kar­di­naal gewor­den Loris Capovilla hem in een hoekje vond met zijn brevier. “Door alles wat er vandaag gebeurd is”, zei de nieuwe paus, “was ik helemaal achterop geraakt met mijn brevier”. Iets derge­lijks is ook gebeurd met de heilige paus Johannes Paulus II. Toen die ontwaakte uit de narcose na de spoedoperatie die was gevolgd op de aan­slag op zijn leven, was de eerste vraag die hij zijn se­cre­ta­ris Stanislas Dziwisz stelde: “Heb ik de completen gebe­den?” Hij dacht dat het nog de avond van de aan­slag was, woens­dag 13 mei 1981....
Dit bid­den van het brevier was in deze voor­beel­den niet inge­ge­ven door een ver­keerd soort formalisme, maar door het verlangen zich­zelf in trouw volle­dig te geven.
Niemand heeft groter liefde dan hij die zich­zelf geeft.... Daarom zegt de Con­sti­tu­tie dat de ambtsuit­oefe­ning “met hei­lig­heid en ijver, deemoed en sterkte” moet wor­den uit­geoe­fend (LG 41,2). In een nederige en verborgen bedie­ning laten pries­ters een schit­te­rend bewijs van hei­lig­heid na (vgl. LG 41, 3). Door de apos­to­lische zorgen, gevaren en weder­waar­dig­he­den zullen de pries­ters opstijgen tot hogere hei­lig­heid (LG 41, 3).
De Con­sti­tu­tie geeft daarom voor ver­schil­lende levensstaten en cate­go­rieën van mensen aan hoe zij de hei­lig­heid kunnen nastreven, juist door hun eigen taak, hun ambt, hun roe­ping goed te vervullen, vanuit de geest van het evan­ge­lie. De gehuw­den streven naar de volmaakt­heid door hun trouw en liefde voor elkaar en de kin­de­ren, weduwen en ongehuw­den doen dat weer op een andere manier, arbeiders ver­volmaken zich door hun arbeid, de se­mi­na­risten door zich goed op hun ambts­ver­vul­ling later als pries­ter af te stemmen (LG 41, 4-5).

Liefde, nede­rig­heid en kracht


Daar­naast wor­den nog allerlei andere concrete deug­den genoemd die Bis­schop­pen, pries­ters en diakens op bij­zon­dere wijze moeten nastreven. Na­tuur­lijk moeten zij zoeken te groeien in liefde tot God en de naaste (LG 41,3; 42). We hebben zojuist ook de nede­rig­heid en de kracht genoemd als be­lang­rijke deug­den (LG 41,2). Deze drie aspecten: de liefde - die na­tuur­lijk bovenaan staat -, de nede­rig­heid en de kracht hebben we dikwijls in combinatie nodig. In onze tijd waarin voor allerlei wezen­lijke aspecten van het katho­lie­ke geloof weinig begrip bestaat, moeten we nogal eens met kracht ergens voor uit­ko­men: we moeten opkomen voor de zuiver­heid van de liturgie, dat bepaalde vie­rin­gen geen folkloris­tische feestjes wor­den, voor de moraal en wat al niet meer. Dit vraagt kracht en een zekere gees­te­lij­ke moed. Maar we zullen de juiste toon nooit kunnen vin­den als we niet tege­lijker­tijd de liefde en de nede­rig­heid in ons hart bewaren. Zonder die beide deug­den wordt onze strijd een machtsspel en lopen we vrijwel geen kans dat onze be­doe­lin­gen goed wor­den verstaan. De pries­ter of diaken zegt het moei­lijke wat hij moet zeggen en wat hij aan de Heer en Zijn Kerk verplicht is, niet vanuit een emotie, een kwaad­heid, een irri­ta­tie, machts­denken of wat dan ook. Hij moet het zeggen uit liefde voor God en de naaste, als een dienst - hoe krach­tig hij wellicht ook zal moeten vast­hou­den - en niet heers­zuch­tig.

Communio

Daar­naast noemt de Con­sti­tu­tie het bewaren van de band van pries­ter­lijke ‘communio’, het gebed en offer voor hun gelo­vi­gen en voor heel de Kerk, dat we in praktijk brengen wat we prediken. Aan de dio­ce­sane pries­ters houdt de Con­sti­tu­tie voor te gedenken hoe­zeer de getrouwe band en edel­moe­dige samen­wer­king met de Bis­schop bijdraagt tot hun heili­ging. Het gaat hier om be­lang­rijke dingen: de ge­meen­schap van de pries­ters en diakens onder elkaar en met de Bis­schop. De pries­ters hebben geen gezin achter zich staan, zij hebben hun leven aan God gegeven en de Kerk als gezin gekozen; daarom is het voor hen des te be­lang­rijker dat er struc­tu­ren zijn waardoor de be­trok­ken­heid gestalte krijgt: kransen, de zorg van de deken, de Bis­schop(pen) of vica­ris(sen). Wij pries­ters moeten proberen elkaar een beetje in de gaten te hou­den, te zorgen dat niemand verloren loopt. Het is be­lang­rijk het door te geven wanneer iemand ziek is of met een probleem zit. Het gebeurt heel vaak dat iemand zich in de steek gelaten voelt. Wij pries­ters hebben dat mis­schien wel tegen­over de deken, de Bis­schop of het bisdom, dat we eigen­lijk vin­den dat we weinig aan­dacht en zorg hebben gekregen, tege­lijker­tijd kunnen we ook niet uitsluiten dat mensen in onze pa­ro­chie dat­zelfde gevoel tegen­over ons hebben. Ook zorg en aan­dacht moeten vaak ges­truc­tu­reerd, geor­ga­ni­seerd wor­den, omdat anders mensen of wij­zelf gauw tussen wal en schip vallen. We zijn allemaal gebrekkige mensen, met onze grenzen, met onze lacunes, onze onmacht. Het is niet erg om dat toe te geven als we in aan­dacht en liefde tekort geschoten zijn. We maken nu eenmaal fouten. Na­tuur­lijk is ook weleens de vraag of een situatie die zorg en aan­dacht behoeft, dui­de­lijk genoeg is ge­sig­na­leerd. Als we zelf op dit vlak een fout die we hebben gemaakt gaan verde­digen, maken we het probleem groter. We hoeven ons­zelf maar voor te stellen hoe dat werkt: als wij bij­voor­beeld de erva­ring hebben dat het bisdom tegen­over ons is tekort geschoten en de reactie is alleen dat dit wordt wegge­praat en niet wordt erkend, dan voelen we ons alleen maar ellen­diger en bozer.
Dat alles geldt na­tuur­lijk meestal even­zeer voor de diakens, van wie door de Con­sti­tu­tie gezegd wordt dat zij zich van alle ondeug­den verre moeten hou­den, dat zij God moeten behagen en in alles moeten voor­zien wat voor de mensen heil­zaam is (LG 41, 4).

Evan­ge­lische raden

Het concilie stelt tenslotte de evan­ge­lische raden voor als algemene weg naar hei­lig­heid. Na­tuur­lijk wordt hier nader op in gegaan in het zesde hoofd­stuk van de Con­sti­tu­tie dat over de reli­gi­euzen gaat, maar ook in het hoofd­stuk over de algemene roe­ping tot hei­lig­heid wor­den de evan­ge­lische raden aan de orde gesteld, in nummer 42, 2-4. Het concilie spreekt er zijn vreugde over uit dat zo velen de weg van volmaakte ont­hou­ding, armoede en ge­hoor­zaam­heid kiezen om Jezus van meer nabij te volgen. Deze drie raden behoren op een bij­zon­dere wijze ook tot onze levensweg. Dat geldt zowel voor de diakens als de pries­ters.

Celi­baat

Van deze drie raden, krijgt het celi­baat van de gees­te­lij­ke zeker de meeste aan­dacht. Ook de per­ma­nent diaken legt in zekere zin een voor­waar­de­lijke belofte van celi­baat af aangezien hij niet opnieuw mag trouwen als zijn echt­ge­note overle­den is. Alleen in uitzon­der­lijke gevallen - als de gezins­si­tua­tie een nieuwe echt­ge­note nodig maakt en het diaco­naal dienst­werk van deze diaken nood­za­ke­lijk is - wordt daarop soms een uit­zon­de­ring gemaakt.
De weder­komst van Jezus wordt in het Nieuwe Testa­ment vooral geschetst met het beeld van een bruilofts­feest. Jezus is de bruidegom, de bruid is het nieuwe Israël. Vanuit deze gedachte is be­grij­pe­lijk waarom Jezus ongehuwd was. In dit beeld van bruidegom en bruid, wordt in feite de metafoor van het huwe­lijk tussen God en Israël uit het Oude Testa­ment weer opgeno­men.
Het hart van het celi­baat is: uit liefde afzien van liefde. Liefde is in de bijbel niet iets emo­tio­neels of in­di­vi­dueel-psycho­lo­gisch maar een delen met anderen; deze liefde kan daarom ook wel door het woord vriend­schap wor­den om­schre­ven. De Kerk is de ge­meen­schap waar men zich blijvend met elkaar verbindt en waar­mee de pries­ter zich verbindt als een andere Christus, de bruidegom. Het sociale aspect van ons han­de­len is zicht­baar doorge­ge­ven liefde Gods. Het celi­baat is een uitdruk­king van volle­dig­heid en radicali­teit: het is een aan God toebe­ho­ren niet alleen met het hart maar ook met het lichaam (vgl. 1 Kor. 7). De gees­te­lij­ke - de pries­ter, de diaken - behoort zo totaal aan God als echt­ge­noten elkaar toebe­ho­ren. Allerlei roe­pingen vragen om liefde. Ie­der­een moet zijn roe­ping met liefde vervullen. Maar voor de pries­ter is die roe­ping Christus, in dienst aan de Vader, de Schepper. Voor Paulus is het daarom een vol­ko­men logische con­se­quentie dat de liefde voor Hem alles overvleugelt. Celi­baat is “grotere liefde” die de vrij­heid geeft alles op één kaart te zetten, niet een verach­ting van men­se­lijke liefde en seksua­li­teit. De Con­sti­tu­tie over de Kerk spreekt in dit ver­band over “volmaakte ont­hou­ding omwille van het rijk der hemelen”.

Ge­hoor­zaam­heid en armoede


Hoewel het celi­baat altijd de meeste aan­dacht krijgt van de evan­ge­lische raden, zeker als het over het leven van een dio­ce­sane pries­ter of diaken gaat, kunnen ook de beide andere evan­ge­lische raden niet ont­bre­ken. Niet alleen het celi­baat wordt uit­druk­ke­lijk aanvaard bij de diaken­wij­ding, ook de ge­hoor­zaam­heid aan de Bis­schop. Ik weet niet wat moei­lijker in praktijk is te brengen: het celi­baat of de ge­hoor­zaam­heid, die voor een dio­ce­sane pries­ter een beschik­baar­heid is voor een zen­ding die de Bis­schop hem toever­trouwt en een band van loyali­teit en ver­bon­den­heid, met een bereid­heid en een verlangen om de pries­ter­lijke zen­ding in een­heid met de Bis­schop te vervullen. De Con­sti­tu­tie vermeldt de ge­hoor­zaam­heid - zoals reeds is aange­ge­ven - niet alleen waar het over de reli­gi­euzen gaat, maar ook in het algemene gedeelte over de hei­lig­heid (hoofd­stuk V), met woor­den die bij­zon­der aan de gewijde be­die­naren doen denken: zij on­der­wer­pen zich aan een mens om aan de gehoorzame Christus volle­diger gelijk­vormig te wor­den.

De armoede hoort even­eens op een of andere wijze thuis in het leven van een dio­ce­sane pries­ter. Lumen Gentium zegt daarover dat de gelo­vi­gen zich de armoede zo eigen moeten maken dat zij zich bij het nastreven van de volmaakte liefde niet laten tegen­hou­den door het gebruik van de aardse goe­de­ren en de gehecht­heid aan de rijkdom tegen de geest van de evan­ge­lische armoede in (LG 42, 5). En we moeten ons na­tuur­lijk ook bedenken dat we als pries­ters en diakens een voor­beeld moeten geven van een een­vou­dige levens­stijl. Als mensen naar hun pries­ters en diakens zien, moeten ze de levens­stijl van Jezus Christus kunnen herkennen. Van pries­ters mogen zij ver­wach­ten dat die de maag­de­lijk­heid en de armoede van Christus van meer nabij navolgen (vgl. LG 50,1). Het gaat dus om een zekere eenvoud van leven, een een­vou­dige manier van omgaan met de mensen en een leven waarin materie een volstrekt onder­ge­schikte rol speelt. Paus Fran­cis­cus wijst ons hierop door zijn voor­beeld.

Terug