Arsacal
button
button
button
button


Hoe kun je God vinden?

Openbaring van de Heer (Driekoningen)

Overweging Preek - gepubliceerd: zaterdag, 2 januari 2016 - 1092 woorden
Aanbidding door de wijzen (Noordbrabants museum)
Aanbidding door de wijzen (Noordbrabants museum)
Kerstgroep in kathedraal van Cordoba
Kerstgroep in kathedraal van Cordoba

Op het Hoog­feest van de Open­ba­ring van de Heer (Epifanie), meestal Drie­ko­nin­gen genoemd, staan we stil bij de wijzen uit het Oosten die op weg gingen om de pas­ge­bo­ren Koning te zoeken. Caspar, Melchior en Balthasar, heten deze wijzen volgens de traditie en hun namen ver­wij­zen tege­lijk naar de huis­ze­gen, die in veel kerken op deze zon­dag wordt gegeven (Christus Mansionem Benedicat, Christus zegene dit huis) en naar de drie mysteries die wor­den her­dacht in deze periode: Cana (het eerste wonder van Christus), Magi (de wijzen uit het oosten), Baptismum (het doopsel van de Heer).

Homilie

Hoe kun je God vin­den?

Hoe kun je God vin­den?
Eigen­lijk stel ik deze vraag al niet helemaal goed.
Wij kunnen God niet vin­den.
Wij kunnen God wel zoeken.
Maar Hem vin­den dat doen wij niet­zelf.
Hij komt dan naar ons toe.
Hij laat zich vin­den.

Hoe kunnen we dan God zoeken
zodat Hij zich vin­den laat?

Waar is Hij nu?

Het is een vraag die ons allemaal aangaat.
Soms kun je bij­voor­beeld niet goed bid­den;
het lijkt of je tegen een muur oploopt,
het blijft donker en duister.
Soms heb je dui­de­lijk het gevoel
dat je door God in de steek gelaten wordt:
waar is Hij nu, vraag je je af.
En er zijn zoveel mensen
die niet door de gods­dienst wor­den aangeraakt:
het laat hen koud en on­ver­schil­lig.
Houdt Onze Lieve Heer dan niet van die mensen?

Daar staan na­tuur­lijk ook andere erva­ringen tegen­over:
iemand's bid­den wordt verhoord,
iemand krijgt kracht om een kruis te dragen,
iemand ervaart dat God dicht bij haar of hem is,
enzo­voorts.

Een ster

Over de mens die God zoekt,
gaat heel let­ter­lijk het evan­ge­lie van vandaag
over de wijzen uit het oosten,
door ons voor­ge­steld als de drie koningen bij de kribbe.
Zij zijn op weg gegaan
om de pas­ge­bo­ren koning te zoeken,
een god­de­lijk Kind, waarvoor zij zullen neer­knie­len.
Zij hebben een bij­zon­dere ster in het oosten gezien,
volgens hun kennis en weten­schap
het teken dat dit Kind was geboren.

Op zoek gaan

En na het zien van de ster
zijn zij op weg gegaan om het god­de­lijk Kind te zoeken.
Dat is wel het eerste wat een mens moet doen
als Hij God wil vin­den:
op weg gaan, op zoek gaan:
alleen wie zoekt, die vindt.
Als je niet geïn­te­res­seerd zou zijn
in iets meer, in hetgeen een beetje dieper gaat,
dan zul je God niet vin­den,
daar ontbreekt het verlangen van het mensenhart.
Dus die wijzen gingen op weg.
Daarbij volg­den zij die ster.
Het was dus nacht om hen heen als zij reis­den.
Zij kon­den weinig zien als zij op tocht waren.
Alles was donker.
Ze had­den eigen­lijk maar één licht­puntje: die ster!
Het donker van de nacht is niet pret­tig:
gevaren van wilde dieren, van rovers,
het ongemak dat ze niet kon­den slapen
en zo verder.
Willen ze de reis kunnen vol­bren­gen,
dan moeten ze zich dus helemaal
op dat licht­puntje, op die ster concentreren
en niet op alle duisternis om hen heen.
Ze moeten zich wel op het doel concentreren,
willen ze de reis kunnen vol­hou­den.

Is dat ook niet iets voor ons:
in het duister moet je je op de licht­puntjes concentreren
en niet op de duisternis.
De duisternis verlamt,
maar de licht­puntjes geven kracht
om verder te gaan.

God heeft ons geen ge­mak­ke­lijke reis beloofd,
maar wel een behou­den aan­komst.

De wijzen gaan dus in
op de lei­ding die God aan hen geeft.
En juist als het nacht was,
zagen die wijzen toch weer die ster.

De weg vragen

Tenslotte verdwijnt die ster uit het gezicht.
Ze zien het niet meer
en ze weten niet meer in welke rich­ting ze moeten gaan.
Zelfs de licht­puntjes zijn verdwenen!
Toch geven de wijzen het niet op:
ze gaan zoeken
en navraag doen;
ze zoeken hulp en steun bij anderen.
En bij Herodes in het paleis
weten de pries­ters en de schrift­ge­leer­den te ver­tellen
waar het kind geboren moest wor­den.
En dan gaan ze weer op weg
en tenslotte schijnt de ster opnieuw voor hen
en leidt hen naar het Kind van Betlehem.

Dat is wat wij ook kunnen doen
als we het niet meer zien:
wie kan er helpen
zodat ik mijn weg kan ver­volgen,
de weg waarlangs de hemel mij leidt,
die ik moet gaan?
Hoe vindt ik mijn leidraad terug
om mijn zoek­tocht naar God te kunnen her­vat­ten?
Zoeken naar uitleg, begrip,
naar steun en rich­ting.

En dan komen ze tenslotte aan bij het Kind van Betlehem.
Waar­schijn­lijk waren Maria en Jozef en het Kind
toen al niet meer in de stal.
Het evan­ge­lie heeft het tenminste over een huis.
Ze hebben de plaats gevon­den!

Eenvoud

Als we naar de stal kijken
zien we dat daar verder alleen maar heel gewone mensen zijn:
herders, schaapjes, een os en een ezel
en ook Maria en Jozef zijn maar gewone mensen,
die bij de opdracht van Jezus in de tempel,
twee duifjes, het offer van de armen, had­den gebracht.
Alleen een­vou­dig mensen vin­den de weg naar een stal.
Je moet kunnen bukken om in die plaats voor dieren
binnen te gaan.

De wijzen uit het oosten
moeten rijk geweest zijn.
Zij brengen tenminste vorste­lijke geschenken met zich mee:
goud, wierook en mirre!
Gelukkig maar voor ons
dat ook de rijken bij het Kind kunnen komen
en God kunnen vin­den.
Anders zag het er slecht voor ons uit!
Die wijzen zijn echter een­vou­dig mensen.
Dat zien we aan drie dingen:
Ze zijn ten zeerste verheugd
als zij de ster zien.
Vreugde, dank­ba­re vreugde
om iets wat je krijgt
is het kenmerk van een een­vou­dig mens.
Het is een teken
dat je de dingen weet te waar­de­ren.
Ver­vol­gens schrokken de wijzen niet terug,
toen zij het arme Kind en zijn moeder zagen.
Zij geloof­den dat God zich
in de situatie van een arm en een­vou­dig mensen­kind
aan onze wereld zou kunnen tonen.
En tenslotte knielen zij neer
en betuigen het Kind hun hulde.
Zij zijn niet te groot en te be­lang­rijk,
niet te hoogge­plaatst
om voor dit een­vou­dige Kind
diep te buigen.

Het zijn een­vou­dige mensen,
open van hart
die God kunnen vin­den.
"Als je niet wordt als kin­de­ren"
zal Jezus er later zelf van zeggen,
"kun je de hemel niet binnen­gaan".
Als je jezelf iets ver­beeldt,
kun je God niet vin­den.

Hoe kunnen we God zoeken en vin­den?

Hoe kunnen we God zoeken,
zodat Hij zich vin­den laat?
De wijzen deden het zo:
zij gingen Hem zoeken,
zij volg­den hun ster, dat licht­puntje,
standvas­tig;
toen zij het niet meer zagen,
vroegen zij raad en hulp;
in feite waren ze er toen al vlak bij!
En toen ze aankwamen,
waren ze zelf een­vou­dig genoeg,
kind genoeg,
om God in dit kind te herkennen.
AMEN.

Terug