Arsacal
button
button
button
button


Je mag er zijn...

Vijfde zondag door het jaar C

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 7 februari 2016 - 1098 woorden
Je mag er zijn...

Zondag 7 februari heb ik de Eucha­ris­tie gevierd in de Sint Jozef­kerk in Zaan­dam, waar ik sinds kort admini­strator van ben gewor­den. Diaken Jeroen Hoekstra die ook actief is in de pa­ro­chie heeft geassis­teerd.

Het dames- en heren­koor onder lei­ding van een Litouwse dirigente en een Letse organist/pianist zong en dat deed het voor­tref­fe­lijk.

Veel mensen maakten gebruik van de moge­lijk­heid koffie te drinken en dat was voor mij een gelegen­heid om met allerlei mensen kennis te maken.

In de kerk komen eenmaal per maand ook de Irakese ge­meen­schap en de Filippijnen samen voor de Eucha­ris­tie. Op deze zon­dag waren dat de Irakezen, waar­on­der veel jon­ge­ren en een hele groep kin­de­ren.

Ik heb hier de volgende homilie gehou­den.

Homilie

Eigen­lijk zou­den we ons deze scene
met de vangst van die enorme massa vissen,
even moeten voor­stel­len:

Blijf bij me

Een boot met netten volges­touwd met vis
en Simon Petrus die tussen al die vis
op zijn knieën gaat,
Jezus te voet valt
en zegt:
“Heer, ga weg van mij,
want ik ben een zon­dig mens”.
Ik denk dat wij precies het tegen­over­ge­stelde
zou­den hebben gezegd, zoiets als:
“Ach Jezus,
ik ben toch een aar­dige kerel, een aar­dige vrouw,
blijf alstjeblieft bij me
en zorg dat mijn netten
iedere dag zo vol zitten”.
Want ja, de aanwe­zig­heid van de Heer
is blijk­baar erg goed voor de handel.
Wij zou­den mis­schien iets hebben van:
“Wow, ja, top!”
Maar hier gebeurt iets heel anders
in dit evan­ge­lie:
ze gaan niet uit hun dak,
maar ze hebben het over ont­zet­ting,
zelfs de woor­den “zonde” en “angst” vallen daar.
Krijg je een boot vol met vis,
gaat je handel eens lekker
en dan krijg je deze reactie
met ont­zet­ting, zonde en angst!

Niet dat Jezus zelf dat zo wil:
Hij is daar eigen­lijk niet zo van,
want Hij zegt juist aan het einde van dit evan­ge­lie:
“Wees niet bevreesd, wees niet bang”.

Het boze oog

Mis­schien dat sommigen van U
wel aan vroeger moeten denken.
Op sommige plaatsen had je een drie­hoek hangen
met een oog erin afge­beeld
en de tekst eronder: “God ziet u”.
Dat is het beeld
dat mis­schien toch de één of ander van U
vroeger wel heeft mee gekregen:
God als Iemand
waar je bang voor moest zijn,
die alles ziet en in de gaten houdt.
Maar als iemand - ook een mens - zo naar je kijkt,
controlerend, speurend
of hij een foutje kan ontdekken,
dan raakt een mens verlamd,
dan kan er bijna niet iets moois meer
uit zijn han­den komen.
Er zijn al allerlei onder­zoeken gedaan bij­voor­beeld
die dui­de­lijk maken dat als een werknemer
zo door zijn baas wordt benaderd
- met dat strenge oog, afgrenzend, controlerend -,
die werknemer veel minder tot stand zal brengen,
dan wanneer hij uit­daging en aan­moe­di­ging krijgt.
Dat is eigen­lijk net zo als met ouders.
Als de ouders altijd alleen maar bang zijn,
fouten zien en waar­schu­wen,
dan kan een kind zich niet ontplooien,
maar als een vader of moeder
ook ver­trouwen schenkt en aan­moe­digt,
zal het kind juist vleugels krijgen.
Niet dat een werk­ge­ver of ouders
nooit iets mogen zeggen,
maar het gaat om de hou­ding
van waaruit ze dat doen.

Een harte­lijke God

Jezus heeft ons
een harte­lijk beeld van God gegeven:
het beeld van een barm­har­tige Vader,
een goede herder,
een gene­zing en ver­ge­ving brengende Heer,
die ons tege­lijker­tijd uitdaagt.
Dat vieren we heel bij­zon­der
in dit jaar van barm­har­tig­heid
dat paus Fran­cis­cus is be­gon­nen.

Een andere blik

Het oog van Jezus,
is de blik waar­mee Hij de tolle­naar Matteüs aankijkt
of de Samari­taanse vrouw.
Och, die waren zo zon­dig en ver­keerd
in de ogen van de mensen.
De zo­ge­naamd goede mensen dachten toen:
“Als Jezus wist wie dat waren,
zo Hij zich niet met hen inlaten”.
Maar Hij wist juist wél wie ze waren
en daarom gaat Hij juist naar hen toe
en Hij kijkt hen aan, maar zonder oor­deel.
Die blik wordt door paus Fran­cis­cus
in diens wapen­spreuk in het Latijn om­schre­ven als:
“Miserando atque eligendo”,
dat betekent: Hij kijkt je vol liefde aan
en Zijn blik betekent uit­ver­kie­zing,
het is een blik die je kracht schenkt,
die je vleugels geeft.

Niet goed genoeg?

Maar toch,
zijn wij zelf ook niet vaak als Petrus en zijn makkers?
Wat Petrus hier tot uitdruk­king brengt
met zijn woor­den;
“Ga weg van mij, want ik ben een zon­dig mens”,
is eigen­lijk het­zelfde als wat de profeet Jesaja
honder­den jaren eerder zei
en wat we in de eerste lezing hoor­den:
“Wee mij, ik ben verloren,
ik ben een mens met onreine lippen”.
Ook daar is het de Heer die moed geeft
en Jesaja op weg stuurt.
Petrus en Jesaja brengen allebei
iets onder woor­den
waar heel veel mensen mee te maken hebben.
Zij geven uitdruk­king aan het gevoel
dat zij niet goed zijn
of niet goed genoeg,
dat zij als mens niet deugen,
niet waard zijn om bemind te wor­den.
Mag ik er wel zijn?
Ben ik wel de moeite waard?
Ben ik wel goed genoeg
om liefgehad te mogen wor­den?
“Ga weg van mij,
want ik ben een zon­dig mens”.

Wie telt mee?

Dat is een vraag en een bele­ving
die eigen­lijk
van alle tij­den is
en die uit­ein­delijk ook niet afhangt van een geloof.
We voe­den die bele­ving iedere keer
wanneer wij de indruk geven
dat alleen die mensen mee­tellen
die veel kunnen,
die de dingen goed doen,
die han­dig zijn en knap,
die geld hebben, rijk
en zo­ge­naamd be­lang­rijk zijn.

God heeft dat juist totaal om­ge­keerd,
Jezus heeft er daarom voor gekozen
om te leven als een arme, een vluch­te­ling,
uit­ein­delijk als een mis­da­diger,
zo is Hij aan het kruis gestorven;
en Zijn aan­dacht en zorg en liefde
gingen juist uit naar de arme, de gebrekkige,
degene die in de ogen van de zo­ge­naamde goede mensen
een zon­daar was.

Zijn blik zegt ons:
Je mag er zijn,
of beter nog:
Ik wil dat jij er bent - je bent gewenst -
en dat je op weg gaat....

Barm­har­tig­heid

Mis­schien leeft dat gevoel stiekem
ook wel in ons:
Ik tel niet mee,
ik ben niet goed genoeg,
ik mag er eigen­lijk niet zijn.
Dat kunnen we zelfs
in de uitdruk­king “Gods barm­har­tig­heid” ervaren.
Maar de barm­har­tig­heid van God
is niet iets neer­bui­gends,
niet iets voor zielige mensen,
het is compassie en begrip,
het is een harte­lijke liefde,
het is een uit­daging:
“Weest niet bevreesd”;
het is: je moed geven
om als Hij vraagt: Wie zal ik zen­den?
met een gezond zelfver­trouwen
ant­woord te geven en te kunnen zeggen:
“Hier ben, zend mij”.
Durf te ver­trouwen
en ga maar op weg....
Hem achterna.

Amen.

Terug