Arsacal
button
button
button
button


Op bedevaart: Banneux en Beauraing

Overweging Preek - gepubliceerd: maandag, 23 april 2012 - 1136 woorden
Op bedevaart: Banneux en Beauraing

Op zon­dag 22 april bezocht ik Banneux en Beauraing waar die dagen bede­vaarten uit het bisdom Haar­lem-Am­ster­dam naar O.L. Vrouw waren gepel­gri­meerd. In Banneux vierde ik de H. Eucha­ris­tie met de pelgrims, in Beauraing heb ik het lof gece­le­breerd met de zieken­ze­gen.

In Banneux wordt Maria als maagd der Armen vereerd en daar vin­den ook ziekentridua plaats. De zieken wor­den er heel goed in het acceuil op­ge­van­gen. Vica­ris Hans Pauw van het aarts­bis­dom Utrecht begeleidde deze Haar­lemse bede­vaart en had ver­schil­lende mensen mee uit de omge­ving van Vinkeveen waar hij vandaan komt. Voor de H. Mis had ik gelegen­heid de pelgrims te ontmoeten, onder wie veel zieken.

Tijdens de Mis telde ik wel zo'n veer­tig rol­stoelen. Na de H. Mis in Banneux ben ik naar Beauraing ver­trok­ken waar ik onze diaken Fred Deen trof die moderator is van het Beauraing-comité in ons bisdom. Pater Berends begeleidde de bede­vaart waaraan ook veel mensen uit Brabant deelnamen. Maria wordt in Beauraing vereerd als de moeder met het gou­den hart, als de on­be­vlekte maagd en koningin. Hier heb ik een preek gehou­den over Maria als Koningin en voor­spreek­ster, waarna ieder per­soon­lijk de zegen met het H. Sacra­ment kon ont­van­gen. Hier­on­der treft U de preek aan die ik in Banneux gehou­den heb.

Broeders en zusters, Het is voor mij een grote vreugde met U de heilige Eucha­ris­tie te mogen vieren bij onze hemelse Moeder Maria. Zij wordt in Banneux als de maagd der armen vereerd en dat zegt ons dat Maria zorg draagt voor wie arm is. Het gaat niet perse erom dat U slecht bij kas moet zitten, al zijn er in deze tij­den van eco­no­mische crisis wel veel mensen die het fi­nan­cieel moei­lijk hebben. Het gaat hier om de armoede waar­van Maria al gezongen heeft in haar lofzang, het Mag­ni­fi­cat.

In het Oude Testa­ment zijn er de armen van de Heer. Honder­den jaren voor Christus was het Joodse volk in Balling­schap gevoerd; alleen de allerarmsten waren achter gebleven, die wer­den door de bezetter niet de moeite waard gevon­den om wegge­voerd te wor­den. Dit soort armen, mensen dus die niet zo in tel zijn in de ogen van de grote wereld, tellen voor God ten volle mee. En als je met een nederig hart voor God kunt staan, als je een­vou­dig als een kind naar je hemelse moeder kunt gaan, dan hoor je tot Gods meest geliefde mensen en ben je een kind van Maria.

“Hoog verheft mijn ziel de Heer”, heeft Maria gezongen in haar Mag­ni­fi­cat, “omdat Hij neerzag op de klein­heid van Zijn dienst­maagd”.

Het is niet zo be­lang­rijk wat voor positie je bekleedt in het leven, of je rijk bent, of van adel, minister of directeur. We zijn allemaal gewoon maar mensen, geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. We zijn mooi, be­lang­rijk en kost­baar, niet om wat we pres­te­ren, maar om wie we zijn: een uniek schepsel van God.

Het kan zijn dat U ziek bent of dat U ge­han­di­capt bent geraakt, het kan zijn dat U met het ouder wor­den merkt dat Uw krachten vermin­de­ren, dat U niet meer kunt wat U vroeger kon: je bent en blijft een uniek schepsel van God!

Het kan ook zijn dat je jong bent, in de kracht van je leven ver­keert en grote plannen voor de toe­komst hebt, maar ook dan is toch de kern van een goed en mooi leven in de ogen van God, dat je beseft en je realiseert dat je het niet in de hand hebt, dat elke dag een gave is, een onver­diend cadeau. En dat je dat cadeau dat je leven is eenmaal weer terug zult leggen in Gods han­den. Hopen­lijk leggen we het terug rijk en mooi als een kost­ba­re parel, we hopen en we bid­den dat ons leven kost­baar mag zijn in Gods ogen.

We hebben ons leven niet in eigen hand. Het leven is geen pres­ta­tie, we kunnen ons geen dag, geen seconde leven geven.

Jonge mensen komen daar soms met een schok achter als een jongen of meisje op school door ziekte of een ongeluk overlijdt. Denk bij­voor­beeld aan de kin­de­ren van Lommel en Heverlee, die een paar maan­den gele­den zomaar ineens op vakantie uit dit leven wer­den weggerukt. Dan voel je, dan treft je de broos­heid van ons leven.

En daar liggen eigen­lijk de kern en de zin van ons bestaan: Kun je aan­vaar­den dat je het leven niet zelf in de hand hebt, kun je je ver­trouw­vol over­ge­ven aan Gods zorg voor jou en aan Maria’s liefde­volle voor­spraak voor ons, als Maagd der Armen?

Ook voor de apos­te­len is dat geen ge­mak­ke­lijke weg geweest. Ze had­den hun eigen gedachten en plannen gehad. Ver­schil­lende keren blijkt uit het evan­ge­lie dat ze zelf meer had­den gedacht aan een aards ko­nink­rijk met Jezus als koning en zij­zelf als ministers of zoiets. Toen Jezus moest lij­den en ge­krui­sigd werd waren zij dan ook diep ont­goo­cheld, al hun plannen, heel hun levens­pro­ject lag in duigen, hun ver­trouwen was weg, alles leek over en uit.

Vandaag hebben we in het evan­ge­lie gehoord hoe zij dan reageren: verbijste­ring en schrik, ontsteltenis en twijfel, zijn woor­den die we er tegen­ko­men. En dat komt keer op keer terug: Vorige week in het evan­ge­lie was het Thomas die niet kon geloven dat Jezus verrezen was voordat hij zijn vingers in de won­den van de Heer had gelegd.

Ja, de apos­te­len had­den grote moeite om te geloven, om te ver­trouwen, om zich over te geven aan Gods be­doe­lin­gen. Hoe kwam dat? Zij ware toch zo lang met Jezus opge­trok­ken? Zij had­den zijn won­de­ren toch gezien? Zij had­den zijn woor­den toch gehoord? De Heer had toch hun hart geraakt toen Hij hen ge­roe­pen had?

Jawel, maar tege­lijk had­den zij ook hun eigen dromen gehad over een mooi en succes­vol leven, een hoge en be­lang­rijke plaats in de maat­schap­pij, aanzien en macht.

Er is er eigen­lijk maar één van wie we helemaal niet horen dat zij ooit getwijfeld heeft, één die niet bang en vertwijfeld was, één die niet met moeite overtuigd moest wor­den. Zij was er onder het kruis, een­zaam en met een hart vol pijn en droef­heid stond zij daar aan de voeten van de ge­krui­sig­de. En zij was er weer om samen met de apos­te­len bid­den te wachten op de komst van de heilige Geest. Die persoon was Maria. Zij was arm gewor­den, in de zin dat zij niet iets zocht voor zich­zelf, geen rijkdom, geen positie, zij was heel een­vou­dig een parel voor God. Steeds opnieuw had zij kunnen zeggen: “Mij geschiede naar Uw woord”.

Zij is de Maagd der armen. Zij is er voor ons in onze nood, in onze onmacht, in onze klein­heid.

Ga maar, met groot ver­trouwen, met al je noden naar Haar! Amen

Terug