Arsacal
button
button
button


Sint Liduina en het Allerheiligst Sacrament

Op de feestdag van de heilige van Schiedam

Artikel Overig - gepubliceerd: woensdag, 14 juni 2017 - 3311 woorden
vespers in de Liduinakapel in de basiliek van Schiedam
vespers in de Liduinakapel in de basiliek van Schiedam
daarna naar de pastorie voor de lezing
daarna naar de pastorie voor de lezing
H. Liduina, afbeelding die ik cadeau kreeg
H. Liduina, afbeelding die ik cadeau kreeg

Op 14 juni, feest­dag van de heilige Liduina was ik in Schie­dam, waar de broeder­schap van Sint Liduina bijeen was om samen met pa­ro­chi­anen en belang­stel­len­den de vespers te bid­den en naar een lezing te luis­te­ren over deze heilige.

Omdat ik ruim 25 jaar van deze broeder­schap van pries­ters en diakens deel heb uitgemaakt als theo­lo­gisch adviseur en daar­mee heb moeten ophou­den in ver­band met de hui­dige werk­zaam­he­den, was ik nog een keer daar om de lezing te hou­den op de feest­dag. Bij wijze van afscheid kreeg ik een mooie afbeel­ding van Liduina cadeau.

 

Sint Liduina en het Aller­hei­ligst Sacra­ment


De heilige Liduina werd geboren op 18 maart 1380 tij­dens het lij­dens­ver­haal dat op Palm­zon­dag in de kerk gezongen werd. Pieternel, haar moeder, had de kerk in alle haast moeten verlaten omdat de weeën inzetten. Toen Liduina bijna vijf­tien jaar oud was, kwam zij ten val op het ijs. Dat was het begin van een ziek­bed, dat 38 jaar duurde. Het was een af­schu­we­lijk lij­den, wat zij moest doormaken. Zo had zij drie gaten in haar lichaam, zo groot als de palm van een hand, waaruit de wormen kropen. Ondanks haar vre­se­lijke kwalen, kon zij de situatie overge­ge­ven en met vreugde doorstaan, door de genade van God waaraan zij besloot mee te werken. Zij stierf op 14 april 1433.

Het leven van Liduina is zeker geen vroom sprookje, geen legende. Mensen waren tij­dens haar leven onder de indruk, er zijn ge­schrif­ten, zoals levens­be­schrij­vingen, oor­kon­den en andere do­cu­menten uit die tijd die over haar leven berichten. Nog voor het jaar 1440, dus binnen zeven jaar na haar dood, ver­sche­nen biografieën in het Middelnederlands en in het Latijn. Onder andere de bekende tijdgenoten Thomas à Kempis, die naar met aan zeker­heid grenzende waar­schijn­lijk­heid de auteur is van de Navol­ging van Christus en een vooraanstaand ver­te­gen­woor­diger is van de zo­ge­naamde “Moderne devotie”, en pater Jan Brugman hebben het leven van Liduina be­schre­ven. Ik zal me voor­na­me­lijk baseren op Het leven van Liedewij van Jan Gerlachsz, een familielid van Liduina, die lange tijd bij haar in huis heeft gewoond en die deze vita ge­schre­ven moet hebben na 1434 en waar­schijn­lijk voor 1436.

Het Heilig Sacra­ment in het leven van Liduina

Eén van de bij­zon­dere gegevens uit het leven van Liduina is dat zij na verloop van tijd niet meer in staat was voedsel of drank tot zich te nemen en geheel en al leefde van het gees­te­lijk voedsel, de heilige communie die zij ont­ving. Dat was het enige dat zij kon verdragen; toen men dat eens wilde uittesten en haar een niet-geconsa­creerde hostie gaf, moest zij braken.

De eerste twee jaar van haar ziekte werd Liduina met Pasen naar de kerk gedragen om de communie te ont­van­gen. Na drie jaar kon zij haar bed niet meer verlaten. Van het vierde tot het negen­tien­de jaar van haar ziekte at zij af en toe een klein beetje, meer kon zij niet verdragen; daarna nog wijn, eerst onverdund, later aangelengd met water en soms wat suiker, kaneel een dadel of een noot. Daarna at zij niets meer, behalve de heilige communie. Negen­tien jaar voor haar dood kon zij ook niet meer drinken, ook slapen deed zij niet meer.

En bij­zon­der manier van vereni­ging met het offer van Christus dat we in de Eucha­ris­tie vieren en te­gen­woor­dig stellen, was haar geest van boetedoe­ning en eer­her­stel: toen zij op straat mensen lelijk te keer hoorde gaan, vroeg zij de Heer om een nieuwe ziekte. Daarop kreeg zij de hele vas­ten­tijd een vre­se­lijke pijn in haar been wat zij met liefde verdroeg. Ook droeg zij een boetegordel. In de geest werd zij naar allerlei plaatsen gevoerd, zo had zij vele bede­vaarten gedaan en hemel en hel gezien.

Soms zag zij Onze Lieve Heer in haar kamer met engelen en heiligen - als een koning met zijn hof­hou­ding - rond haar bed en voedde Hij haar met god­de­lijke en hemelse spijzen.
De twee steunpilaren van haar leven waren het over­we­gen van het lij­den en sterven van Jezus Christus en het ont­van­gen van de heilige communie. De gebeur­te­nissen van het lij­den en sterven van Jezus had zij in zeven episo­den ver­deeld die zij om beurten dag en nacht overwoog. Voor Liduina waren Heilig Sacra­ment en Lijden van Christus dus nauw verbon­den.

Het zes­tien­de hoofd­stuk is het langste in Het leven van Liedewij en dat gaat over Liduina en de heilige Eucha­ris­tie.

Hoewel Liduina niet kon eten, kon zij het gees­te­lijk voedsel niet missen, Haar verlangen naar het heilig Sacra­ment werd steeds groter. Als ze de communie had ont­van­gen werd zij in de geest gesterkt. In het begin van haar ziekte kreeg zij slechts éénmaal per jaar de heilige communie, op eerste Paas­dag; toe n haar gees­te­lij­ke vertroos­tingen be­gon­nen, werd dat twee maal, maar rond het over­lij­den van haar moeder in 1403 kreeg zij zo’n groot verlangen naar de heilige communie dat zij met toestem­ming van haar leidsman vijf tot zes keer de heilige communie mocht ont­van­gen. Maar toen er een nieuwe pastoor kwam, vond die dat teveel en was hij zo’n drie tot vier jaar niet bereid te komen. Het was deze pastoor die dus drie tot vier jaar lang niet bereid was geweest de communie te geven, die probeerde haar een ongeconsa­creerde hostie te geven!

Een bij­zon­der moment uit het leven van Liduina is de ver­schij­ning van de hostie: “Op maan­dag 19 de­cem­ber, de dag voor Sint Thomas-avond, werd haar kamer tussen acht en negen uur ‘s avonds hel verlicht. Hoewel zij haar ogen dicht had omwille van haar gees­te­lij­ke oefe­ningen, werd zij het toch gewaar. Toen zij haar ogen opsloeg, zag zij aan het voeten­ein­de van haar bedstede een kruis, waaraan een Kind van vlees en bloed hing met vijf won­den. Terstond vereerde zij Het als Onze Heer Jezus Christus, en ze dankte Hem voor het feit dat Hij zich op deze manier open­baarde. Tijdens deze gebeur­te­nis zat haar vader voor haar kamer om een oogje in het zeil te hou­den; hij kwam de kamer binnen om te kijken wie er met haar sprak. On­mid­del­lijk klom het ge­krui­sig­de Kind naar de zolde­ring, waarop Liedewij gelukzalig uitriep: “Och, Lieve Heer, indien U het waar­lijk bent die Zich aan mij open­baart, dan smeek ik U een onloochen­baar teken achter te laten als her­in­ne­ring”. Het ge­krui­sig­de Kind daalde direct neer en ver­an­der­de in een hostie, een beetje groter dan die welke leken bij de communie krijgen, en omgeven door schit­te­rende stralen. Hij bleef in de lucht hangen, een klein stukje boven het laken. De hostie had vijf won­den: in de han­den, in de voeten en in de rechterzijde. Deze laatste zat vol geronnen bloed en was ongeveer zo groot als een halve erwt. Terwijl zij naar de hostie keek, ging haar hart van onuitspreke­lijke vreugde hevig te keer”. Ook haar vader, broer, een nicht en twee andere aanwe­zigen zagen de hostie met de won­den. Lduina vroeg haar broer naar de pastoor te gaan, die de hostie ook zag en Liduina liet zweren hier niet over te spreken. Liduina vroeg hem deze hostie te mogen ont­van­gen, maar hij weigerde: hij wilde haar het heilig Sacra­ment wel geven, maar deze hostie niet, omdat hij niet wist wat het was. Maar Liduina bleef aan­drin­gen en tenslotte gaf hij toe. Hij dacht dat de hostie niet geconsa­creerd zou zijn, maar Liduina geloofde dat het de Heer was en zij kon deze hostie zonder moeite, zonder over te geven, nut­tigen. In de kerk liet de pastoor echter voor Liduina bid­den als voor iemand die door de duivel bezeten was en dat zei hij ook toen hij de volgende dag terugkwam met de heilige communie: het was gewoon brood geweest en het kwam van de duivel. Hij ver­telde ook rond dat hij de hostie in het vuur of in het water had gegooid. Maar hiermee haalde de pastoor zich de woede van het volk op de hals, dat zijn hou­ding tegen­over Liduina niet pikte. Het werd een hele con­ster­na­tie die pas ein­digde nadat Liduina door de bis­schop van haar geheim­hou­ding was ont­slagen en voor de pastoor op­ge­ko­men was.

Daarna mocht Liduina gedurende vele jaren om de veer­tien dagen de heilige communie ont­van­gen, al was het niet altijd ge­mak­ke­lijk die haar te geven, want ze kon het beetje water dat haar gegeven werd om de hostie door te kunnen slikken, bijna niet binnen­hou­den. Vanaf 1421 leed zij aan derde­daag­se koorts en kreeg zij de heilige communie op de twee dagen waarop zij vrij van koorts was.

De communie was een grote gees­te­lij­ke vertroos­ting voor haar, zij voelde zich dan beter naar lichaam en ziel en na de communie werd zij gees­te­lijk zo verlicht dat zij haar inner­lijke kon schouwen met hulp van het heilig Sacra­ment .

Het manna waar­mee de Joden in de woes­tijn waren gevoed, is een vooraf­beel­ding van de Eucha­ris­tie. Niet voor niets noemen we de heilige communie wel brood uit de hemel. Denk bij­voor­beeld aan het vers dat vaak wordt gebe­den voor het gebed na het Tantum ergo bij het Lof: “Brood uit de hemel hebt gij hun gegeven, dat alle zoet­heid in zich bevat”. Zo voorzegde Liduina eens aan een uit Keulen afkoms­tige jonge man, Gerrit, die kluize­naar wilde wor­den in de woes­tijn van Egypte, dat hij drie dagen gebrek zou lij­den, maar daarna troost en genade, hemels brood, zou ont­van­gen. Dit kan een soort van eet­ba­re dikke dauw zijn die in sommige streken van Egypte ‘s morgens nog steeds op de grond en over de gewassen ligt. Jaren later kwamen pelgrims uit Egypte in Schie­dam terug die Gerrit als een welgedane monnik had­den aan­ge­trof­fen, die zich in leven hield met dat brood uit de hemel. Liduina wist allerlei bij­zon­der­he­den te ver­tellen over de man en kon eraan toe voegen hoe enorm dik hij gewor­den was en dat die een zeer heilig man was. Het verhaal is dui­de­lijk ook een beeld van de overvloed van de Eucha­ris­tie, de rijkdom van dit gees­te­lijk voedsel dat ons verza­digt. Het is dus een verhaal met een hoog sym­bo­li­sch gehalte.

De bete­ke­nis van de Eucha­ris­tie in het leven van Liduina

Het is dui­de­lijk dat de heilige communie in het leven van Liduina een grote bete­ke­nis had: de heilige communie stelde Jezus Christus bij haar te­gen­woor­dig, die aanwe­zig­heid van de Heer was voor haar van groot belang, de heilige communie verbond haar met het lij­den van Christus en haar kracht en troost. In het leven van Liduina was de Eucha­ris­tie dus heel erg be­lang­rijk. Een aantal zaken valt op in haar bele­ving van de heilige communie.

- Frequentie van com­mu­ni­ce­ren

Op de eerste plaats is valt het belang op dat zij hechtte aan het daad­wer­ke­lijk ont­van­gen van de heilige communie en de regelmaat waar­mee zij dit deed. Dat was in de tijd waarin zij leefde zeker niet alge­meen. Tot in de tijd van Karel de Grote (742-814) was het voor goede chris­te­nen op veel plaatsen nog gebruik geweest om weke­lijks ter communie te gaan, maar daarna kwam er een einde aan die praktijk. De H. Beda (672-735) vermeldt bij­voor­beeld dat de Romeinse praktijk was om op zon­da­gen en op het feest van apos­te­len en mar­te­la­ren ter communie te gaan en betreurt dat de heilige communie in Engeland maar heel zel­den wordt ont­van­gen.

Maar in de Mid­del­eeuwen ging men nergens vaak ter communie. In het jaar 1215 had het 4e La­te­raans concilie bepaalt dat iedere gelo­vi­ge vanaf de jaren des on­der­scheids tenminste éénmaal per jaar in de Paas­tijd de heilige communie moest ont­van­gen, na te hebben gebiecht of beter nog: in ieder geval werd de jaar­lijkse biecht verplicht gesteld, de eigen pries­ter kon nog bepalen dat het beter was om zich nog even van de heilige communie te ont­hou­den. Die bepaling maakt al dui­de­lijk dat het niet zo gewoon was om vaak ter communie te gaan, ook al ging men gere­geld naar de heilige Mis. Daaraan lag een grote huiver ten grond­slag voor de aanwe­zig­heid van de Heer, die waar­dig ont­van­gen moet wor­den. De apostel Paulus schrijft al dat iemand zijn eigen oor­deel eet als hij de Heer onwaar­dig ontvangt (1 Kor. 11, 27-29). Liduina leefde in een tijd waarin de aan­dacht veel meer op het schouwen van de Hostie was gericht. Er wer­den zelfs vaak doeken opge­han­gen achter het altaar zodat de hostie bij de ophef­fing goed zou afs­te­ken, van de pries­ter werd verwacht dat hij de ophef­fing lang genoeg deed om de Heer tij­dens die ophef­fing te kunnen aanbid­den. “In de late mid­del­eeuwen”, schrijft Jungmann, “bestond de Mis voor velen enkel uit het kijken naar de hostie, na de consecratie. Als men het Lichaam des Heren maar gezien had, was men tevre­den. In de ste­den liep men soms van de ene kerk naar de andere om de opgeheven hostie zo dikwijls moge­lijk te zien, want daarvan verwachtte men rijke zegen”.

Het schouwen van de hostie werd be­lang­rijker dan het com­mu­ni­ce­ren. Vandaar dat het vierde La­te­raans concilie de gelo­vi­gen moest verplichten tot de paas­com­mu­nie. Zelfs de reli­gi­euzen gingen niet vaak. De cla­rissen communi­ceer­den zes keer per jaar, de Do­mi­ni­ca­nessen vijf­tien keer, de derde orde van de heilige Dominicus vier keer per jaar. Ook de heiligen gingen niet zo vaak ter communie. Ik ontleen hierover wat gegevens aan de Catholic Ecyclopedia: de heilige Lodewijk ging zes keer per jaar ter communie, St. Elizabeth maar drie keer. Toch leer­den grote theologen als Petrus Lombardus, H. Thomas van Aquino en H. Bonaventura dat het - als iemand goed was voor­be­reid - goed was om vaak, zelfs dage­lijks, ter communie te gaan (Petrus Lombard, IV Sent., dist. xii, n. 8; St. Thomas, Summa Theol., III, Q. lxxx, a. 10; St. Bonaventura, In IV Sent., dist. xii, punct. ii, a. 2, q. 2; vgl. Dalgairns, "The Holy Communion" (Dublin) part III, chap. i). Tauler, de heilige Catherina van Siena en St. Vin­cen­tius Ferrer en Savonarola bepleitten de veel­vul­dige communie en dat droeg ook bij tot ver­an­de­ring. Veel later zou­den het Concilie van Trente (Sess. XXII, chap. vi) en paus Pius X de veel­vul­dige communie opnieuw onder de aan­dacht brengen. De Cate­chis­mus van het Concilie van Trente zegt bij­voor­beeld dat de gelo­vi­gen geen genoegen moeten nemen met alleen een jaar­lijkse communie, maar of het beter is dat ze maan­de­lijks, weke­lijks of dage­lijks gaan kan niet door een algemene regel wor­den bepaald (P. II, c. iv, n. 58). Dat was iets om met de biecht­va­der te bespreken. De geest van het Jansenisme bracht later toch weer wat meer angst om ter communie te gaan. Maar dat is na­tuur­lijk allemaal al ver na de tijd van Liduina.

Bij Liduina is dui­de­lijk dat zij niet alleen in de tijdgeest van de late Mid­del­eeuwen maar ook in de geest van de Moderne Devotie was gevormd, waarvan Thomas a Kempis een be­lang­rijke ver­te­gen­woor­diger was. Hij was - zoals men nu wel alge­meen aanvaardt - de auteur van het bekende boek “De Navol­ging van Christus”, dat paus Johannes Paulus I aan het lezen was toen hij stierf en wat de se­cre­ta­ris-generaal van de Verenigde Naties Dag Hammerskjold op zak had toen hij in 1961 omkwam bij een vliegtuigongeluk, om maar een paar namen te noemen van mensen die laten zien hoe­zeer dit boek tot op de dag van vandaag is verspreid en wordt ge­waar­deerd. In De Navol­ging van Christus vin­den we be­lang­rijke gees­te­lij­ke aanspo­ringen over de heilige communie: het vierde deel van dit werk gaat over de Eucha­ris­tie en het derde hoofd­stuk daarvan is geti­teld: “Het is nut­tig dikwijls te com­mu­ni­ce­ren”. Dit hoofd­stuk getuigt van een andere spiri­tua­li­teit dan die gebruike­lijk was geweest in de Mid­del­eeuwen, name­lijk het verlangen om de Heer dikwijls te ont­van­gen onder de Eucha­ris­ti­sche gedaanten. Ik citeer een gedeelte uit dit hoofd­stuk:

   De gelo­vi­ge: Zie, ik kom tot U, Heer, opdat het mij wel mag gaan door uw geschenk en ik mij verheug in uw heilig gastmaal, dat Gij, God, in uw goed­heid voor de mens hebt gereed gemaakt (Ps. 68 : 11).
4. Ik wens U nu godvruch­tig en eerbie­dig te ont­van­gen; ik verlang U in mijn woning binnen te lei­den om met Zacheüs te verdienen door U te wor­den gezegend en onder de zonen van Abraham te wor­den erkend.
5. Mijn inner­lijk verlangt naar uw Lichaam, mijn hart wenst met U te wor­den verenigd.
6. Geef Uzelf aan mij en het is goed. Want buiten U is geen enkele vertroos­ting vol­waar­dig.
7. Ik kan niet zonder U zijn; en zonder uw bezoek kan ik niet leven.
8. Daarom moet ik wel dikwijls tot U naderen en U als genees­mid­del tot het heil ont­van­gen; anders zou ik mis­schien onderweg bezwijken, als ik beroofd bleef van dit hemels voedsel.
12. Voor mij is het onmis­baar, omdat ik zo dikwijls wankel of val, zo snel weer lauw en onder de maat ben, dat ik door veel­vul­dig te bid­den en te biechten en door het heilig ont­van­gen van uw Lichaam mij­zelf vernieuw, mij reinig en weer vurig word, want door mij daar langer van te ont­hou­den zou ik weg­ge­dre­ven wor­den van mijn heilig voornemen.
13. De zinnen van een mens immers zijn geneigd tot het kwaad vanaf zijn jonge jaren en als het god­de­lijk genees­mid­del hem niet ter hulp komt daalt de mens weldra tot een minder­waar­dig leven af.
14. De heilige communie houdt hem dus terug van het kwaad en beves­tigt hem in het goede.

- Andere aspecten in de eucha­ris­ti­sche spiri­tua­li­teit van Liduina

Een aantal andere aspecten van de Eucha­ris­ti­sche spiri­tua­li­teit van Liduina wil ik slechts kort vermel­den. Liduina had niet altijd de meest pret­tige erva­ring met pries­ters, zoals bleek uit het over­zicht wat ik heb gegeven van haar Eucha­ris­ti­sche bele­ving. Zij had eigen­lijk alle redenen om de pastoor slecht gezind te zijn die haar de communie weigerde, die probeerde haar een ongeconsa­creerde hostie te geven en haar beschul­digde van duivelse praktijken toen zij op wonder­baar­lijke wijze een hostie ont­ving. Toch kwam zij voor hem op toen zijn beschul­digingen zich tegen hem keer­den. Dat deed zij zeker uit chris­te­lijke naasten­liefde en ver­ge­vings­ge­zind­heid maar ook uit eerbied voor de pries­ter als man van God, als degene in wiens han­den de Heer de vernieu­wing van Zijn kruisoffer, Zijn Paas­mys­te­rie heeft gelegd. Liduina was zich zeer bewust van het feit dat we door Gods wil pries­ters nodig hebben die Christus als bruidegom van de Kerk te­gen­woor­dig stellen en Zijn bruiloftsmaal in de Eucha­ris­tie met ons vieren.

Een andere aspect van de devotie van Liduina is zeker dat zij de heilige communie noodge­dwon­gen buiten de Mis ont­ving (wat toen overigens gebruike­lijk was), maar tege­lijk heel sterk de band beleefde met het Eucha­ris­tisch offer. Zoals we bij­voor­beeld in de ver­schij­ning van de Heer zien, die uitmondde in de hostie die zij kreeg, stond voor Liduina de communie altijd in het teken van het lij­den van Christus en - als we de stralen­krans bij het Eucha­ris­tisch wonder dat zij beleefde zo mogen in­ter­pre­te­ren - van Zijn ver­rij­ze­nis en ver­heer­lij­king. Haar com­mu­ni­ce­ren was nauw verbon­den met de vie­ring van de heilige Eucha­ris­tie omdat zij zich juist door de communie kon verenigen met het Offer van Jezus Christus.

De wer­ke­lijke te­gen­woor­dig­heid van de Heer was in het vierde La­te­raans concilie waar­naar ik eerder heb verwezen onder de aan­dacht gebracht door het begrip “Transsubstantiatie”, dat wil zeggen: de uiter­lijke kenmerken blijven die van brood en wijn, maar de Heer zelf is onder die uiter­lijke gedaanten van brood en wijn te­gen­woor­dig geko­men en de substantie van het brood en de wijn zijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus. Liduina geloofde dat het de Heer was die zij ont­ving, juist daarom hechtte zij er zoveel belang aan.

Tenslotte zag zij de heilige communie - dat is al verbon­den met alles wat ik hier­voor heb gezegd - als gees­te­lijk voedsel,. voedsel voor haar ziel. Het be­schou­wen van het lij­den van Christus en de heilige communie waren haar beide, nauw met elkaar verbon­den steunpilaren.

We kunnen Liduina dus echt een Eucha­ris­ti­sche heilige noemen. Zij leefde, bad en offerde vanuit haar vereni­ging met Christus in de Eucha­ris­tie.

Terug