Arsacal
button
button
button


Geen kerk van regeltjes?

Waarom is er eigenlijk kerkelijk recht?

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: vrijdag, 30 juni 2017
Tijdens de vragen; rechts dhr. Lieven Gorissen
Tijdens de vragen; rechts dhr. Lieven Gorissen
Mr. Frank Judo spreekt aan het eind van de avond
Mr. Frank Judo spreekt aan het eind van de avond

Op woens­dag 21 juni vond in het pa­ro­chie­cen­trum van de O.L. Vrouwe­kathe­draal in Antwerpen een avond plaats over de reden en de ach­ter­gron­den van het bestaan van canoniek (ker­ke­lijk) recht, geor­ga­ni­seerd door de Vereni­ging vN katho­lie­ke juristen van België en Pro Petri Sede. Waarom is er eigen­lijk canoniek recht? Moet de kerk geen ge­meen­schap van liefde zijn in plaats van een kerk van regeltjes?

Omdat het weer zo mooi was, werd besloten de avond buiten in de mooie besloten tuin te hou­den, waar ik me goed verstaan­baar kon maken, omdat er - hoewel in het hart van de stad gelegen - geen gelui­den van buiten doordrongen. De lezing die ik bij deze gelegen­heid heb gehou­den, vindt U hieronder, hoewel ik die in feite niet van papier heb gehou­den. Daarom kan wat feite­lijk gezegd is, wel enigszins afwijken van de tekst die U hieronder vindt, al staat de essentie er zeker in. Na de lezing was er uit­ge­breid gelegen­heid om vragen te stellen. Aan het einde van de avond spraken mr. Frank Judo, voor­zit­ter van de Vlaamse Juristen­ver­eni­ging en de heer Lieven Gorissen, voor­zit­ter van de afdeling Antwerpen en hoofd­re­dac­teur van het tijd­schrift van Pro Petri Sede een afsluitend dank­woord (zie foto’s).

 

Waarom canoniek recht?

Moet er wel een speciaal recht zijn binnen de kerk? Iedere inwoner van België of Neder­land valt toch gewoon onder het recht van dat land? Organi­sa­ties, zoals vereni­gingen, stich­tingen en andere clubs hebben ook geen uit­ge­breid recht, zeker geen eigen wet­boek, zoals de katho­lie­ke kerk dat wel heeft: de Codex Iuris Canonici.

Deze vraag naar een fundering van het bestaan van canoniek recht, wordt ver­schil­lend beant­woord.

Aller­eerst moeten we zeggen dat iedere rechts­persoon toch wel iets heeft, zoals statuten en een huishou­de­lijk regle­ment, ook als dat misschien niet zo veel is. Daarbij moeten we niet vergeten dat de Rooms Katho­lie­ke Kerk de grootste organi­sa­tie op aarde is, wat betreft het aantal mensen dat daar­mee verbon­den is, en dat zij een we­reld­wijde versprei­ding kent.

Kerk en staat

Een eigen ker­ke­lijk wet­boek werd in 1917 voor de eerste keer ge­pu­bli­ceerd en is na het tweede Vati­caans concilie herzien, wat in het wet­boek van 1983 resul­teerde. Zeker bij het voor­be­rei­den van het wet­boek van 1917 speelde een rol dat kerk en staat altijd als parallel waren gezien, vooral sinds de Re­for­ma­tie: zoals de staat bevoegd was voor 'tij­de­lijke' zaken, zo was de kerk dat voor de gees­te­lij­ke zaken, beide instellingen - kerk en staat - wer­den met het begrip “societas perfecta” (vol­ko­men maat­schap­pij) aangeduid, dat wil zeggen: kerk en staat zijn bei­den organi­sa­ties die zelf alle mid­de­len bezitten om hun gees­te­lijk of tij­de­lijk doel te bereiken. Door die parallel lag het voor de hand dat ook de kerk een wet­boek zou bezitten, zoals in een bur­ger­lijke maat­schap­pij.

Rudolph Sohm

Maar kritiek op het juri­dische aspect binnen de kerk is er altijd wel geweest. Sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw is die een tijdlang heel sterk geweest, de laatste jaren lijkt daar toch wel een kentering in te zijn gekomen. Maar de kritiek is ook niet iets van de laatste vijftig jaren.
Rudolph Sohm († 1917), bij­voor­beeld, een beroemde evan­ge­lisch-Lutherse rechtshistoricus, meende dat het ker­ke­lijk recht in tegen­spraak was met het wezen van de Kerk. Oor­spron­ke­lijk, in de eerste jaren van haar bestaan, werd de Kerk volgens hem alleen door de liefde geregeerd. Er was geen plaats voor institutionalisering en zaken als een straf­recht (charis­ma­tische periode). Tegen het einde van de tweede eeuw begon de Kerk zich te ont­wik­ke­len van een charis­ma­tische ge­meen­schap tot een rechtsin­stel­ling door de aanvaar­ding van het monarchisch episcopaat (één bis­schop aan het hoofd van een eigen territoriale een­heid, een bisdom) en door de striktere orde­ning van de viering van de Eucha­ris­tie. Het god­de­lijk sacra­menteel recht, dat een orde­ning van Godswege tot uitdruk­king bracht, werd ook een men­se­lijk recht. Het recht was toen - volgens Sohm - derhalve bedoeld om het sacra­men­tele leven te regelen ("Periode des sakra­mentalen, altkatholische Kirchen­rechts", 2e eeuw tot 1140). In deze periode ligt de nadruk op het god­de­lijk recht, dus de bepalingen die ons van Godswege zijn gegeven.

Rechts­kerk

Maar de Kerk veranderde vooral in een "rechts­kerk" doordat men ging insisteren op het sociaal aspect van de Kerk - de kerk als organi­sa­tie, als maat­schap­pij - en men de ge­hoor­zaam­heid aan mensenwetten, gemaakt onder het gezag van de paus, in plaats stelde van de "receptio" (aanvaar­ding) door de ge­meen­schap van leerstellige of disciplinaire beslis­singen van synodes. Gold vroeger het draagvlak in de ge­meen­schap als medebepalend, gelei­de­lijk vervaagde dat (volgens Sohm). Vanaf het Decreet van Gratianus, een beroemde rechtscol­lec­tie uit het jaar 1140, wordt het canoniek recht als een zelf­stan­dige weten­schap gezien. De Kerk gaat zich dan, volgens Sohm, verstaan als een maat­schap­pij, een societas, en minder als een ge­meen­schap, een communitas. Naast het god­de­lijk recht komt dan meer en meer een heel stelsel van men­se­lijke "weltliche" normen en bepalingen ("Periode des korporativen, neukatholische Kirchen­rechts", vanaf het Decretum Gratiani, 1140, tot heden). Volgens de pro­tes­tantse Sohm toont de ge­schie­de­nis van het ker­ke­lijk recht dus een voort­gaande verduistering van de evan­ge­lische waar­heid door allerlei wetten en regels. Het pro­tes­tantisme heeft zich in die visie daarvan bevrijd door de per­soon­lijke relatie van de mens met God centraal te stellen.

Wat voor visie op de kerk?

In feite is hier iets meer aan de hand: het gaat hier onder meer om het verstaan van de kerk, om de tegen­stel­ling tussen een ‘communautaire’ visie, een visie op de kerk als een ge­meen­schap, op een ver­bon­den­heid met God die wezen­lijk mede langs de ge­meen­schap loopt en aan de andere kant een per­soon­lijke, in­di­vi­duele visie, die het lijntje naar God principieel ziet als alleen een per­soon­lijk, in­di­vi­dueel lijntje van een mens met God. Zien we de Kerk allen als een organi­sa­tie die de per­soon­lijke geloofs­be­le­ving facili­teert, dan is ker­ke­lijk recht niet meer dan een marginale orde­ning van wat afspraken. Zien we de Kerk als aanwe­zig­heid van de Heer, lichaam van Christus, doorgever van heil, als bron van de sacra­menten, in zekere zin dus als de voortlevende Christus, dan heeft het recht een dui­de­lijk andere plaats binnen de kerk. In de katho­lie­ke kerk zijn beide lijnen wezen­lijk: de ge­meen­schap van de kerk is wezen­lijk omdat we daar de Heer ontmoeten en in en door de kerk zijn heil wordt doorge­ge­ven, we daar als leden van Zijn lichaam met de Heer verbon­den zijn en omdat de heilige Geest de ziel is van die ge­meen­schap (LG 7); de per­soon­lijke lijn is vanzelf­spre­kend even­zeer wezen­lijk: als we in de liefde niet volhar­den, de Geest niet bezitten, in de kerk zijn met ons lichaam maar niet met ons hart, wor­den we niet gered, zegt het tweede Vati­caans Concilie (LG 14).

Liefde of regeltjes? God en de structuur

Vaak wordt dat aspect van de kerk als heilsorgaan niet zo gezien en genoemd, maar wordt meer verwezen naar een tegen­stel­ling tussen de liefde en de regeltjes, tussen een kerk­struc­tuur waar ook veel mee mis is en de geloofs­be­le­ving. Toch zal ons ant­woord op de vraag naar de bete­ke­nis van het recht binnen de kerk niet anders kunnen doen dan in feite ingaan op bete­ke­nis van de kerk als heils­ge­meen­schap.

De con­sti­tu­tie over de Kerk van het tweede Vati­caans concilie, Lumen Gentium, heeft het hierover in nummer acht. Ja, zegt het concilie daar, in de kerk is een zicht­ba­re, in­sti­tu­tio­nele kant met een hiërarchische structuur en een gees­te­lij­ke kant, maar in principe is daar geen tegen­stel­ling:

“De enige Middelaar, Christus, heeft zijn heilige Kerk, ge­meen­schap van geloof, hoop en liefde, in deze wereld opgericht als een zicht­ba­re instelling die Hij voort­du­rend onder­steunt en waardoor Hij aan allen genade en waar­heid mee­deelt. De hiërarchische geor­ga­ni­seerde maat­schap­pij en het mystieke lichaam van Christus, de uitwendig zicht­ba­re groep en de gees­te­lij­ke ge­meen­schap, de aardse Kerk en de met hemelse gaven bedeelde Kerk, mogen wij niet als twee dingen be­schou­wen: zij vormen integen­deel één complexe werkelij­heid, samen­ge­steld uit een men­se­lijk en een god­de­lijk ele­ment. Daarom kan men haar, op grond van een niet geringe over­een­komst, met het mysterie van het mens­ge­wor­den Woord ver­ge­lij­ken. Immers, evenals de aangenomen natuur in dienst staat van het god­de­lijk Woord als een levend heilsorgaan, onverbreek­baar met Hem verenigd, ongeveer evenzo staat de sociale kerkin­stel­ling in dienst van Christus' Geest, die haar het leven geeft, met het oog op de uitgroei van het lichaam (vgl. Ef. 4,16).”

Het sociaal karakter van de kerk­ge­meen­schap, haar hiërarchische opbouw dient de uit­voe­ring van de god­de­lijke zen­ding, zoals de men­se­lijke natuur van Christus diende om het heils­werk van de verlos­sing te volbrengen. In en door Zijn men­se­lijk lij­den heeft Christus ons verlost. Het zicht­ba­re aspect van de kerk is door God gewild, dat zit al in de structuur van de sacra­menten: sacra­menten zijn zicht­ba­re tekens met een onzicht­ba­re god­de­lijke genade­wer­king; en het zit in heel de structuur van de kerk: het men­se­lijke en het god­de­lijke zijn er verweven, alles en iedereen is er ten dienste van het door­ge­ven van de bood­schap en de verlos­sing van Jezus Christus.

Rechts­kerk of liedes­kerk? De zonde in de kerk

Het on­der­scheid tussen een ‘rechts­kerk’ en een ‘liefdes­kerk’, met andere woor­den uitgedrukt in de slogan “Jezus ja, de Kerk nee”, heeft wél furore gemaakt. Veel van Rudolf Sohm’s ge­dach­te­goed vin­den we in allerlei vormen terug. Het beant­woordt aan het spontane gevoel van veel mensen dat de kerk te veel een kerk van wetten en regeltjes is. Dat is dus het beeld: een kerk van liefde, de kerk van Christus is verwor­den tot een hiërarchische maat­schap­pij van regeltjes. Die regeltjes wekken na­tuur­lijk helemaal veel irri­ta­tie op als ze ingaan tegen keuzes die mensen zelf hebben gemaakt of als we zien dat die kerk anderen regeltjes voorhoudt, maar er zelf niet aan beant­woordt. De zonde in de kerk geeft daarom meer aanstoot dan zonde buiten de kerk en dat is ook wel terecht. Dat geeft Lumen Gentium 8 trouwens wel doe: de kerk is heilig omdat ze de verlos­sings­kracht van Christus draagt en doorgeeft, ze moet echter ook steeds gezuiverd wor­den, want je zult binnen de kerk ook kwaad en zonde tegen komen, niet alles wat je er vindt, is kerk van Christus.

Piet Huizing

Enigszins in de lijn van Rudolph Sohm dacht prof. Piet Huizing s.j. († 1995), een bekende canonist en hoog­le­raar onder meer in Nijmegen, die meende dat het recht zich niet met het per­soon­lijk gods­dienstig leven van mensen moet bezig­hou­den. Gods­dienstig­heid van mensen is een wezen­lijk per­soon­lijke en vrije daad van mensen. Hierin kan geen men­se­lijk recht of men­se­lijke dwang zich mengen. De gel­dings­kracht van het ker­ke­lijk recht berust op de vrije instem­ming door de ge­meen­schap van de gelo­vi­gen. Huizing beriep zich daarbij min of meer op leer over de gods­dienst­vrij­heid: je mag toch niemand dwingen in gods­dienstige aan­ge­le­gen­he­den, dus waarom zou­den er dan regels en voor­schriften zijn die het per­soon­lijk gods­dienstig leven van mensen betreffen? Volgens Huizing zou­den de belij­denis van het geloof, boete, vasten, brevierplicht, nuchter­heid, deelname aan de Eucha­ris­tie niet meer genormeerd moeten wor­den door het canoniek recht. Huizing sprak dan ook liever niet van "canoniek recht" of "ker­ke­lijk recht", maar bij voor­keur had hij het over "kerkorde", want het zou meer een soort orde­ning van de ge­meen­schap moeten zijn. Daarbij be­klem­toonde Huizing de betrekke­lijk­heid van die kerkorde. Dit nor­menstelsel is maar rela­tief van bete­ke­nis ten opzichte van de band met Christus zelf. De regeling van de betrek­kingen tussen de gelo­vi­gen onderling wordt gerelati­veerd door de per­soon­lijke band die iedere gelo­vi­ge heeft met de Heer zelf. Bovendien is nooit de regel de uit­ein­de­lijke norm, maar het han­de­len van de heilige Geest. De kerkorde kan niet wor­den toegepast wanneer dit schade doet aan het gees­te­lijk wel­zijn van een gelo­vi­ge. Huizing wilde dit principe toegepast zien door in het recht veel meer te spreken van dispen­sa­tie, tole­ran­tie en verontschuldi­ging. Rela­tief is volgens Huizing het canoniek recht ook omdat het ten dienste staat van de pas­to­raal. Voorop staat de taak de bood­schap van het evan­ge­lie door te geven en daarbij kon en kan het soms gebeuren dat bepaalde voor­schriften nodig zijn, maar dat moet in dienst staan van de pas­to­raal. Dit houdt voor Huizing ook in dat de aanvaar­ding van de wet door de kerk­ge­meen­schap fun­da­men­teel is.

Gods­dienst­vrij­heid in de kerk?

Ook dat klinkt wel aan­trek­ke­lijk: het ker­ke­lijk recht moet mensen niet willen dwingen in hun gods­dienstige beleving: er moet gods­dienst­vrij­heid zijn; dat geldt toch ook hier?

Huizing deed daarbij een beroep op de con­ci­liaire leer over de gods­dienst­vrij­heid, die aangeeft dat niemand mag wor­den ge­dwon­gen tot het stellen of achterwege laten van gods­dienstige han­de­lin­gen. Dit recht moet als een burger­recht wor­den erkend (DH 2). Dignitatis humanae, de concilie­ver­kla­ring over de gods­dienst­vrij­heid, bevestigt dat dit burger­recht wor­telt in de waardig­heid van de men­se­lijke persoon en dat die vrij­heid ten zeerste overeen­komt met de geloofs­daad zelf, die niet anders dan vrij kan zijn (DH 9-12). Geloven is immers een daad waarin hart en ziel van de mens tot uiting komen. Derhalve zou­den ker­ke­lijke wetten de gelo­vi­ge vrij moeten laten in zijn per­soon­lijke religiosi­teit, con­clu­deert Huizing.

Het ant­woord daarop is dat het bij canoniek recht niet om de gods­dienst­vrij­heid gaat, die onverlet blijft. Iedere mens is vrij om te kiezen om bij­voor­beeld wel of niet katho­liek te zijn. Maar als je een keuze maakt, moet het ook dui­de­lijk zijn dat je ergens voor kiest. De vrij­heid die het concilie voor­staat, sluit niet uit dat gelo­vi­gen zich aan­slui­ten bij de katho­lie­ke kerk­ge­meen­schap en vanuit een inner­lijke over­tui­ging haar geloof en instellingen aan­vaar­den. Het vrijwillig volge­hou­den lidmaat­schap mag dan ook con­se­quenties met zich meebrengen voor de per­soon­lijke geloofs­be­le­ving die door wet­ge­ving binnen de kerk­ge­meen­schap geürgeerd kan wor­den. De Kerk heeft echter ge­woon­lijk geen mid­de­len om mensen te dwingen. Als de kerk of mensen dus zeggen dat we nuchter een uur voor de communie moeten zijn, dat we moeten biechten, dat bepaalde mensen wel of niet ter communie mogen, gaat het er niet om dat er een controle wordt uitgeoefend, bij­voor­beeld dat er een politie-agent bij de communie­bank staat die bepaalt wie wel of niet ter communie mag gaan. In dit verband is het opvallend dat onze huidige paus de vanzelf­spre­kend­heid van communiceren een beetje doorbreekt door steeds opnieuw te wijzen naar het contact met de biecht­va­der met wie een gelo­vi­ge bespreken kan wat voor hem of haar een goede frequentie is. Hier sluit de paus aan bij een oude traditie binnen onze kerk.

Wanneer de katho­lie­ke Kerk iets voorschrijft wat het geweten bindt, wordt geen dwang uitgeoefend. De Kerk heeft daartoe niet de mid­de­len en wenst dat ook niet. De regels wor­den gevolgd door hen die daarvoor kiezen en aan­vaar­den en geloven dat God een zen­ding aan de Kerk heeft toe­ver­trouwd. Iets anders ligt het na­tuur­lijk als het gaat om orde­ning van de ge­meen­schap, zoals bij de vraag op welke leef­tijd je de eerste heilige communie of het vormsel mag ontvangen. De regels zijn er veeleer om gelo­vi­gen te sti­mu­leren het goede te doen.

De Geest en de communio

Geen regels binnen de kerk want er moet gods­dienst­vrij­heid zijn, geen wetten want het geloof moet een vrije keuze zijn en de ge­meen­schap moet door liefde wor­den geregeerd. Dit lijken eigen­lijk wel aan­trek­ke­lijke stand­pun­ten! Er zitten ele­menten in die ons best kunnen aanspreken, omdat ze de eigen verant­woor­de­lijk­heid be­klem­tonen en de in­di­vi­duele vrij­heid. En gaat het geweten niet boven alles, omdat we toch altijd volgens ons geweten moeten han­de­len? Kan een ker­ke­lijke wet daar iets aan ver­an­de­ren? Er zit dus wel iets waars in deze benadering, maar die laat ook wel enige zaken buiten be­schou­wing, zoals bij­voor­beeld de opdracht om het eigen geweten te vormen over­een­komstig de eisen van het evan­ge­lie, de waar­heid en de wet van God en ook het feit dat wij door Gods wil tot een ge­meen­schap behoren, levende ledematen zijn van een lichaam, dat er coördinatie moet zijn zodat die ledematen een­drachtig samen­wer­ken en dat de heilige Geest de ziel is van dat lichaam. De heilige Geest is dus niet alleen aan het individu gegeven, maar ook aan de ge­meen­schap, aan de kerk als geheel. En er is binnen die ge­meen­schap een beginsel en charisma van een­heid, dat is de bis­schop voor de par­ti­cu­liere kerk - het bisdom - en de paus voor de universele kerk.

Gaven van God uitgeoefend in ‘communio’

Het tweede Vati­caans concilie heeft in Lumen Gentium gezegd dat wij allen door de sacra­menten deel hebben aan de taken van Christus - de munera Christi - van ver­kon­di­ging, heili­ging en bestuur oftewel de profe­tische, pries­ter­lijke en herder­lijke of koninklijke taak. Onze missie als christen is een gave en opdracht van de heilige Geest. Ieder beoefent die opdracht van de Heer op een wijze die past bij zijn roe­ping en plaats binnen de kerk.

Tege­lijk wordt daar vermeld dat deze "munera", deze gaven van de Heer, van nature alleen kunnen wor­den uitgeoefend in “communio”, in ver­bon­den­heid met de paus en de bis­schop­pen. Dat sociale aspect, die een­heid met de universele Kerk hoort er dus wezen­lijk bij. In een verklarende nota die bij Lumen Gentium is gevoegd - de Nota explicativa praevia - , wordt het nader uit­ge­legd: we ontvangen allemaal gaven van de Heer, bij­zon­der in de sacra­menten. Die gaven van de Heer, daar­mee gaan we aan de slag binnen de ge­meen­schap van de Kerk; sommige taken wor­den zelfs uitgeoefend in naam van de Kerk, bij­voor­beeld wanneer iemand namens de pa­ro­chie eerste communie­ca­te­che­se geeft. Voordat de door de sacra­menten ontvangen "munus", die gave van de Heer, klaar is voor officieel gebruik in naam van de Kerk, moet er daarom een juri­dische bepaling bij komen, die onze plaats binnen de kerk­ge­meen­schap bepaalt. Bij­voor­beeld: we hebben allemaal de taak om het geloof door te geven, maar om dat in een officiële positie te doen, bij­voor­beeld als gods­dienst­le­raar of cate­chist, moet iemand bepaalde voor­waar­den van oplei­ding vervullen, zelf dat geloof voorleven en een zen­ding krijgen van de bis­schop. Die voor­waar­den wor­den geborgd door het canoniek recht. Hier heeft het canoniek recht dus de taak om de gaven van God die we allemaal op een bepaalde manier hebben ontvangen, een kader te geven waarbinnen die uitgeoefend kunnen wor­den, zodat alles dient tot opbouw van het geheel.

De sacra­men­tele vie­rin­gen zijn - zoals heel de liturgie - vie­rin­gen van de Kerk (SC 26). De viering van de sacra­menten is dus niet los te zien van de kerk­ge­meen­schap. De li­tur­gische regels maken de vie­rin­gen van de sacra­menten herken­baar als mani­fes­ta­tie van de ene Kerk waarvan ze de een­heid tot uitdruk­king brengen. Ook borgen ze de wezen­lijke kenmerken van liturgie, bij­voor­beeld de wijze waarop Christus een sacra­ment heeft ingesteld. Dat is nodig want mensen vergeten vaak dat li­tur­gische vie­rin­gen ere­dienst zijn, waarin we lof en eer brengen aan God of zelfs dat Jezus heeft gevraagd te dopen met water en de Trinitaire formule. Helaas zijn er zelfs regels nodig om dat in her­in­ne­ring te brengen!

Paus Paulus VI

Na het tweede Vati­caans concilie was het paus Paulus VI die vaak heeft gesproken over de vraag waarom er canoniek recht in de kerk moet zijn. Dat was niet zo ver­won­der­lijk want de tweede helft van de zestiger en de zeventiger jaren van de vorige eeuw waren anti-juri­disch, tegen rechts­regels in de Kerk. De redenen die paus Paulus VI heeft gegeven voor het bestaan van canoniek recht, zou­den we als volgt kunnen samen­vat­ten:

1. Recht­vaar­dige orde in de ge­meen­schap

- De wet beschermt men­se­lijke waar­den, bevordert het algemeen wel­zijn en beschermt de autonomie en de vrij­heid van het individu (29 jan. 1970); het recht dient om orde en vrede in de ge­meen­schap te garanderen (17 sept. 1973); het recht zorgt voor een recht­vaar­dige sociale orde (19 febr. 1977); het canoniek recht zorgt dat de gedoopten elkaar niet scha­den bij het uitoefenen van hun rechten en plichten (4 febr. 1977);

Deze redenen die paus Paulus noemt voor het bestaan van canoniek recht, hebben te maken met het geor­dend uitoefenen van gaven en charisma’s, elkaar niet scha­den, in betrekke­lijke een­heid met elkaar werken aan de opbouw van Gods kerk. Maar die be­scher­mende functie van het rtecht gaat verder dan de gewone orde­ning van het ker­ke­lijk leven waardoor het beter samen­wer­ken wordt. De laatste jaren hebben we daar meer oog voor gekregen, bij­voor­beeld wanneer het gaat om de bestrij­ding van seksueel mis­bruik Iedereen voelt aan dat het goed is dat er dui­de­lijke regels zijn over hoe we dat moeten aanpakken en ook dat het be­lang­rijk is dat iedereen binnen de kerk er op dezelfde goede manier mee omgaat. Het is bij­voor­beeld opvallend dat er de laatste jaren weer een sterke roep is geweest om een dui­de­lijk en meer expliciet straf­recht binnen de kerk, waarbij meer precies bepaald moet wor­den welke straffen dienen te wor­den opgelegd.
En het is ook wel dui­de­lijk dat iedereen in de kerk beschermd moet zijn tegen wille­keur en onrecht­vaar­dige machtsuit­oefe­ning. Want het ontbreken van recht betekent niet vrij­heid, maar het brengt nu eenmaal vaak rech­teloos­heid met zich mnee en het recht van de sterkste, terwijl de zwakkere het onderspit moet delven. Daarom is het goed dat er wetten en regels zijn.

2. Door Jezus ingesteld gezag in de kerk

- Jezus heeft gewild dat zijn onderrich­tingen niet onderworpen zou­den zijn aan de vrije in­ter­pre­ta­tie van de afzon­der­lijke persoon, maar toe­ver­trouwd zou wor­den aan een bevoegde macht; ook de af­dwin­gende rech­ter­lijke macht vin­den we al in de jonge Kerk (1 Kor. 5) (29 jan. 1970); Jezus heeft vol­machten toe­ver­trouwd aan de Kerk;

Paulus geeft in zijn brieven al aan dat een gemeente recht moet spreken, moet oor­de­len of zelfs soms iemand uit haar mid­den moet verwijderen. En we horen hoe Jezus aan de apostelen vol­machten geeft om de kudde te hoe­den, om de zon­den te ver­ge­ven, om te ver­kon­di­gen, de eucha­ris­tie te vieren enzovoorts. Jezus zelf heeft een lei­ding gewild in Zijn kerk. En bij dat uitoefenen van lei­ding hoort nu eenmaal recht.
Paus Paulus zei hierover in een toe­spraak tot de Rota op 29 janu­ari 1970: “Jezus heeft (...) een gezag gewild, dat met bepaalde vormen van macht in dienst van de mensen werd uitgerust.(...) Jezus heeft in feite gewild, dat zijn onderrich­tingen niet onderworpen zou­den zijn aan de vrije in­ter­pre­ta­tie van de afzon­der­lijke persoon, maar toe­ver­trouwd zou­den wor­den aan een bevoegde macht (vgl. Mt. 28, 16-10; Mc. 16,15; Lc. 24, 45-48; Jo. 20, 21-23)".

3. Recht als vereiste voor een feite­lijk bestaande ge­meen­schap

- Omdat de Kerk een sociaal feit is, heeft zij struc­tu­ren en recht nodig: "waar een maat­schap­pij is, daar is ook recht" ("ubi societas, ibi ius") (29 jan. 1970);

Er is geen ge­meen­schap moge­lijk van mensen zonder dat er regels zijn, wetten en struc­tu­ren. Dat is eigen aan ieder sociaal gebeuren.

4. Recht als articulatie van de gaven van de heilige Geest en het wezen van de kerk

- Het canoniek recht moet voort­ko­men uit en bezield zijn door de heilige Geest (17 sept. 1973); het is een pas­to­raal middel om mensen tot het heil te brengen, het dient om de wer­king van de heilige Geest te be­scher­men en te bevor­de­ren; het bewaart de een­heid en de vrede in de ge­meen­schap en geeft de nood­za­ke­lijke verant­woor­de­lijke vrij­heid waardoor ieder zijn roe­ping tot opbouw van het Lichaam van Christus kan vervullen (4 febr. 1977; 19 febr. 1977); het is een pas­to­raal middel, dat nood­za­ke­lijker­wijs voortvloeit uit de sacra­men­tele, geïncar­neerde natuur van de Kerk;

In een toe­spraak op 4 fe­bru­ari 1977 tot de Romeinse Rota, noemde de paus "het juri­dische leven één van de pas­to­rale mid­de­len waarvan de Kerk zich bedient om de mensen tot het heil te brengen". Twee weken later ging de paus nader op dit thema in, in een toe­spraak gehou­den op 19 fe­bru­ari tot de deel­ne­mers aan een congres voor canoniek recht aan de Gregoriana: "Als het canoniek recht zijn fun­dament heeft in Christus, het vleesgewor­den Woord, en dus de waarde heeft van een heilsteken en -instru­ment, dan is dat zo door de wer­king van de Geest, die er kracht en gel­ding aan verleent. Het moet dus het leven van de Kerk tot uitdruk­king brengen, de vruchten van de Geest tonen, het gelaat van Christus open­ba­ren. (...) De canonieke wet ... is een werkzaam en levens­krach­tig instru­ment van de Kerk om haar zen­ding te vervullen". De paus wijst er dan op dat dit in het canoniek recht tot uiting komt in een principe als "suprema lex, salus animarum" (de hoogste wet is het heil van de zielen) of de "aequitas" (billijk­heid) die de toepas­sing van de wet moet bepalen. God­de­lijk recht en zuiver ker­ke­lijk recht moeten hetzelfde doel dienen. Het recht "doodt niet, maar maakt levend", zegt de paus, "Zijn voor­naam­ste taak is niet terug­drin­gen of zich verzetten tegen, maar sti­mu­leren, bevor­de­ren, be­scher­men en een wer­ke­lijke vrij­heids­ruim­te garanderen"

Hiermee gaf paus Paulus aan dat het recht in dienst staat van de gaven van de Geest. We kunnen hier denken aan het ker­ke­lijk recht betreffende het reli­gi­euze leven, een bij­zon­dere vorm van navol­ging van Christus, die armoede, ge­hoor­zaam­heid en kuis­heid omvat. Maar als wij mensen armoede gaan beleven gan we al snel overdrijven door te streng te wor­den of we wor­den daarentegen gelei­de­lijk laks; dan zou er van dat kloosterleven weinig mee rover blijven. Het ker­ke­lijk recht zorgt dan voor de juiste maat. Maar het geldt net zo goed voor andere roe­pingen binnen de kerk. Het canoniek recht biedt vrij­heid om een roe­ping te kunnen volgen.

5. Recht als weergave van de wet van God

- de normen van het canoniek recht weer­spie­gelen vaak het god­de­lijk recht (19 febr. 1977), dus dat wat God zelf heeft bepaald.

Hier zou ik bij­voor­beeld kunnen verwijzen naar het huwe­lijk: voor de kerk kunnen man en vrouw niet schei­den, tenminste niet als het gaat om een sacra­menteel huwe­lijk van twee gedoopten. Dat gaat terug op het evan­ge­lie­woord van Jezus die zegt dat men niet mag schei­den wat God verbon­den heeft (bijv. Mt. 5, 32 of Mc. 10, 8-12)). Binnen de kerk zal er dus eerder naar gekeken wor­den of man en vrouw inder­daad door God verbon­den zijn of dat er redenen zijn waarom dit huwe­lijk niet geldig is gesloten.

Als het ker­ke­lijk recht bepaalt hoe het doopsel moet wor­den toegediend, heeft dat ook hiermee te maken: de Heer heeft het ons zo opgedragen!

Ook in het straf­recht van de kerk komen we veel wetten tegen die opkomen voor de god­de­lijke wet vooral wanneer iets in de bur­ger­lijke wetten niet voldoende beschermd wordt, zoals het men­se­lijk leven.

Heel veel rechts­regels zijn in feite een uit­wer­king en toepas­sing van wat Jezus heeft gezegd en voorge­hou­den.

Zo hebben we stil gestaan bij de bete­ke­nis van het canoniek recht in de kerk. Zeker, er is nog meer over te zeggen, maar ik hoop dat intussen dui­de­lijk is gewor­den dat het canoniek recht niet alleen nodig is omdat er nu eenmaal een aantal afspraken moet zijn over het goed en geor­dend sa­men­le­ven in een ge­meen­schap als de kerk, maar dat het uit­ein­de­lijk ook te maken heeft met het feit dat de kerk het lichaam van Christus is, dat in onze tijd het heil van God doorgeeft en daarin gebon­den is aan wat God, aan wat de Geest aan de kerk gegeven heeft en te zeggen heeft.

+Jan Hendriks

Terug