Arsacal
button
button
button
button


Tweede Pinksterdag voortaan gedachtenis van Maria, moeder van de Kerk

Nieuws - gepubliceerd: dinsdag, 6 maart 2018 - 800 woorden

De Con­gre­ga­tie voor de sacra­menten en de ere­dienst in Rome heeft met goed­keu­ring van paus Fran­cis­cus bepaald dat op de tweede Pinkster­dag voor­taan de (verplichte) ge­dach­te­nis zal wor­den gevierd van Maria, moeder van de Kerk.

Li­tur­gische ont­wik­ke­lingen

In 1975 was voor het eerst een votiefmis van Maria moeder van de Kerk in het missaal ingevoegd; enkele jaren later (1980) werd de aanroe­ping “Maria, moeder van de kerk” in de Litanie van Loreto ingevoegd en in het Mariamissaal (1986) wer­den nog andere mis­for­mu­lieren opgeno­men. Het decreet “Laetitiae plena veneratio” is ook meteen in het Latijn ver­sche­nen (dat gebeurt niet meer zo vaak), is gedag­te­kend 11 februari 2018 en door de prefect kar­di­naal Sarah onder­te­kend. Bis­schop­pen­con­fe­ren­ties die al een feest ter ere van Maria, Moeder van de Kerk hebben inge­voerd op een andere dag, kunnen dat ook in de toe­komst op dezelfde wijze vieren.

Pink­ste­ren

De plaat­sing van de ge­dach­te­nis op tweede Pinkster­dag heeft na­tuur­lijk ermee te maken dat Maria op het Pinkster­feest naar voren komt als Moeder van de kerk doordat zij temid­den van de apos­te­len is wanneer die de uitstor­ting van de heilige Geest ont­van­gen en de kerk aan de dag treedt in de ver­kon­di­ging van Petrus en de eerste doopsels.

Pro­cla­ma­tie van de titel door Paulus VI

De titel van Maria, Moeder van de Kerk werd tij­dens het concilie door paus Paulus VI ge­pro­cla­meerd. Die speelde een be­lang­rijke rol om de bij­zon­dere plaats van Maria ten opzichte van de Kerk aan te geven. Deze pro­cla­ma­tie van Maria als Moeder van de Kerk (Mater Ecclesiae) vond plaats gedurende de plech­tige slotzit­ting van 21 no­vem­ber 1964 - aan het einde van de derde zit­tings­pe­rio­de - waarin de Dogma­tische Con­sti­tu­tie Lumen Gentium werd af­ge­kon­digd.

Verras­sing

Hoewel de bena­ming Moeder van de Kerk aan­vanke­lijk in de titel van de ontwerp-Con­sti­tu­tie over Maria was gebruikt, die door een voor- en tegen­stan­der van de titel namens vele bis­schop­pen in de concilie-aula was be­spro­ken en daarna tame­lijk vaak in interventies en ‘vota’ was aangehaald, kwam de pro­cla­ma­tie toch een beetje als een verras­sing.

Zwarte week

Niet ie­der­een rea­geerde posi­tief; volgens de theo­logoog René Laurentin applaudisseerde ruim één vijfde van de in de concilie-aula aanwe­zigen niet bij de pro­cla­ma­tie, onder wie nogal wat kar­di­na­len en Duitse bis­schop­pen evenals de waarnemers van andere kerken; daarbij zal een rol hebben gespeeld, zoals Luis Tagle stelt, dat de pro­cla­ma­tie een slotakte was van de zo­ge­naamde ‘zwarte week’ van het concilie, waarin rond ver­schil­lende beslis­singen die door de paus waren geno­men met name rond de stem­ming over de ontwerp­tekst over de gods­dienst­vrij­heid en over de Nota Explicativa Praevia bij Lumen Gentium, onder de concilie­va­ders ergernis was ontstaan.

Maria eccle­sio­cen­trisch of Christocentrisch verstaan?

Toch heeft ook de vraag meegespeeld of de Mario­lo­gie niet binnen de Ecclesio­lo­gie geplaatst moet wor­den, omdat Maria gelo­vi­ge, lid van de Kerk is. Sommige concilie­va­ders, periti en de waarnemers waren er beducht voor dat het oecu­me­nisch per­spec­tief van het concilie schade zou lij­den; zij waren de plaat­sing van het hoofd­stuk over Maria in de Con­sti­tu­tie over de Kerk gaan zien als een teken dat Maria voor­taan moest wor­den verstaan als lid van de Kerk en niet anders. Zo was de afkon­diging van Maria als Moeder van de Kerk volgens Schil­le­beeckx louter devotioneel van aard, zonder doctrinele bete­ke­nis, alsof deze theoloog die vóór het concilie het Christo-typisch Mario­lo­gisch per­spec­tief juist had onder­streept, nu deze titel als het ware ‘onscha­de­lijk’ wilde maken, omdat die niet binnen het ecclesiotypisch per­spec­tief paste en Maria boven de Kerk plaatste. Volgens Luis Tagle ging het bij deze titel juist niet om devotie maar om een theo­lo­gisch vraag­stuk. Ook Jozef Ratzinger is die mening toe­ge­daan. Uit deze reacties wordt dui­de­lijk dat ongewild en onbedoeld toch iets van een tegen­stel­ling was ontstaan tussen de ver­schil­lende Mario­lo­gische benade­ringen.

Jozef Ratzinger

Jozef Ratzinger was er tij­dens het concilie van overtuigd geraakt dat de Mario­lo­gie binnen de eclesio­lo­gie gesi­tu­eerd moest wor­den en heeft dat toen onder­steund. Later was hij de mening toe­ge­daan dat dit niet de enige benade­ring kon zijn en dat die “eccle­sio­cen­trische Mario­lo­gie”, zoals Ratzinger die noemde, nadelen had en dat die zelfs de ineenstor­ting van de Mario­lo­gie als zodanig met zich mee had gebracht. Deze opko­men­de crisis wilde paus Paulus VI - overigens zonder succes - bezweren door de titel ‘Moeder van de Kerk’ in te voeren, meende Ratzinger toen. Juist die titel hield een over­stij­ging van de eccle­sio­lo­gische situe­ring van de leer over Maria in en gaf een aan­wij­zing over de ver­hou­ding van Mariale leer en ecclesio­lo­gie.

Aanvaard

Deze dis­cus­sies en vragen spelen heden ten dage echter nau­we­lijks een rol meer: de titel ‘Maria, moeder van de Kerk’ is alge­meen bekend en aanvaard. Door de invoe­ring van deze ge­dach­te­nis wordt die bovendien in het bijbelse per­spec­tief van het Pinkster­feest geplaatst.

Terug