Arsacal
button
button
button
button


In Banneux bij de pelgrims van Haarlem-Amsterdam en Breda

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 26 augustus 2012 - 1499 woorden
Maria in Banneux
Maria in Banneux

Deze zon­dag was ik in Banneux voor de pelgrims vanuit het bisdom Haar­lem-Am­ster­dam en het bisdom Breda die een drie­daag­se bede­vaart in deze bede­vaarts­plaats mee­maak­ten of op een dag­bede­vaart naar de Maagd der armen waren geko­men. Het was een vreugde om zoveel mensen uit allerlei plaatsen van ons bisdom en uit vele pa­ro­chies van het bisdom Breda te ontmoeten.

De nieuwe directeur van het Banneux­werk, pastoor J. Dresmé, was er, evenals Vica­ris H. Pouw van Utrecht, past. M. Prasing van Breda en ver­schil­lende andere pries­ters en zij beleven in Banneux weer mooie en in­spi­re­rende dagen. Ik sprak ook met een pro­tes­tantse dame die zeer gesticht was door alles wat zij hier meemaakte. Sinds zij eenmaal in Banneux was geweest, kwam zij ieder jaar een of twee keer terug.

Hier­on­der volgt de homilie die ik hierbij heb gehou­den bij de lezingen van deze 21e zon­dag door het jaar.

homilie

Beste pelgrims van Banneux, We zijn hier samen geko­men als gewone, een­vou­dige mensen, als kin­de­ren eigen­lijk, bij onze moeder Maria, die hier als de Maagd der armen wordt vereerd. Die titel van Maria geeft aan dat zij er is voor mensen die het niet te hoog in hun bol hebben, die zich niet beter voor willen doen dan zij zijn, maar met een kinder­lijk ver­trouwen hierheen zijn geko­men.

In het evan­ge­lie spreekt Jezus ons daar ver­schil­lende keren over: “Wordt als kin­de­ren... Als gij niet wordt als kin­de­ren, kunt gij het rijk der hemelen niet binnen­gaan”. Dat ver­trouwen van een kind, die eenvoud van hart, wens ik U allen van harte toe, zodat Maria ten volle Uw hemelse Moeder kan zijn.

De basiliek die vele eeuwen gele­den gebouwd is boven de plek waar Jezus is geboren, de kerk van de geboorte in Beth­le­hem, heeft een heel kleine, lage toegangspoort. Bijna ie­der­een moet een beetje bukken om door die deur naar binnen te kunnen gaan. Die toegang tot de basiliek wil een bood­schap tot uitdruk­king brengen: Je kunt alleen maar bij Jezus komen en delen in het geheim van Zijn menswor­ding en Zijn verlos­sing, als je zelf bereid bent klein te wor­den, een­vou­dig en open te zijn.

Kun je dat niet, wil je dat niet, dan zul je dat eerst moeten leren, dan kun je pas verlost wor­den, want die verlos­sing is nu juist dat je wordt bevrijd van de slavernij van de erfzonde, die bestond in de keuze voor jezelf, dat je zelf groot en be­lang­rijk zult zijn, zult schit­te­ren en stralen. De beko­ring van Adam en Eva was dat ze door van de boom van het paradijs te eten gelijk zou­den zijn aan God door de kennis van goed en kwaad.

Het was de aanbid­ding van het eigen “ik”, de weg van de hoogmoed. En van die weg wor­den we niet gelukkig. Dat leert ons het verhaal van Narcissus. Narcissus, zo ver­telt de oude Griekse mythe, was verliefd op zich­zelf en toen hij eens zijn spiegel­beeld in het water zag, was hij zo verliefd dat hij zich­zelf wilde omarmen; hij boog zich voorover, hij viel in het water en verdronk. Hij was alleen en bleef alleen, alles was voor hem­zelf geweest, op hem­zelf gericht en zo verloor hij alles.

In het evan­ge­lie van vandaag komt zo’n moment aan de orde: de mensen hebben lang naar Jezus geluisterd nadat Hij voor hen het wonder van de broodvermenig­vul­diging had gedaan. Maar nu sluiten velen zich af, want Jezus vraagt hen eigen­lijk om helemaal op Hem te ver­trouwen.

“Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven”, had Jezus gezegd. En dat gaat veel mensen te ver. Ze kiezen dan toch voor zich­zelf, voor hun eigen ideeën, hun eigen lijn en vele trekken zich terug en verlaten Jezus. Maar de twaalf apos­te­len lopen niet weg, hun keuze voor Jezus wordt alleen maar verdiept: “Heer, u hebt woor­den van eeuwig leven”.

Zo komen we allemaal weleens voor keuzes te staan: kies je om je over te geven en te ver­trouwen, of haak je af en loop je weg? Kies je voor jezelf of kies je voor God en de naaste, zoals de Maagd der armen, Maria, ons heeft voor­ge­daan. Want zij was altijd be­schik­baar om Gods wil te doen. Gelukkig zijn er veel mensen die weg opge­gaan.

Hier in België zijn bij­voor­beeld de heilige pater Damiaan Deveuster en Zuster Emmanuelle bekend. Pater Damiaan gaf zijn leven voor de arme melaatsen op het eiland Molokai bij Hawaï.

Hij leefde onbeschermd temid­den van besmette­lijk zieken tot hij­zelf besmet raakte en als melaatse met de melaatsen stierf. Hij heeft zoveel goeds gedaan, zoveel liefde gegeven aan deze armen, dat de Belgen hem hebben uit­ge­roe­pen tot grootste Belg van alle tij­den.

En zuster Emmanuelle was een vrouw met een Belgische moeder en een Franse vader. Zij groeide deels in Brussel op, deels in Parijs en zij werd kloosterzuster. Toen zij 65 jaar oud werd, de leef­tijd dat anderen met pensioen gaan besloot zij haar leven te geven voor de armste mensen in Cairo en te gaan leven in de sloppenwijken. Twin­tig jaar heeft zij dit volge­hou­den.

Toen zij 85 werd heeft haar orde haar terug ge­roe­pen om rust te gaan nemen, maar zij bleef vanuit haar klooster hulp voor al die arme mensen or­ga­ni­se­ren. In 2008 is zij gestorven, de engel van Cairo, en onder meer de koning was bij haar uit­vaart aanwe­zig.

Pater Damiaan en zuster Emmanuelle en zovele andere heilige mensen vergaten zich­zelf, zij wer­den dienaren van de armen, zoals Maria dat hier in Banneux is in gees­te­lij­ke zin: Maria is de Maagd der armen, hier kun je met je noden naar haar toe­gaan, zij is de dienares van een­vou­dige mensen met het hart van een kind.

Als we een­vou­dig van hart zijn kan precies gebeuren wat Maria al in het evan­ge­lie heeft gezegd en uitgezongen: “Hoog verheft mijn ziel de Heer, want Hij verheft de geringen, Zijn keus viel op zijn een­vou­dige dienst­maagd”. God doet grote dingen aan een­vou­dige mensen.

Probeer dus in liefde een een­vou­dige, gevende mens te zijn, je in dienst te stellen van de armen zoals Maria dat heeft gedaan, en God zal je leven vrucht­baar maken. Mis­schien zult U denken: hoe kan ik me in dienst stellen van anderen, ik ben al op leef­tijd, ik ben niet zo gezond, of: ik kan niet zo veel...

Het gaat er niet om of je veel of weinig kunt, het gaat erom hoe je leeft, het gaat om onze in­stel­ling: zijn we als kin­de­ren en dienend of vervuld van ons­zelf en onze eigen kwalen, vol van eigen besognes? In de tweede lezing van vandaag uit de brief van de apostel Paulus stond een zin die de dames onder ons mis­schien niet zo leuk von­den om te horen: “Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer”.

Wil Paulus hier zeggen dat de mannen zijn ge­roe­pen om te heersen en dat de vrouwen maar onderdanig moeten zijn? Nee, het gaat om iets heel anders. Je moet eigen­lijk de hele lezing nemen, en niet alleen dat ene zinnetje. Want even verder gaat het over de man die zich moet geven aan zijn vrouw, zoals Christus zich gaf aan de Kerk.

En de tweede lezing begon met de woor­den: “Weest elkaar onderdanig”. Dus de vrouw moet de man dienen en de man moet de vrouw dienen. De woor­den van die lezing willen ons dus zeggen dat we allemaal in een geest van dienst­baar­heid, een geest van dienende liefde met elkaar moeten omgaan; dat geldt voor man en vrouw, maar eigen­lijk voor ie­der­een: Wees open naar God en open naar je naasten, dienend en verlangend iets voor anderen te betekenen.

Dat kunnen we doen door onze liefde­volle inzet maar ook door ons gebed. Zelfs als je niet zo sterk meer bent: door je gebed kun je de hele wereld dragen en door ons gebed kunnen we alles tot stand brengen, is niets te moei­lijk of te zwaar.

Zo is Maria voor ons allen. Zij is een moeder die zorg draagt, onze voor­spreek­ster en mid­de­la­res. Altijd kun je bij haar terecht. Maar Maria is ook een moeder die zich zorgen maakt. Dat zullen vele moeders herkennen.

In alle grote Mariaver­schij­ningen van de laatste twee eeuwen, zegt Maria eigen­lijk steeds weer het­zelfde: er staat zoveel te gebeuren met de wereld er is zoveel nood en ellende en de mens­heid zakt zo diep weg in de modder van deze tijd, in ongeloof en deca­dentie, in allerlei kwaad en in op­per­vlak­kige dingen die van geen waarde zijn, dat Maria steeds weer waar­schuwt als een goede moeder: bekeer je! Bidt! Bidt voor de zon­daars! Bidt de rozen­krans en probeer de wereld met licht te vervullen, het licht van de waar­heid, het licht van Gods liefde.

Laten we hier dus een­vou­dig als kin­de­ren naar onze hemelse Moeder Maria gaan om vervuld te wor­den van dat licht en die genade waardoor wij op onze beurt ons hart kunnen openen voor God en de naaste. AMEN

Terug