Arsacal
button
button
button


Gebed als fundament voor parochievernieuwing

Bijdrage aan de Impulsdag voor parochievernieuwing

Artikel Parochie - gepubliceerd: zaterdag, 10 november 2018 - 4401 woorden
Fontein bij de Tiltenberg waarop Jezus'zending van de leerlingen wordt uitgebeeld: Gaat uit...
Fontein bij de Tiltenberg waarop Jezus'zending van de leerlingen wordt uitgebeeld: Gaat uit...

Toen ik pries­ter was gewijd, kwam ik terecht in een stads­paro­chie. Toenter­tijd, bijna veer­tig jaar gele­den, zat de kerk nog aar­dig vol, al was de teruggang allang dui­de­lijk merk­baar. Er kwamen tussen acht- en negen­hon­derd mensen naar de heilige Mis, maar daarvan was maar een der­tigtal bene­den de vijf­tig à vijfen­vijf­tig. Ik kon dus dui­de­lijk zien waar het naar toe zou gaan en dat vond ik soms bijna de­pri­me­rend: je wilt als jonge pries­ter een geloofs­ge­meen­schap opbouwen, niet het stervens­pro­ces van de ge­meen­schap be­ge­lei­den.

Hoe kan ik hier iets opbouwen?

Na­tuur­lijk kwam daar­mee de vraag bijna dwingend op me af: Hoe kan ik hier iets opbouwen? Ik hield mezelf al gauw voor - en dat ben ik sindsdien blijven doen - dat het altijd gaat om het zaaien van het goede zaad, maar dat het niet aan mij is om te bepalen waar en hoe het vrucht zal dragen. Het zal vrucht dragen op Gods tijd en plaats. En dat het gaat om de ziel van een mens, van iedere mens, niet om aantallen en sta­tis­tie­ken, zoals koning David al te horen kreeg toen hij een volk­stel­ling had gehou­den (2 Sam. 24). Dit wil zeggen dat iedere mens die een stap naar God zet, onze moeite meer dan waard is.

Zo was er een jongen in de pa­ro­chie, één van de acolieten, die geïn­te­res­seerd was in het geloof, die stappen zette op het pad van gees­te­lij­ke lei­ding en er serieus over dacht om pries­ter te wor­den. Ik had veel tijd en aan­dacht aan hem gegeven en was toch wel teleur­ge­steld toen hij een heel andere kant op ging dan die van het pries­ter­schap. Ik verloor hem uit het oog, ook omdat ik kort daarna werd overge­plaatst. In die­zelfde tijd was er een stu­dent van de land­bouwuni­ver­si­teit van Wa­ge­nin­gen, die uit de pa­ro­chie afkoms­tig, die bij een reli­gi­euze orde ging en pries­ter en mis­sio­na­ris werd, wat hij nog steeds is. Ik had niet meer dan enkele vluch­tige woor­den met hem gewisseld, kende hem verder niet. Dit was toen voor mij een teken dat ik niet moest denken dat ikzelf de genade kon sturen, dat ik de genade niet in mijn hand heb en al helemaal niet of en wat voor vrucht die draagt en waar die vruchten draagt. Ik moet zaaien. Zaaien en bid­den. Niet cal­cu­le­ren. Een paar maan­den gele­den kwam ik na bijna veer­tig jaar - bij een vormsel­vie­ring in ons bisdom - die acoliet van toen weer tegen die een heel andere rich­ting was opge­gaan. Hij is pen­ning­mees­ter van een van de grootste pa­ro­chies van zijn bisdom en heel actief en betrokken bij heel het ker­ke­lijk gebeuren. Hij had een mooi gezin en ik kon even kennis maken met zijn vrouw. En na­tuur­lijk dacht ik toen weer: Re­sul­taten? Loslaten en ver­trouwen. Geen volk­stel­lingen, niet cal­cu­le­ren. Jij ben niet degene die bepaalt of en hoe het zaad vrucht draagt. God gaat Zijn weg met iedere mens en de wegen van God zijn onnaspeur­lijk (Rom. 11,33).

Bidden

Hoe kan ik iets opbouwen? Het eerste ant­woord op die vraag was dus dat ik dat los moest laten, dat de basis van mijn pries­ter­schap was dat ik alles achter moest laten om Jezus te volgen en dat dit ook mijn hang naar zicht­ba­re en concrete successen omvatte. Het ver­trouwen op Gods voor­zienig­heid in een situatie die daar men­se­lijker­wijs niet toe uitno­digde kon er alleen zijn en blijven als ik me erop zou toeleggen - bij al mijn men­se­lijke zwak­heid en onvol­ko­men­heid - een man van God te zijn, als ik me in Hem durfde on­der­dom­pe­len en dus tijd zou durven verliezen aan gebed, de retraite en medi­ta­tie. In het activisme dat me eigen is, moest en moet ik leren het niet te zoeken in een steeds grotere hoeveel­heid ac­ti­vi­teiten en dat het “succes” van mijn pries­ter­schap uit­ein­delijk meer zal zitten in mijn vermogen om bij de Heer te zijn en vanuit die aanwe­zig­heid te leven en te werken, dan van dingen die ik doe. Ik merkte trouwens dat mijn eigen men­se­lijke zwak­heid en onvol­ko­men­heid veel te bepalend wer­den, telkens wanneer ik op mij­zelf steunde. Mijn gedachten, mijn woor­den, mijn ini­tia­tie­ven - zo rea­li­seer­de ik me - zullen vol­ko­men anders wor­den - ook al doe ik mis­schien deels dezelfde dingen - wanneer ikzelf in Zijn te­gen­woor­dig­heid ver­keer. Want mensen moeten Hem ontmoeten, niet mij. Dit moet wel ongeveer zijn wat Jezus bedoelde toen Hij Zijn leer­lin­gen leerde dat zij steeds moesten bid­den (Lc. 1) en wat Paulus schreef: “Bidt zonder ophou­den” (1 Tess. 5,17).

Het eerste is dus dat ik zelf moet bid­den en dat ik moet zoeken wat mij helpt om te bid­den: stilte en tijd, maar ook bezoeken aan in­spi­re­rende plaatsen, retraites en alles waarvan ik merk dat het me gees­te­lijk helpt.

Een contact vanuit het gebed

Ik ben in die eerste pa­ro­chie daarop be­gon­nen met drie ini­tia­tie­ven, althans drie wil ik er hier bij­zon­der noemen. Rond de kerk hingen iedere dag groepjes jon­ge­ren rond, de meeste van hen nog zeer jong, zo tussen de twaalf en vijf­tien jaar oud. Ze had­den niet veel te doen en er waren toen nog geen com­puters of in­ter­net. Soms verniel­den ze iets of spoten graffiti op de muren van de kerk. Samen met een vrouwe­lijke reli­gi­euze zijn we deze jongens - het waren allemaal jongens - weke­lijks uit gaan nodigen om spel­le­tjes te doen en wat te praten. Soms deden we een gebed en er kwam ook weleens wat catechese voorbij. Sommige jongens kwamen vaak, anderen soms, maar er ontstond iets van een band, van respect en er bleek veel meer in die jongens te zitten dan ik op het eerste gezicht had gedacht. Het graffiti-spuiten hield op en daar was de pastoor dan weer blij mee. Eerlijk­heidshalve: het idee was niet van mij geweest maar van deze zuster Liesbeth, die mid­den in het leven stond en tege­lijk een bid­dende vrouw was met moe­der­lijke en chris­te­lijke liefde en die mede gevoed werd door de cha­ris­ma­tische vernieu­wing. Zij bad voor deze jongens en ging vanuit haar gebed naar hen toe. Dat maakte haar contact met hen na­tuur­lijk wezen­lijk anders en dieper.

Zo hori­zon­taal!

Een ander ini­tia­tief kwam ook al niet uit mij­zelf, maar het was een idee van mijn gees­te­lijk leidsman. Het was in die tijd erg in de mode om voor allerlei vie­rin­gen boekjes te maken met eigen teksten, die meestal vooral de gedachte ver­woord­den dat je goed moest zijn voor je mede­mens; de ver­ti­cale dimensie was toch wel wat minder aanwe­zig. De per­soon­lijke relatie met God of de ont­moe­ting met Hem in het gebed en de sacra­menten kwam zelfs vrijwel niet aan de orde en omdat ook de lezingen van de Mis door leden van de werk­groep wer­den uit­ge­zocht, kwamen er veel niet-Bijbelse lezingen voor en beperkten de lezingen uit de Bijbel zich ge­woon­lijk tot de teksten die het liefde­vol han­de­len voor de mede­mens be­klem­toon­den. Het wezen van liturgie als lofzang Gods kwam in het gedrang en gepaard daar­mee ver­an­der­de de sfeer in de kerk in die jaren van de liturgie­ver­nieu­wing. Werd ik vroeger als kind bij de Tri­den­tijnse liturgie geacht stil te zijn, niet om te kijken in de kerk - praten en omkijken in de kerk waren biecht­puntjes! - en te bid­den; na de vernieu­wingen van de jaren zes­tig en zeven­tig werd het bijna onmoge­lijk om te bid­den in een kerk omdat er altijd geklets was en ander lawaai. In plaats van de aanwe­zig­heid van de drieëne God kwam het contact met de mede­mens centraal te staan, ook binnen het kerk­ge­bouw. Dat was toen na­tuur­lijk een fase in het seculari­sa­tie­pro­ces dat onze samen­le­ving de afgelopen zeven­tig jaar heeft beheerst. Ik heb toen weleens ver­zucht - met de woor­den van het gedicht van Guido Gezelle - “Gij badt op eenen berg alleen, en... Jesu, ik en vind er geen, waar ‘k hoog genoeg kan klimmen om U alleen te vin­den: de wereld wil mij achterna...”.

Medi­ta­tie

Ik ben toen be­gon­nen vrij­wil­li­gers die me open leken te staan voor zo’n ini­tia­tief, uit te nodigen voor een medi­ta­tie­groep. Weke­lijks kwamen de leden van het groepje samen voor een vrij in­for­mele bij­een­komst waarop ik een kleine inlei­ding gaf op het evan­ge­lie dat acht of negen dagen later op zon­dag zou wor­den gelezen. Het was een inlei­ding op het gebed, dat wil zeggen dat het doel van de inlei­ding was te helpen om te bid­den over dit evan­ge­lie, met de gebruike­lijke Igna­ti­aanse re­flec­tie­vra­gen: waar was ik bij Hem, wat heeft mij geraakt in dit evan­ge­lie; waar was ik niet bij Hem, wat had mij niet veel te zeggen en wat voel ik voer Hem na afloop van het gebed. De week daarop begon de bij­een­komst - na het gebed - met ieders re­flec­tie (na­tuur­lijk in zoverre ieder dat wenste te delen) en een gesprek daarover. Die zon­dag erna hoor­den ze het evan­ge­lie en de preek in de kerk heel anders en trouwens heel hun inzet voor de kerk en hun eigen leven kreeg meer inhoud.

Door­wer­king van de medi­ta­tie

Er waren enkele dames bij de medi­ta­tie­groep die in de gezins­werk­groep zaten en dat had al heel gauw een effect op de bij­een­komsten van deze werk­groep die minder een doe-groep werd, die met knippen en plakken een “liturgie” samen wilde stellen met maar weer het evan­ge­lie van die barm­har­tige Samari­taan. Er kwam meer diepgang in. Voor mij had dit bovendien het voor­deel dat ik veel minder hoefde te zeggen dat iets niet mocht of niet kon in de liturgie, omdat er gelei­de­lijk een aanvoelen ontstond van wat wel of niet passend was in de vie­ring van de Eucha­ris­tie en er een verlangen kwam om dieper door te dringen in de bete­ke­nis en de eigen­heid van de vie­ring. De medi­ta­tie­groep was niet groot, mis­schien vijf, zes mensen, maar ze was als een steen in de vijver, die steeds wijdere kringen trok.

Aanbid­ding

Vanuit deze groep kwam daarna het verlangen om aanbid­ding te hebben in de kerk, met uit­stel­ling van het heilig Sacra­ment. Later toen ik zelf pastoor werd, heb ik iedere dag aanbid­ding hou­den in de paro­chie­kerk, vanaf drie kwar­tier voor de vie­ring van de Eucha­ris­tie. Dat bevorderde een gebeds­sfeer in de kerk en de bele­ving van Jezus’ te­gen­woor­dig­heid, er kwamen meer mensen naar de Mis en de aanbid­ding is na­tuur­lijk op zich­zelf een genade die door­werkt in de harten van de mensen en die de pa­ro­chie verandert, vaak nog meer dan wat de pries­ter zegt over het beleven van het geloof, omdat woor­den aller­eerst het hoofd en het verstand, maar de aanbid­ding direct het hart raakt als bron van liefde.

Tekst­groep

Het derde ini­tia­tief betrof de tekst­groep van het jon­ge­ren­koor dat de jon­ge­ren­vie­ringen voor­be­reidde. Ook met deze jon­ge­ren deed ik iets derge­lijks als in de medi­ta­tie­groep, al waren de bij­een­komsten anders van opzet. Het evan­ge­lie van de zon­dag waarop de jon­ge­ren­vie­ring zou zijn was het uitgangs­punt voor een inlei­ding, stille over­we­ging en daarna gesprek. Met de jon­ge­ren van de tekst­groep en andere jon­ge­ren van het koor die we daarvoor uitno­dig­den hiel­den we ver­vol­gens ook abdij­week­enden en andere be­zin­nings­da­gen.

Tijdloos

Op zich is dit na­tuur­lijk een verhaal van lang gele­den, van de tijd dat ik pas pries­ter was, maar het is ook tijdloos en wat erachter zit is nog steeds even­zeer be­lang­rijk. Het is wezen­lijk dat we een geest van gebed in onze pa­ro­chies proberen te brengen. Catechese en geloofs­ver­kon­di­ging zijn even­eens zeer be­lang­rijk maar ik zou haast zeggen dat de geest die in een ge­meen­schap heerst, nog wezen­lijker is. Alles moet erop gericht zijn dat mensen God kunnen ontmoeten.

Vrij­wil­li­gers, maar geloof speelt geen rol

En in veel pa­ro­chies is juist dat niet aanwe­zig: het geloof speelt nau­we­lijks een rol, het gaat meer om het vervullen van tra­di­tio­nele rol­pa­tro­nen, een vrij­wil­li­gers­werk, een lezing doen enzo­voorts. Het is voor mensen sowieso al veel moei­lijker om over hun bele­ving te praten dan over wat ze doen.

Het CBS onder­zoek over geloven

Heel veel mensen zeggen in onze tijd dat ze niet gelovig zijn, het Centraal Bureau voor de Statis­tiek gaf onlangs als re­sul­taat van onder­zoek aan dat in 2017 het aantal mensen dat met een reli­gi­euze stro­ming is verbon­den gedaald was tot 49%. Het onder­zoek God in Neder­land van het jaar daarvoor kwam op 14% theïsten - mensen die in een per­soon­lijke God geloven- en 28 % ietsisten - mensen die geloven dat er wel iets is. Dat wil niet zeggen dat de andere 51 % uit het onder­zoek van het CBS of de 58 % uit God in Neder­land helemaal niet reli­gi­eus is, wel dat religio­si­teit veel diffuser is gewor­den. In het CBS-onder­zoek komen de ver­schil­lende pro­tes­tantse deno­mi­na­ties (men kon kiezen tussen Neder­lands Hervormd, Pro­tes­tantse Kerk in Neder­land of ge­re­for­meerd) tot 15 %, de katho­lie­ken tot 24 %, maar al is het aantal katho­lie­ken getals­ma­tig te­gen­woor­dig dus hoger dan het aantal pro­tes­tan­ten, bij de katho­lie­ken is het kerk­be­zoek flink afgeno­men, waar dat bij de pro­tes­tan­ten - alle soorten pro­tes­tan­ten samen geno­men - meer stabiel is gebleven. De con­clu­sie lijkt te moeten zijn dat katho­lie­ken langer bij de kerk­ge­meen­schap blijven maar er minder aan doen, terwijl pro­tes­tan­ten eerder de kerk verlaten als ze er toch weinig meer aan doen. Het kan nog zijn dat sommige evan­ge­li­cale ge­meen­schappen zich niet in de CBS-indeling van de pro­tes­tan­ten herken­den en zich bij de “overigen” hebben opge­ge­ven, die 6% bedroegen. Het aantal moslims stijgt wel en verder is bij niet-moslims met een migratie-ach­ter­grond is de ker­ke­lijke par­ti­ci­pa­tie veel groter. We zijn dus blij dat we veel mi­gran­ten­ge­meen­schappen hebben in ons bisdom Haar­lem-Am­ster­dam.

Geloven en bid­den

Het onder­zoek God in Neder­land vroeg de res­pon­denten of zij weleens bid­den. 53% ant­woordde daarop nooit te bid­den, dan zijn er veel, maar de andere groep die weleens bidt is dus toch nog groter dan alle theïsten en ietsisten uit dat onder­zoek bij elkaar! Andere onder­zoeken zeggen zelfs dat meer dan de helft van de Neder­landers bidt, ook daar meer dan er zeggen gelovig te zijn! Wat betekenen deze cijfers? Met koning David en diens volk­stel­ling in gedachten moeten we er niet te veel belang aan hechten, ze zeggen na­tuur­lijk wel dat de ker­ke­lijke par­ti­ci­pa­tie en de ver­bon­den­heid met een kerk of bepaalde gods­dienst is afgeno­men, ze zeggen niet veel over de reli­gi­euze gevoelens van mensen, hooguit dat we kunnen con­clu­deren dat die in ieder geval meer diffuus zijn gewor­den. Dat blijkt al uit het onder­zoeksre­sul­taat dat meer mensen bid­den dan er zeggen gelovig te zijn! Mensen hebben een minder dui­de­lijk en ker­ke­lijk beeld van God, maar dat wil niet zeggen dat hun gods­diens­tige gevoelens verdwenen zijn al hebben ze op dat vlak geen dui­de­lijke over­tui­gingen meer.

Bredere intitiatieven vanuit de kerk

Bij deze re­sul­taten sluiten bredere ini­tia­tie­ven vanuit de kerk aan die meer naar het gebed en de erva­ring toe lei­den dan dat ze expliciete ver­kon­di­ging zijn, bij­voor­beeld door mensen uit te nodigen in de kerk of bij een Aller­zie­lenher­den­king een kaarsje op te steken, daar stilte te ervaren en wellicht iets van de aanwe­zig­heid van de Heer. Dit zijn laag­drem­pe­lige ini­tia­tie­ven die ge­mak­ke­lijker op een po­si­tie­ve respons kunnen rekenen dan directe ver­kon­di­ging op straat, al is dat laatste zeker ook niet ver­keerd. Meer mensen hebben een open­heid voor een vorm van gebed en dus voor iets dat meer op het terrein van de erva­ring ligt, dan voor een leer. Het is dus een idee om daar ook bij de ver­kon­di­ging op aan te sluiten en in ieder geval gelegen­heid te bie­den om in de stilte en rust tot een gebed te komen.

Het belang van een erva­ring

Velen van jullie zullen het verhaal van Alphonse Ratisbonne (1814-1884) kennen, een ongelo­vi­ge Fransman afkoms­tig uit een Joodse bankiers­fa­mi­lie, verwant met de Rothschilds, die in Rome de kerk van Sant’ Andrea della Fratte binnen­ging. Van dat bezoek getuigde hij later: ik ging daar binnen als atheïst, ik kwam eruit als overtuigd Rooms-Katho­liek. Toen moest hij nog wel ‘even’ gedoopt wor­den, na­tuur­lijk! Maar wat hij daar ont­ving was een erva­ring, een genade, een binnentre­den in Gods te­gen­woor­dig­heid en in die zin een gebeds­er­va­ring. Daar moet wel bij ver­teld wor­den dat er eerder door katho­lie­ke vrien­den van hem veel gebe­den was en dat sommige katho­lie­ken en pro­tes­tan­ten hem al vaker zonder succes had­den proberen te overtuigen. Uit­ein­de­lijk kunnen we alleen proberen een terrein voor te berei­den waarop de genade-bliksem kan inslaan! De stilte, de ruimte voor het gebed, is zo’n terrein. Een mens wordt in het gebed anders geraakt dan door ver­kon­di­ging; beide zijn be­lang­rijk.

Een ge­meen­schap die bidt...

Als de ge­meen­schap vurig is, een bid­dende ge­meen­schap, dan zal de catechese of bijbel­groep niet alleen kennis overdragen maar ook met vuur kunnen bezielen. Iedere bij­een­komst in de pa­ro­chie moet ook iets van dat vuur in zich dragen, ergens ook gebed zijn. Na­tuur­lijk het is een genade als mensen God ontmoeten, een cadeautje van de Lieve Heer, maar wij mogen daaraan mee­werken en we zijn ge­roe­pen dat te doen door in voor­beeld en woord en door het scheppen van guns­tige situaties een bodem te berei­den waarop het goede zaad van het evan­ge­lie kan opschieten.
In sommige pa­ro­chies heerst een geest van geloof en gebed, een gericht­heid op Gods aanwe­zig­heid en werk­zaam­heid. Dat is heel goed. Een ge­meen­schap kan heel klein zijn, maar als die bidt, is ze geopend naar een universum, een eeuwig­heid, dan wordt ze alom­vat­tend. Een ge­meen­schap die niet bidt, hooguit mis­schien gebe­den zegt, wordt tot een clubje van beken­den die met elkaar koffie drinken na de vie­ring. Het geloof sijpelt daar weg. Wie met God gaat wordt alom­vat­tend, omdat God zelf niemand uit Zijn liefde sluit. Liefde is mede­deel­zaam; een ge­meen­schap die bidt kan eigen­lijk niet anders zijn dan verwel­ko­mend zijn naar buiten­staan­ders, missio­nair, verlangend de goede, blijde bood­schap te delen dat Jezus Christus is verrezen.

Stappen naar gebed

Heel be­lang­rijk is dus een erva­ring van Gods te­gen­woor­dig­heid om tot gebed te komen. Die erva­ring kan heel diffuus zijn, maar het is een erva­ring die op een of andere manier het hart raakt, een verlangen opwekt en tot een vorm van bid­den brengt. Daarom wil ik U graag meenemen op weg van stappen naar gebed. De bedoeling is even stil te staan bij enkele aan­dachts­pun­ten die van belang kunnen zijn als we mensen - en ons­zelf - willen be­ge­lei­den naar het gebed toe. Deze stappen zijn be­lang­rijk voor iedere evangeli­sa­tie, juist omdat het gebed het hart raakt en de kennis die we opdoen van het geloof door het gebed of door een gebeds­hou­ding binnen zal kunnen gaan in het hart.

Het men­se­lijk verlangen

Funda­ment voor het gebed is ons men­se­lijke verlangen. Het men­se­lijke verlangen gaat altijd verder, het is hier op aarde nooit voor­goed verza­digd. Dat is uit­ein­delijk een verlangen naar goed­heid, naar waar­heid, naar schoon­heid. Een mens heeft uit zich­zelf een onbeperkte open­heid, niet alleen naar “dingen om te hebben”, maar naar “de ander”, die hem zich­zelf en eigen behoeften doet overstijgen; en uit­ein­delijk is dat een verlangen naar De Ander, naar God.

De erken­ning van deze open­heid, dit verlangen naar en gericht-zijn op de ander is start­punt voor het contact met God, voor het gebed.

Het verlangen bespreek­baar maken

Als we mensen willen helpen om tot God te komen en de pa­ro­chie willen maken tot plaats van gebed, kan het helpen om dat verlangen bespreek­baar te maken. Waar gaat je verlangen naar uit, je diepste en mooiste verlangen? Het was Jezus eerste vraag aan degenen die Hem achterna waren gegaan en Zijn eerste leer­lin­gen zou­den wor­den: “Wat verlangt ge?” (Jo. 1, 38). Dit verlangen moet zich “bekeren” naar de grootst moge­lijke open­heid: naar het verlangen van de Geest (vgl. Rom. 8,6; vgl. ook Rom. 7,19), naar het verlangen naar een “nieuwe hemel en een nieuwe aarde”, vgl. Jes. 11, 6-7; 2 Petr. 3, 13; Apc. 21). Uit­ein­de­lijk is het verlangen van de mens dan - zoals gezegd - een verlangen naar God. Dus het zich-bewust wor­den van dit verlangen is een be­lang­rijke stap naar het gebed en dus een be­lang­rijke stap in de evangeli­sa­tie

En dan geldt wat Blaise Pascal ooit schreef: “Troost je, je zou me niet zoeken, als je me niet al gevon­den had”(B. Pascal).

Ga er op in!

We moeten ons niet te gauw neerleggen bij de mede­de­ling “Ik ben niet gelovig”. Daar­mee bedoel ik niet dat we die mede­de­ling niet serieus moeten nemen, maar de vraag is altijd toch nog: Wat versta je onder gelovig of niet gelovig zijn? En een volgende vraag zou ook kunnen zijn: bid je weleens (en waarom wel of niet)?

Veel mensen bid­den niet omdat ze niet geloven: dan is er niemand die luistert, niemand die spreekt, de mens is alleen. Dat mensen bid­den is een teken van geloof, ook als ze zeggen niet te geloven. Als mensen bid­den en zeggen niet gelovig te zijn, wat regel­ma­tig voor­komt, zoals we zagen, betekent dat ze hun inner­lijke over­tui­ging moei­lijk of niet met een geloof associëren.

Een diaken ver­telde me het verhaal van een man, wiens moeder overle­den was. De diaken kwam op bezoek om de uit­vaart te bespreken. In dat gesprek zette de man zich vrij hef­tig af tegen alles wat geloof was. Hij had er niets mee, deze uit­vaart was alleen omdat zijn moeder dat wilde, maar hij wilde wel graag een woordje zeggen. Snikkend begon hij aan het einde van de vie­ring met dat woordje: “Mam, ik weet dat je me hoort...” en aan het einde: “Mam, tot ziens.... Er is meer geloof dan de enquêtes aan­ge­ven...!

Anderen geven wel toe dat er iets moet zijn: een absoluut beginsel, een kracht, een begin, een dyna­miek die aan de oorsprong staat van al het zijnde. Er is mis­schien wel iets, maar wat dat “iets” ook is, dat zwijgt.

God als verre, vage kennis (of nooit ontmoet)

Maar gebed is juist com­mu­ni­ca­tie: meer luis­te­ren overigens dan spreken. Uitgangs­punt voor het gebed is dat God bestaat en dat God zich met mij wil bezig hou­den, dat ik tel voor Hem, de moeite waard ben. En tenslotte dat deze God bij machte is te han­de­len, dat Hij ook iets voor mij te doen. Hij kan de loop van mijn leven ver­an­de­ren en Hij kan mijn hart ver­an­de­ren en het een andere ori­ën­ta­tie geven.

Door het gebed wordt ons bewust­zijn van Gods aanwe­zig­heid versterkt. Het is zoals onder mensen: hoe minder je iemand ontmoet, des te meer vervaagt de relatie. Kun je nog spreken van ver­trouwen als je iemand altijd voorbij loopt? God kan een verre kennis wor­den die lang gele­den naar Australië is geëmi­greerd.

Maar hoe kun je mensen helpen om die vage kennis van heel vroeger of die God die ze nooit hebben leren kennen, toch te ontmoeten in het gebed?

Stilte om te reflec­te­ren en te be/ver-won­de­ren

Daarvoor zijn stilte en inkeer nodig. “Kom nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn”(Mc. 6,31), zegt Jezus tegen de leer­lin­gen.

Wij zoeken God vaak waar Hij niet is, want de Heer is niet in het lawaai, niet in de opwin­ding en stress­volle drukte, niet in de nieuwste “hype”, niet in radio, TV, in­ter­net, fraaie auto’s, con­sump­tie, luxe, nerveuze vermoeid­heid, gejaagd­heid. We wor­den overvallen door allerlei gedachten, on­ge­or­dende in­for­ma­tie, grote hoeveel­he­den zeer gevarieerde indrukken. Deze en andere zaken maken ons juist vaak on­ge­schikt om God te vin­den, want Hij is de God van ons hart.

Dit is een groot nadeel van onze westerse samen­le­ving.

In de stilte, rust en vrede, waar we bij ons­zelf zijn, in de maat die we hou­den, in re­flec­tie, in studie, in bewonde­ring, in harmonie en schoon­heid, in moeite die we ervaren en in de gave van ons­zelf, daar is God.

Dus als we mensen willen helpen tot een ont­moe­ting met God te komen, zou­den we met hen die rus­tige plaats moeten zoeken, in een abdij, in de natuur, een kerk, rond het vuur enzo­voorts. “Kom nu eens mee...”.

Gelegen­heid bie­den om te spreken

In de stilte kunnen bepaalde erva­ringen juist in alle hevig­heid op ons af komen: angsten (voor ziekte, een vriend­schap die verslechtert, de dood die nadert, een beko­ring die maar terug keert...). De stilte maakt ook dui­de­lijker wie wij zijn en waar wij staan. Dat betekent dat het goed is - als we zelf deze weg gaan of mensen op die weg be­ge­lei­den - wanneer er ook gelegen­heid is om met iemand door te spreken, die kan helpen alles bewust aan de voeten van de Heer te leggen.

In Zijn te­gen­woor­dig­heid

Bidden is ook niet het zeggen van bepaalde woor­den. Bidden is niet ideeën krijgen over God, ook is bid­den niet het zoeken van bevesti­gingen in de H. Schrift voor eigen ideeën en over­tui­gingen. Het gaat er ook niet om of we genoeg gedachten hebben gekregen in het gebed, maar het gaat om een ont­moe­ting: Hij is daar: “Ik kijk naar hem en Hij kijkt naar mij”, zei de boer in de kerk van de pastoor van Ars, toen die hem vroeg wat hij daar zo lang deed in de kerk. Bidden is aan­dacht, er is geen manier waarop je dat eigen­lijk zou moeten doen, behalve door je aan­dacht vrij te maken.

Dat geldt ook voor het gebed voor bepaalde intenties. Het is na­tuur­lijk heel be­lang­rijk om mensen heel bewust mee te nemen in ons gebed, zeker mensen die ons om gebed hebben gevraagd en mensen van wie wij hopen dat zij een bepaalde genade mogen ont­van­gen. Dat gebed voor deze intenties, voor deze mensen wordt tot gebed door onze aan­dacht en liefde, doordat het in Gods te­gen­woor­dig­heid wordt gedaan; dus breng je voor de geest dat Hij je ziet, dat Hij je kent, dat Hij je liefheeft en bij je is.

Genade...op Zijn tijd

Na­tuur­lijk is iedere Gods­ont­moe­ting genade, niet iets wat je kunt af­dwin­gen. (vgl. het levens­ver­haal van Nobel­prijswin­naar dr. Alexis Carrel die tweemaal in Lourdes een onverk­laar­ba­re gene­zing meemaakte en daarna tot overtuigd geloof kwam, toen hij een keer de basiliek binnen kwam).

Dus...

Ik wil maar zeggen: een pa­ro­chie wordt alleen maar vernieuwd als ze van een kletsende een bid­dende ge­meen­schap wordt, als de te­gen­woor­dig­heid van de Heer er centraal staat. In dat ver­band is aanbid­ding van het heilig Sacra­ment zeer be­lang­rijk. Het bewust­zijn dat de Heer te­gen­woor­dig is, leidt tot gebed en dat gebed verandert de harten van mensen en opent een ge­meen­schap om missio­nair, evan­ge­li­se­rend, open naar nieuwe mensen te zijn.

Terug