Arsacal
button
button
button
button


Erkenning en waardering....

Missiezondag in de Sint Pancratiuskerk te Castricum

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 21 oktober 2012 - 1173 woorden
de vice-voorzitter, mw. Clarien A.M. Slot-Abeling opent de ontmoeting, rechts pastoor Kaleab
de vice-voorzitter, mw. Clarien A.M. Slot-Abeling opent de ontmoeting, rechts pastoor Kaleab

Deze zon­dag, 21 ok­to­ber, heb ik de pa­ro­chie van de Goede Herder met de Sint Pancratius­kerk in Castricum bezocht. Na de heilige Eucha­ris­tie­vie­ring, opge­luis­terd door het uits­te­kend dames- en heren­koor van de pa­ro­chie, was er een ont­moe­ting voor de pa­ro­chi­anen met de gelegen­heid om vragen te stellen en in gesprek te gaan.

Er kwamen vele vragen variërend van het seksueel mis­bruik, de communie onder twee gedaanten, hoe betrekken we jon­ge­ren bij de kerk, waarom is er zo'n afstand tussen de pa­ro­chi­anen en de hiërarchie, waarom wordt de bete­ke­nis van hemelse bood­schappen niet meer onder de aan­dacht gebracht, het celi­baat enzo­voorts. Allemaal vragen waaruit de grote be­trok­ken­heid bij de kerk van de aanwe­zige pa­ro­chi­anen bleek.

Ik heb ge­pro­beerd zo goed moge­lijk te ant­woor­den, al weet ik na­tuur­lijk ook niet op alles raad. De pa­ro­chie heeft een pastoor die uit Ethiopië afkoms­tig is en daaruit zijn allerlei leuke contacten gegroeid met Ethiopië: de MOV-groep van de pa­ro­chie was net in Ethiopië en over twee weken gaat de voetbal­club DEM waar de pastoor een ethousiast lid van is. Hier­on­der de homilie die ik bij deze gelegen­heid heb gehou­den.

Homilie 29e zon­dag door het jaar

Ieder mens krijgt graag waar­de­ring en ie­der­een wil wel een plaatsje onder de zon.

Als je een goede plaats krijgt toegewezen, als je een hogere rang of be­vor­de­ring krijgt, als je erop vooruitgaat in sala­ris, dan is mis­schien vaak nog wel het be­lang­rijk­ste: dat mensen je zien staan, dat er waar­de­ring uit spreekt voor wie je bent en wat je doet, dat je erken­ning vindt.

Daarom wordt een ko­nin­klij­ke of ker­ke­lijke onder­schei­ding ook vaak zeer op prijs gesteld: het is een teken, een gebaar van erken­ning en waar­de­ring.

We vieren vandaag missie­zon­dag en ik denk dat de mensen in de lan­den van de zo­ge­naamde derde wereld ook een stukje erken­ning, waar­de­ring en ver­bon­den­heid ervaren als ze horen en zien dat hun rijkere mede­mensen, hun geloofsgenoten in de westerse wereld, een bijdrage geven, hen steunen met projecten waardoor zij zich kunnen ont­wik­ke­len, een oplei­ding kunnen volgen, een kans krijgen op een betere toe­komst.

In sep­tem­ber was ik op de cursus voor de nieuwe bis­schop­pen en daar kwam een Bra­zi­li­aanse bis­schop naar me toe om me te zeggen: Ik heb zoveel aan Neder­land te danken: ik ben door een Neder­landse mis­sio­na­ris gedoopt, heb bij een Neder­landse pastoor mijn eerste communie gedaan, ik kreeg les op het semi­na­rie van een Neder­lander en ik ben door een Neder­landse bis­schop gewijd.

En ooit kwam ik een Afrikaanse pries­ter tegen die me ver­telde dat hij in zijn gebe­den altijd nog dacht aan een Neder­landse familie die zijn studie had betaald.

Het was dui­de­lijk bij die twee personen, die pries­ter en die bis­schop, dat zij die hulp vanuit Neder­land als een teken van liefde, van zorg en waar­de­ring had­den ervaren.

Zo zal het hier in Castricum ook gaan: later zullen mensen ver­tellen: pastoor Kaleab, een Ethiopische pries­ter, heeft mij gedoopt, bij hem heb ik mijn eerste communie gedaan, of: hij heeft mijn man begraven.

Zij zullen dat zeggen met dank­baar­heid en waar­de­ring voor de pastoor die aan hen dit teken van liefde had gegeven.

En dat is nu weer een van de mooie dingen van onze uni­ver­se­le Kerk: we zij niet een Kerk van Castricum, van Noord-Holland of van Neder­land, maar een Kerk van de hele, wijde wereld, een uni­ver­se­le Kerk.

Wij zijn in de Kerk verbon­den met mensen over de hele wereld, rijk en arm, wit, geel of bruin, uit een oude cultuur of een land in ont­wik­ke­ling, dat maakt niet uit: we zijn broeders en zusters van elkaar en dat drukken we heel bij­zon­der uit door onze bijdrage op een dag als vandaag, op missie­zon­dag.

Ook de apos­te­len hiel­den van waar­de­ring, van erken­ning en een mooie positie.

Één kant van de medaille is daar­van dat het goed is wanneer wij die waar­de­ring aan anderen laten blijken, als we iemand beves­tigen in het goede en mooie wat die doet. Dat doet ons­zelf ook goed.

We krijgen allemaal weleens graag een aai over onze bol en het hoort bij de naasten­liefde dat we onze waar­de­ring voor anderen uiten.

Maar we kunnen aan de andere kant ook te zeer haken naar bevesti­ging, streven naar waar­de­ring en naar een hoge positie.

Als iemand heel erg ambitieus is, kan dat er mee te maken hebben dat die persoon zich eigen­lijk ten diepste niet zo aanvaard en beves­tigd voelt, dat hij of zij zich eigen­lijk niet goed genoeg voelt en daarom per se iets moet bereiken om maar goed gevon­den te wor­den.

Dan staat de positie na­tuur­lijk ook wel heel erg in het teken van zelf iets te betekenen, iets te zijn.

Maar je bent goed zoals je bent, en je bent al helemaal goed als je probeert te dienen, iets probeert te betekenen voor andere mensen en uit­ein­delijk: als je probeert om te leven met een hart vol liefde voor God en je naaste.

Je hoeft geen uitzon­der­lijke pres­ta­ties te ver­rich­ten, geen hoge positie te bekle­den, je bent het beste als je gewoon liefde­vol jezelf probeert te zijn.

In het evan­ge­lie van vandaag proberen twee apos­te­len bij Jezus de beste plaatsen voor zich­zelf te regelen.

En de andere apos­te­len zijn geen haar beter, want die wor­den kwaad als zij merken dat die twee dit had­den gevraagd.

Het ant­woord van Jezus komt eigen­lijk beide keren op het­zelfde neer: God heeft je ge­roe­pen om je te geven, je zult zelfs heel wat kruisen moeten dragen.

God heeft je ge­roe­pen om te dienen, er dus voor anderen te zijn en welke positie je ook bekleed, wat ook je plaats in Kerk of samen­le­ving is, vergeet nooit dat je je plaats gekregen hebt, niet om jezelf te ver­heer­lij­ken of er zelf voor­deel van te hebben, maar om te dienen, om je leven te geven.

Een tame­lijk jong echtpaar met twee kleine kin­de­ren kwam voor moei­lijke vragen te staan omdat één van de jonge kin­de­ren - ik weet niet wat voor ziekte het was - vaak benauwd en daardoor angs­tig was.

Ik weet niet meer alle details, maar de con­clu­sie was toch dat het be­lang­rijk zou zijn als één van de ouders thuis zou blijven.

Beide ouders had­den een goede baan, bei­den had­den veel plezier in hun werk, bei­den zagen ze er tegen op om de hele dag thuis te zijn, minder geld te hebben, hun sociale contacten te missen.

Maar ze wisten allebei ten diepste dat hun leven als dienst was bedoeld en dat deze situatie van hen vroeg om dit ingrijpend besluite te nemen; en ze hebben met liefde die moei­lijke keuze gemaakt en het is gelukkig heel goed gegaan.

Je leven is er uit­ein­delijk niet om je eigen ambitie te bevre­digen, maar om te dienen, God en de naaste. En dat blijft altijd heel be­lang­rijk.

Als we ons dit rea­li­se­ren, zullen we ook de kracht ont­van­gen om bepaalde offers te brengen, de offers die nodig zijn om onze taken in dit leven in trouw en op dienst­ba­re wijze te kunnen vervullen.

AMEN

Terug