Arsacal
button
button
button
button


Niet zelfvoldaan....

homilie zondag 'Gaudete'

Overweging Preek - gepubliceerd: maandag, 17 december 2012 - 1115 woorden
voorzijde van de H. Laurentiuskerk
voorzijde van de H. Laurentiuskerk

Deze zon­dag was ik in de heilige Lau­ren­tius­kerk in Alkmaar aan het Verdronkenoord, een prach­tige Cuijpers­kerk, waar een heilig Bloed­won­der wordt vereerd, waar­van de mid­del­eeuwse reliek nog steeds aanwe­zig is.

Er werd fraai gezongen door de Gre­go­ri­aanse schola, die alle wisselende Gre­go­ri­aanse gezangen uit­voerde en na­tuur­lijk het Rorate Coeli en door het gemengde koor dat onder meer een Mis van Bruckner ten gehore bracht.

Hier­on­der volgt de homilie die ik bij deze gelegen­heid - op zon­dag ‘Gaudete’ - heb gehou­den (na­tuur­lijk ston­den we daarin ook stil bij de ramp die zich op de basis­school in Newtown VS had vol­trok­ken):

Homilie

Wat eigen­lijk toch wel opvalt in het evan­ge­lie is dat Jezus een veel betere relatie schijnt te hebben met tolle­naars, pros­ti­tuees en andere zon­daars, dat wil zeggen: met de mensen die nou niet zo' n heel gewel­dig leven leid­den, beter dan met de zo­ge­naamde brave mensen, de Fari­zeeën en de schrift­ge­leer­den, de hoge­pries­ters en de vooraanstaan­den.

De tolle­naars waren toch een soort collaborateurs met de Romeinse bezet­ting en zij ston­den bovendien in de kwade reuk van de boel op te lichten: meer geld te vragen dan hun eigen­lijk toekwam.

En van een van de vrouwen die Jezus volg­den wordt gezegd dat uit haar zeven duivelen waren uit­ge­dre­ven, dat moet dus wel heel erg zijn geweest! Terwijl de schrift­ge­leer­den en de Fari­zeeën juist mensen waren van gebed, van vasten en aalmoezen.

Dus blijk­baar gaat het daar uit­ein­delijk toch niet om, de braaf­heid van deze mensen geeft toch niet de door­slag....

Onze bis­schop, mgr. J. Punt heeft het al vaker gezegd: wij zijn geen chris­te­nen, wij zijn geen katho­lie­ken omdat wij zoveel beter zijn dan andere mensen, dat hebben we maar al te vaak en al te pijn­lijk onder ogen moeten zien.

Maar wij zijn chris­te­nen omdat wij weten, er inner­lijk van overtuigd zijn, dat wij verlos­sing nodig hebben.

Een van de meest treurige reclames op de radio vind ik wel die van het Humanis­tisch verbond, want - met alle respect voor die organi­sa­tie - zij komen in dat spotje naar voren met de bood­schap: wij geloven in een leven vóór de dood. U voelt na­tuur­lijk wel de impliciete steek naar de chris­te­nen en andere gelo­vi­gen die in een leven ná de dood geloven.

Dat leven vóór de dood is dan het leven van de krach­tige, succes­volle, geslaagde, gezonde mens, die het allemaal zo goed voor elkaar heeft.

Het is het beeld van een zelf­voldane mens, die niemand nodig heeft en het beeld van een maak­ba­re samen­le­ving, waarin al je behoeften wor­den bevre­digd.

En mis­schien heeft dat beeld in de afgelopen decennia in ons land wel een beetje de over­hand gehad.

Maar dat is eigen­lijk meteen al over als je in een ander wereld­deel gaat kijken en dan niet in een toe­ristenresort, waar alles goed gere­geld is, maar als je het leven van de mensen ter plaatse zou delen of tenminste onder ogen zou zien.

Want het overgrote deel van de wereldbe­vol­king leeft in armoede, gebrek, oorlog en ver­vol­ging.

Zij hebben niets te klagen als de trein 10 minuten te laat komt, zij zijn zelfs al blij als er über­haupt iets komt, mis­schien een oude gammele bus die ergens op de dag na vele uren wachten arriveert.

Wellicht dat de eco­no­mische situatie van dit moment - bij alle verdriet en moei­lijk­he­den die deze voor veel mensen teweeg brengt en die ik niemand gun: het verliezen van je baan, schul­den, je huis niet kunnen verkopen, enzo­voorts -, wellicht dat bij al die problemen de hui­dige situatie dan toch dat ene voor­deel heeft, dat die ons weer iets meer bewust maakt van de kwets­baar­heid van ons bestaan, van de ver­gan­ke­lijk­heid van alle mate­rië­le dingen, van hoe voor­bij­gaand alles is.

Hoe kwets­baar en onvoorspel­baar ons men­se­lijke bestaan eigen­lijk is, hebben de mensen in Newtown in de Verenigde Staten op een gruwe­lijke manier moeten ervaren.

Een gemeente waar alles bijna perfect was: jarenlang helemaal geen criminali­teit in Newtown, scholen die bekend staan om hun hoge kwali­teit, een plaats waar mensen naar toe ver­hui­zen om daar te kunnen wonen... in dit paradijs gebeurt dan zo iets vre­se­lijks...

We willen meeleven met de mensen daar en in gebed aan hen denken.

Mis­schien dat zulke erva­ringen en berichten ons mensen van het rijke Neder­land iets meer bewust maakt van de kwets­baar­heid van ons aardse bestaan, ook weer iets opener kan maken, ons leven iets minder volgepropt, ons hart weer iets meer verlangend, ver­wach­tings­vol, uitziend naar...

In het evan­ge­lie van vandaag hoor­den we de grote adventsprediker Johannes de Doper.

Hij riep de mensen op tot beke­ring, zij moesten zich voor­be­rei­den op de komst van de Messias over wie Johannes zei: Híj zal u dopen met de heilige Geest.

En wie geven er dan gehoor aan die oproep? Jawel, het zijn niet de braafste mensen, niet degenen die alles prima voor elkaar hebben, maar het zijn die tolle­naars weer en ook soldaten, die zeker niet altijd zo' n keurig leven had­den geleid: plun­de­ren en afpersen wor­den door Johannes als hun kwalen genoemd.

En verder ook het gewone volk, ook dat is vol ver­wach­ting.

Het gaat er dus uit­ein­delijk om of je in je hart eer­lijk die vraag aan God stelt, die we in dit evan­ge­lie aan Johannes horen stellen: Wat moeten wij doen? Heer, wat moet ik doen? Als je die vraag eer­lijk durft te stellen, niet zelf­ge­noeg­zaam bent, open je jezelf voor iets nieuws, voor een nieuw begin.

Dat is voor ons mensen van deze tijd best wel moei­lijk gewor­den, want die vraag houdt in feite in dat je jezelf klein wilt maken, dat je je iets wilt laten gezeggen, dat je bereid bent een nieuwe weg in te slaan.

En wij mensen van deze rijke tijd, van deze verza­digde samen­le­ving, doen dat niet zo ge­mak­ke­lijk meer.

Een teken daar­van is wel dat de meeste mensen het best las­tig vin­den om het sacra­ment dat ons voor beke­ring gegeven is, de biecht, het sacra­ment van boete en ver­zoe­ning, dat dit sacra­ment weinig belang­stel­ling heeft.

Toch ontmoet ik vaak mensen die dit sacra­ment eigen­lijk graag zou­den ont­van­gen, omdat ze in hun hart ergens een verlangen hebben om zo' n nieuw begin te maken, omdat zij zich best wel van een bepaalde last van het verle­den willen bevrij­den, omdat ook in hun hart die vraag van het evan­ge­lie weer­klinkt: wat moet ik doen? Hoe dan ook, deze advents­tijd brengt weer opnieuw onder onze aan­dacht dat je alleen christen kunt zijn als je ver­wach­tings­vol leeft, niet zelf­ge­noeg­zaam, wetend dat je verlos­sing nodig hebt.

In die zin wens ik U allen een goede voor­be­rei­ding op het kerst­feest en nog een gezegende advents­tijd!

AMEN

Terug