Arsacal
button
button
button
button


Studiedag over het tweede Vaticaans concilie in het Jaar van het Geloof

Vaticanum II vijftig jaar later

artikel_vaticanumii - gepubliceerd: vrijdag, 12 april 2013
een pauze tijdens de studiedag Vaticanum II
een pauze tijdens de studiedag Vaticanum II

Op De Tiltenberg werd op vrijdag 12 april een studiedag gehouden voor priesters, diaken, pastoraal werkers, catechisten en catechetische medewerkers van het bisdom. Behalve de Eucha­ris­tie­viering, middaggebed, lunch en uitwissling in groepen, waren er twee lezingen. Tegen de vijftig deelnemers maakten de dag mee.

Prof. dr. P. van Geest hield een lezing over Augustinus en Gaudium et Spes waarin hij het dialogale, naar waarheid zoekende karakter van zowel de kerkvader als de conciliaire constitutie aan de orde stelde. In de morgen hield ik de onderstaande lezing met reflecties over de doorvoering van de belangrijkste verworvenheden van het concilie.

Vaticanum II vijftig jaar later

Een reflectie

In dit Jaar van het Geloof ligt een bijzonder accent op de herdenking van het tweede Vaticaans concilie dat aan onze aandacht en studie wordt aanbevolen in de Apos­to­lische Brief Porta Fidei, waarmnee paus Benedictus XVI dit jaar heeft uitgeroepen en waaraan in het decreet van de Penitentiarie van 14 September j.l. een volle aflaat is verbonden. Deze uit­no­di­ging van onze emeritus paus moet tot die nieuwe overweging van de documenten van het concilie leiden, waar deze paus tijdens zijn pontificaat al mee begonnen was. Diens laatste grotere inhoudelijke tekst was de toespraak die hij op 14 februari 2013 tot de geestelijkheid van het bisdom Rome heeft gehouden en waarin hij uitgebreid is ingegaan op zijn eigen ervaring van het tweede Vaticaans concilie en op enkele wezenlijke punten en aanzetten die door die kerk­ver­ga­dering zijn gegeven.

Opvallend is dat de emeritus paus zowel in zijn toespraak tot de clerus als in de afscheidswoorden die hij tot de kardinalen heeft gesproken, de aandacht richtte op de Kerk als mysterie, als levend lichaam van Christus, als volk van God de Vader, als tempel van de heilige Geest. In dit verband noemde Benedictus XVI de uitdrukking “communio” (gemeen­schap) de beste aanduiding en samenvatting van de leer van het concilie over de Kerk, juist omdat dit woord niet alleen de gemeen­schap onder de leden van de Kerk aanduidt en bij­voor­beeld de collegialiteit binnen het bis­schop­pencollege, maar vooral ook omdat dit woord duidelijk maakt dat de Kerk een beeld is van de communio in de Drieëne God, Vader, Zoon en heilige Geest. Zo werden de afscheidswoorden van deze paus een pleidooi voor een trinitaire ecclesiologie. Zonder meer is dit mysterie-karakter van de Kerk, waaraan het eerste hoofdstuk van de dogmatische constitutie over de Kerk Lumen Gentium is gewijd, een belangrijk aspect van deze constitutie.

het doel van het concilie volgen paus Johannes

Toch is het tegelijkertijd duidelijk dat de zalige paus Johannes XXIII een meer praktisch, apos­to­lisch, pastoraal doel voor ogen had toen hij het concilie bijeenriep. De Apos­to­lische Constitutie Humanae salutis, waarmee hij dat gedaan heeft, beklemtoont dat van de Kerk wordt vereist dat zij de blijvende, leven gevende, goddelijke kracht van het Evangelie ten volle inbrengt in de aderen van de menselijke gemeen­schap, zoals die heden ten dage is. Daartoe moet de Kerk de teken des tijds leren onderscheiden en met de hulp van alle gelovigen, moet de Kerk steeds meer geschikt worden om antwoorden te geven op de vragen van de mensen van deze tijd. Daarnaast noemde paus Johannes de opdracht om te streven naar de eenwording van de christenen en in contact te treden met hen die zonder geloof zijn alsmede de taak om vrede te bewerken en zich in te zetten voor alle zaken die in de sociale leer van de Kerk zijn uitgewerkt. Paus Johannes XXIII had dus duidelijk een concilie voor ogen dat de kerk zou helpen naar buiten te treden, in contact te komen met mensen en gemeen­schappen om hen deel te laten hebben aan de kracht van het evangelie en een bijdrage te leveren aan de opbouw van een rechtvaardige maat­schappij. Zijn invalshoek was dus de zending van de Kerk en het doel een beter begrip te krijgen van de wereld waarin wij leven om aan die wereld het evangelie te kunnen brengen. Het is deze doel­stel­ling die vaak is samengevat met het Italiaanse woord “aggiornamento”.

De liturgie

In zijn geciteerde toespraak tot de Romeinse clerus, noemde paus Benedictus het een gelukkige greep dat het werk van het concilie begonnen was met de liturgie omdat zo tot uiting komt dat God op de eerste plaats komt en niets gesteld mag worden boven de dienst aan God. Inderdaad is dat tweevoudig karakter van de liturgie: de eer die aan God wordt gebracht en de genadevolle aanwezigheid van de Heer in de liturgie door de constitutie Sacrosanctum concilium, door de constitutie voorop gesteld (SC 7). En herhaaldelijk wordt beklemtoond dat de liturgie en binnen de liturgie de sacramenten en daarbinnen weer de viering van de heilige Eucha­ris­tie en de heilige communie culmen et fons, bron en hoogtepunt zijn van heel het kerkelijk leven.

Wat de liturgie betreft, heeft het tweede Vaticaans concilie dus het belang van de liturgie en de werkzame aanwezigheid van de Heer in de liturgie onderstreept (SC 2, 5-10). Daarnaast heeft de constitutie over de liturgie een aantal beginselen gegeven aan de hand waarvan de liturgie moest worden herzien en de Misorde moest worden vernieuwd, zoals: de actieve deelname moest worden bevorderd, verdubbelingen en onnutte toevoegingen die in de loop der tijden waren aangebracht moesten uit de Mis worden weggelaten (SC 50), het lectionarium moest worden herzien zodat binnen enkele jaren het belangrijkste deel van de bijbel in de liturgie zou worden voorgelezen (SC 51), er moest bijzonder belang worden gehecht aan de homilie (SC 52), vooral op zon- en feestdagen moest het gemeen­schap­pe­lijk gebed (de voorbede) worden hersteld (SC 53) en de volkstaal moest met name in de lezingen en het gemeen­schap­pe­lijk gebed en in de gedeelten die het volk toekomen een passende plaats krijgen (SC 54). Daarnaast moest de communie onder twee gedaanten (SC 55) en de concelebratie (SC 57) vaker mogelijk worden.

Veel van deze wensen van het concilie zijn inderdaad verwerkelijkt: de voorbede en de concelebratie zijn niet meer weg te denken, de lectionaria bieden ons in een lezingencyclus de belangrijkste gedeelten van het Oude en Nieuwe Testament, er is vaker gelegenheid om onder twee gedaanten te communiceren (al is de vorm waarin dat gebeurt helaas niet altijd de goede).

Paus Benedictus XVI heeft het meer wezenlijke punt van de werkzame aanwezigheid van de Heer in de liturgie onderstreept door bij verschillende gelegenheden aandacht te vragen voor de ars celebrandi en door in de liturgie die hijzelf vierde die te­gen­woor­digheid van Christus duidelijk centraal te stellen in de liturgische inrichting en de vormgeving van de liturgie zelf.

Één belangrijk punt van de liturgievernieuwing heb ik nog niet genoemd. Het is de participatio actuosa (de actieve deelname), waarop door de Liturgische Beweging en sinds de heilige paus Pius X ook door pausen en kerkelijke documenten was aangedrongen. De voorkeur wordt uitgesproken door de constitutie voor een gemeen­schaps­viering (SC 27), voor een liturgische viering waarin iedere bedienaar of gelovige uitsluitend en volledig doet wat hem krachtens de aard van de zaak en de liturgische richtlijnen toekomt (SC 28-29) en voor een actieve deelneming van de gelovigen door acclamaties, antwoorden, liederen, lichaamshoudingen, handelingen en gebaren. Het concilie beklemtoont dat het natuurlijk niet gaat om een louter uiterlijke deelname, dat men weet wanneer men moet zitten of staan of hoe de schuldbelijdenis wordt gebeden, maar om een innerlijke deelname en dat daarvoor liturgische vorming van groot belang is (vgl. SC 11, 14-19). De liturgische vorming in de theologische opleidingen moet dit doel dienen en de zielzorgers moeten zich met ijver en geduld wijden aan de liturgische vorming van de gelovigen (SC 19), volgens Sacrosanctum Concilium. Dit aspect vraagt anno 2013 nog veel aandacht. Het besef van wat liturgie is en van wat een actieve deelneming vraagt, is vrij beperkt aanwezig! Wat een verschil maakt het of men de heilige Eucha­ris­tie viert met een vrij lauwe groep of met een gemeen­schap die innerlijk en uiterlijk actief betrokken is bij de geheimen die worden gevierd. In dit verband is het van belang steeds voor ogen te houden hoe de heilige liturgie zo vorm kan worden gegeven dat de aanwezige gelovigen er zoveel mogelijk bij betrokken kunnen zijn en er zo veel mogelijk geestelijk nut van kunnen hebben. Daarbij is trouw aan de liturgische boeken en richtlijnen van groot belang, zoals ook de constitutie zelf beklemtoont (SC 22) -, al was het maar omdat de liturgie viering en manifestatie van communio is en een handeling van de Kerk (actio Christi et Ecclesiae, SC 7; vgl. c. 834), Paus Benedictus XVI heeft in zijn laatste toespraak tot de clerus van Rome het belang van deze blijvende vorming sterk beklemtoont: het gaat uiteindelijk niet om een oppervlakkig meedoen maar om een binnentreden in de communio van de Kerk en zo in de communio met Christus. Het gaat in de liturgie en met name in de Eucha­ris­tie om de viering van het paasmysterie en het binnentreden daarin, om een innerlijke participatie en daartoe is vorming noodzakelijk.

De liturgie is dus een concrete en zichtbare beleving en uitdrukking van ons kerk-zijn. De ecclesiologie vertaalt zich als het ware in de liturgie. Zo is de actieve deelname van alle gelovigen en het door hen vervullen van de taken die hun toekomen, een zichtbaar teken van de communio die de Kerk is.

"communio": verticaal en horizontaal

De volgende grote constitutie van het tweede Vaticaans concilie is de dogmatische constitutie over de Kerk, Lumen Gentium. Niet voor niets zouden Lumen Gentium en de pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et spes, door kardinaal L.J. Suenens tijdens het concilie worden gezien als de twee polen waarom de andere documenten van het concilie zijn gegroepeerd: de Kerk ad intra en de Kerk ad extra. In deze beide documenten zou de kern tot uitdrukking komen van wat paus Johannes als doel­stel­ling aan dit concilie had meegegeven: het apos­to­lisch, missionair karakter van de Kerk versterken met de mede­wer­king van alle gelovigen, de eenwording van de christenen en de dialoog met de wereld.

Zoals is aangeduid, is het begrip “communio” door paus Benedictus XVI in zijn afscheidstoespraak tot de Romeinse clerus een sleutelwoord genoemd voor een goed begrip van de ecclesiologie van Lumen Gentium. Het eerste hoofdstuk van deze constitutie gaat over het mysterie van de Kerk en dus over haar communio met God. Daarmee is duidelijk aangegeven dat de Kerk niet primair moet worden gezien als instituut en zichtbare organisatie, maar als te­gen­woor­digheid van de Heer, wat in dat eerste hoofdstuk culmineert in het bijbelse beeld van het Lichaam van Christus. Ook de verbinding van de gelovigen met elkaar moet derhalve niet op de eerste plaats worden gezien als een sociologisch gegeven, als het lidmaat­schap van een zichtbare instelling, maar als een geestelijke gemeen­schap, vrucht van de sacramenten: “Wij zijn immers in de kracht van één en dezelfde Geest door het doopsel één lichaam geworden”, citeert LG 7 de eerste brief van de apostel Paulus aan de Korintiërs (1Kor. 12,13). Deze sacramentele band wordt voorop gesteld in de constitutie, voordat die in het tweede hoofdstuk over de zichtbare gemeen­schap begint. Het belang van de sacramenten wordt trouwens ook elders beklemtoond, bij­voor­beeld waar het gaat om de deelname aan de zending van Christus, die uitgedrukt wordt met het bekende schema van de drie munera (gaven, taken): het zijn de sacramenten die deel geven aan de profetische, priesterlijke en herderlijke of koninklijke taak van Christus en die deelname is bij ieder sacrament (doopsel, vormsel, wijding) telkens weer anders. Ook in het derde hoofdstuk van Lumen Gentium wordt het sacramentele karakter in het licht gesteld: de sacramentaliteit van de bisschops­wijding wordt plechtig bevestigd in LG 21 en daarbij wordt aangegeven dat door die sacramentele wijding de munera worden verleend op basis waarvan de bisschoppelijke zending kan worden uitgeoefend. Ook van de priester­wijding (LG 28) en de diaken­wijding (LG 29) wordt het sacramentele karakter bevestigd.

Die klemtoon op het sacramentele karakter van de wijdingen, van heel het kerkelijk leven en van de Kerk zelf, is uitermate belangrijk, niet in de laatste plaats omdat dit inhoudt dat de benoeming en de verlening van de jurisdictie, waarin de paus een belangrijke en uiteindelijke rol speelt, in een beter perspectief worden geplaatst: de benoeming of zending of verlening van jurisdictie is een toestemming en verlening van iets dat door de wijding fundamenteel al gegeven is. Een bisschop ontvangt als een geestelijke genade alle bevoegdheden fundamenteel al in de bisschops­wijding, maar het is door de specifieke zending dat hij die op een bepaalde plaats kan uitoefenen en dat hij in communio is (en soms is die zending nodig voor de geldigheid). Deze uit­wer­king is zeer belangrijk voor het oecumenisch gesprek met name met de oosterse christenen die weliswaar niet de jurisdictie van de paus ontvangen, maar wel heel het sacramentele karakter van de Kerk hebben bewaard. Daar komt bij dat het concilie heeft verklaard dat de Kerken van het oosten de bevoegdheid hebben zichzelf te besturen (UR 16). De klemtoon is dus veel minder op jurisdictie, op juridische bevoegdheid, en meer op sacramentaliteit komen te liggen. Ik denk dat het tweede Vaticaans concilie er zeer toe heeft bijgedragen dat de oosterse christenen zich meer thuis zijn gaan voelen in de katholieke kerk en zich daar meer mee zijn gaan verbinden. Zoals uit de reacties van de patriarch van Moskou bleek heeft ook de invoering van de Tridentijnse Mis als buitengewone vorm daartoe bijgedragen. Natuurlijk blijven er daarnaast nog gevoeligheden, die vaak duiden op de vrees dat de Kerk van Rome de andere Kerk wil overheersen en knechten.

Hier ligt wel een belangrijk aspect van het concilie dat in onze streken bijna niet is doorgekomen. Misschien paste het sacramentele karakter ook niet zo goed bij de secularisatie die plaats vond. We zijn geneigd meer te denken in categorieën als: wat kan iemand? wat doen wij samen? Wanner we denken in categorieën van menselijk kunnen, komen vragen zonder naar de sacramenteel-theologische achtergrond te vragen, zoals: waarom kan iemand die getrouwd is of vrouw is of homo niet evengoed priester zijn? Dan wordt de viering van de heilige Eucha­ris­tie meer een viering en breken en delen, een handeling dus van de gemeen­schap in de geest van Jezus, iets wat wij mensen doen en niet op de eerste plaats Gods handelen aan ons. Dan maakt het fundamenteel en feitelijk ook niet zoveel meer uit of de Eucha­ris­tie wordt gevierd of er een Woord- en communie­viering plaatsvindt en wordt misschien een voorkeur uitgesproken om beide typen vieringen af te wisselen. Het sacramentele karakter waardoor een heilswerkelijkheid te­gen­woor­dig wordt gesteld, is dan uit het zicht verdwenen en het paasmysterie als bron van ons leven in Christus lijkt dan toch wat uit het centrum en het hart van ons geloof verdwenen....

Hier ligt tegelijk een moeilijk probleem: gelovigen voelen vaak heel sterk de verbondenheid met de eigen lokale gemeen­schap. Die prioriteit van het sacramentele karakter boven de zichtbare groep is vaak moeilijk te verkopen. Ik zou de gelovigen niet graag de kost willen geven die niet meer naar de kerk zouden gaan als ze niet in hun eigen kerk terecht kunnen. Tegelijk zijn er niet voldoende priesters om in iedere plaatselijke gemeen­schap te vieren. Bovendien is die gemeen­schap vaak ook wel erg klein geworden. Zo benaderde een mevrouw mij op Pasen omdat ze het niet vond kunnen dat een hoogbejaarde priester voor de goede week was gekomen omdat een pastoraal werker dat niet mocht doen. Toen ik verderop in het gesprek vroeg hoeveel mensen er dan naar die viering kwamen, bleek het om een groepje van goed dertig mensen te gaan. Toch kon ze moeilijk begrijpen dat de vieringen van het paastriduüm feestelijk moeten zijn en beter gezamenlijk in een grotere regio kunnen worden gedaan. Op dit terrein is er nog veel aan geloofs­vor­ming en bewustwording te doen.

Om de communio-gedachte tot uitdrukking te brengen, is het tweede Vaticaans concilie overgegaan tot de instelling van verschillende raden. Een raad die direct op de sacramentele communio is gestoeld is de priesterraad die in het decreet over het ambt en het leven van de priesters is ingesteld (PO 7). De instelling van die raad als uitdrukking ook van het presbyterium, lag des te meer voor de hand omdat het concilie in LG 28 de priester­wijding schetst als een deelname aan de volheid van het wijdings­sa­cra­ment die in de bisschops­wijding is gegeven en ook overigens het priester­schap ziet als een te­gen­woor­dig­stel­ling van het bisschopsambt in de plaatselijke gemeen­schappen. Daarnaast wordt een diocesane pastorale raad sterk aanbevolen in CD 27, is het kapittel gebleven, waarvan taken zijn overgeheveld naar het eveneens nieuw ingesteld consultorencollege (waarvan de taken in Nederland door het kapittel worden vervuld, dat scheelt een raad). Voorts is er nog de Raad voor economische aan­ge­le­genheden van het bisdom. Om de communio onder de bis­schop­pen tot uitdrukking te brengen zijn door het concilie de bis­schop­pen­synode (CD 5) en de bis­schop­pen­con­fe­ren­ties (CD 37-38) ingesteld en werd de wens uitgesproken dat synoden en concilies “tot nieuwe en krachtige bloei”zouden komen (CD 36). Het gemeen­schapskarakter binnen de zichtbare gemeen­schap van de Kerk wordt onderstreept door de bisschoppelijke collegialiteitsgedachte van LG, die overigens eveneens een sacramentele basis heeft (LG 22-23). Het concilie onderscheidt tussen effectieve en affectieve collegialiteit, waarbij de eerste de collegialiteit in theologische zin betreft, wanneer de bis­schop­pen al dan niet verenigd in een concilie samen besluiten nemen. De affectieve collegialiteit komt tot uiting in allerlei vormen van samen­wer­king en overleg. Dit heeft natuurlijk bevorderd dat door het concilie de bis­schop­pen­con­fe­ren­tie en andere gremia zijn ingesteld. Hier dreigt sterk het gevaar van bureaucratisering, zoals overigens heel het bisschopsambt een neiging heeft sterk gebureaucratiseerd te raken. In zijn nieuwe boek heeft de biograaf van paus Johannes Paulus II, George Weigel dit tot een issue gemaakt. De meeste bis­schop­pen­con­fe­ren­ties, zo schrijft hij, zijn snel en massief gebureaucratiseerd met een staf die zo zijn manieren heeft om de afzonderlijke bis­schop­pen netjes in de rij te krijgen. Geldgebrek blijkt in onze streken soms enig tegenwicht te bieden aan de neiging tot ont­wik­ke­ling van apparaten.

In ons land is de neiging tot bureaucratisering na het tweede Vaticaans concilie zeer sterk geweest op zowel diocesaan als parochieel en dekenaal niveau. Nu zijn we op een punt gekomen dat we ons moeten afvragen hoe we een Kerk kunnen vermijden die verwordt tot een vergadercircuit en daardoor ieder missionair elan verliest, terwijl we tegelijkertijd we tegelijkertijd moeten zien hoe we die gemeen­schapsgedachte gestalte kunnen geven waarvan Lumen Gentium 37 zegt: “Van de vertrouwelijke omgang tussen leken en herders is voor de Kerk veel goeds te verwachten”. Datzelfde nummer van de constitutie over de Kerk bestrijdt in feite een clericalisme wat zich in zichzelf opsluit: ieders competenties en charisma’s moeten in de gemeen­schap vruchtbaar worden. Daarom is het van belang dat er altijd op wordt gelet of de structuur die gecreëerd wordt wel inderdaad uitdrukking is of kan zijn van de geloofs­ge­meen­schap. De basis moet eigenlijk altijd zijn het gemeen­schap­pe­lijk verlangen God te dienen, in Christus gemeen­schap te vormen en die gemeen­schap met Christus te verbreden door nieuwe mensen daartoe uit te nodigen. De bewegingen en nieuwe gemeen­schappen binnen de Kerk lijken vaak het best de conciliaire communio-gedachte te hebben verwezenlijkt.

Een ander punt dat daarmee nauw verbonden is, betreft het overhevelen van taken aan leken, zoals bij­voor­beeld in ons land na het concilie is gebeurd. De gedachte was toen vaak dat de leken zelf bepaalde zaken wel konden doen. Een bekend voorbeeld is het onderwijs, een uitstekend terrein voor lekenapostolaat. Dat het onderwijs zo geschikt was als terrein voor lekenapostolaat, leidde er in Nederland toe te concluderen dat het onderwijs een zaak was voor de leken en niet voor de hiërarchie, zoals kardinaal Alfrink plechtig verklaarde met de woorden: “Tua res agitur”, toen hij alle bevoegdheden van de kerkelijke overheid overdroeg op de leken en een onafhankelijke organisatie, waarna ook de kerk­besturen en religieuze instituten werden gevraagd het bestuur van de scholen eveneens over te dragen. Iets dergelijks gebeurde ook op andere terreinen, zoals het bestuur van de parochies en dekenaten en een plaats van pastoraal werkers als inwisselbaar met priesters op het doen van de Mis na. Dit was een uitdrukking van het feit dat de sacramentele basis - die door het concilie juist was onderstreept - niet werd begrepen en evenmin als de communio-gedachte, die juist complementariteit en eerbied voor elkaars ambt en charisma als basis heeft.

De sacramentele basis van de communio moet dus voorop staan en dus het geestelijk karakter van de communio. Maar ook al komt dat dan misschien op de tweede plaats, het concilie heeft ook wel degelijk het gemeen­schapskarakter van de zichtbare gemeen­schap van de Kerk onderstreept. Alle leden van het volk van God hebben deel aan de zending van de Kerk. Die zending vervullen zij als ze als zuurdesem in de maat­schappij proberen te leven en zout der aarde willen zijn en in de levens­om­stan­dig­heden van iedere dag proberen bij te dragen aan de heiliging van de wereld, om enkele uitdrukkingen te gebruiken die in LG 31 te vinden zijn. Het concilie gaat uitgebreid in op het algemeen priester­schap (LG 10), de charismatische gaven en de deelname aan de profetische taak door alle gelovigen (LG 12), er wordt volop aandacht besteed aan de deelneming door de leken aan de drie taken van Christus: de priesterlijke ( LG 34), de profetische (LG 35) en de koninklijke (LG 36) taak. Het concilie heeft overduidelijk gewild dat alle gelovigen apostelen zouden zijn, om dit besef wakker te roepen had paus Johannes XXIII het concilie samen geroepen. Toch kan men zich afvragen of hier veel van is terecht gekomen. Zeker, leken zijn bereid om allerlei dingen te doen - regelmatig krijg ik post van parochies die trots vertellen dat ze driehonderd vrijwilligers hebben en dat is natuurlijk ook mooi -, maar de bezieling en het verlangen om apos­to­lisch te zijn in de zin die het concilie wilde, namelijk: alle mensen deel te doen hebben aan verlossing en heil, de gehele wereld metterdaad tot Christus te richten, zoals het decreet van het concilie over het lekenapostolaat dat apostolaat definieert (AA 2), die zie ik toch veel minder vaak. Ook hier speelt gebrek aan vorming een grote rol. Mensen weten vaak heel weinig van hun geloof en het is natuurlijk gewoonlijk niet mogelijk te leven uit een bron die je niet kent.

Overigens heeft het concilie de universele kerk en de diocesane gemeen­schap, die particuliere kerk wordt genoemd, centraal gesteld. In LG 28 waar het over de plaats en de taak van de priesters gaat, wordt de plaatselijke gemeen­schap wel genoemd, maar als een onderdeel van de diocesane gemeen­schap. De parochie wordt in de concilie-teksten eigenlijk maar een paar keer genoemd en dan vooral in het kader van het lekenapostolaat en de liturgie (CD 30 en 32, SC 42; AA 10). Voor het concilie zou het dus zonder meer logisch zijn om een beetje over de grenzen van de eigen parochie heen te kijken.

Voor wat betreft de diakens: het concilie heeft de sacramentele natuur daarvan bevestigd in LG 29 en met een korte aanduiding duidelijk gemaakt dat de diakens door hun wijding deel krijgen aan het wijdings­sa­cra­ment en op een bijzondere wijze delen in de drie munera, de drie taken of gaven van Christus: Zij staan in dienst van het volk van God door de diaconie van de liturgie, het woord en de liefdewerken. Uit deze formulering alleen al blijkt dat het concilie de uitdrukking “diaconie” breder verstaat dan alleen de zorg voor armen en zwakken die door de derde vorm van diaconie, de diaconie van de liefdewerken (diaconia caritatis) wordt aangeduid. Ook hier is na het tweede Vaticaans concilie de sacramentele basis en de deelname aan het wijdings­sa­cra­ment die LG aanduidt vaak wat vergeten en daarvoor in de plaats is niet zelden het zogenaamd diaconale karakter van de diaken onderstreept. Mij lijkt dat verschillende goed-gefundeerde publicaties en met name een document van de Inter­nationale Theologische commissie over het diaconaat hierin wel enige verheldering hebben gebracht.

Een thema dat na het concilie tamelijk ondergesneeuwd is geraakt, is de algemene roeping tot heiligheid (hoofdstuk V van LG). Lumen Gentium heeft naast elkaar de twee aspecten geplaatst die door Hans Urs von Balthasar wel het Petrinische en het Johanneïsche aspect van de Kerk zijn genoemd: Het Petrinische aspect staat voor het structurele, hiërarchische karakter van de Kerk, het Johanneïsche voor het rusten aan de borst van de Heer en het staan onder Diens kruis. Dat Johanneïsche aspect wordt binnen de Kerk op een bijzondere manier vertegen­woor­digd door het Godgewijde leven, het leven op basis van de drie evangelische raden, maar niet alleen door dat. De parallelisering van die twee aspecten van het volk van God in de hoofstukken III en IV van de Constitutie voor het hiërarchische aspect en in de hoofdstukken V en VI voor geestelijke aspect, maakt tegelijk duidelijk dat we ons binnen de Kerk niet te zeer moeten focussen op de hiërarchie, dat kan uiterlijkheid en carrièrisme in de hand werken. Zeker, de Kerk is een geïncarneerde werkelijkheid: het geestelijke en het zichtbare moeten niet gescheiden worden. LG 8 trekt de vergelijking met de Godheid en de mensheid van Christus: Zijn menselijk lichaam is werktuig voor de verlossing en God heeft Zijn Godheid voorgoed met de mensheid verbonden in de menswording en de incarnatie is een blijvende keuze die zich voortzet in de Kerk en in de sacramenten. Het zichtbare, in­sti­tu­tio­nele, hiërarchische is daarmee dus wel belangrijk geworden, maar het gaat om het geestelijke, om de verlossing, om het heil. Uiteindelijk geeft niet de doorslag wat je positie is binnen de hiërarchie of het volk van God in zijn algemeenheid, maar om e vruchten van genade die de heilige Geest in je voortbrengt. Het concilie beklemtoont dit verschillende keren, bij­voor­beeld wanneer het gaat om ons toebehoren tot de Kerk, daarbij spelen de geloofsbelijdenis, de sacramenten en de gemeen­schap met het kerkelijk bestuur een belangrijke rol. Maar je zult geoordeeld worden op andere gronden, namelijk of je met de heilige Geest begiftigd bent, of je volhardt in de liefde, of je beantwoordt aan de genade (LG 14). De hoofdstukken over de roeping tot heiligheid van alle gelovigen zijn daarom ten onrechte onderbelicht gebleven. Niet dat je vrijwilliger bent, dat je een positie bekleedt is belangrijk, maar de geest waarin je dat doet en iemand die een maat­schap­pe­lijke roeping volgt kan heel goed veel heiliger zijn dan iemand die een geestelijke roeping volgt.

Mariaverering

Het laatste hoofdstuk van de Constitutie is gewijd aan de Mariaverering. Het achtste hoofdstuk van de dogmatische Constitutie Lumen gentium is getiteld: Over de heilige Maagd en moeder van God Maria in het mysterie van Christus en de Kerk. De invoeging van dit gedeelte in de Constitutie over de Kerk was op 24 oktober 1963 in de concilie-aula met een minieme meerderheid (van veertig stemmen) besloten. Hierdoor werd de verhouding van Maria tot de Kerk de specifieke invalshoek van wat het concilie over haar zou zeggen. Dat is wel belangrijk. Was voor het concilie de neiging enigszins steeds meer privileges en eretitels aan Maria toe te kennen, Lumen Gentium plaatste alles in het licht van Maria’s zending ten behoeve van het verlossingswerk van haar Zoon, dus als degene die haar Fiat, haar instemming spreekt en op dat moment door God is voorbereid, en als degene die het heil bemiddelt: onze voorspreekster en middelares is. vandaar dat men de roep om een dogma hierover - vaak omschreven als voorspreekster, middelares, mede­ver­los­seres - juist weer wel geplaatst kan worden in de lijn van het concilie. De weerstand die er in het concilie tegen een “losse” ver­heer­lij­king van Maria, dus als het ware gescheiden van het verlossingswerk van haar Zoon, heeft er na het concilie misschien wel een beetje toe geleid dat Maria bijna werd vergeten. Ook hier zou je weer kunnen zeggen dat het geestelijke karakter van de communio op de achtergrond raakte. De Encycliek Redemptoris Mater (1987) van paus Johannes Paulus II heeft daar wel enige verandering in gebracht.

De dialoog met andere godsdiensten

Een heel aantal keren is nu al aan de orde gekomen dat bepaalde aanzetten van het concilie eigenlijk niet goed werden opgepakt, in feite steeds werden gebogen in de richting van een menselijke, goed gestructureerde organisatie: veel vergaderen, doen, maar het hart, de binnenkant, de sacramentele basis en het geheim van de Kerk als lichaam van Christus vergeten, terwijl dat juist de aspecten ware die het concilie onder de aandacht heeft gebracht. Daardoor kwam de missionaire doel­stel­ling van het concilie in gevaar die immers erop was gericht de Kerk meer tot een gemeen­schap te maken van mensen die zich op grond van de sacramenten die zij hebben ontvangen mede verant­woor­de­lijk weten voor het apostolaat, voor de zending van de Kerk.

Diezelfde neiging tot secularisatie blijkt in feite ook uit de wijze waarop na het concilie de positieve benadering van niet-christelijke godsdiensten in veel publicaties en andere uitingen is opgepakt. De constitutie over de Kerk had aangegeven dat ook mensen die niet gedoopt zijn zalig kunnen worden wanneer zij de genade niet weigeren en met een oprecht gemoed God zoeken, in ieder geval door hun geweten te volgen en zich in te spannen tot een leven in gerechtigheid te geraken (LG 16). De Verklaring Nostra Aetate, over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten, had daaraan toe­ge­voegd dat de Kerk eerbied heeft voor de gedrags- en leefregels van andere, niet-christelijke godsdiensten die een straal van de Waarheid weerspiegelen die alle mensen verlicht. De Verklaring Dignitatis Humanae over de godsdienstvrijheid had uitgesproken dat ieder mens een recht op godsdienstvrijheid heeft (DH 2) en er was al tijdens het concilie veel gesproken over het probleem dat dit zou kunnen worden geïnterpreteerd als een morele vrijheid, in de zin van dat het niet uitmaakt wat je kiest, dat je maar moet kiezen wat bij jou past. Daaruit was na het concilie nogal eens de conclusie getrokken dat het dus niet uitmaakte welke godsdienst je beleed, omdat je in elke godsdienst zalig kon worden. Zelfs werden de teksten van het concilie wel gezien als een onder­steuning voor het supermarkt-denken. Vandaar dat de Verklaring Dominus Iesus, waarmee de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer op 6 augustus 2000 kwam om deze conclusies te weerleggen, niet overal op even groot enthousiasme stuitte. Toch stond het eigenlijk al heel duidelijk verwoord in de verklaring Nostra Aetate zelf, evenals in LG 16 en 17: Christus is de weg, de waarheid en het leven, in Hem heeft God alles met zich verzoend en er is geen parallelle open­ba­ring of een weg naar het heil die buiten Hem omgaat. Sommigen hebben opgemerkt dat de dialoog waar het concilie toe heeft opgeroepen dan niets meer voorstelt en dat de Kerk zich nu toch weer opstelt op de positie van zelf de waarheid in pacht te hebben, terwijl de anderen alleen maar ‘fout’ zitten. De reacties op de Verklaring Dominus Iesus en überhaupt het thema van waarheid, open­ba­ring en de vele godsdiensten, moet paus Benedictus XVI bijzonder gefascineerd hebben. In ieder geval heeft hij vele malen over het relativisme gesproken als de eigenlijke godsdienst van de moderne mens en heeft hij geprobeerd, onder meer in een boek dat hij met de politicus Marcello Pera heeft geschreven, uit te leggen dat een waarachtige dialoog niet betekent dat je geen standpunt mag hebben en geen overtuiging of oordeel over wat waar is en goed. In feite wordt door dit relativisme de verlossing in Christus ont­kracht. De verklaring Dignitatis Humanae is helaas na het concilie tot de belangrijkste haard van spanningen geworden met de zogenaamde traditionalisten, wat leidde tot de schismatieke handeling van het wijden van bis­schop­pen zonder apos­to­lisch mandaat, door aarts­bis­schop Marcel Lefèbvre. Toch is al vaker uitgelegd dat de burgerlijke overheid de mensenrechten moet respecteren en geen instantie is die over het waar- of niet-waar-zijn van een godsdienst kan oordelen en dat dus in de burgerlijke maat­schappij iedere mens recht heeft op godsdienstvrijheid, natuurlijk binnen zekere grenzen van de publieke orde. Dit recht op godsdienstvrijheid is geen verklaring dat het niet uitmaakt welke godsdienst wordt aangehangen, maar wel een verwoording van het recht van iedere mens om niet gedwongen te worden door de staat in godsdienstige aan­ge­le­genheden, ook al omdat de geloofsakt per definitie vrij moet zijn.

Deze problemen mogen ons echter niet doen vergeten dat de dialoog met het Jodendom en de christelijke godsdiensten best wel succesvol genoemd kan worden.

Besluit

Heeft het tweede Vaticaans concilie het doel bereikt waarvoor het was bijeengeroepen? Zeker niet ten volle. In feite zijn we na het concilie gegaan door een periode waarin nogal wat aspecten misverstaan onder invloed van de secularisatie en gebrek aan bewustzijn van sacramentaliteit en christelijke gemeen­schap. Is er nu een derde Vaticaans concilie nodig? Ik zou zeggen dat de kern van het tweede Vaticaans concilie nog moet worden verwerkelijkt: Hoe kunnen we meer gemeen­schap worden in Christus, levend van de sacramenten met de actieve deelname van alle gelovigen, met respect voor ieders eigen roeping en gave en missionair?

Het heeft honderden jaren geduurd voordat het concilie van Trente was doorgevoerd. Ik hoop dat wij allen deel zullen zijn van de verdere invoering en uit­wer­king van het tweede Vaticaans concilie.

Terug