Arsacal
button
button
button
button


Bezoek aan Sant'Egidio in Antwerpen

Overweging Preek - gepubliceerd: donderdag, 18 april 2013 - 770 woorden
ontvangst bij de ingang van Sint Egidius
ontvangst bij de ingang van Sint Egidius

Op woens­dag 18 april bezochten we de ge­meen­schap van Sint Egidius (Sant’ Egidio) in Antwerpen. Pas­to­raal werker Colm Dekker van de ge­meen­schap van Sant’ Egidio in Am­ster­dam en de beide medewekers van de caritas van het bisdom Haar­lem-Am­ster­dam, drs. Ernst Meyknecht en mw. Anita Witte. Sant’ Egidio doet veel op sociaal-cari­ta­tief gebied, op een zeer in­spi­re­rende wijze, vanuit het geleefde evan­ge­lie.

Een restaurant voor dak­lo­zen, Kamiano, medische hulp, taallessen voor bui­ten­landers, ambulante voedselhuip, opvang van bejaar­den en vele andere ini­tia­tie­ven, altijd vanuit de gedachte vrien­den te willen zijn van de armen. We wer­den ont­van­gen door Hilde Kieboom en andere mede­wer­kers. Bij het avond­ge­bed om 20.00 uur in de Sint Carolus Borromaeus­kerk heb ik de volgende over­we­ging gehou­den:

Over­we­ging

Na het grote teken van de broodvermenig­vul­diging, de spijzi­ging van vijf­dui­zend man, spreekt Jezus de menigte toe met de woor­den die we zojuist hebben gehoord, geno­men uit het evan­ge­lie van de li­tur­gische dag van vandaag: “Ik ben het Brood des levens wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen”.

Na­tuur­lijk spreekt Jezus hier over onze toe­komst, over het eeuwig leven en de ver­rij­ze­nis, de opstan­ding uit de doden.

De woor­den zijn er uitdruk­king van dat Hij er voor ie­der­een is, dat Hij niets en niemand verloren wil laten gaan, dat Hij verlangt dat wij eeuwig leven zou­den bezitten.

Met deze woor­den geeft Hij uit­zicht: Mens, je leeft niet in een kamer zonder ramen, zonder uit­zicht, zonder uitgang, opgesloten, maar je bent door mij geplaatst als het ware in een ruimte met ramen die uit­zicht geven op de prach­tigste tuin en het einde van je verblijf in die ruimte zal zijn, dat de deuren wijd open gaan en je binnen kunt tre­den in die paradij­se­lijke omge­ving.

Je levens­ruim­te hier op aarde kan heel ver­schil­lend zijn: ruim en licht of zwaar en klein, het kruis kan daarin heel prominent aanwe­zig zijn en als dat mis­schien niet zo is heb je als christen toch de plicht om dat kruis bij anderen op te zoeken en het te helpen dragen, jezelf te maken tot een Simon van Cyrene.

Niets van wat je gekregen hebt is uit­ein­delijk alleen maar voor jezelf, alles is er om jezelf te openen naar anderen toe, zoals de Heer ons leven geopend heeft, ons niet opgesloten heeft gelaten in ons men­se­lijk bestaan, maar ons toe­komst en uit­zicht heeft gegeven door Zijn kruis en ver­rij­ze­nis.

Het beeld dat Jezus hier gebruikt is dat van het brood dat leven geeft en van de drank die dorst lest: Hij is het Brood dat onze honger stilt, Hij is de drank die onze dorst lest.

Jezus gebruikt dus het geven van eten en drinken als een beeld voor de verlos­sing, de red­ding die Hij komt brengen aan ons die fun­da­men­teel allemaal in nood zijn, omdat wij zonder Hem ten dode zijn opge­schre­ven.

Maar dat betekent tege­lijker­tijd dat het brood dat wij geven en het drinken dat wij anderen reiken een meer­waarde krijgt boven de bete­ke­nis van dat een­vou­dige gebaar, dat het uit­ein­delijk een beeld wordt van de verlossende liefde van God.

Het brood dat je de arme geeft, de beker water die je hem reikt is een concrete hulp aan een mens in nood, je doet wat de liefde moet doen.

Tege­lijker­tijd is die beker water - of wat voor drinken ook - meer dan een beker water, meer dan iets te drinken en dat brood is meer dan brood, dat voedsel is meer dan voedsel.

Het is een teken van de verlossende liefde van God, een par­ti­ci­pa­tie aan wat God doet voor ons mensen.

Je kunt soms dui­de­lijk merken, dat hetgeen je geeft de concrete bete­ke­nis van het geven van wat eten en drinken ver overstijgt: de liefde waar­mee je handelt maakt dat die ander zich als mens ge­waar­deerd en behandeld voelt; en dat je iets geeft om die ander te helpen zonder dat je er zelf materieel beter van wordt, zonder dat je er zelf concreet voor­deel bij hebt, dat je juist warmte en comfort verlaten hebt om dit te kunnen doen, dat geeft hoop, dat geeft kracht om te kunnen geloven in de liefde: er is iemand die naar mij toe­komt, die naar mij omziet, die mij bij­staat - zonder eigen winstoogmerk -.

Wie kan geloven in de liefde of wie weer kan geloven in de liefde, kan geloven of weer geloven in God.

Wat je doet is goed, maar boven dat goede van wat je doet uit laat je een straal van licht schijnen die van God zelf komt en die kan mensen openen voor de goed­heid zelf, voor de liefde, voor God.

AMEN.

Terug