Arsacal
button
button
button


Priesters en eenheid

overweging_roeping - gepubliceerd: woensdag, 30 november 2011

Wij zijn als priesters en toekomstige priesters
bij uitstek geroepen om mensen van de “communio” te zijn,
mensen bij elkaar te brengen,
eenheid te stichten,
open te staan voor anderen,
ook als ze niet tot onze stijl, onze klasse, onze groep behoren,
om hen allen naar Christus te brengen.
Een priester kan geen mens zijn
die zich opsluit in zijn eigen groep,
de groep van de “echte” katholieken
of de medepriesters,
dat is een vorm van verkeerd clericalisme.
De mensen die niet zo katholiek,
niet zo gelovig, niet zo respectvol zijn
zijn geen mensen die ons storen
in ons mooie, gave geloofsleven,
maar zij zijn een uit­no­di­ging
om ons geloof, onze liefde, onze hoop
met hen te delen.

Het gaat om je zijn,
om een zijnsverandering:
je wordt priester,
het gaat om Gods werkzaamheid,
Zijn genade die in je is
en je eigen bereidheid die te ontvangen
en vruchtbaar te laten worden.
Kortom, het belangrijkste is
dat je er bent en wat je ontvangt.

Maar dat is absoluut niet
wat wij meekrijgen van onze tijd en onze samenleving.
Wij hebben actie nodig, afwisseling, ac­ti­vi­teiten,
lezen, kijken, werken, praten, iets doen,
dat is het wat bijna in onze genen is gaan zitten.
Wij mensen ontlenen veel van onze eigenwaarde
aan wat we doen.

Je wordt priester voor God en de mensen
en die twee aspecten zijn nauw ver­bonden,
volgens de brief aan de Hebreeën:
“God kan niet vergeten wat gij
uit liefde voor Zijn Naam hebt gedaan:
al de diensten die gij de heiligen hebt bewezen
en nog bewijst”, zei ons de eerste lezing.
Een kenmerk van de priester dient daarbij ‘vurige ijver’ te zijn,
werd daaraan toe­ge­voegd:
“ge moogt niet lui worden”.
Als de schrijver invult
wat er dan uit liefde voor Gods naam is gedaan,
met vurige ijver,
gaat het dus in feite
om diensten aan de heiligen,
aan de mede­ge­lo­vigen.
Wat gij aan de minsten der mijnen hebt gedaan,
hebt gij aan Mij gedaan.

Dat moet dan ook natuurlijk
een wezens­ken­merk van een priester zijn:
dat hij een hartelijke liefde en bezorgdheid heeft
voor mensen,
zoals Jezus zelf
die met zoveel liefde en hartelijke aandacht
dag in dag uit klaar stond
voor de lichamelijk zieken
en voor mensen in geestelijke nood.
En daarbij trok Hij ook nog eens
voortdurend op met een grote groep leerlingen,
waaronder de apostelen,
twaalf mensen met heel ver­schil­lende karakters
en achtergrond.
Jezus trok zich wel terug in de stilte
om in gebed bij Zijn Vader te zijn,
de bron mocht niet opdrogen,
maar dan werd Hij weer omstuwd
door de menigten mensen,
met wie Hij medelijden had,
voor wie Hij een liefde koesterde,
die Hem bracht tot de gave van zichzelf tot op het kruis.

En zo ook kunnen wij ook geen priester zijn of worden
zonder liefde voor de mensen.
Zelfs als je zou besluiten monnik of kluizenaar te worden,
die liefde voor de mensen,
het apos­to­lische verlangen naar hun geluk en zaligheid,
dat vormt de kern van iedere roeping.
Uit liefde tot God,
bemin je alle mensen als jezelf,
zoals de oefening van liefde zegt.

Toch kun je daarbij ook vaak iets van een spagaat ervaren.
Aan de ene kant is er dat gevoel van
tegemoet willen komen aan anderen,
jezelf willen geven in dienst van anderen,
maar die mensen zijn toch niet je koning en Heer.
Mensen vragen iets aan je,
je wilt mensen tegemoet komen
maar er zijn ook regels waaraan je je moet houden.
Niet op alles wat mensen vragen en willen
hoef je ja te zeggen.
Mensen willen CD-tjes tijdens hun uitvaart,
teksten die nergens over gaan tijdens hun huwelijk,
willen dat jij ja zegt op hun verlangens
enzovoorts.

Zo voelt iedere priester
die liefde voor de mensen heeft
en trouw wil zijn aan zijn roeping
en aan de Kerk die hem heeft gezonden,
dat hij soms heen en weer getrokken wordt.
Je bent priester voor de mensen,
maar niet om naar hun pijpen te dansen.
Wat moet je doen?
De een zal als persoon meer geneigd zijn
toe te geven, mee te gaan
en ervaart zo’n situatie misschien als een druk
die op hem wordt gelegd;
een ander zal geneigd zijn
om kwaad te worden en ‘nee’ te zeggen,
zich hard op te stellen.

Natuurlijk moet je geleidelijk leren
m et zulke situaties goed om te gaan
en wel wat afstand te nemen
van je eigen gevoelens en geneigdheden,
om een zekere vrijheid te krijgen
waardoor je kunt handelen
in Hem en door Hem en met Hem.

Misschien wordt de Kerk kleiner,
hoe kan het ook anders in een wereld
waarin de wetten van geld, van seks en macht
overheersend zijn,
waar geestelijke waarden geen rol spelen,
waar het huwelijk niet wordt geëerd
en waar de onschuldige, zwakke mensen,
de ongeborenen, gehandicapten en de stervenden
niet worden beschermd en in ere gehouden.
Hun leven is niet zo heilig en onaantastbaar
als dat van gezonde, sterke mensen.
Maar juist zij zijn de mensen
die de liefde in ons wekken;
juist zij roepen in ons het verlangen wakker
om te geven, om lief te hebben, om er voor een ander te zijn,
om goed te zijn en zorg te dragen.
Waar gaat het naar toe met een maat­schappij
die juist die mensen doodt?
We moeten dus niet verbaasd staan
als de Kerk kleiner wordt,
maar de tekens van hoop niet uit het oog verliezen:
de Kerk gaat door,
ook nu zijn er jonge mensen
die zich tot Christus keren,
die Hem gaan volgen,
die een sacramenteel christelijk huwelijk sluiten,
die hun leven geven als religieus, als Godgewijde,
als priester, als diaken of catechist
of hoe dan ook echt een missie in deze wereld vervullen
vanuit hun geloof en hun liefde
voor Christus en de Kerk.
We kunnen zien
dat de Kerk ook in de toekomst
zout der aarde zal zijn.
De maat­schappij is de laatste vijftig, zestig jaren
sterk veranderd;
zij zal weer veranderen.
Hoe de situatie dan zal zijn, weten wij niet.
Als het oorlog wordt zullen de mensen
wel meer gaan bidden en geloven,
maar daar moet je geen oorlog voor vragen.
Het is in Gods hand
en Hij heeft beloofd
dat Hij met Zijn Kerk zal zijn
tot aan het einde der tijden.
Vertrouwen!

Zorg dat je licht blijft stralen
en dat het zout zijn kracht niet verliest.
Dat zegt Jezus natuurlijk niet
als het niet heel gemakkelijk kan gebeuren
dat ons licht verzwakt
en ons leven flauw en zouteloos wordt.
We hebben allemaal af en toe
een geestelijke oppepper nodig,
dat we de accu weer opladen,
nieuwe geestelijke energie opdoen.
Wie of wat zou je kunnen inspireren?
het kan een bede­vaart zijn,
een mooie ervaring of belevenis,
een bezoek aan een klooster,
deelname aan een inspirerende bijeenkomst
of een offer dat je brengt
om iemand bij te staan.
Ons hart moet gevoed worden…

Als je erin slaagt om jezelf los te laten,
iets niet naar je toe te halen,
maar juist bewust los te laten,
kan je dat een grote voldoening geven;
en dat kan zijn in heel kleine dagelijkse dingen,
zoals iets wat je niet voor jezelf neemt
omdat je weet (of denkt)
dat je een ander er een plezier mee doet;
een ander staat meer in de schijnwerpers
en krijgt meer eer en waardering dan jijzelf
of je weet je ergernis over het gedrag van een ander
te over­win­nen
en je kunt je eigen zwakke menselijke natuur
met een zekere nederigheid onder ogen zien,
of je kiest de kleine weg, de eenvoudige kant in iets,
en je weet dit alles in te voegen in je dagelijkse kruis met Jezus,
dat kan je een grote vreugde geven.

“Wilt ge volmaakt zijn...”.
Jezus zegt deze woorden tot de rijke jonge man
nadat Hij hem over de geboden heeft gesproken.
Hij nodigt hem uit meer te doen, meer te geven,
Hem van meer nabij te volgen
dan strikt noodzakelijk is,
dan vereist wordt door de geboden.
“Wilt ge volmaakt zijn...”.
Willen we dat?
natuurlijk echoën de woorden
van Jezus in het evangelie van afgelopen zondag
nog na in onze oren:
“Weest volmaakt,
zoals Uw Vader in de hemel volmaakt is”.
Dus Hijzelf fluistert ons het antwoord al in de oren:
“Zeg: ‘Ja.          
Ja, ik wil volmaakt zijn’!”
“Verkoop dan wat ge bezit...
want voor een rijke
is het moeilijk het rijk der hemelen binnen te gaan”.
Maar misschien dat het je helemaal niet zo moeilijk lijkt
en misschien dat je toch al niet zo rijk bent.
Maar let wel op:
Er staat niet:
dit is alleen voor rijken
en er staat ook niet
verkoop wat je hebt en geef het uit...
Het is geen oproep om een “big spender” te zijn.
Toch kan het zijn dat je dit verkopen van wat je bezit
als minder moeilijk ervaart
dan het onderhouden van de geboden.
Want die geboden kunnen soms best lastig zijn:
Ge zult niet doden:
ook blikken kunnen doden;
Jezus heeft ons daar onlangs nog op gewezen:
het gaat bij dit gebod niet slechts om de daad,
maar je kunt ook in je hart vertoornd zijn op je broeder
en tot hem zeggen: raka, dwaas.
Of het gebod: ge zult geen echtbreuk plegen:
ook dat heeft Jezus breder getrokken dan de daad:
wie kijkt om te begeren,
heeft al echtbreuk gepleegd
en misschien is de kuisheid dan toch niet zo gemakkelijk voor je;
ge zult niet vals getuigen,
misschien ben je toch niet altijd
helemaal eerlijk geweest;
eert uw vader en uw moeder,
misschien valt je dat soms moeilijk
omdat je het gevoel hebt je ouders
het een en ander te verwijten te hebben;
of het gebod: ge zult uw naaste beminnen als uzelf,
ook dat is niet zo simpel,
want misschien valt het je toch weleens moeilijk
naar die of die persoon
echt liefdevol en goed te zijn
of vind je gemakkelijk een excuus
om een nare opmerking te maken.
Zo gemakkelijk zijn die geboden dus ook weer niet!

Maar dat geldt niet voor deze rijke jonge man:
“Dat heb ik allemaal onderhouden”,
verklaart hij.
Dat is niet mis!
Eigenlijk is dat al heel wat,
moeten we toegeven,
zwakke mensen als we zijn.

Maar dit zelfbewuste, zelfverzekerde antwoord
is misschien al een teken
dat er toch nog iets ontbreekt,
al was het maar de moge­lijk­heid en de openheid
om zichzelf als onvolmaakt en tekort schietend te kunnen zien,
om de eigen fouten onder ogen te zien
en eerlijk de schuldbelijdenis te kunnen bidden.
Tenminste, juist de grote heiligen
zouden een heel ander antwoord hebben gegeven.
De heilige pater Pio werd overweldigd
door zijn eigen gevoel van onwaardigheid,
zijn besef van zondigheid.
En de grote heiligen hebben eigenlijk bijna allemaal wel
een levendig besef van eigen onvolmaaktheid
en een diep bewustzijn dat al wat zij hebben en kunnen
een onverdiende gave is van Gods goedheid.
Zij zien vaak veel scherper dan wij
dat zij Gods gaven niet verdienen
en dat zij zwakke mensen zijn:
Paulus, Augustinus, Franciscus, Ignatius,
noem ze maar op...
zij waren ervan overtuigd
dat de basis van hun bestaan
Gods genade was
en dat zij uit zichzelf zwakke mensen waren.
Het grootste kruis voor pater Damiaan op Molokai was
dat hij zo moeilijk een biechtvader kon bereiken.

“Dat heb ik allemaal onderhouden”.
Áls dat al waar was, dan was het een gave, genade.

“Verkoop wat ge bezit
en geef het aan de armen.
Voor een rijke is het moeilijk
het Rijk der hemelen binnen te gaan”.

Wat bezitten wij? Wat zijn onze rijkdommen?
Je hoeft niet meteen aan geld of goed te denken,
aan de studiebeurs die maandelijks op je rekening komt.

Denk aan alles wat je zo belangrijk vindt
dat je het moeilijk vindt om het los te laten.
Dit of dat moet voor jou wel zó gaan;
je rijkdom kan je sport zijn, je ontspanning
of bepaalde vormen daarvan,
je studie, je familie, bepaalde gewoontes die je hebt,
alles waar eigenlijk niemand aan mag komen.

Als er iets is waarvan je denkt:
dat vind ik moeilijk los te laten,
maar eigenlijk zou het wel beter zijn als ik het deed,
doe het dan maar, probeer het
of zet in ieder geval een stap.

Want Jezus zegt tot de apostelen
die Hem vragen wat zij zullen krijgen
die alles hebben achter gelaten,
dat het honderdvoudige hun deel zal zijn
en eens het eeuwig leven.

Vaak gaan mijn gedachten
naar de weg van mijn roeping:
hoe God in Zijn goedheid en liefde
me heeft geleid en getrokken, geroepen
om priester te worden;
wat ik als priester heb mogen doen en betekenen.
Ook een priester heeft natuurlijk teleur­stel­lingen
en moeilijkheden, al heeft hij geen gezin.
Het is voor geen enkele priester bij­voor­beeld
leuk om te moeten horen
dat bepaalde priesters
zich aan jonge mensen hebben vergrepen.
En een priester probeert het geloof door te geven.
Dat zijn allemaal zaadjes
en die zijn terecht gekomen
op heel ver­schil­lende grond.
Niet overal heeft het vrucht gedragen,
daarbij zijn ook de teleur­stel­lingen van een priester:
je hebt je soms zo voor iets ingezet,
maar het lijkt niks geworden...,
waar heb je je zo voor uitgesloofd?
Dat is eigenlijk niet zoveel anders
als ouders dat vaak hebben met hun kinderen.
Je denkt vaak:
ik zal niet dezelfde fouten maken als mijn ouders,
maar je maakt weer andere fouten,
of in ieder geval er gaat weleens iets mis,
ook buiten je schuld.
We moeten dan eigenlijk niet te veel
in onze menselijke gevoelens blijven hangen,
want God werkt langs Zijn eigen wegen,
we kunnen niet weten
hoe de goede dingen die we zeggen en doen
doorwerken in de harten van de mensen
en wat God zal doen met die kleine zaadjes
die wij hebben uitgezaaid.
Wij moeten proberen de goede dingen te doen
en aan God over te laten
hoe het vruchten zal dragen.

Toen Jezus ging sterven aan het kruis
moest Hij alles loslaten, overgeven,
Hij kon niets meer regelen of in eigen hand nemen,
Hij stond machteloos,
maar dat wilde eigenlijk zeggen
dat alle zin en alle vrucht­baar­heid
van wat er nu ging gebeuren,
van God, van Zijn hemelse Vader, moest komen.
Ook wij worden uitgenodigd
om die weg te gaan:
loslaten, overgeven,
zoals ouders dat op een gegeven moment
moeten doen met hun kinderen,
zo moet een pastoor dat met zijn mensen,
zo moeten ouders dat met hun kinderen
en zo moet iedereen dat in een situatie
waarin hij zorg heeft voor anderen
of zorg voor zichzelf,
bij­voor­beeld voor de eigen gezondheid:
uit­ein­de­lijk moet je alles en iedereen
overgeven aan de hemelse Vader
en zeggen:
Hemelse Vader, ik kan ik niets doen,
wilt Gij hen, wilt Gij mij nu beschermen en bewaren...

Als het fundament maar goed is,
als je maar stevig geworteld blijft in goede grond,
dan kan het gaan stormen,
maar je blijft overeind.
En vertrouw:
Hij gaat met mij mee
ook in de jaren die komen gaan,
Hij zal er altijd zijn;
waarheen de wegen van je leven
ook worden geleid,
Hij zegt je
- en Hij zegt aan ons allen -:
Ik ben jouw fundament, jouw rots,
Ik ben altijd bij je!


Terug