Arsacal
button
button
button


Wie dienaar is, kan koning zijn.. (niet pesten!)

Feest van Christus Koning

overweging_preek - gepubliceerd: zondag, 24 november 2013
Het jubilerende 'putje' voor de genadekapel in Heiloo
Het jubilerende 'putje' voor de genadekapel in Heiloo

In Heiloo heb ik het feest van Christus Koning gevierd. De bede­vaart­plaats bereidt zich voor op het 300 jarig jubileum van het herstel van de bede­vaart­plaats en het zogenoemde 'Runxputwonder', waarbij de oude bron die onder het puin bedekt lag, weer begon te stromen en het centrum werd van de heroplevende devotie voor Onze Lieve Vrouw ter Nood.
Hier volgt de homilie die ik bij deze gelegenheid heb gehouden.

Homilie

We hebben bijna allemaal weleens
met ‘pesten’ te maken gehad.
Misschien bent U als kind gepest,
dat is meestal iets
wat je een leven lang niet vergeet
en wat littekens achterlaat op de ziel van een kind.
Het is heel goed
dat er te­gen­woor­dig veel aandacht voor wordt gevraagd
en er allerlei pro­gram­ma’s worden ontwikkeld
om dat pesten tegen te gaan.
Heel vaak weet iemand die pest
niet wat die een ander aan doet.
Voor kinderen die anderen pesten geldt daarom dikwijls
de bede van Jezus
voor degenen die Hem aan het kruis sloegen:
“Vader, vergeef het hun,
want zij weten niet wat zij doen”.
één van de punten van een anti-pest­pro­gramma
is dan ook vaak:
dat een kind dat pest moet gaan leren beseffen
wat het een ander kind aandoet.
Ook in het diocesaan centrum in Heiloo
wordt een anti-pest­pro­gramma aangeboden,
want dat heeft een verbinding
met allerlei christelijke waarden.
Een kind dat anderen pest
heeft eigenlijk te weinig oog
voor wat hij een ander aandoet
en ingaan op het pestgedrag
kan een mooi uitgangspunt zijn
om kinderen meer inlevings­ver­mogen bij te brengen.
Maar niet alleen kinderen leven zich vaak
maar weinig in anderen in.
Hoe vaak overkomt het onszelf niet
dat we in een gesprek aandacht vragen
voor onze eigen gevoelens,
voor wat we zelf hebben meegemaakt,
maar aan het eind van het gesprek
nog nauwelijks weten
hoe het met die ander staat.
Soms denken mensen van zichzelf:
“Ik kan goed luisteren”,
maar het zou niet gek zijn
om eens de proef op de som te nemen
en ons na een gesprek af te vragen:
Hoe heeft mijn gespreks­part­ner dit gesprek ervaren?
Wat was voor hem of haar belangrijk?
Heb ik die ander gelegenheid gegeven zich te uiten?

En natuurlijk zijn er onder volwassenen ook mensen
die anderen pesten.
Wie weleens naar ‘de rijdende rechter” kijkt,
weet maar al te goed
hoe lastig en onverdraagzaam
mensen voor elkaar kunnen zijn.

En we zijn natuurlijk zelf ook niet volmaakt,
ik althans niet.

Vandaag vieren we het feest van Christus Koning,
de laatste zondag
van het kerkelijk jaar,
ook het liturgisch jaar genoemd.
Volgende week begint het nieuwe kerkelijk jaar
met de eerste zondag van de Advent;
dan richten we onze blik alweer op het naderende kerstfeest.
Als de liturgie het heeft over “Christus Koning”,
moet U daarbij niet denken
aan een moderne koning,
die lintjes en schouderklopjes uitdeelt
en wijze woorden spreekt
en een geliefd symbool van nationale eenheid is.
Nee, het gaat hier over een vorst,
die alles voor het zeggen heeft,
die machtig is,
aan wie je niet voorbij kunt gaan.
Hij is de Heerser over het heelal,
de koning over heel de schepping.
Die almachtige Heer
ontmoeten we vandaag in het evangelie
als de minste van ons allen:
een crimineel,
wiens handen en voeten
zijn vastgespijkerd op een kruis;
een man zonder enige luister of aantrekkelijkheid,
die bloedt uit wonden
over Zijn hele lichaam.
De kroon van deze koning is van doornentakken
die tot bloedens toe
in Zijn hoofd zijn gedrukt.
En Hij wordt gepest:
Hij was al geslagen
en in het evangelie vandaag
wordt Hij uitgelachen,
er wordt met Hem gespot
en Hij wordt gehoond.

Dat is een wonderlijke bood­schap
op dit feest van Christus Koning:
de Heer van hemel en aarde,
wordt heel klein, machteloos, gepest.

Als mensen, bij­voor­beeld kinderen anderen pesten,
hebben ze ergens de behoefte
anderen te kleineren,
andere mensen klein te maken, klein te houden
en zichzelf te verheffen;
maar ware grootheid
zal juist eer geven aan een ander
en zelf genoegen nemen
met een kleinere plaats.
Waarlijk groot ben je
als je de eer kunt laten aan een ander,
als een ander er mag zijn,
als je niet zozeer een behoefte volgt
dat anderen moeten zien en waarderen
wat je allemaal hebt gedaan,
maar genoegen neemt
met een kleine plaats in de schaduw,
ja, als je zelfs probeert
om in de schaduw te blijven,
niet te veel licht
op je eigen persoon te laten vallen.

God is groot,
Jezus is groot,
Hij hoefde zich niet te bewijzen,
Hij ís Koning
en ieder moment dat we adem hebben,
is aan Hem te danken.
Wij zijn allemaal kleine mensen,
afhankelijke mensen,
niets hebben we uit­ein­de­lijk van onszelf,
alles is gekregen.
Maar Hij is werkelijk groot:
Hij is een Koning
in en door en voor wie
alles geschapen is,
hoofd en oorsprong van alles
en Hij heeft ons ontrukt
aan het domein van de duisternis,
zoals de tweede lezing vandaag zei.
Kortom, alles hebben wij aan Hem te danken.
Maar Hij die dus werkelijk groot is,
heeft zich klein gemaakt,
Hij heeft zich laten vastspijkeren,
Hij heeft zich uit laten lachen,
laten geselen en bespotten,
Hij heeft zich laten pesten.

Dit is niet om te zeggen
dat het niet erg is als kinderen gepest worden,
want dat is het wél!
Het is ook niet om te zeggen,
dat daar niets aan gedaan moet worden,
want dat moet wél!

Maar dit is wel om te zeggen
dat we niet moeten pesten,
want als we pesten
proberen we ons te verheffen boven anderen
en anderen naar beneden te drukken.
We gunnen anderen dan niet
het licht in de ogen.

We worden juist uitgenodigd
om met anderen mee te leven,
er vooral voor de zwaksten te zijn,
liefde en begrip te hebben voor wie wellicht
wat minder kan, wat minder doet, wat minder heeft
maar niet minder is,
want die mens is een schepsel Gods,
gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van God.
We worden juist geroepen
om het kleine, het zwakke te eren
en in die eerbied voor het kleine
ligt onze redding,
zoals die goede moordenaar
- die misdadiger die naast Jezus hing -
zo goed erkende toen die zei:
“Jezus, denk aan Mij,
wanneer Gij in uw koninkrijk gekomen zijt”.
Hij snapte het,
hij bezat de eenvoud en de nederigheid
waarmee je in het rijk van God kunt komen.

Onder dat kruis van Jezus
stond Maria.
Zij leed met Hem mee,
zij was als moeder en als gelovige
innig ver­bonden
met wat haar Zoon daar overkwam.
Zij stond daar met die houding van geloof,
van overgave, vertrouwen en dienst­baar­heid.
Zij leert ons, met haar Zoon:
Wie wil dienen, zal heersen,
wie dienaar kan zijn en de minste,
die kan koning zijn en heer.

Laten we dat voorbeeld volgen.
AMEN.

Terug