Arsacal
button
button
button
button


“God ziet je”. Maar hoe kijkt Hij?

zesde zondag door het jaar A

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 16 februari 2014 - 751 woorden
Interieur van de parochiekerk van Warmenhuizen
Interieur van de parochiekerk van Warmenhuizen

Op zon­dag 16 februari was ik in de Sint Ursula pa­ro­chie in Warmen­hui­zen. Ik kende de kerk wel omdat ik er in het verle­den een paar keer ben geweest. Maar de kerk is onlangs prach­tig gerestaureerd.

Het was een Mis in het kader van mijn bezoeken aan de pa­ro­chies, maar het bood wel gelegen­heid de oudste zus van de pastoor te fe­li­ci­te­ren die net 85 jaar gewor­den was! Na afloop van de goed gevulde Mis was er gelegen­heid om een aantal kern-vrij­wil­li­gers te ontmoeten in de pastorie.

Homilie

Heel veel mensen
zijn vroeger toch een beetje opgevoed
met het idee:
“God ziet je”
- zoals de eerste lezing vandaag zegt -.
Je moet niet iets ver­keerds doen,
want God ziet het
en Hij zal je straffen.
Je moet geen ver­keerde dingen doen,
want God ziet in het verborgene
en Hij zal goed en kwaad vergel­den.
Dat bracht mensen ook wel een beetje
tot het idee
dat ze Gods goed­heid moesten verdienen
en dat je die liefde van God kon verdienen
door goede dingen, goede werken te doen.
Iemand als Luther heeft daar erg mee gewor­steld.
Als jonge man had hij een angst voor God
en toen hij ooit in een hevig onweer terecht kwam,
werd hij zo bang
dat hij de belofte deed
om monnik en pries­ter te wor­den
als hij weer veilig
uit dat noodweer zou komen.
Toen hij tot pries­ter was gewijd
en zijn eerste Mis zou gaan doen,
durfde hij niet;
hij wilde van het altaar weglopen.
Hij was bang dat God hem zou vernie­tigen
omdat hij niet waar­dig was.
Alles werd anders toen hij ineens
een gees­te­lij­ke erva­ring kreeg
en in zijn hart merkte
dat God van hem hield
en hem aannam als Zijn kind.
Jammer genoeg kwam hij tot de con­clu­sie
dat de angs­tige ideeën die hij had gehad
de schuld waren van het katho­lie­ke geloof;
en zo werd hij de vader van het pro­tes­tantisme.

Zo iets zou er ook aan de hand kunnen zijn
als iemand de woor­den van het evan­ge­lie van vandaag leest:
“Als uw ge­rech­tig­heid die van de Fari­zeeën
niet ver overtreft,
zul je niet in het ko­nink­rijk der hemelen komen”.
Jezus legt er de nadruk op
dat alle voor­schriften, ook de kleinste,
blijven gel­den
en dat alles nog veel strenger moet wor­den,
dan het in het verle­den was,
zo zou je die woor­den van Jezus kunnen lezen
en dan dus kunnen denken:
Het moet nog strenger, nog beter,
ik ben nog niet goed genoeg.
Maar dat is niet de bedoeling
van die woor­den van Jezus.
Hij wil ons juist iets anders leren.
Want wat Hij de Fari­zeeën steeds verwijt
is dat ze uiter­lijk en formalis­tisch bezig zijn.
Zeker, ze onderhiel­den allerlei regeltjes
en ze verzonnen er zelfs nog vele bij,
maar hun hart was ver van God,
hun gods­diens­tige praktijk
was verwor­den tot uiter­lijk­heid.
Ze waren er heel goed in
om anderen te controleren,
maar in hun blik was geen liefde.
En daarom ver­wijst Jezus vandaag
naar ons hart.
Want we kunnen allemaal fouten maken
en niemand van ons is nu eenmaal volmaakt.
Maar we hopen toch allemaal
dat een ander ons niet afrekent
op iets dat we mis­schien een keer ver­keerd
hebben gedaan,
maar dat hij onze goede be­doe­lin­gen weet te ontdekken,
ons probeert te begrijpen.
Het gaat er niet aller­eerst om
of we een fout hebben gemaakt
of een zonde hebben begaan.
God wil in Zijn einde­loze barm­har­tig­heid
altijd weer ver­ge­ven
en Hij roept ons op
om dat­zelfde te doen
en bereid te zijn tot ver­ge­ving en ver­zoe­ning.
Maar de grote vraag blijft toch:
Hoe is ons hart?
Mis­schien heb je nooit iemand vermoord,
maar heb je een ander in je hart
al duizendmaal vervloekt.
Mis­schien heb je nooit overspel gepleegd
maar is je hart wel steeds met andere vrouwen bezig.
Mis­schien doe je zo­ge­naamd niets fout,
maar hou je geen reke­ning met de positie
waarin je anderen brengt.
Wat geeft ons echt aan­lei­ding tot zonde?
Hoe is ons hart?
Zijn we mensen van goede wil?
Daar gaat het om!

God is geen God
die streng controleert
of je geen fout maakt.
Hij is een God die onvoor­waar­de­lijk
van ons houdt;
Hij is een Vader die van zijn kind blijft hou­den
ook als dat rare wegen gaat;
en Hij verlangt dat wij die liefde en barm­har­tig­heid
zo in ons hart laten binnen­drin­gen
dat ons hart daar vol van is
en wij die liefde zullen uistralen naar anderen,
ook al maken we best weleens een foutje.
We blijven zwakke mensen
en dat is ook niet erg,
als er maar liefde is in ons hart
en die liefde onze leidraad is.
“Als je God liefhebt
en van goede wil bent,
hoor jij ook onder de kin­de­ren van God” (L. Blosius).
AMEN

Terug