Arsacal
button
button
button
button


Stille omgang in Amsterdam

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 23 maart 2014 - 873 woorden
De lantaarn die de plaats aangeeft van de
De lantaarn die de plaats aangeeft van de

In de nacht van 22 op 23 maart kwamen vele duizen­den gelo­vi­gen traditie­ge­trouw naar Am­ster­dam om de Stille Omgang te hou­den: een pelgrims­tocht in stil gebed door het centrum van Am­ster­dam ter ge­dach­te­nis aan een Eucha­ris­tisch wonder dat in het jaar 1345 plaatsvond: het mirakel van Am­ster­dam.

Hier­on­der de homilie die ik bij deze gelegen­heid voor de Westfriese bede­vaart heb gehou­den.

homilie

Beste mensen, broeders en zusters,
Het is goed U weer hier te zien
bij de Stille Omgang van dit jaar.
We eren het Sacra­ment van Mirakel,
dat in het jaar 1345 gebeurde,
toen Am­ster­dam nog maar vier straten had.
Het was niet meer dan een dorp,
maar toen dit wonder gebeurde
van de heilige hostie,
de communie
die boven het vuur van de haard bleef zweven,
kwamen pelgrims van heinde en ver
om het Sacra­ment van Mirakel te eren.
Ook wij zijn van­avond geko­men
om het wonder te vieren
dat de Heer bij ons is
in de vie­ring van de heilige Eucha­ris­tie,
de ge­dach­te­nis en vie­ring
van Jezus’ lij­den, sterven en verrijzen.
Samen gaan we straks naar hartje Am­ster­dam
om onze stille pelgrims­tocht te gaan,
met in ons hart de Heer
die wij hier mogen ont­van­gen
onder de gedaante van het Brood.

Als we daar in Am­ster­dam rond lopen
langs de barretjes, café’s en coffeeshops,
zien we allerlei zaken
die mensen in verlei­ding brengen
en die je kunt samen­vat­ten met de woor­den:
geld, seks en drugs en uiter­lijk vertooon.
Terwijl wij daar in stilte lopen,
en zachtjes de gebe­den doen,
gaat het leven rond ons verder,
maar je voelt een afstand:
ergens zijn we dan toe­schou­wer
van die wereld die zoveel dingen be­lang­rijk vindt,
die helemaal niet be­lang­rijk zijn,
die voorbij gaan.
Dat geld, die seks, die drugs;
ze maken geen mens gelukkig,
het is een roes, meer niet,
en als die roes voorbij is
voel je alleen maar meer leegte;
het laat je onbevre­digd achter.
Want een mens is eigen­lijk op zoek naar iets anders.
Ieder mens zoekt uit­ein­delijk liefde,
be­lan­ge­loze liefde.
Wat als liefde wordt ge­pre­sen­teerd,
is heel vaak geen liefde.
“Niemand heeft groter liefde
dan Hij die zijn leven geeft”.
Dat is wat Jezus voor ons doet,
daartoe wil Hij ook ons in­spi­re­ren:
om ons leven te geven uit liefde.
Die liefde maakt gelukkig.

We doen dit alles in de vas­ten­tijd,
de veer­tig­da­gen­tijd,
die wij in navol­ging
van het veer­tig­daag­se vasten
van Jezus in de woes­tijn,
ieder jaar opnieuw proberen te beleven
als een tijd van be­zin­ning en gees­te­lij­ke vernieu­wing.
Die tijd herinnert ons
aan die andere grote pelgrims­tocht
- niet van veer­tig dagen
maar van veer­tig jaar -
van het Joodse volk door de woes­tijn.
Het was een gebeuren dat de Joden
altijd zijn blijven gedenken.
Ze had­den als slaven gewerkt in Egypte.
Einde­lijk waren ze wegge­trok­ken
onder lei­ding van Mozes,
maar nog steeds achter­volgd
door het Egyp­tische leger van Farao.
Zij waren veilig getrokken
door het water van de Rode zee,
en dat water had het kwaad, de belagers, dat leger
verzwolgen en vernie­tigd.
Daarna trokken zij door de woes­tijn.
De Heer was bij hen,
Hij zorgde voor hen met Manna,
brood dat uit de hemel viel,
maar vaak had­den ze dat niet door,
had­den ze het gevoel
dat God hen in de steek liet,
want de zon brandde en de weg was lang;
en telkens opnieuw
moest Mozes hen bemoe­digen:
“Ga door, wees niet bang, heb ver­trouwen,
mopper en klaag toch niet zo,
de Heer zal ook hier weer voor zorgen”.
En ein­de­lijk, na vele omz­wer­vingen,
bereikten zij het beloofde land,
waar overvloed was
en dat God hun zou geven.

Jezus ver­wijst daar­naar als Hij zegt:
“Ik ben het levende brood
dat uit de hemel neerdaalt”,
Ik ben jouw gees­te­lijk voedsel
op jouw pelgrims­tocht door het leven.

Dit hele gebeuren
van de uit­tocht van de Joden
en hun tocht door de woes­tijn,
is door de kerk­va­ders
- de grote ker­ke­lijke schrijvers
uit de eerste 600 jaar -
en door de liturgie van de Kerk
altijd gezien als een vooraf­beel­ding
van de verlos­sing door Jezus
en het leven van ieder van ons.
Zoals de Joden toen,
wor­den ook wij achter­volgd door een vijan­dig leger,
dat zijn de beko­ringen en verlei­dingen,
het kwaad dat ons bedreigt, de Satan,
het lij­den en tenslotte de dood.
Maar ook wij zijn veilig door het water gegaan:
het water van het doopsel,
waardoor wij wer­den ontrukt
aan die macht van het kwaad.
De Satan, dat kwaad, is al overwonnen,
we zijn al veilig
en God trekt met ons mee.
Ons doopsel
is een zegen van God
die ons als een Vader aannam,
het biedt bescher­ming
en is een belofte
dat ons iets moois te wachten staat.

En zo zijn wij verder getrokken
op onze weg door het leven;
we zijn groot gewor­den
en mis­schien al oud
en onze levensweg leek mis­schien
maar al te vaak op die dorre en hete woes­tijn,
moei­lijk en zwaar,
maar in ons hart is de liefde van God gelegd
en de Heer geeft ons Zijn manna,
de heilige Eucha­ris­tie.
Hij zegt tot ons,
wanneer wij de Eucha­ris­tie vieren
en de heilige communie ont­van­gen:
“Ik heb je lief,
jij bent Mijn kind,
wees niet bang,
heb ver­trouwen;
Ik leid je
en Ik breng je veilig thuis”.

En bemoe­digd door die liefde
die wij ont­van­gen in de heilige Eucha­ris­tie,
weten wij ons uit­ge­no­digd en gesterkt
om onze broeders en zusters,
onze mede­mensen
lief te hebben,
met een harte­lijke, gevende liefde.
AMEN

Terug