Arsacal
button
button
button
button


Het celibaat van de priester

Artikel Overig - gepubliceerd: vrijdag, 16 december 2011 - 6594 woorden

Een pries­ter of se­mi­na­rist kan niet volstaan met het aan­vaar­den van het celi­baat als iets wat er nu eenmaal bij hoort. Het is een levens­keuze de nauw samenhangt met de bete­ke­nis van het pries­ter­schap. De Kerk heeft de celi­baatsver­plich­ting van de pries­ters door de eeuwen heen bewaard.[*]

Sinds de zes­tiger jaren van de vorige eeuw, hebben vele dis­cus­sies over de celi­baatsver­plich­ting plaats gevon­den. Het “Pas­to­raal concilie van de Neder­landse Kerk­pro­vin­cie” besloot in 1970 dat het celi­baat niet meer als voor­waarde moest wor­den gesteld voor de ambts­bedie­ning en uitgetre­den pries­ters terug mochten keren.[1] Ook in andere lan­den was beroe­ring rond dit thema. Deze woelige jaren liggen al weer geruime tijd achter ons.

Een leven in ont­hou­ding omwille van het rijk der hemelen is ook door deze stormen heen de pries­ter­lijke roe­ping gebleven die de Kerk voorhoudt. Het is nu daarom tijd de bete­ke­nis van het celi­baat opnieuw te over­we­gen, te zien hoe deze ver­plich­ting de wisseling van de eeuwen heeft kunnen doorstaan en hoe een vrucht­ba­re bele­ving van de ont­hou­ding in onze tijd moge­lijk is.

Het tweede Vati­caans oecu­me­nisch concilie (1962-1965) heeft opnieuw beves­tigd en goedge­keurd dat aan allen die tot het pries­ter­schap wor­den bestemd de ver­plich­ting tot het celi­baat wordt opgelegd.[2] Daar­mee heeft de Kerk aange­ge­ven dat zij de celi­ba­taire levens­staat van groot belang vindt en zeer passend bij de pries­ter­lijke levens­staat, ook al wordt deze levens­wij­ze moei­lijk begrepen en aangevochten in een sterk gese­cu­la­ri­seerde en geërotiseerde maat­schap­pij.

Volgens de na het tweede Vati­caans concilie herziene li­tur­gische boeken neemt de kandidaat voor het pries­ter­schap de celi­baatsver­plich­ting op zich bij de diaken­wij­ding.[3]

De apostel Paulus ver­zucht het al in zijn eerste brief aan de Korintiërs: “Ik zou willen dat gij zonder zorgen waart. Wie niet getrouwd is, heeft zorg voor de zaak des Heren, hoe hij de Heer kan behagen. Maar de getrouwde heeft zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen, en zijn aan­dacht is ver­deeld... Dit alles zeg ik tot uw eigen bestwil, niet om uw vrij­heid aan ban­den te leggen: het gaat mij alleen om de eer­baar­heid en een onver­deelde toe­wij­ding aan de Heer” (1Kor. 7, 32-35). In de tweede brief aan de Korintiërs schrijft dezelfde apostel: “Met uw enige bruidegom Christus heb ik u verloofd om u als een ongerepte maagd tot Hem te voeren” (2Kor. 11,2). Deze woor­den die Paulus schrijft aan de hele geloofs­ge­meen­schap van Korinte, hebben voor de pries­ter, die zijn hele leven aan de dienst van Christus en Zijn Kerk wijdt, een bij­zon­dere bete­ke­nis. Christus zelf spreekt met lof over degenen “die zich­zelf onhuw­baar hebben gemaakt omwille van het Rijk der Hemelen” (Mt. 19, 12) en zegt tot de apos­te­len die alles hebben verlaten om Hem te volgen: “Ieder die zijn huis, broers of zusters, vader of moeder, vrouw, kin­de­ren of akkers heeft prijsge­ge­ven om mijn Naam, zal het honderd­vou­dig terug­krij­gen en eeuwig leven ont­van­gen” (Mt. 19, 29; Lc. 18, 28-30; Mc. 10, 29-30).[6]

Veel kerk­va­ders en oude ker­ke­lijke schrijvers hebben de lof van de maag­de­lijk­heid en de celi­ba­taire levens­staat bezongen: Tertullianus, Origenes, de H. Cyprianus van Carthago, de H. Au­gus­ti­nus, de H. Athanasius van Alexandrië, de H. Basilius, de H. Gregorius van Nyssa en de H. Johannes Chrysostomos zijn daar voor­beel­den van.[7]

Wanneer door de volksmond over het celi­baat wordt ge­spro­ken, wordt dit al gauw om­schre­ven als “een pries­ter mag niet trouwen”. Dat is na­tuur­lijk een zeer gebrekkige en incomplete omschrij­ving. Het tweede Vati­caans concilie noemt het chris­te­lijk celi­baat in aan­slui­ting bij de zojuist geci­teerde woor­den van de Heer: “de vol­ko­men ont­hou­ding omwille van het Rijk der hemelen” (“perfecta propter Regnum coelorum continentia”, LG 42, LG 16).

I. DE KERKELIJKE DOCUMENTEN OVER DE CELIBAATSVERPLICHTING

Wat zegt de Kerk zelf over de waarde en bete­ke­nis van het celi­baat “omwille van het rijk der hemelen”? Wat ver­staat zij eronder en hoe motiveert zij een derge­lijke diep in het leven van de ge­roe­pene ingrijpende ver­plich­ting?

1. Over­zicht van de voor­naam­ste do­cu­menten

Het tweede Vati­caans concilie heeft het pries­ter­lijk celi­baat beves­tigd in de dog­ma­tische con­sti­tu­tie over de Kerk Lumen gentium (n. 42) en in het decreet over het leven en de zen­ding van de pries­ter Presbyterorum ordinis (n. 16). De con­sti­tu­tie over de Kerk bespreekt het celi­baat in het kader van de liefde (caritas) die gelo­vi­gen ertoe brengt zich geheel te geven tot zelfs in het marte­laar­schap.[8] Het celi­baat oftewel de maag­de­lijk­heid is een uiting van die liefde­volle zelfgave, een teken en stimulans van de liefde (signum et stimulus caritatis) en behoort tot de evan­ge­lische raden, die de Heer in het evan­ge­lie aan Zijn leer­lin­gen voorhoudt. Lumen gentium gaat niet in op de vroeger veel be­spro­ken vraag of de maag­de­lijk­heid in zich zelf een hogere staat is dan het huwe­lijk; deze vraag is eigen­lijk van theore­tische aard, omdat ieder mens ge­roe­pen is de wil van God te doen en zowel de roe­ping tot het celi­baat als die tot het huwe­lijk een gave Gods is.[9] Maar de Con­sti­tu­tie spreekt wel over het celi­baat als een bij­zon­dere bron van gees­te­lij­ke vrucht­baar­heid in de wereld (“peculia­ris fons spiritualis foecunditatis in mundo”), die door de Kerk altijd in ere is gehou­den, en noemt het een kost­ba­re gave van de god­de­lijke genade (“pretiosum gratiae divinae donum”).[10]

In de meeste Oosterse Kerken bestaat een celi­baatsver­plich­ting voor de Bis­schop­pen en monniken, maar niet voor de gewone pries­ters die de wij­dingen kunnen ont­van­gen nadat zij gehuwd zijn, maar eenmaal pries­ter gewijd in beginsel niet mogen her­trouwen. Het concilie-decreet over het dienst­werk en het leven van de pries­ter verzekert de Oosterse Kerken dat het geenszins de praktijk van gehuwde pries­ters in die Kerken wil ver­an­de­ren en spreekt waar­de­ring uit voor de inzet van deze pries­ters. Tege­lijk be­klem­toont het do­cu­ment hoe­zeer het celi­baat bij het pries­ter­schap past omdat heel de zen­ding van de pries­ter is gewijd aan de dienst van de nieuwe mens­heid, die niet uit de wil van een man en niet uit vlees en bloed maar door de heilige Geest geboren wordt. Door het celi­baat wordt de pries­ter op een nieuwe en uits­te­kende wijze aan Christus toegewijd. Zowel Lumen gentium als Presbyterorum ordinis vermel­den dat de pries­ters door het celi­baat Christus ge­mak­ke­lijker met een onver­deeld hart kunnen aan­han­gen en zich vrijer kunnen wij­den aan de dienst van God en de mensen. Presbyterorum Ordinis roept dan ook de pries­ters en alle gelo­vi­gen op “de kost­ba­re gave van het pries­ter­lijk celi­baat” te waar­de­ren en God de vragen dat Hij deze gave steeds over­vloe­dig aan Zijn Kerk zal schenken.

Na het tweede Vati­caans concilie heeft de Kerk zich in ver­schil­lende do­cu­menten met het celi­baat van de pries­ter bezig gehou­den. De be­lang­rijk­ste en meest omvattende tekst is de en­cy­cliek die paus Paulus VI schreef in ant­woord op stro­mingen die erop aandrongen dat de Kerk de celi­baatsver­plich­ting zou wij­zigen omdat die proble­ma­tisch gewor­den zou zijn en bijna onmoge­lijk om te onder­hou­den: de en­cy­cliek Sacerdotalis coelibatus van 24 juni 1967.[12] In de en­cy­cliek wordt de celi­baatsver­plich­ting beves­tigd, behalve voor gehuwde per­ma­nente diakens en gehuwde be­die­naren van oosterse Kerken, niet-katho­lie­ke kerken en ker­ke­lijke ge­meen­schappen die in de katho­lie­ke Kerk zijn opgeno­men en tot het pries­ter­schap wor­den toe­ge­la­ten.[13] De paus geeft voorts de redenen aan waarom de Kerk het pries­ter­lijk celi­baat handhaaft, niet­te­gen­staan­de de kri­tiek.

In 1971 heeft de Bis­schop­pen­synode zich onder meer bezig gehou­den met het pries­ter­schap, waarna de paus beves­tigde: “in het bij­zon­der dat men in de Latijnse Kerk voortgaat om - met Gods hulp - de hui­dige discipline van het pries­ter­lijk celi­baat in­te­graal te bewaren”, waarvoor de overgrote meerder­heid van de synode zich had uit­ge­spro­ken.[14] Het is bij gelegen­heid van deze synode geweest dat ge­spro­ken is over de pries­ter­wij­ding van wat is gaan heten de “viri probati”. Aan de synode­va­ders wer­den twee stellingen voor­ge­legd. Voor de eerste stelling die luidde: “Altijd met behoud van het recht van de paus, wordt de pries­ter­wij­ding van gehuwde mannen niet toe­ge­staan, ook niet in bij­zon­dere gevallen”, stem­den 107 synode­va­ders, terwijl 87 bis­schop­pen de tweede stelling goed­keur­den: “Het komt alleen aan de paus toe om in bij­zon­dere gevallen de pries­ter­wij­ding van gehuwde mannen van rijpe leef­tijd en dege­lijk leven toe te staan vanwege pas­to­rale nood en gelet op het wel­zijn van de uni­ver­se­le Kerk”.[15]

Omdat door de vele uittre­dingen in die tijd en de op seksueel terrein sterk per­mis­sieve cultuur wel dui­de­lijk was gewor­den dat de onder­hou­ding van het celi­baat veel minder werd beguns­tigd, kwam in de ker­ke­lijke do­cu­menten meer nadruk te liggen op de nood­zaak van het vormende karakter van de semi­na­ries in het alge­meen en op de vor­ming tot het celi­baat in het bij­zon­der. In 1974 gaf de Con­gre­ga­tie voor de katho­lie­ke opvoe­ding over dit thema een om­vang­rijk do­cu­ment uit.[16] Het do­cu­ment legt de nadruk op men­se­lijke volwassen­heid (“maturity”) en zelfbeheer­sing en de vor­ming daartoe, waarbij per­soon­lijke be­ge­lei­ding met aan­dacht voor de concrete individu, ge­meen­schap, gebed, apos­to­lische naasten­liefde en vriend­schap­pe­lijke men­se­lijke relaties sleu­telwoor­den zijn.

Herhaal­de­lijk zijn de ker­ke­lijke do­cu­menten daarna inge­gaan op de bete­ke­nis en de waarde van het pries­ter­lijk celi­baat, zoals bij­voor­beeld de post­sy­no­dale apos­to­lische exhor­ta­tie Pastores dabo vobis (1992) van paus Johannes Paulus II over de vor­ming tot het pries­ter­schap[18] en het Di­rec­to­rium voor het ambt en het leven van de pries­ters (1994) van de Con­gre­ga­tie voor de clerus.[19] Pastores dabo vobis was de vrucht van de synode van 1990 die eendui­dig de praktijk beves­tigde dat het pries­ter­schap alleen wordt verleend aan mannen “die van God de gave hebben ont­van­gen van een roe­ping tot de celi­ba­taire kuis­heid.[21]

2. De bete­ke­nis van het celi­baat volgens de ker­ke­lijke do­cu­menten

Het celi­baat omwille van het rijk der hemelen (Mt. 19,12) is een gave van Jezus Christus aan Zijn Kerk. Omdat het geleefd wordt voor het rijk der hemelen, is het nauw verbon­den met de andere evan­ge­lische deug­den van armoede en ge­hoor­zaam­heid. Deze drie deug­den over­een­koms­tig de evan­ge­lische raden, die met elkaar verbon­den zijn en comple­mentair, zijn de uitdruk­king van een bestaan dat helemaal ingevoegd is in het evan­ge­lie. Zij brengen tot uiting dat het niet een functie of taak is die de pries­ters vervullen, maar dat het om een “zijn” en een “levens­wij­ze” gaat.

De pries­ter­lijke levens­wij­ze vraagt om een bij­zon­dere liefde, name­lijk de pas­to­rale liefde waar­mee de pries­ter zich erop richt heel zijn leven te geven voor het heil en de verlos­sing van de mensen. Het celi­baat heeft deze po­si­tie­ve bete­ke­nis van volle­dige beschik­baar­heid voor het pries­ter­lijk dienst­werk en het is een vorm van toe­wij­ding aan God met een onver­deeld hart: vrij-zijn voor het rijk der hemelen. Het celi­baat heeft waarde als teken en ge­tui­ge­nis van de liefde van de pries­ter voor het rijk der hemelen. Tege­lijk is het celi­baat een deelname aan de kenosis, de ontle­diging van Christus zelf. Dat de pries­ter alles verlaat en heel zijn leven aan Christus geeft, zoals de apos­te­len dat deden (Mc. 1, 16-20), is een teken dat ook voor de mensen van onze tijd Christus verkon­digt. Juist het celi­baat brengt tot uitdruk­king dat de pries­ter zijn hele leven geeft.

Paus Paulus VI on­der­scheidt drie bete­ke­nissen van het celi­baat:

Christo­lo­gische bete­ke­nis van het celi­baat

Iedere pries­ter vindt in Christus zijn voor­beeld en “model”. Hij is immers ge­roe­pen om een “andere Christus” (alter Christus) te zijn. Christus heeft door Zijn paas­mys­te­rie, door Zijn lij­den, dood en ver­rij­ze­nis en door de uitstor­ting van de heilige Geest, de nieuwe schep­ping tot stand gebracht waardoor ook het aardse men­se­lijk bestaan is omge­vormd. De nieuwe schep­ping in Christus wordt “voort­ge­zet”, “toegepast” en ontvouwd door de pries­ter die het paas­mys­te­rie viert en te­gen­woor­dig stelt en de gelo­vi­gen door de sacra­menten laat delen in dit nieuwe leven. Christus zelf, de Zoon van God, bleef tij­dens zijn aardse leven celi­ba­tair waardoor de totale toe­wij­ding aan de dienst van God en de mensen tot uitdruk­king werd gebracht. Hij heeft de apos­te­len, de eerste be­die­naren van het heil, vrien­den en broeders genoemd (vgl. Jo. 15,15; 20,17) en hen uit­ge­no­digd om Hem te volgen en alles te verlaten. Daarom is het passend dat de pries­ter - die ge­roe­pen is om Christus te­gen­woor­dig te stellen en die zijn leven aan God toewijdt om in het voetspoor van Jezus midde­laar te zijn van het heil dat Hij heeft gebracht - ook in deze celi­ba­taire staat leeft “omwille van het rijk der hemelen”.

Het ant­woord op Gods roe­ping is een ant­woord van liefde op de liefde die Christus ons heeft getoond. Dat ant­woord van liefde wordt in de kracht van Gods genade gegeven en door de genade versterkt. Wie liefheeft, geeft alles. De liefde is totaal, exclusief en blijvend en een onweerstaan­ba­re stimulans tot grote daden: “Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij. De liefde vergaat nimmer”, schrijft de apostel Paulus (1Kor. 13, 7-8).[23] Zou de pries­ter niet uit liefde alles moeten geven wat de Heer van hem verlangt, ook het celi­baat “omwille van het rijk der hemelen”?

Eccle­sio­lo­gische bete­ke­nis van het celi­baat

Christus heeft als bruidegom Zijn bruid, de Kerk, liefgehad en zich­zelf voor haar over­ge­le­verd. Het celi­baat van de pries­ter betekent dat hij een levend teken wordt van de vrucht­ba­re maag­de­lijke liefde van Christus, want uit het “huwe­lijk” van Christus met de Kerk, Zijn bruid, komen talrijke kin­de­ren voort, maar zij zijn “niet uit bloed, noch uit de begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren”. Het celi­baat van de pries­ter is dus een teken dat hij Christus de bruidegom van de Kerk te­gen­woor­dig stelt en in Zijn persoon handelt.[24]

Escha­to­lo­gische bete­ke­nis van het celi­baat

De Kerk is hier op aarde de kiem en het begin van het ko­nink­rijk Gods. Zij hoopt eens voor altijd met Christus in heer­lijk­heid verenigd te zijn. Over dit leven in de heer­lijk­heid zegt Jezus in het evan­ge­lie: “Na de ver­rij­ze­nis is er geen sprake meer van huwen of ten huwe­lijk gegeven wor­den, maar men zal zijn als engelen Gods in de hemel” (Mt. 22, 30). De vol­ko­men ont­hou­ding omwille van het rijk der hemelen in het celi­baat is dan ook een “bij­zon­der teken van de hemelse goe­de­ren” en een ge­tui­ge­nis van gericht­heid op het doel van de aardse pelgrims­tocht en op wat blijvende waarde heeft.[28]

Men­se­lijke waarde van het celi­baat

De pries­ter offert in het celi­baat een bepaalde vorm van men­se­lijke liefde op uit liefde voor Christus. Dit kan en mag niet anders zijn dan een bewuste en verant­woor­de­lijke keuze, maar het is aller­eerst een gave, een genade van Hem die weet wat Hij van een mens kan vragen.[29] Na­tuur­lijk moet een toe­koms­tige pries­ter zich daarbij een reële voor­stel­ling maken van de moei­lijk­he­den die ermee verbon­den zijn, maar hij moet er ook niet zo van onder de indruk raken dat hij in feite het ver­trouwen verliest. De pries­ter moet bewust kiezen voor het celi­baat en deze keuze vraagt evenwicht en een bepaalde stabili­teit en authentici­teit, maar zij is niet onmoge­lijk of tegenna­tuur­lijk. De pries­ter kiest niet voor een gezin, maar wel voor het vader­schap en voor een leven in zorg­volle liefde voor anderen die aan zijn zorgen zijn toe­ver­trouwd. Deze keuze betekent niet dat de pries­ter geen erva­ring heeft met huwe­lijk en gezin of dat hij de gehuw­den en chris­te­lijke gezinnen niet goed zou kunnen bijstaan. Hij is zelf in een gezin opgegroeid en deelt in de erva­ring van vele gezinnen, waarbij zijn celi­baat een teken is van de gees­te­lij­ke dimensie van iedere liefde en van de per­soon­lijke offers die in iedere relatie moeten wor­den gebracht. Ook maakt de celi­ba­taire levens­staat dat hij niet te zeer “partij” is en slechts één bepaalde (huwe­lijks-)erva­ring vertegen-woor­digt.[31]

II. GESCHIEDENIS VAN DE CELIBAATSVERPLICHTING

Sinds de zes­tiger jaren staat de celi­baatsver­plich­ting van de clerici ter dis­cus­sie. Velen hebben over dit thema ge­pu­bli­ceerd.[33] In sommige, meer populaire publi­ca­ties wordt beweerd dat het celi­baat is inge­voerd door het tweede La­te­raans concilie in 1139. In feite is toen alleen een ongel­digmakend beletsel inge­voerd, zodat een huwe­lijk van gees­te­lij­ke ook niet gel­dig zou zijn. Anderen stellen dat het concilie van Elvira (begin vierde eeuw) deze ver­plich­ting voor het eerst heeft opgelegd.[34] Kar­di­naal A. Stickler SDB meent echter dat de kern van de celi­baatswet de ver­plich­ting tot ont­hou­ding is en dat er be­lang­rijke aan­wij­zingen zijn dat deze ver­plich­ting terug te voeren is tot de tijd van de apos­te­len. Deze mening is in twee proef­schriften uit­ge­werkt, die beide met een voor­woord van kar­di­naal Stickler zijn ver­sche­nen.

In het Nieuwe Testa­ment blijkt de wij­ding van gehuwde mannen een normale zaak (1 Tim. 3,2; 3,12; Tit. 1,6). De apostel Petrus was gehuwd (geweest) en wellicht gold dat ook voor andere apos­te­len, want Jezus zegt tot hen dat niemand zijn huis, ouders, broers en zussen, vrouw, kin­de­ren heeft verlaten voor het rijk van God, zonder dat het hem rijke­lijk zal wor­den beloond (Lc. 18,28-30; Mt. 19, 27-30; Mc. 10, 20-21).[38]

Hier blijkt dus de eerste ver­plich­ting van het celi­baat: de ont­hou­ding van ieder huwe­lijks­ge­bruik na het ont­van­gen van de wij­ding. Omdat de meeste gees­te­lij­ken in de eerste duizend jaar gehuwd waren, was deze ver­plich­ting het be­lang­rijk­ste en stond meer op de voor­grond dan het verbod nog te huwen, dat be­lang­rijker werd naarmate de Kerk meer en meer de kan­di­da­ten onder de ongehuw­den koos. Men sprak dan ook ge­woon­lijk van continentia (ont­hou­ding). Een derge­lijke ver­plich­ting kon een wij­dingskandidaat na­tuur­lijk alleen aan­gaan met toestem­ming van zijn vrouw.[39]

Als eerste wets­tekst aan­gaande het celi­baat in de Latijnse Kerk is canon 33 van het concilie van Elvira (bij Granada in Spanje) te be­schou­wen (begin van de vierde eeuw). De meeste mannen schijnen des­tijds reeds voor hun wij­ding gehuwd geweest te zijn, maar moesten zich na de wij­ding volle­dig van het huwe­lijks­ge­bruik ont­hou­den en verwijderd wor­den als zij als pries­ter of diaken kin­de­ren had­den voort­ge­bracht. Volgens de rechtshistoricus kar­di­naal Stickler is het niet moge­lijk in deze bepaling een nieuwe wet te zien: het is te zien als een reactie op overtre­dingen van een reeds bekende bepaling, waaraan men nu een sanctie toevoegt.[45]

Een volgende tekst is een ver­kla­ring van het tweede Afrikaans concilie van 390, die is herhaald door daarop­volgende kerk­ver­ga­de­ringen en is ingevoegd in de codex van canones van de Afrikaanse kerk van 419, onder de titel: "Dat de kuis­heid van de levieten en pries­ters moet wor­den bewaard”.[53]

Ook hieruit blijkt dat tenminste een groot deel van de clerus gehuwd was vóór de wij­ding en dat men daarna in ont­hou­ding leefde. Die ont­hou­ding wordt in ver­band gebracht met de wij­ding en de dienst aan het altaar en men ver­wijst ervoor naar het on­der­richt van de apos­te­len.

Hierbij blijkt dat de pau­se­lijke legaten hun instem­ming hebben betuigd. Te Rome waren name­lijk in de synode van 386 opnieuw bepa­lin­gen ingescherpt, onder meer over de ont­hou­ding van de ker­ke­lijke be­die­naren. Bepa­lin­gen van Rome en van de pausen waren voor de ont­wik­ke­ling van de verdere traditie na­tuur­lijk van het hoogste belang. Een eerste do­cu­ment is van de hand van paus Siricius, de brief Directa van 385.[54] Paus Innocentius I (401-417) hield zich even­eens met de ont­hou­ding en het celi­baat bezig en ook daarna hebben de pausen zich ingezet voor de onder­hou­ding van de ver­plich­ting tot "continentia".[56]

Hoe is de ont­wik­ke­ling in het Oosten geweest? Na­tuur­lijk kunnen we in dit ver­band niet alle teksten bespreken.

Bis­schop Epifanius van Salamina (Constantia) op Cyprus (315-403) schrijft dat de God van de wereld het cha­risma van het nieuwe pries­ter­schap heeft getoond door middel van mannen die afstand hebben gedaan van het gebruik van het enige huwe­lijk vóór de wij­ding aan­ge­gaan, of die altijd als maag­den hebben geleefd. Dit is, zegt hij, de norm die door de apos­te­len in wijs­heid en hei­lig­heid is vast­ge­steld.73 Ook zegt hij nog dat de pries­ters bij voor­keur wor­den gekozen onder de ongehuw­den en de monniken. Als onder hen niet voldoende kan­di­da­ten wor­den gevon­den, wor­den ook gehuw­den geno­men, die afstand hebben gedaan van het huwe­lijks­ge­bruik, of personen die na één huwe­lijk weduw­naars zijn gewor­den.[74]

Canon drie van het concilie van Nicea verbood de bis­schop­pen, pries­ters (en - volgens de Griekse tekst - de diakens) en in het alge­meen aan alle gees­te­lij­ken om vrouwen bij zich in huis te hebben, buiten de moeder, een zus, een tante of anderen die boven iedere ver­den­king staan. De echt­ge­noten van de gees­te­lij­ken wor­den hierbij niet genoemd.

De ver­plich­ting tot ont­hou­ding heeft altijd tol moeten betalen aan de men­se­lijke zwak­heid. In het westen zagen we herhaalde malen dat de bepaling daarom wordt ingescherpt en dat men maat­regelen neemt om deze te handhaven. In het oosten schijnt dit waak­zaam toe­zicht te zijn verslapt. In het westen had­den de pau­se­lijke bepa­lin­gen grote bete­ke­nis voor de een­heid in discipline. In het oosten kwamen bij de oude oecu­me­nische concilies steeds meer bepa­lin­gen van de keizers die het huwe­lijks­ge­bruik tolereer­den en gingen ac­cep­teren. De eerste wetten die dit sanctio­neerde waren de keizer­lijke wetten die de bur­ger­lijke aspecten van het gewijde dienst­werk regel­den. In de Codex Theodosianus (434) wordt toe­ge­staan dat de pries­ter met zijn vrouw samenwoont en dat ook in dit geval de plicht tot ont­hou­ding bewaard kan blijven. In de wet­ge­ving van keizer Justinianus I wordt toe­ge­staan samen te wonen en het huwe­lijks­ge­bruik voort te zetten, als de gees­te­lij­ke slechts één keer was gehuwd en met een maagd.[79]

Keizer Justinianus II liet een tweede Trullaans concilie bijeenroepen in de herfst van 691 om de dis­ci­pli­naire wet­ge­ving van de Byzan­tijnse kerk te verzamelen en vast te stellen. Na het ont­van­gen van de wij­ding mag men niet meer trouwen, werd hier bepaald. De bis­schop­pen mogen niet met hun vrouwen sa­men­le­ven of ge­meen­schap met hen hebben. Het verschil met de hier­voor vermelde bepa­lin­gen zit in de ver­plich­tingen met betrek­king tot diaken en pries­ter, die alleen tij­dens de periode van dienst aan het altaar in ont­hou­ding hoef­den leven. De discipline met betrek­king tot de bis­schop­pen in het tweede Trullanum, kan men dus be­schou­wen als een overblijfsel van de traditie tot dan toe. Ook bewaart men er de ver­plich­ting dat slechts één huwe­lijk mag zijn gesloten door de wij­dingskandidaat en dat de gewijde niet opnieuw mag huwen.

De Trullaanse discipline is in het oosten van kracht gebleven. Aan de oosterse ge­meen­schappen die herenigd zijn met Rome, is toe­ge­staan hun eigen ge­woon­ten inzake het celi­baat te blijven volgen. En wanneer een gehuwde Orthodoxe pries­ter naar de katho­liek oosterse ritus over­ging kon hij als gehuwd pries­ter werk­zaam blijven ook als in die ritus een verplicht celi­baat bestond.

Het is dit uitgangs­punt dat nu ook zo ongeveer gehan­teerd wordt voor dominees en de vele honder­den Angli­caanse gees­te­lij­ken die katho­liek wor­den.

III. DE BELEVING VAN HET PRIESTERLIJK CELIBAAT

Om het celi­baat te kunnen beleven dient aan ver­schil­lende voor­waar­den te wor­den voldaan; het celi­baat zal nooit een verworven­heid zijn, maar vraagt om een goede voor­be­rei­ding en dage­lijkse inzet.

1. Komen tot zelfgave

De kern van iedere chris­te­lijke roe­ping is dat de ge­roe­pene zijn leven wil geven aan God, aan Zijn Zoon, en dat hij van Hem wil getuigen. De ge­roe­pene geeft zijn leven zozeer aan de Heer dat hij Hem toebehoort, dat hij in een bij­zon­dere bete­ke­nis van dat woord “Christus­dra­ger” zal zijn.

Het gaat er dus niet om dat iemand slechts bepaalde dingetjes moet doen, bepaalde vaar­dig­he­den moet aanleren, bepaalde kennis en compe­tenties moet verwerven voordat hij gewijd kan wor­den. Na­tuur­lijk moet hij dat wel doen, maar het gaat er uit­ein­delijk om dat hij zich­zelf geeft, zodat hij voor het ont­van­gen van de heilige wij­dingen volmon­dig kan zeggen: “Ja, hier ben ik”.

2. De eigen roe­ping koes­te­ren en in dank­baar­heid leven

Alles wordt anders door de erva­ring die iemand van God heeft opgedaan: de erva­ring dat hij gezien wordt en gekend door God zelf. Die inner­lijke over­tui­ging: “Hij kent mij en Hij heeft mij lief”, is de basis waarop een mens er van harte toe kan besluiten zijn leven aan Hem te geven op de wijze waartoe Hij ons roept.

Iedere se­mi­na­rist zal daarom de genade van zijn roe­ping bij zich hou­den in zijn hart. De genade van een roe­ping is iets heel kost­baars, omdat daarin ervaren wordt dat de Heer met bezig is met degene die deze roe­ping ont­vangt en dat Hij een heel spe­ci­fie­ke bedoeling met diens leven heeft.

Dat de Heer hem heeft aangeraakt en ge­roe­pen is genade en die brengt in de ge­roe­pene een ontroe­ring teweeg in het bewust­zijn van eigen klein­heid, en dank­baar­heid omdat de Heer Zijn weg met hem is gegaan. De roe­ping maakt dank­baar en tege­lijk be­schei­den en klein want het zijn geen men­se­lijke ver­diensten die dit teweeg brachten, maar het is het werk van Zijn genade.

Wanneer een ge­roe­pene inner­lijk wordt vastge­hou­den door gevoelens van kwaad­heid en in zijn hart geweld­da­dig is en vol con­flic­ten, zich isoleert van de anderen en wellicht ook wanhopig is, bij­voor­beeld door jeugd­trau­ma’s die on­vol­doen­de ver­werkt zijn, dan kan hij fun­da­men­teel niet leven vanuit die dank­baar­heid en hoop en kan hij het goede nieuws, de blijde bood­schap niet brengen. Een nega­tief zelf­beeld zal er vaak mee verbon­den zijn. Dit alles zal zijn gebedsleven, zijn omgang met anderen en de vrucht­baar­heid van zijn apos­to­laat sterk beïn­vloe­den en maken dat hij geen gelukkig pries­ter kan zijn. Het is zeer aanneme­lijk dat hij ook gevangen raakt in per­soon­lijke problemen waar­van het niet onder­hou­den van het celi­baat er één is.

Dit maakt dui­de­lijk hoe be­lang­rijk de vor­mings­pe­rio­de in het semi­na­rie is en hoe cruciaal het is dat de se­mi­na­rist de eigen inner­lijke won­den onder ogen durft te zien. Het begin van gene­zing is dat de pries­ter of se­mi­na­rist zelf tot zich toelaat wat er aan de hand is: dat de kwaad­heid zijn pries­ter­schap vernie­tigt.[86]

3. Lief­heb­ben

Jezus wijst in het evan­ge­lie op het eerste en voor­naam­ste gebod en het tweede dat daar­mee gelijk­waar­dig is: de liefde tot God en de liefde tot de naaste.

In dit licht kunnen we begrijpen waarom van de pries­ter het celi­baat wordt gevraagd: hij belooft geen intieme relaties aan te gaan - geen seksuele relatie, geen relaties die anderen uitsluiten - en in zuiver­heid te leven, in volle­dige ont­hou­ding omwille van het rijk der hemelen, omdat juist de pries­ter ge­roe­pen is een beeld te zijn van de totali­teit en het alles en ie­der­een omvattende karakter van de liefde van Jezus. Zonder deze liefde is alles waardeloos. Het is vanuit deze liefde dat het offer wordt gebracht van seksuele en andere “bij­zon­dere”, intieme relaties.

Deze liefde die ertoe brengt er voor een ander te zijn, vooral voor de zwakkeren en armen, de zieken en anderen die hulp nodig hebben, is een be­lang­rijke voor­waarde voor het (goed) kunnen beleven van het celi­baat. Het celi­baat is geen afzien van de liefde, maar een verbre­ding en een radi­ca­li­sering van die liefde.

Het is te hopen voor een pries­ter dat hij vele vrien­den heeft, steeds in zuiver­heid en open­heid. De liefde van een pries­ter is geen liefde die zich afzondert, maar één die zich opent. Het is wezen­lijk een herder­lijke liefde.

4. Levens­stijl

De bele­ving van het celi­baat ver­on­der­stelt een bepaalde levens­stijl. Gejaagd en ambitieus streven naar bepaalde zaken en de misluk­kingen die daarbij wor­den ervaren, kunnen een weer­slag hebben op de bele­ving van het celi­baat. Het is voor de pries­ter van groot belang in Gods te­gen­woor­dig­heid te leven, leven en werk aan de Vader uit han­den te geven, zo goed moge­lijk afstand te doen van pres­ta­tie­drang waarbij de eigen persoon te zeer op de voor­grond staat.

Om met God te kunnen leven is een zekere inner­lijke vrede en rust nodig, die wordt bevorderd door een goede en gezonde levens­stijl: op tijd naar bed gaan, niet te veel drinken, voldoende bewe­ging nemen, het com­puter-gebruik en TV-kijken ordenen en “aan ban­den leggen”, enzo­voorts.

5. Intens gees­te­lijk leven

Bij­zon­dere vermel­ding verdient het gees­te­lijk leven. Als een pries­ter niet bidt, zal dat niet zonder erns­tige gevolgen blijven voor zijn pries­ter­lijk leven en celi­baat. Want de bron waaruit zijn leven wordt gevoed is de intieme ver­hou­ding met Christus. Daarom zullen de over­we­ging van het Woord van God en de vie­ring van de heilige Eucha­ris­tie een voorname plaats moeten innemen in het leven van de pries­ter. Verder zal een pries­ter een innige, af­fec­tieve ver­trouwens­band moeten ont­wik­ke­len met de Moeder van God. Dit alles zal hem helpen zijn geloof levend en per­soon­lijk te hou­den en te verdiepen. In zijn pas­to­rale taken zal een pries­ter die zich met geloof en ijver in dienst van de zielen, van het heil van mensen stelt, even­eens een be­lang­rijke voe­dings­bron vin­den.

6. Biecht en gees­te­lij­ke lei­ding

Een pries­ter behoort een vaste biecht­va­der en leidsman te hebben, die hij met regelmaat bezoekt en met wie hij open­har­tig spreekt.

7. Broe­der­lijke ge­meen­schap

Van groot belang is verder het beleven van ge­meen­schap en het ervaren van waar­de­ring. Na­tuur­lijk kan dit op ver­schil­lende manieren, maar het is niet goed voor een pries­ter om alleen te zijn.[90] Uit een Ameri­kaans onder­zoek onder jonge pries­ters bleek dat 71% van de gevraagde dio­ce­sane pries­ters en 58% van de pries­terreli­gi­euzen gelukkig waren in hun pries­ter­schap en er zeker van zei­den te zijn dat zij hun ambt niet zou­den verlaten. 5% van de jonge dio­ce­sane pries­ters en 14% van de jonge pries­terreli­gi­euzen gaven echter aan dat zij zeker zou­den uittre­den, dat zij waar­schijn­lijk zou­den uittre­den of onzeker waren.[91] Bij degenen die aangaven gelukkig te zijn scoor­den de pries­ter­lijke werk­zaam­he­den (74%), de contacten met de gelo­vi­gen (73%), het celi­ba­taire leven (59%), de leef­si­tua­tie (57%), de relatie met de bis­schop of de overste (52%) en de steun van andere pries­ters (42%) het hoogst. Minder tevre­den waren de pries­ters over hun gees­te­lijk leven en vooral het tijd­ge­brek.[92] Hoe be­lang­rijk de relationele factoren en de ge­meen­schaps­be­le­ving zijn, komt nog dui­de­lijker naar voren in de groep die problemen had: bij vrijwel allen kwam een­zelfde erva­ring naar voren: zij voel­den zich een­zaam en niet ge­waar­deerd. Deze erva­ring bleek het fun­da­men­teel vereiste voor vrijwel ieder uittre­den: zonder deze negatieve erva­ring bleek uittre­den zeer onwaar­schijn­lijk.[93] Na­tuur­lijk zullen hier vaak nog andere per­soon­lijke en psy­chi­sche problemen achter liggen, die groten­deels in de semi­na­rie-tijd onder ogen moeten wor­den gezien. Maar dui­de­lijk is: het is nood­za­ke­lijk dat een pries­ter de sacra­men­tele ge­meen­schap kan beleven met zijn mede­broeders-pries­ters en dat hij in de gelegen­heid is om zijn leven van toe­wij­ding, gebed en zelfgave aan Christus en Zijn Kerk te delen met anderen. Het is niet voldoende ont­moe­tingen te or­ga­ni­se­ren in een ver­ga­der-sfeer met pas­to­raal werkers en andere leken samen. De pries­ter moet gelegen­heid hebben zijn eigen spe­ci­fie­ke, sacra­men­tele, pries­ter­lijke band te beleven die hem met de andere pries­ters verbindt. Kransen, andere in­for­mele ont­moe­tingen, pries­ter-retraites en -bede­vaarten, deelname aan de chrisma-mis, studie­da­gen voor de pries­ters, het creëren van een ont­moe­tings­plaats, enzo­voorts moeten daarom bevorderd wor­den. Terug­hou­dend­heid omdat zo’n bij­een­komst niet col­le­giaal zou zijn naar de leken-mede­wer­kers, is niet op zijn plaats. Die andere mede­wer­kers zijn veelal gehuwd, hebben een gezin en zijn een heel andere verbin­ding met de Kerk aan­ge­gaan. Met name voor de dio­ce­sane pries­ters is van het grootste belang dat er een echte “communio” , ja een ver­trouwe­lijke sfeer tussen de Bis­schop en zijn pries­ters in het bisdom ont­staat.[94] Hier ligt een be­lang­rijk aan­dachts­punt voor de Bis­schop en andere verant­woor­de­lijken in het diocees, maar ook voor de pries­ters zelf, die mede hun broeders hoeder zijn.[95] Dit houdt ook in dat gestreefd moet wor­den naar een pas­to­rale organi­sa­tie waarbij voldoende ruimte en aan­dacht voor het beleven van deze “communio” kan ontstaan. In het geci­teerde onder­zoek bleek dat de jonge pries­ters gebrek aan een­heid (“polari­sa­tie”) en de werkdruk als grootste problemen zagen.[96]

BESLUIT

Velen, ook onder de leden van de Kerk blijken het (pries­ter­lijk) celi­baat niet op waarde schatten, terwijl het toch om één van de evan­ge­lische raden gaat.

Maar het celi­baat is vanaf de eerste eeuwen door de pries­ters beleefd en door de Kerk trouw bewaard. Het verleent een concrete uitdruk­king aan wat het pries­ter­schap wezen­lijk is.

Het opheffen van de celi­baatsver­plich­ting kan soms een oplos­sing lijken voor een pries­ter­te­kort, maar een gebrek aan roe­pingen voor het pries­ter­schap is eerder een teken van seculari­sa­tie van Kerk­ge­meen­schap en maat­schap­pij en een fase in een proces dat tot verval van ker­ke­lijk leven en geloofsafval leidt en het is dus maar de vraag of door het opheffen van deze ver­plich­ting wer­ke­lijk soelaas wordt gebo­den. Het zou kunnen zijn dat door een (gedeelte­lijke) ophef­fing juist meer problemen binnen de Kerk en haar clerus wor­den gehaald.

Uit onder­zoek blijkt dat niet het celi­baat op zich maakt dat pries­ters onge­luk­kig zijn in hun pries­ter­schap. De pries­ters die gelukkig waren in hun pries­ter­schap gaven in het geci­teerde Ameri­kaanse onder­zoek juist in groten getale aan gelukkig te zijn in het celi­ba­taire leven. Het probleem is om­ge­keerd: Pries­ters die onge­luk­kig zijn, die zich alleen en niet ge­waar­deerd voelen, zullen ge­mak­ke­lijk problemen krijgen met het celi­ba­taire leven. Dit betekent dat in de voor­be­rei­ding op het pries­ter­schap bij­zon­dere aan­dacht moet wor­den gegeven aan de groei van de kandidaat tot een even­wich­tige, volwassen persoon, die in staat is liefde­volle relaties aan te gaan op een open, va­der­lijke wijze die bij het celi­ba­tair pries­ter­schap past, en dat “communio”en ge­meen­schap zeer be­lang­rijke waar­den zijn. Dit alles neemt echter niet weg dat de basis voor een vrucht­baar beleven van het celi­baat in de pries­ter zelf ligt, in zijn vermogen tot zelfgave en dank­baar­heid, zijn ascese en toegewijd gees­te­lijk leven, kortom in zijn verlangen en inzet om met vreugde pries­ter te zijn en de Heer als een “alter Christus” te­gen­woor­dig te stellen.


[*]Meer over de ach­ter­gron­den van het pries­ter­lijk celi­baat in: J. HENDRIKS, Het celi­baat van de pries­ter. Ge­schie­de­nis, theo­lo­gie en bele­ving (Tilten­bergstudies dl. 2, Vo­ge­len­zang, 2008), verkrijg­baar via www.tilten­berg.org.

[1]PASTORAAL CONCILIE VAN DE NEDERLANDSE KERKPROVINCIE, deel 6: Vijfde plenaire ver­ga­de­ring. De reli­gi­euzen en de ambts­bedie­ning (Katho­liek Archief, Amersfoort, 1970), p. 331.

[2]PO 16, 3: “Quam legislationem, ad eos qui ad Presbyteratum destinantur quod attinet, Sacrosancta haec Synodus iterum comprobat et confirmat”, vgl. LG 42; LG 29 heeft voor het eerst in de ge­schie­de­nis van de Latijnse Kerk wél toe­ge­staan dat gehuwde mannen van rijpere leef­tijd tot (per­ma­nent) diaken wor­den gewijd. zonder dat ont­hou­ding werd opgelegd.

[3]Vgl. LG 31 “Nomine laicorum hic intelliguntur omnes christifideles praeter membra ordinis sacri et status religiosi...”; cf. LG 44 in fine.

[6]Bij Marcus staat de vrouw er niet expliciet bij, wel wordt ge­spro­ken over “huis”.

[7]Vgl. hierover G. PHILIPS, De dog­ma­tische con­sti­tu­tie over de Kerk “Lumen gentium”. Ge­schie­de­nis, Tekst, Kom­men­taar, deel 2 (Antwerpen, 1968), PP. 118-119.

[8]Vgl. Origenes “De maag­de­lijk­heid bij­voor­beeld wordt niet als schuldvereffe­ning vereist, noch door voor­schrift opgelegd, doch boven de plicht uit als offer opgedragen”(Comm. in Mt. X, 14, in: PG 14, kol. 1275 B), waarop Mgr. G. Philips, de se­cre­ta­ris van de com­mis­sie die Lumen gentium voor­be­reidde en die deze tekst van Origenes vermeldt, zegt: “Deze offerge­dachte brengt de maag­de­lijk­heid in de nabij­heid van het marte­laar­schap” (in: G. PHILIPS, o.c., p. 116).

[9]Vgl. PHILIPS, o.c., p. 117.

[10]Vgl. PO 16, 3: “praeclarum illud donum”. PO 16,1 stelt echter dat uit de praktijk van de jonge Kerk blijkt dat het celi­baat niet wordt vereist door het wezen van het pries­ter­schap, onder ver­wij­zing naar 1Tim. 3,2-5 en Tit. 1,6. PO 16, 3 stelt dat het celi­baat aan­vanke­lijk aan de pries­ters alleen was aan­be­vo­len, later echter bij wet door de Latijnse Kerk aan alle kan­di­da­ten voor de heilige wij­dingen is opgelegd. Deze benade­ring vin­den we ook in de en­cy­cliek Sacerdotalis caelibatus, n. 36. Over deze praktijk en de juist­heid van deze opmer­kingen zie hier­on­der hoofd­stuk II over de ge­schie­de­nis van de celi­baatsver­plich­ting.

[12]“...erupit proclivitas vel, ut verius dicamus, significata voluntas Christi Ecclesiam ad id impellendi, ut hoc proprium ac suum institutum recognoscat, cuius conservationem, ut eorum fert opinio, et nostra tempora et nostri mores difficilem vel potius impossibilem efficiant”, in: AAS 59 (1967), pp. 657-697.

[13]Sacerdotalis caelibatus, n. 42; vgl. LG 29.

[14]“ut in Ecclesia Latina integre observari pergat, Deo adiu­vante, praesens disciplina de caelibatu sacerdotali”, Rescriptum ex audientia 30 nov. 1971, in: AAS 63(1971), p. 897; ook in EV 4, pp. 748-799. Het do­cu­ment Ultimis temporibus volgt daar on­mid­del­lijk op. Over de stelling: “Lex caelibatus sacerdotalis in Ecclesia Latina vigens integre servari debet” stem­den de synode­va­ders als volgt: placet 168, non placet 10 en placet iuxta modum 21; 3 synode­va­ders onthiel­den zich van stem­ming (zie: EV 4, p. 790).

[15]“... ordinationem presbyteralem virorum matrimonio iunctorum provectioris tamen aetatis et probatae vitae”, in: EV 4, pp. 790-791.

[16]Orienta­menti educativi per la formazione al celibato sacerdotale, 11 april 1974 (Città del Vaticano, 1974), pp. 78, ook in: EV 5, nr. 190-426 (Engels: A guide to formation in priestly celibacy).

[18]25 maart 1992, in: AAS 84(1992), pp. 657-804, m.n. nn. 29, 44 en 50.

[19]31 januari 1994, Neder­landse vertaling in: Ker­ke­lijke do­cu­men­ta­tie. Speciale uitgave. Over het celi­baat gaan met name de nrs. 57-60.

[21]Pastores dabo vobis, n. 29.

[23]Vgl. Sacerdotalis caelibatus, nn. 19-25.

[24]Di­rec­to­rium voor het ambt en het leven van de pries­ters, o.c., n. 58.

[28]Sacerdotalis caelibatus, n. 34; het citaat is uit het decreet van het tweede Vati­caans concilie over de aangepaste vernieu­wing van het reli­gi­euze leven, Perfectae caritatis, n. 12.

[29]Sacerdotalis caelibatus, n. 51.

[31]Vgl. ibidem, n. 57.

[33]A. STICKLER, Il celibato ecclesiastico (Città del Vaticano, 1994); R. CHOLIJ, Clerical celibacy in East and West (Herefordshire, 1988); CHR. COCHINI, Ori­gi­nes apostoliques du célibat sacerdotal (Paris, 1981); AAVV, Sacerdozio e celibato (Milano, 1975). Hier­van bestaat ook een Engelse (1972) en een Franse (1971) uitgave; Th. VAN BILSEN, Huwe­lijk en ker­ke­lijk ambt (Hilversum, 1982); E. DASSMANN, "Dia­ko­nat und Zölibat", in: J. PLÖGER, H. WEBER (ed.), Der Diakon (Frei­burg, Basel, Wien, 1980), pp. 57-67; ST. HEID, Zölibat in der frühen Kirche. Die Anfänge einder Enthaltsamkeitspflicht für Kleriker in Ost und West (Paderborn etc., 1997), 340 pp.; J. HENDRIKS, "Ge­schie­de­nis van de celi­baatsver­plich­ting", in: Communio (Nederl.) 21(1996), pp. 204-219; F. VAN LEEUWEN-VAN SANDICK, De pries­tervrouw, volgens de oude regel van de Kerk. Het ge­tui­ge­nis van Schrift en Traditie (Tegelen, 2000), 244 pp..

[34]Hier­naar ver­wijst de en­cy­cliek Sacerdotalis caelibatus, n. 36 met noot 72.

[38]F. VAN LEEUWEN-VAN SANDICK, De pries­tervrouw volgens de oude regel van de Kerk (Tegelen, 2000), p. 96 gaat ervan uit dat meer apos­te­len gehuwd waren; dat de vrouw van Petrus nog leefde toen hij als apostel Jezus volgde, wordt althans beves­tigd door Clemens van Alexandrië (* rond 150) in diens Stromata, zie VAN LEEUWEN-VAN SANDICK, p. 96. Daar­en­te­gen is wel verde­digd dat het woord πενθερ? in Mc. 1,30 een andere bete­ke­nis kan hebben dan “schoon­moe­der” (bijv. prof. J. Galot).

[39]Aldus STICKLER, ibidem, pp. 7-8.

[45]O.c., p. 15; Denz. 117-121.

[53]STICKLER, o.c., p. 16. De tekst van deze concilies in CC 149.

[54]in: PL 13, kol. 1131-1147, Denz. 185; zie: STICKLER, o.c., p. 20.

[56]STICKLER, o.c., pp. 21-22.

[73]STICKLER, o.c., p. 38; PG 41, kol. 868 en 1024 (Gr. Chr. S. 31 (1921), pp. 219vv.

[74]STICKLER, o.c., p. 38; PG 42, kol. 823vv. of Gr. Chr. S. 37 (1933), p. 522.

[79]STICKLER, o.c., pp. 44-45.

[86]Zie over deze thema’s bijv. ST. ROSSETTI, The Joy of priesthood (Notre Dame, Indiana, 2004), pp. 151-164 en 167-183. Rossetti ver­telt op p. 151 dat pries­ters die voor een be­han­de­ling komen in zijn Saint Luke’s instituut meestal zelf niet door­heb­ben hoe boos ze eigen­lijk zijn.

[90]Ibidem, n. 80.

[91]D. HOGE, The first five years of the priesthood. A study of newly ordained catholic priests (Collegeville, Minesota, 2002), p. 35.

[92]Ibidem, pp. 36vv.

[93]Ibidem, pp. 63-64. Het onder­zoek on­der­scheidde vier type “uittreders” die kortweg wer­den aangeduid als: type 1: “in love” (20-30%); type 2: “Rejected celibacy” (20-30%); type 3 “Disillusioned” (30-40%); type 4 “Rejected Gay celibacy”(5-15%). De con­clu­sie op p. 64: “An important lesson here is that all four types have one condition in common - that the man felt lonely or unappreciated. This is a necessary require­ment in the process of deci­ding to resign; when it is absent, resignation from the priesthood is unlikely ... This is a basic fin­ding of our research”.

[94]Ibidem, nn. 91-95. Vgl. ROSSETTI, o.c., p. 180: “The more we foster presbyterates and dioceses that are places of true communion, the more healing and life-giving they will be”.

[95]Vgl. PO 8; Sacerdotalis caelibatus 81.

[96]D. HOGE, o.c., p. 39.


Terug