Arsacal
button
button
button


Het celibaat van de priester

artikel_overig - gepubliceerd: vrijdag, 16 december 2011

Een priester of seminarist kan niet volstaan met het aanvaarden van het celibaat als iets wat er nu eenmaal bij hoort. Het is een levens­keuze de nauw samenhangt met de betekenis van het priester­schap. De Kerk heeft de celibaatsverplichting van de priesters door de eeuwen heen bewaard.[*]

Sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw, hebben vele discussies over de celibaatsverplichting plaats gevonden. Het “Pastoraal concilie van de Neder­landse Kerkprovincie” besloot in 1970 dat het celibaat niet meer als voor­waarde moest worden gesteld voor de ambtsbediening en uitgetreden priesters terug mochten keren.[1] Ook in andere landen was beroering rond dit thema. Deze woelige jaren liggen al weer geruime tijd achter ons.

Een leven in onthouding omwille van het rijk der hemelen is ook door deze stormen heen de priesterlijke roeping gebleven die de Kerk voorhoudt. Het is nu daarom tijd de betekenis van het celibaat opnieuw te overwegen, te zien hoe deze verplichting de wisseling van de eeuwen heeft kunnen doorstaan en hoe een vruchtbare beleving van de onthouding in onze tijd mogelijk is.

Het tweede Vaticaans oecumenisch concilie (1962-1965) heeft opnieuw bevestigd en goedgekeurd dat aan allen die tot het priester­schap worden bestemd de verplichting tot het celibaat wordt opgelegd.[2] Daarmee heeft de Kerk aangegeven dat zij de celibataire levensstaat van groot belang vindt en zeer passend bij de priesterlijke levensstaat, ook al wordt deze levenswijze moeilijk begrepen en aangevochten in een sterk geseculariseerde en geërotiseerde maat­schappij.

Volgens de na het tweede Vaticaans concilie herziene liturgische boeken neemt de kandidaat voor het priester­schap de celibaatsverplichting op zich bij de diaken­wij­ding.[3]

De apostel Paulus verzucht het al in zijn eerste brief aan de Korintiërs: “Ik zou willen dat gij zonder zorgen waart. Wie niet getrouwd is, heeft zorg voor de zaak des Heren, hoe hij de Heer kan behagen. Maar de getrouwde heeft zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen, en zijn aandacht is verdeeld... Dit alles zeg ik tot uw eigen bestwil, niet om uw vrijheid aan banden te leggen: het gaat mij alleen om de eerbaarheid en een onverdeelde toe­wij­ding aan de Heer” (1Kor. 7, 32-35). In de tweede brief aan de Korintiërs schrijft dezelfde apostel: “Met uw enige bruidegom Christus heb ik u verloofd om u als een ongerepte maagd tot Hem te voeren” (2Kor. 11,2). Deze woorden die Paulus schrijft aan de hele geloofs­ge­meen­schap van Korinte, hebben voor de priester, die zijn hele leven aan de dienst van Christus en Zijn Kerk wijdt, een bijzondere betekenis. Christus zelf spreekt met lof over degenen “die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der Hemelen” (Mt. 19, 12) en zegt tot de apostelen die alles hebben verlaten om Hem te volgen: “Ieder die zijn huis, broers of zusters, vader of moeder, vrouw, kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn Naam, zal het honderdvoudig terugkrijgen en eeuwig leven ontvangen” (Mt. 19, 29; Lc. 18, 28-30; Mc. 10, 29-30).[6]

Veel kerkvaders en oude kerkelijke schrijvers hebben de lof van de maagdelijkheid en de celibataire levensstaat bezongen: Tertullianus, Origenes, de H. Cyprianus van Carthago, de H. Augustinus, de H. Athanasius van Alexandrië, de H. Basilius, de H. Gregorius van Nyssa en de H. Johannes Chrysostomos zijn daar voorbeelden van.[7]

Wanneer door de volksmond over het celibaat wordt gesproken, wordt dit al gauw omschreven als “een priester mag niet trouwen”. Dat is natuurlijk een zeer gebrekkige en incomplete omschrijving. Het tweede Vaticaans concilie noemt het christelijk celibaat in aansluiting bij de zojuist geciteerde woorden van de Heer: “de volkomen onthouding omwille van het Rijk der hemelen” (“perfecta propter Regnum coelorum continentia”, LG 42, LG 16).

I. DE KERKELIJKE DOCUMENTEN OVER DE CELIBAATSVERPLICHTING

Wat zegt de Kerk zelf over de waarde en betekenis van het celibaat “omwille van het rijk der hemelen”? Wat verstaat zij eronder en hoe motiveert zij een dergelijke diep in het leven van de geroepene ingrijpende verplichting?

1. Overzicht van de voornaamste documenten

Het tweede Vaticaans concilie heeft het priesterlijk celibaat bevestigd in de dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium (n. 42) en in het decreet over het leven en de zending van de priester Presbyterorum ordinis (n. 16). De constitutie over de Kerk bespreekt het celibaat in het kader van de liefde (caritas) die gelovigen ertoe brengt zich geheel te geven tot zelfs in het martelaar­schap.[8] Het celibaat oftewel de maagdelijkheid is een uiting van die liefdevolle zelfgave, een teken en stimulans van de liefde (signum et stimulus caritatis) en behoort tot de evangelische raden, die de Heer in het evangelie aan Zijn leerlingen voorhoudt. Lumen gentium gaat niet in op de vroeger veel besproken vraag of de maagdelijkheid in zich zelf een hogere staat is dan het huwelijk; deze vraag is eigenlijk van theoretische aard, omdat ieder mens geroepen is de wil van God te doen en zowel de roeping tot het celibaat als die tot het huwelijk een gave Gods is.[9] Maar de Constitutie spreekt wel over het celibaat als een bijzondere bron van geestelijke vrucht­baar­heid in de wereld (“peculiaris fons spiritualis foecunditatis in mundo”), die door de Kerk altijd in ere is gehouden, en noemt het een kostbare gave van de goddelijke genade (“pretiosum gratiae divinae donum”).[10]

In de meeste Oosterse Kerken bestaat een celibaatsverplichting voor de Bis­schop­pen en monniken, maar niet voor de gewone priesters die de wijdingen kunnen ontvangen nadat zij gehuwd zijn, maar eenmaal priester gewijd in beginsel niet mogen hertrouwen. Het concilie-decreet over het dienstwerk en het leven van de priester verzekert de Oosterse Kerken dat het geenszins de praktijk van gehuwde priesters in die Kerken wil veranderen en spreekt waardering uit voor de inzet van deze priesters. Tegelijk beklemtoont het document hoezeer het celibaat bij het priester­schap past omdat heel de zending van de priester is gewijd aan de dienst van de nieuwe mensheid, die niet uit de wil van een man en niet uit vlees en bloed maar door de heilige Geest geboren wordt. Door het celibaat wordt de priester op een nieuwe en uitstekende wijze aan Christus toegewijd. Zowel Lumen gentium als Presbyterorum ordinis vermelden dat de priesters door het celibaat Christus gemakkelijker met een onverdeeld hart kunnen aanhangen en zich vrijer kunnen wijden aan de dienst van God en de mensen. Presbyterorum Ordinis roept dan ook de priesters en alle gelovigen op “de kostbare gave van het priesterlijk celibaat” te waarderen en God de vragen dat Hij deze gave steeds overvloedig aan Zijn Kerk zal schenken.

Na het tweede Vaticaans concilie heeft de Kerk zich in ver­schil­lende documenten met het celibaat van de priester bezig gehouden. De belangrijkste en meest omvattende tekst is de encycliek die paus Paulus VI schreef in antwoord op stromingen die erop aandrongen dat de Kerk de celibaatsverplichting zou wijzigen omdat die problematisch geworden zou zijn en bijna onmogelijk om te onderhouden: de encycliek Sacerdotalis coelibatus van 24 juni 1967.[12] In de encycliek wordt de celibaatsverplichting bevestigd, behalve voor gehuwde permanente diakens en gehuwde bedienaren van oosterse Kerken, niet-katholieke kerken en kerkelijke gemeen­schappen die in de katholieke Kerk zijn opgenomen en tot het priester­schap worden toegelaten.[13] De paus geeft voorts de redenen aan waarom de Kerk het priesterlijk celibaat handhaaft, niettegenstaande de kritiek.

In 1971 heeft de Bis­schop­pen­synode zich onder meer bezig gehouden met het priester­schap, waarna de paus bevestigde: “in het bijzonder dat men in de Latijnse Kerk voortgaat om - met Gods hulp - de huidige discipline van het priesterlijk celibaat integraal te bewaren”, waarvoor de overgrote meerderheid van de synode zich had uitgesproken.[14] Het is bij gelegenheid van deze synode geweest dat gesproken is over de priester­wij­ding van wat is gaan heten de “viri probati”. Aan de synodevaders werden twee stellingen voorgelegd. Voor de eerste stelling die luidde: “Altijd met behoud van het recht van de paus, wordt de priester­wij­ding van gehuwde mannen niet toegestaan, ook niet in bijzondere gevallen”, stemden 107 synodevaders, terwijl 87 bis­schop­pen de tweede stelling goedkeurden: “Het komt alleen aan de paus toe om in bijzondere gevallen de priester­wij­ding van gehuwde mannen van rijpe leeftijd en degelijk leven toe te staan vanwege pastorale nood en gelet op het welzijn van de universele Kerk”.[15]

Omdat door de vele uittredingen in die tijd en de op seksueel terrein sterk permissieve cultuur wel duidelijk was geworden dat de onderhouding van het celibaat veel minder werd begunstigd, kwam in de kerkelijke documenten meer nadruk te liggen op de noodzaak van het vormende karakter van de seminaries in het algemeen en op de vorming tot het celibaat in het bijzonder. In 1974 gaf de Con­gre­ga­tie voor de katholieke opvoeding over dit thema een omvangrijk document uit.[16] Het document legt de nadruk op menselijke volwassenheid (“maturity”) en zelfbeheersing en de vorming daartoe, waarbij per­soon­lijke begeleiding met aandacht voor de concrete individu, gemeen­schap, gebed, apos­to­lische naasten­liefde en vriend­schap­pe­lijke menselijke relaties sleutelwoorden zijn.

Herhaaldelijk zijn de kerkelijke documenten daarna ingegaan op de betekenis en de waarde van het priesterlijk celibaat, zoals bij­voor­beeld de postsynodale apos­to­lische exhortatie Pastores dabo vobis (1992) van paus Johannes Paulus II over de vorming tot het priester­schap[18] en het Directorium voor het ambt en het leven van de priesters (1994) van de Con­gre­ga­tie voor de clerus.[19] Pastores dabo vobis was de vrucht van de synode van 1990 die eenduidig de praktijk bevestigde dat het priester­schap alleen wordt verleend aan mannen “die van God de gave hebben ontvangen van een roeping tot de celibataire kuisheid.[21]

2. De betekenis van het celibaat volgens de kerkelijke documenten

Het celibaat omwille van het rijk der hemelen (Mt. 19,12) is een gave van Jezus Christus aan Zijn Kerk. Omdat het geleefd wordt voor het rijk der hemelen, is het nauw ver­bonden met de andere evangelische deugden van armoede en gehoorzaamheid. Deze drie deugden over­een­komstig de evangelische raden, die met elkaar ver­bonden zijn en complementair, zijn de uitdrukking van een bestaan dat helemaal ingevoegd is in het evangelie. Zij brengen tot uiting dat het niet een functie of taak is die de priesters vervullen, maar dat het om een “zijn” en een “levenswijze” gaat.

De priesterlijke levenswijze vraagt om een bijzondere liefde, namelijk de pastorale liefde waarmee de priester zich erop richt heel zijn leven te geven voor het heil en de verlossing van de mensen. Het celibaat heeft deze positieve betekenis van volledige be­schik­baarheid voor het priesterlijk dienstwerk en het is een vorm van toe­wij­ding aan God met een onverdeeld hart: vrij-zijn voor het rijk der hemelen. Het celibaat heeft waarde als teken en getuigenis van de liefde van de priester voor het rijk der hemelen. Tegelijk is het celibaat een deelname aan de kenosis, de ontlediging van Christus zelf. Dat de priester alles verlaat en heel zijn leven aan Christus geeft, zoals de apostelen dat deden (Mc. 1, 16-20), is een teken dat ook voor de mensen van onze tijd Christus verkondigt. Juist het celibaat brengt tot uitdrukking dat de priester zijn hele leven geeft.

Paus Paulus VI onderscheidt drie betekenissen van het celibaat:

Christologische betekenis van het celibaat

Iedere priester vindt in Christus zijn voorbeeld en “model”. Hij is immers geroepen om een “andere Christus” (alter Christus) te zijn. Christus heeft door Zijn paasmysterie, door Zijn lijden, dood en verrijzenis en door de uitstorting van de heilige Geest, de nieuwe schepping tot stand gebracht waardoor ook het aardse menselijk bestaan is omgevormd. De nieuwe schepping in Christus wordt “voortgezet”, “toegepast” en ontvouwd door de priester die het paasmysterie viert en te­gen­woor­dig stelt en de gelovigen door de sacramenten laat delen in dit nieuwe leven. Christus zelf, de Zoon van God, bleef tijdens zijn aardse leven celibatair waardoor de totale toe­wij­ding aan de dienst van God en de mensen tot uitdrukking werd gebracht. Hij heeft de apostelen, de eerste bedienaren van het heil, vrienden en broeders genoemd (vgl. Jo. 15,15; 20,17) en hen uitgenodigd om Hem te volgen en alles te verlaten. Daarom is het passend dat de priester - die geroepen is om Christus te­gen­woor­dig te stellen en die zijn leven aan God toewijdt om in het voetspoor van Jezus middelaar te zijn van het heil dat Hij heeft gebracht - ook in deze celibataire staat leeft “omwille van het rijk der hemelen”.

Het antwoord op Gods roeping is een antwoord van liefde op de liefde die Christus ons heeft getoond. Dat antwoord van liefde wordt in de kracht van Gods genade gegeven en door de genade versterkt. Wie liefheeft, geeft alles. De liefde is totaal, exclusief en blijvend en een onweerstaanbare stimulans tot grote daden: “Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij. De liefde vergaat nimmer”, schrijft de apostel Paulus (1Kor. 13, 7-8).[23] Zou de priester niet uit liefde alles moeten geven wat de Heer van hem verlangt, ook het celibaat “omwille van het rijk der hemelen”?

Eccle­sio­lo­gische betekenis van het celibaat

Christus heeft als bruidegom Zijn bruid, de Kerk, liefgehad en zichzelf voor haar overgeleverd. Het celibaat van de priester betekent dat hij een levend teken wordt van de vruchtbare maagdelijke liefde van Christus, want uit het “huwelijk” van Christus met de Kerk, Zijn bruid, komen talrijke kinderen voort, maar zij zijn “niet uit bloed, noch uit de begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren”. Het celibaat van de priester is dus een teken dat hij Christus de bruidegom van de Kerk te­gen­woor­dig stelt en in Zijn persoon handelt.[24]

Escha­to­lo­gische betekenis van het celibaat

De Kerk is hier op aarde de kiem en het begin van het koninkrijk Gods. Zij hoopt eens voor altijd met Christus in heerlijkheid verenigd te zijn. Over dit leven in de heerlijkheid zegt Jezus in het evangelie: “Na de verrijzenis is er geen sprake meer van huwen of ten huwelijk gegeven worden, maar men zal zijn als engelen Gods in de hemel” (Mt. 22, 30). De volkomen onthouding omwille van het rijk der hemelen in het celibaat is dan ook een “bijzonder teken van de hemelse goederen” en een getuigenis van gerichtheid op het doel van de aardse pelgrimstocht en op wat blijvende waarde heeft.[28]

Menselijke waarde van het celibaat

De priester offert in het celibaat een bepaalde vorm van menselijke liefde op uit liefde voor Christus. Dit kan en mag niet anders zijn dan een bewuste en verant­woor­de­lijke keuze, maar het is allereerst een gave, een genade van Hem die weet wat Hij van een mens kan vragen.[29] Natuurlijk moet een toekomstige priester zich daarbij een reële voor­stel­ling maken van de moeilijkheden die ermee ver­bonden zijn, maar hij moet er ook niet zo van onder de indruk raken dat hij in feite het vertrouwen verliest. De priester moet bewust kiezen voor het celibaat en deze keuze vraagt evenwicht en een bepaalde stabiliteit en authenticiteit, maar zij is niet onmogelijk of tegennatuurlijk. De priester kiest niet voor een gezin, maar wel voor het vader­schap en voor een leven in zorgvolle liefde voor anderen die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd. Deze keuze betekent niet dat de priester geen ervaring heeft met huwelijk en gezin of dat hij de gehuwden en christelijke gezinnen niet goed zou kunnen bijstaan. Hij is zelf in een gezin opgegroeid en deelt in de ervaring van vele gezinnen, waarbij zijn celibaat een teken is van de geestelijke dimensie van iedere liefde en van de per­soon­lijke offers die in iedere relatie moeten worden gebracht. Ook maakt de celibataire levensstaat dat hij niet te zeer “partij” is en slechts één bepaalde (huwelijks-)ervaring vertegen-woordigt.[31]

II. GESCHIEDENIS VAN DE CELIBAATSVERPLICHTING

Sinds de zestiger jaren staat de celibaatsverplichting van de clerici ter discussie. Velen hebben over dit thema gepubliceerd.[33] In sommige, meer populaire publicaties wordt beweerd dat het celibaat is ingevoerd door het tweede Lateraans concilie in 1139. In feite is toen alleen een ongeldigmakend beletsel ingevoerd, zodat een huwelijk van geestelijke ook niet geldig zou zijn. Anderen stellen dat het concilie van Elvira (begin vierde eeuw) deze verplichting voor het eerst heeft opgelegd.[34] Kardinaal A. Stickler SDB meent echter dat de kern van de celibaatswet de verplichting tot onthouding is en dat er belangrijke aanwijzingen zijn dat deze verplichting terug te voeren is tot de tijd van de apostelen. Deze mening is in twee proef­schriften uit­ge­werkt, die beide met een voorwoord van kardinaal Stickler zijn verschenen.

In het Nieuwe Testament blijkt de wijding van gehuwde mannen een normale zaak (1 Tim. 3,2; 3,12; Tit. 1,6). De apostel Petrus was gehuwd (geweest) en wellicht gold dat ook voor andere apostelen, want Jezus zegt tot hen dat niemand zijn huis, ouders, broers en zussen, vrouw, kinderen heeft verlaten voor het rijk van God, zonder dat het hem rijkelijk zal worden beloond (Lc. 18,28-30; Mt. 19, 27-30; Mc. 10, 20-21).[38]

Hier blijkt dus de eerste verplichting van het celibaat: de onthouding van ieder huwelijksgebruik na het ontvangen van de wijding. Omdat de meeste geestelijken in de eerste duizend jaar gehuwd waren, was deze verplichting het belangrijkste en stond meer op de voorgrond dan het verbod nog te huwen, dat belangrijker werd naarmate de Kerk meer en meer de kandidaten onder de ongehuwden koos. Men sprak dan ook gewoonlijk van continentia (onthouding). Een dergelijke verplichting kon een wijdingskandidaat natuurlijk alleen aangaan met toestemming van zijn vrouw.[39]

Als eerste wets­tekst aangaande het celibaat in de Latijnse Kerk is canon 33 van het concilie van Elvira (bij Granada in Spanje) te beschouwen (begin van de vierde eeuw). De meeste mannen schijnen destijds reeds voor hun wijding gehuwd geweest te zijn, maar moesten zich na de wijding volledig van het huwelijksgebruik onthouden en verwijderd worden als zij als priester of diaken kinderen hadden voortgebracht. Volgens de rechtshistoricus kardinaal Stickler is het niet mogelijk in deze bepaling een nieuwe wet te zien: het is te zien als een reactie op overtredingen van een reeds bekende bepaling, waaraan men nu een sanctie toevoegt.[45]

Een volgende tekst is een verklaring van het tweede Afrikaans concilie van 390, die is herhaald door daaropvolgende kerk­ver­ga­deringen en is ingevoegd in de codex van canones van de Afrikaanse kerk van 419, onder de titel: "Dat de kuisheid van de levieten en priesters moet worden bewaard”.[53]

Ook hieruit blijkt dat tenminste een groot deel van de clerus gehuwd was vóór de wijding en dat men daarna in onthouding leefde. Die onthouding wordt in verband gebracht met de wijding en de dienst aan het altaar en men verwijst ervoor naar het onderricht van de apostelen.

Hierbij blijkt dat de pauselijke legaten hun instemming hebben betuigd. Te Rome waren namelijk in de synode van 386 opnieuw bepalingen ingescherpt, onder meer over de onthouding van de kerkelijke bedienaren. Bepalingen van Rome en van de pausen waren voor de ont­wik­ke­ling van de verdere traditie natuurlijk van het hoogste belang. Een eerste document is van de hand van paus Siricius, de brief Directa van 385.[54] Paus Innocentius I (401-417) hield zich eveneens met de onthouding en het celibaat bezig en ook daarna hebben de pausen zich ingezet voor de onderhouding van de verplichting tot "continentia".[56]

Hoe is de ont­wik­ke­ling in het Oosten geweest? Natuurlijk kunnen we in dit verband niet alle teksten bespreken.

Bisschop Epifanius van Salamina (Constantia) op Cyprus (315-403) schrijft dat de God van de wereld het charisma van het nieuwe priester­schap heeft getoond door middel van mannen die afstand hebben gedaan van het gebruik van het enige huwelijk vóór de wijding aangegaan, of die altijd als maagden hebben geleefd. Dit is, zegt hij, de norm die door de apostelen in wijsheid en heiligheid is vastgesteld.73 Ook zegt hij nog dat de priesters bij voorkeur worden gekozen onder de ongehuwden en de monniken. Als onder hen niet voldoende kandidaten worden gevonden, worden ook gehuwden genomen, die afstand hebben gedaan van het huwelijksgebruik, of personen die na één huwelijk weduwnaars zijn geworden.[74]

Canon drie van het concilie van Nicea verbood de bis­schop­pen, priesters (en - volgens de Griekse tekst - de diakens) en in het algemeen aan alle geestelijken om vrouwen bij zich in huis te hebben, buiten de moeder, een zus, een tante of anderen die boven iedere verdenking staan. De echtgenoten van de geestelijken worden hierbij niet genoemd.

De verplichting tot onthouding heeft altijd tol moeten betalen aan de menselijke zwakheid. In het westen zagen we herhaalde malen dat de bepaling daarom wordt ingescherpt en dat men maatregelen neemt om deze te handhaven. In het oosten schijnt dit waakzaam toezicht te zijn verslapt. In het westen hadden de pauselijke bepalingen grote betekenis voor de eenheid in discipline. In het oosten kwamen bij de oude oecumenische concilies steeds meer bepalingen van de keizers die het huwelijksgebruik tolereerden en gingen accepteren. De eerste wetten die dit sanctioneerde waren de keizerlijke wetten die de burgerlijke aspecten van het gewijde dienstwerk regelden. In de Codex Theodosianus (434) wordt toegestaan dat de priester met zijn vrouw samenwoont en dat ook in dit geval de plicht tot onthouding bewaard kan blijven. In de wetgeving van keizer Justinianus I wordt toegestaan samen te wonen en het huwelijksgebruik voort te zetten, als de geestelijke slechts één keer was gehuwd en met een maagd.[79]

Keizer Justinianus II liet een tweede Trullaans concilie bijeenroepen in de herfst van 691 om de disciplinaire wetgeving van de Byzantijnse kerk te verzamelen en vast te stellen. Na het ontvangen van de wijding mag men niet meer trouwen, werd hier bepaald. De bis­schop­pen mogen niet met hun vrouwen samenleven of gemeen­schap met hen hebben. Het verschil met de hiervoor vermelde bepalingen zit in de verplichtingen met betrekking tot diaken en priester, die alleen tijdens de periode van dienst aan het altaar in onthouding hoefden leven. De discipline met betrekking tot de bis­schop­pen in het tweede Trullanum, kan men dus beschouwen als een overblijfsel van de traditie tot dan toe. Ook bewaart men er de verplichting dat slechts één huwelijk mag zijn gesloten door de wijdingskandidaat en dat de gewijde niet opnieuw mag huwen.

De Trullaanse discipline is in het oosten van kracht gebleven. Aan de oosterse gemeen­schappen die herenigd zijn met Rome, is toegestaan hun eigen gewoonten inzake het celibaat te blijven volgen. En wanneer een gehuwde Orthodoxe priester naar de katholiek oosterse ritus overging kon hij als gehuwd priester werkzaam blijven ook als in die ritus een verplicht celibaat bestond.

Het is dit uitgangspunt dat nu ook zo ongeveer gehanteerd wordt voor dominees en de vele honderden Anglicaanse geestelijken die katholiek worden.

III. DE BELEVING VAN HET PRIESTERLIJK CELIBAAT

Om het celibaat te kunnen beleven dient aan ver­schil­lende voor­waarden te worden voldaan; het celibaat zal nooit een verworvenheid zijn, maar vraagt om een goede voor­be­rei­ding en dagelijkse inzet.

1. Komen tot zelfgave

De kern van iedere christelijke roeping is dat de geroepene zijn leven wil geven aan God, aan Zijn Zoon, en dat hij van Hem wil getuigen. De geroepene geeft zijn leven zozeer aan de Heer dat hij Hem toebehoort, dat hij in een bijzondere betekenis van dat woord “Christusdrager” zal zijn.

Het gaat er dus niet om dat iemand slechts bepaalde dingetjes moet doen, bepaalde vaardigheden moet aanleren, bepaalde kennis en competenties moet verwerven voordat hij gewijd kan worden. Natuurlijk moet hij dat wel doen, maar het gaat er uit­ein­de­lijk om dat hij zichzelf geeft, zodat hij voor het ontvangen van de heilige wijdingen volmondig kan zeggen: “Ja, hier ben ik”.

2. De eigen roeping koesteren en in dank­baar­heid leven

Alles wordt anders door de ervaring die iemand van God heeft opgedaan: de ervaring dat hij gezien wordt en gekend door God zelf. Die innerlijke overtuiging: “Hij kent mij en Hij heeft mij lief”, is de basis waarop een mens er van harte toe kan besluiten zijn leven aan Hem te geven op de wijze waartoe Hij ons roept.

Iedere seminarist zal daarom de genade van zijn roeping bij zich houden in zijn hart. De genade van een roeping is iets heel kostbaars, omdat daarin ervaren wordt dat de Heer met bezig is met degene die deze roeping ontvangt en dat Hij een heel specifieke bedoeling met diens leven heeft.

Dat de Heer hem heeft aangeraakt en geroepen is genade en die brengt in de geroepene een ontroering teweeg in het bewustzijn van eigen kleinheid, en dank­baar­heid omdat de Heer Zijn weg met hem is gegaan. De roeping maakt dankbaar en tegelijk bescheiden en klein want het zijn geen menselijke verdiensten die dit teweeg brachten, maar het is het werk van Zijn genade.

Wanneer een geroepene innerlijk wordt vastgehouden door gevoelens van kwaadheid en in zijn hart gewelddadig is en vol conflicten, zich isoleert van de anderen en wellicht ook wanhopig is, bij­voor­beeld door jeugdtrauma’s die onvoldoende verwerkt zijn, dan kan hij fundamenteel niet leven vanuit die dank­baar­heid en hoop en kan hij het goede nieuws, de blijde bood­schap niet brengen. Een negatief zelfbeeld zal er vaak mee ver­bonden zijn. Dit alles zal zijn gebedsleven, zijn omgang met anderen en de vrucht­baar­heid van zijn apostolaat sterk beïnvloeden en maken dat hij geen gelukkig priester kan zijn. Het is zeer aannemelijk dat hij ook gevangen raakt in per­soon­lijke problemen waarvan het niet onderhouden van het celibaat er één is.

Dit maakt duidelijk hoe belangrijk de vormingsperiode in het seminarie is en hoe cruciaal het is dat de seminarist de eigen innerlijke wonden onder ogen durft te zien. Het begin van genezing is dat de priester of seminarist zelf tot zich toelaat wat er aan de hand is: dat de kwaadheid zijn priester­schap vernietigt.[86]

3. Liefhebben

Jezus wijst in het evangelie op het eerste en voornaamste gebod en het tweede dat daarmee gelijk­waar­dig is: de liefde tot God en de liefde tot de naaste.

In dit licht kunnen we begrijpen waarom van de priester het celibaat wordt gevraagd: hij belooft geen intieme relaties aan te gaan - geen seksuele relatie, geen relaties die anderen uitsluiten - en in zuiverheid te leven, in volledige onthouding omwille van het rijk der hemelen, omdat juist de priester geroepen is een beeld te zijn van de totaliteit en het alles en iedereen omvattende karakter van de liefde van Jezus. Zonder deze liefde is alles waardeloos. Het is vanuit deze liefde dat het offer wordt gebracht van seksuele en andere “bijzondere”, intieme relaties.

Deze liefde die ertoe brengt er voor een ander te zijn, vooral voor de zwakkeren en armen, de zieken en anderen die hulp nodig hebben, is een belangrijke voor­waarde voor het (goed) kunnen beleven van het celibaat. Het celibaat is geen afzien van de liefde, maar een verbreding en een radicalisering van die liefde.

Het is te hopen voor een priester dat hij vele vrienden heeft, steeds in zuiverheid en openheid. De liefde van een priester is geen liefde die zich afzondert, maar één die zich opent. Het is wezenlijk een herderlijke liefde.

4. Levensstijl

De beleving van het celibaat veronderstelt een bepaalde levensstijl. Gejaagd en ambitieus streven naar bepaalde zaken en de mislukkingen die daarbij worden ervaren, kunnen een weerslag hebben op de beleving van het celibaat. Het is voor de priester van groot belang in Gods te­gen­woor­digheid te leven, leven en werk aan de Vader uit handen te geven, zo goed mogelijk afstand te doen van prestatiedrang waarbij de eigen persoon te zeer op de voorgrond staat.

Om met God te kunnen leven is een zekere innerlijke vrede en rust nodig, die wordt bevorderd door een goede en gezonde levensstijl: op tijd naar bed gaan, niet te veel drinken, voldoende beweging nemen, het computer-gebruik en TV-kijken ordenen en “aan banden leggen”, enzovoorts.

5. Intens geestelijk leven

Bijzondere vermelding verdient het geestelijk leven. Als een priester niet bidt, zal dat niet zonder ernstige gevolgen blijven voor zijn priesterlijk leven en celibaat. Want de bron waaruit zijn leven wordt gevoed is de intieme verhouding met Christus. Daarom zullen de over­we­ging van het Woord van God en de viering van de heilige Eucha­ris­tie een voorname plaats moeten innemen in het leven van de priester. Verder zal een priester een innige, affectieve vertrouwensband moeten ontwikkelen met de Moeder van God. Dit alles zal hem helpen zijn geloof levend en per­soon­lijk te houden en te verdiepen. In zijn pastorale taken zal een priester die zich met geloof en ijver in dienst van de zielen, van het heil van mensen stelt, eveneens een belangrijke voedingsbron vinden.

6. Biecht en geestelijke leiding

Een priester behoort een vaste biechtvader en leidsman te hebben, die hij met regelmaat bezoekt en met wie hij openhartig spreekt.

7. Broederlijke gemeen­schap

Van groot belang is verder het beleven van gemeen­schap en het ervaren van waardering. Natuurlijk kan dit op ver­schil­lende manieren, maar het is niet goed voor een priester om alleen te zijn.[90] Uit een Amerikaans onderzoek onder jonge priesters bleek dat 71% van de gevraagde diocesane priesters en 58% van de priesterreligieuzen gelukkig waren in hun priester­schap en er zeker van zeiden te zijn dat zij hun ambt niet zouden verlaten. 5% van de jonge diocesane priesters en 14% van de jonge priesterreligieuzen gaven echter aan dat zij zeker zouden uittreden, dat zij waar­schijn­lijk zouden uittreden of onzeker waren.[91] Bij degenen die aangaven gelukkig te zijn scoorden de priesterlijke werkzaamheden (74%), de contacten met de gelovigen (73%), het celibataire leven (59%), de leefsituatie (57%), de relatie met de bisschop of de overste (52%) en de steun van andere priesters (42%) het hoogst. Minder tevreden waren de priesters over hun geestelijk leven en vooral het tijdgebrek.[92] Hoe belangrijk de relationele factoren en de gemeen­schapsbeleving zijn, komt nog duidelijker naar voren in de groep die problemen had: bij vrijwel allen kwam eenzelfde ervaring naar voren: zij voelden zich eenzaam en niet gewaardeerd. Deze ervaring bleek het fundamenteel vereiste voor vrijwel ieder uittreden: zonder deze negatieve ervaring bleek uittreden zeer onwaar­schijn­lijk.[93] Natuurlijk zullen hier vaak nog andere per­soon­lijke en psychische problemen achter liggen, die grotendeels in de seminarie-tijd onder ogen moeten worden gezien. Maar duidelijk is: het is noodzakelijk dat een priester de sacramentele gemeen­schap kan beleven met zijn medebroeders-priesters en dat hij in de gelegenheid is om zijn leven van toe­wij­ding, gebed en zelfgave aan Christus en Zijn Kerk te delen met anderen. Het is niet voldoende ontmoetingen te organiseren in een vergader-sfeer met pastoraal werkers en andere leken samen. De priester moet gelegenheid hebben zijn eigen specifieke, sacramentele, priesterlijke band te beleven die hem met de andere priesters verbindt. Kransen, andere informele ontmoetingen, priester-retraites en -bede­vaarten, deelname aan de chrisma-mis, studiedagen voor de priesters, het creëren van een ontmoetings­plaats, enzovoorts moeten daarom bevorderd worden. Te­rug­hou­dend­heid omdat zo’n bijeenkomst niet collegiaal zou zijn naar de leken-mede­wer­kers, is niet op zijn plaats. Die andere mede­wer­kers zijn veelal gehuwd, hebben een gezin en zijn een heel andere verbinding met de Kerk aangegaan. Met name voor de diocesane priesters is van het grootste belang dat er een echte “communio” , ja een vertrouwelijke sfeer tussen de Bisschop en zijn priesters in het bisdom ontstaat.[94] Hier ligt een belangrijk aandachtspunt voor de Bisschop en andere verant­woor­de­lijken in het diocees, maar ook voor de priesters zelf, die mede hun broeders hoeder zijn.[95] Dit houdt ook in dat gestreefd moet worden naar een pastorale organisatie waarbij voldoende ruimte en aandacht voor het beleven van deze “communio” kan ontstaan. In het geciteerde onderzoek bleek dat de jonge priesters gebrek aan eenheid (“polarisatie”) en de werkdruk als grootste problemen zagen.[96]

BESLUIT

Velen, ook onder de leden van de Kerk blijken het (priesterlijk) celibaat niet op waarde schatten, terwijl het toch om één van de evangelische raden gaat.

Maar het celibaat is vanaf de eerste eeuwen door de priesters beleefd en door de Kerk trouw bewaard. Het verleent een concrete uitdrukking aan wat het priester­schap wezenlijk is.

Het opheffen van de celibaatsverplichting kan soms een oplossing lijken voor een priestertekort, maar een gebrek aan roepingen voor het priester­schap is eerder een teken van secularisatie van Kerk­ge­meen­schap en maat­schappij en een fase in een proces dat tot verval van kerkelijk leven en geloofsafval leidt en het is dus maar de vraag of door het opheffen van deze verplichting werkelijk soelaas wordt geboden. Het zou kunnen zijn dat door een (gedeeltelijke) opheffing juist meer problemen binnen de Kerk en haar clerus worden gehaald.

Uit onderzoek blijkt dat niet het celibaat op zich maakt dat priesters ongelukkig zijn in hun priester­schap. De priesters die gelukkig waren in hun priester­schap gaven in het geciteerde Amerikaanse onderzoek juist in groten getale aan gelukkig te zijn in het celibataire leven. Het probleem is omgekeerd: Priesters die ongelukkig zijn, die zich alleen en niet gewaardeerd voelen, zullen gemakkelijk problemen krijgen met het celibataire leven. Dit betekent dat in de voor­be­rei­ding op het priester­schap bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de groei van de kandidaat tot een evenwichtige, volwassen persoon, die in staat is liefdevolle relaties aan te gaan op een open, vaderlijke wijze die bij het celibatair priester­schap past, en dat “communio”en gemeen­schap zeer belangrijke waarden zijn. Dit alles neemt echter niet weg dat de basis voor een vruchtbaar beleven van het celibaat in de priester zelf ligt, in zijn vermogen tot zelfgave en dank­baar­heid, zijn ascese en toegewijd geestelijk leven, kortom in zijn verlangen en inzet om met vreugde priester te zijn en de Heer als een “alter Christus” te­gen­woor­dig te stellen.


[*]Meer over de achtergronden van het priesterlijk celibaat in: J. HENDRIKS, Het celibaat van de priester. Geschiedenis, theologie en beleving (Tiltenbergstudies dl. 2, Vogelenzang, 2008), verkrijgbaar via www.tiltenberg.org.

[1]PASTORAAL CONCILIE VAN DE NEDERLANDSE KERKPROVINCIE, deel 6: Vijfde plenaire vergadering. De religieuzen en de ambtsbediening (Katholiek Archief, Amersfoort, 1970), p. 331.

[2]PO 16, 3: “Quam legislationem, ad eos qui ad Presbyteratum destinantur quod attinet, Sacrosancta haec Synodus iterum comprobat et confirmat”, vgl. LG 42; LG 29 heeft voor het eerst in de geschiedenis van de Latijnse Kerk wél toegestaan dat gehuwde mannen van rijpere leeftijd tot (permanent) diaken worden gewijd. zonder dat onthouding werd opgelegd.

[3]Vgl. LG 31 “Nomine laicorum hic intelliguntur omnes christifideles praeter membra ordinis sacri et status religiosi...”; cf. LG 44 in fine.

[6]Bij Marcus staat de vrouw er niet expliciet bij, wel wordt gesproken over “huis”.

[7]Vgl. hierover G. PHILIPS, De dogmatische constitutie over de Kerk “Lumen gentium”. Geschiedenis, Tekst, Kommentaar, deel 2 (Antwerpen, 1968), PP. 118-119.

[8]Vgl. Origenes “De maagdelijkheid bij­voor­beeld wordt niet als schuldvereffening vereist, noch door voor­schrift opgelegd, doch boven de plicht uit als offer opgedragen”(Comm. in Mt. X, 14, in: PG 14, kol. 1275 B), waarop Mgr. G. Philips, de secretaris van de commissie die Lumen gentium voorbereidde en die deze tekst van Origenes vermeldt, zegt: “Deze offergedachte brengt de maagdelijkheid in de nabijheid van het martelaar­schap” (in: G. PHILIPS, o.c., p. 116).

[9]Vgl. PHILIPS, o.c., p. 117.

[10]Vgl. PO 16, 3: “praeclarum illud donum”. PO 16,1 stelt echter dat uit de praktijk van de jonge Kerk blijkt dat het celibaat niet wordt vereist door het wezen van het priester­schap, onder verwijzing naar 1Tim. 3,2-5 en Tit. 1,6. PO 16, 3 stelt dat het celibaat aanvankelijk aan de priesters alleen was aanbevolen, later echter bij wet door de Latijnse Kerk aan alle kandidaten voor de heilige wijdingen is opgelegd. Deze benadering vinden we ook in de encycliek Sacerdotalis caelibatus, n. 36. Over deze praktijk en de juistheid van deze opmerkingen zie hieronder hoofdstuk II over de geschiedenis van de celibaatsverplichting.

[12]“...erupit proclivitas vel, ut verius dicamus, significata voluntas Christi Ecclesiam ad id impellendi, ut hoc proprium ac suum institutum recognoscat, cuius conservationem, ut eorum fert opinio, et nostra tempora et nostri mores difficilem vel potius impossibilem efficiant”, in: AAS 59 (1967), pp. 657-697.

[13]Sacerdotalis caelibatus, n. 42; vgl. LG 29.

[14]“ut in Ecclesia Latina integre observari pergat, Deo adiuvante, praesens disciplina de caelibatu sacerdotali”, Rescriptum ex audientia 30 nov. 1971, in: AAS 63(1971), p. 897; ook in EV 4, pp. 748-799. Het document Ultimis temporibus volgt daar onmiddellijk op. Over de stelling: “Lex caelibatus sacerdotalis in Ecclesia Latina vigens integre servari debet” stemden de synodevaders als volgt: placet 168, non placet 10 en placet iuxta modum 21; 3 synodevaders onthielden zich van stemming (zie: EV 4, p. 790).

[15]“... ordinationem presbyteralem virorum matrimonio iunctorum provectioris tamen aetatis et probatae vitae”, in: EV 4, pp. 790-791.

[16]Orientamenti educativi per la formazione al celibato sacerdotale, 11 april 1974 (Città del Vaticano, 1974), pp. 78, ook in: EV 5, nr. 190-426 (Engels: A guide to formation in priestly celibacy).

[18]25 maart 1992, in: AAS 84(1992), pp. 657-804, m.n. nn. 29, 44 en 50.

[19]31 januari 1994, Neder­landse vertaling in: Kerkelijke documentatie. Speciale uitgave. Over het celibaat gaan met name de nrs. 57-60.

[21]Pastores dabo vobis, n. 29.

[23]Vgl. Sacerdotalis caelibatus, nn. 19-25.

[24]Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, o.c., n. 58.

[28]Sacerdotalis caelibatus, n. 34; het citaat is uit het decreet van het tweede Vaticaans concilie over de aangepaste vernieuwing van het religieuze leven, Perfectae caritatis, n. 12.

[29]Sacerdotalis caelibatus, n. 51.

[31]Vgl. ibidem, n. 57.

[33]A. STICKLER, Il celibato ecclesiastico (Città del Vaticano, 1994); R. CHOLIJ, Clerical celibacy in East and West (Herefordshire, 1988); CHR. COCHINI, Origines apostoliques du célibat sacerdotal (Paris, 1981); AAVV, Sacerdozio e celibato (Milano, 1975). Hiervan bestaat ook een Engelse (1972) en een Franse (1971) uitgave; Th. VAN BILSEN, Huwelijk en kerkelijk ambt (Hilversum, 1982); E. DASSMANN, "Diakonat und Zölibat", in: J. PLÖGER, H. WEBER (ed.), Der Diakon (Freiburg, Basel, Wien, 1980), pp. 57-67; ST. HEID, Zölibat in der frühen Kirche. Die Anfänge einder Enthaltsamkeitspflicht für Kleriker in Ost und West (Paderborn etc., 1997), 340 pp.; J. HENDRIKS, "Geschiedenis van de celibaatsverplichting", in: Communio (Nederl.) 21(1996), pp. 204-219; F. VAN LEEUWEN-VAN SANDICK, De priestervrouw, volgens de oude regel van de Kerk. Het getuigenis van Schrift en Traditie (Tegelen, 2000), 244 pp..

[34]Hiernaar verwijst de encycliek Sacerdotalis caelibatus, n. 36 met noot 72.

[38]F. VAN LEEUWEN-VAN SANDICK, De priestervrouw volgens de oude regel van de Kerk (Tegelen, 2000), p. 96 gaat ervan uit dat meer apostelen gehuwd waren; dat de vrouw van Petrus nog leefde toen hij als apostel Jezus volgde, wordt althans bevestigd door Clemens van Alexandrië (* rond 150) in diens Stromata, zie VAN LEEUWEN-VAN SANDICK, p. 96. Daarentegen is wel verdedigd dat het woord πενθερ? in Mc. 1,30 een andere betekenis kan hebben dan “schoonmoeder” (bijv. prof. J. Galot).

[39]Aldus STICKLER, ibidem, pp. 7-8.

[45]O.c., p. 15; Denz. 117-121.

[53]STICKLER, o.c., p. 16. De tekst van deze concilies in CC 149.

[54]in: PL 13, kol. 1131-1147, Denz. 185; zie: STICKLER, o.c., p. 20.

[56]STICKLER, o.c., pp. 21-22.

[73]STICKLER, o.c., p. 38; PG 41, kol. 868 en 1024 (Gr. Chr. S. 31 (1921), pp. 219vv.

[74]STICKLER, o.c., p. 38; PG 42, kol. 823vv. of Gr. Chr. S. 37 (1933), p. 522.

[79]STICKLER, o.c., pp. 44-45.

[86]Zie over deze thema’s bijv. ST. ROSSETTI, The Joy of priesthood (Notre Dame, Indiana, 2004), pp. 151-164 en 167-183. Rossetti vertelt op p. 151 dat priesters die voor een behandeling komen in zijn Saint Luke’s instituut meestal zelf niet doorhebben hoe boos ze eigenlijk zijn.

[90]Ibidem, n. 80.

[91]D. HOGE, The first five years of the priesthood. A study of newly ordained catholic priests (Collegeville, Minesota, 2002), p. 35.

[92]Ibidem, pp. 36vv.

[93]Ibidem, pp. 63-64. Het onderzoek onderscheidde vier type “uittreders” die kortweg werden aangeduid als: type 1: “in love” (20-30%); type 2: “Rejected celibacy” (20-30%); type 3 “Disillusioned” (30-40%); type 4 “Rejected Gay celibacy”(5-15%). De conclusie op p. 64: “An important lesson here is that all four types have one condition in common - that the man felt lonely or unappreciated. This is a necessary requirement in the process of deciding to resign; when it is absent, resignation from the priesthood is unlikely ... This is a basic finding of our research”.

[94]Ibidem, nn. 91-95. Vgl. ROSSETTI, o.c., p. 180: “The more we foster presbyterates and dioceses that are places of true communion, the more healing and life-giving they will be”.

[95]Vgl. PO 8; Sacerdotalis caelibatus 81.

[96]D. HOGE, o.c., p. 39.


Terug