Arsacal
button
button
button


Over misbruik, schaamte, boete en genezing

nieuws - gepubliceerd: woensdag, 21 december 2011

“Ut innocentium abusus auctores ad veram paenitentiam perducere et victimas corde sanare digneris” - Dat Gij de daders van misbruik van onschuldigen tot waarachtige boetedoening wilt leiden en de slachtoffers innerlijk wilt genezen. (Uit de litanie van alle heiligen gezonden bij de bisschops­wijding op 10 december 2011)

Pastoor

Toen ik pastoor was kwam ik voor het eerst in contact met mensen die misbruikt waren. Toen besefte ik nog niet dat dit ook binnen de kerk had plaatsgevonden, waar­schijn­lijk durfden de slachtoffers daarover toen nog niet met een pastoor te gaan praten. Ik heb toen wel voor het eerst naar de ervaringen geluisterd van mensen die seksueel misbruikt waren, meestal in de familiekring, soms op een sportclub of op het werk, een enkele keer op school.

Ik ben toen ook getuige geweest van de pijn en de geschondenheid die deze afschuwelijke ervaring achterlaat. Er waren mensen bij die tientallen jaren later moesten terugkijken op een verwoest leven: de relationele sfeer, het werk, het basisvertrouwen, het vertrouwen op God, overal kon je de verwoestende sporen van het misbruik terugvinden.

De laatste jaren heb ik ook de verhalen gehoord van mensen die misbruikt werden door mensen van de kerk. Ik sluit me aan bij wat iemand me schreef, die zelf slachtoffer is: “Ik blijf het wrang en zeer pijnlijk vinden dat mensen waar je van uit gaat dat ze te vertrouwen zouden moeten zijn bij uitstek - ze hoorden immers een beeld van God te zijn voor anderen -, dat juist ook zij zich zo misdragen hebben”.

Ik kan me voorstellen dat dit slachtoffers boos maakt, juist ook omdat de kerk zegt te weten hoe anderen moeten leven. Maar het misbruik binnen de kerk blijkt niet onder te doen voor het misbruik binnen de maat­schappij als geheel. Ik schaam me.

De bood­schap van de kerk is goed en zelfs prachtig. Jezus zelf zegt dat het beter is met een molensteen om de hals in zee geworpen te worden dan een van deze kleinen aanstoot te geven (Lc. 17, 1-2), maar er werd niet naar de bood­schap geleefd. Ook de regels van de kerk waren duidelijk (zie het kerkelijk wetboek dat tot 1983 van kracht was: CIC’ 17, cc. 2357-2359), maar het toezicht en de toepassing van die regels zijn achterwege gebleven, zoals het rapport Deetman duidelijk aangeeft.

Hoopvolle berichten

Er zijn gelukkig ook hoopvolle berichten, dat er vanuit de Kerk iets wordt gedaan voor de heling en genezing. Iemand – een slachtoffer – schreef me enthousiast over de woorden van mgr. Punt bij mijn bisschops­wijding: “ … dat was zo goed! Daar sprak empathie, zorg en liefde uit, dat was een stukje meelopen op die weg, die eenzaamheid iets doorbreken, gaf erkenning, zo bevrijdend... dank daarvoor!” . Een ander slachtoffer schreef in dezelfde zin en voegde eraan toe: “Ik ben o.a. door het Meldpunt Seksueel Misbruik RKK voortreffelijk begeleid”. Iemand anders die ook in zijn jeugd was misbruikt maar niet door iemand van de Kerk, schreef dat hij er een jaar geleden pas voor het eerst mee naar buiten durfde komen. Ik las daarin dat de publi­ci­teit rond het misbruik in de katholieke kerk ook slachtoffers die elders misbruik hebben ondergaan, kan helpen om ermee naar buiten te komen en een weg naar heling en genezing te gaan.

Want ook dat is uit het onderzoek van de commissie Deetman naar voren gekomen: seksueel misbruik is er in de hele maat­schappij en de cijfers zijn afschuwelijk hoog: 9,7 % van de totale bevolking boven de veertig jaar heeft als minderjarige te maken gehad met seksueel misbruik (ongewenste seksuele benadering) door een niet-familielid, zo blijkt uit een TNS NiPO onderzoek dat op last van de commissie Deetman is verricht. 0,6 % daarvan komt voor rekening van iemand die binnen de RK Kerk werkzaam was. Het zijn cijfers die eerdere onderzoeken bevestigen en duidelijk maken dat het hier om een groot maat­schap­pe­lijk probleem gaat. Bij dit cijfer zou dan nog het misbruik binnen familiekring moeten worden opgeteld (dat volgens verschillende onderzoeken eveneens zeer hoog is).

Ik hoop van harte dat dit onderzoek van het misbruik binnen de katholieke kerk veel vruchten mag dragen. Ik denk dan ook aan de vele mensen die misbruik hebben ondergaan buiten de kerk: in gezinnen, in instellingen, op school, jeugd- of sportclubs. Velen van hen lopen al jaren rond met een groot geheim. Ik hoop en bid dat er voor alle slachtoffers – waar het misbruik ook heeft plaatsgevonden - erkenning en genezing mag zijn.

Binnen de katholieke kerk gaat het niet meer om de internaten, die zijn er niet meer, maar er zijn nog wel andere terreinen die verbeterd kunnen worden. Daar wordt aan gewerkt: gedragscodes worden aangescherpt, antecedenten worden nauwkeuriger onderzocht, er wordt meer informatie gedeeld, daders worden aangegeven en vervolgd, het landelijk meldpunt, de begeleiding en vergoeding voor slachtoffers wordt verbeterd. Sommige punten moeten nog worden uitgewerkt en geïmplementeerd, op een aantal terreinen is de verbetering al duidelijk merkbaar.

Toelatingseisen, begeleiding en vorming

Wat betreft de toelating, begeleiding en vorming van kandidaten voor het (gewijde) ambt in de kerk, is eveneens belangrijk dat dit traject nog eens op dit punt wordt doorgenomen. Een aantal verbeteringen is ook hier reeds aangebracht (psychologische test, per­soon­lijke begeleiding in supervisie, geestelijke leiding en indien nodig door een ander staflid, cursussen, workshops).

Van groot belang blijft – zoals uit het onderzoek van de commissie Deetman nog eens duidelijk blijkt – dat opleidingen uiterst zorgvuldig en te­rug­hou­dend moeten zijn in het aannemen van een kandidaat die elders is weggezonden. De kerk stelt daar regels voor en die moeten naar letter en geest worden nageleefd. De aannameprocedure zou meer gestandaardiseerd mogen worden, zodat in elke opleiding dezelfde voorwaarden voor aanname vervuld worden. Het canoniek recht vraagt niet voor niets dat jongeren die priester willen worden gedurende hun vormingstijd in een seminarie (onder dit begrip valt ook een convict) verblijven of - in geval van noodzaak, naar het oordeel van de diocesane Bisschop - tenminste gedurende vier jaar  (CIC ’83, c. 235 par. 1). In geval van oudere kandidaten voor het priester­schap zijn bijzondere voorzieningen mogelijk en noodzakelijk, maar ook dan is wezenlijk dat voldoende verant­woor­de­lijken de kandidaat goed hebben leren kennen en zij de normale 'scrutinia' (onderzoeken, beoordelingen) hebben gedaan, alvorens die kandidaat tot wijdingen wordt toegelaten.

+ J. Hendriks


Terug