Arsacal
button
button
button
button


Over misbruik, schaamte, boete en genezing

Nieuws - gepubliceerd: woensdag, 21 december 2011 - 1043 woorden

“Ut innocentium abusus auctores ad veram paeni­tentiam perducere et victimas corde sanare digne­ris” - Dat Gij de daders van mis­bruik van on­schul­digen tot waarach­tige boetedoe­ning wilt lei­den en de slacht­of­fers inner­lijk wilt genezen. (Uit de litanie van alle heiligen gezon­den bij de bis­schops­wij­ding op 10 de­cem­ber 2011)

Pastoor

Toen ik pastoor was kwam ik voor het eerst in contact met mensen die mis­bruikt waren. Toen besefte ik nog niet dat dit ook binnen de kerk had plaats­ge­von­den, waar­schijn­lijk durf­den de slacht­of­fers daarover toen nog niet met een pastoor te gaan praten. Ik heb toen wel voor het eerst naar de erva­ringen geluisterd van mensen die seksueel mis­bruikt waren, meestal in de familie­kring, soms op een sport­club of op het werk, een enkele keer op school.

Ik ben toen ook getuige geweest van de pijn en de geschon­den­heid die deze af­schu­we­lijke erva­ring achterlaat. Er waren mensen bij die tien­tal­len jaren later moesten terugkijken op een verwoest leven: de relationele sfeer, het werk, het basisver­trouwen, het ver­trouwen op God, overal kon je de verwoestende sporen van het mis­bruik terugvin­den.

De laatste jaren heb ik ook de verhalen gehoord van mensen die mis­bruikt wer­den door mensen van de kerk. Ik sluit me aan bij wat iemand me schreef, die zelf slacht­of­fer is: “Ik blijf het wrang en zeer pijn­lijk vin­den dat mensen waar je van uit gaat dat ze te ver­trouwen zou­den moeten zijn bij uitstek - ze hoor­den immers een beeld van God te zijn voor anderen -, dat juist ook zij zich zo misdragen hebben”.

Ik kan me voor­stel­len dat dit slacht­of­fers boos maakt, juist ook omdat de kerk zegt te weten hoe anderen moeten leven. Maar het mis­bruik binnen de kerk blijkt niet onder te doen voor het mis­bruik binnen de maat­schap­pij als geheel. Ik schaam me.

De bood­schap van de kerk is goed en zelfs prach­tig. Jezus zelf zegt dat het beter is met een molensteen om de hals in zee geworpen te wor­den dan een van deze kleinen aanstoot te geven (Lc. 17, 1-2), maar er werd niet naar de bood­schap geleefd. Ook de regels van de kerk waren dui­de­lijk (zie het ker­ke­lijk wet­boek dat tot 1983 van kracht was: CIC’ 17, cc. 2357-2359), maar het toe­zicht en de toepas­sing van die regels zijn achterwege gebleven, zoals het rapport Deetman dui­de­lijk aangeeft.

Hoop­volle berichten

Er zijn gelukkig ook hoop­volle berichten, dat er vanuit de Kerk iets wordt gedaan voor de heling en gene­zing. Iemand – een slacht­of­fer – schreef me en­thou­siast over de woor­den van mgr. Punt bij mijn bis­schops­wij­ding: “ … dat was zo goed! Daar sprak empathie, zorg en liefde uit, dat was een stukje mee­lo­pen op die weg, die een­zaam­heid iets door­bre­ken, gaf erken­ning, zo bevrij­dend... dank daarvoor!” . Een ander slacht­of­fer schreef in dezelfde zin en voegde eraan toe: “Ik ben o.a. door het Meld­punt Seksueel Mis­bruik RKK voor­tref­fe­lijk begeleid”. Iemand anders die ook in zijn jeugd was mis­bruikt maar niet door iemand van de Kerk, schreef dat hij er een jaar gele­den pas voor het eerst mee naar buiten durfde komen. Ik las daarin dat de publi­ci­teit rond het mis­bruik in de katho­lie­ke kerk ook slacht­of­fers die elders mis­bruik hebben onder­gaan, kan helpen om ermee naar buiten te komen en een weg naar heling en gene­zing te gaan.

Want ook dat is uit het onder­zoek van de com­mis­sie Deetman naar voren geko­men: seksueel mis­bruik is er in de hele maat­schap­pij en de cijfers zijn af­schu­we­lijk hoog: 9,7 % van de totale bevol­king boven de veer­tig jaar heeft als minder­ja­rige te maken gehad met seksueel mis­bruik (ongewenste seksuele benade­ring) door een niet-familielid, zo blijkt uit een TNS NiPO onder­zoek dat op last van de com­mis­sie Deetman is verricht. 0,6 % daar­van komt voor reke­ning van iemand die binnen de RK Kerk werk­zaam was. Het zijn cijfers die eerdere onder­zoeken beves­tigen en dui­de­lijk maken dat het hier om een groot maat­schap­pe­lijk probleem gaat. Bij dit cijfer zou dan nog het mis­bruik binnen familie­kring moeten wor­den opge­teld (dat volgens ver­schil­lende onder­zoeken even­eens zeer hoog is).

Ik hoop van harte dat dit onder­zoek van het mis­bruik binnen de katho­lie­ke kerk veel vruchten mag dragen. Ik denk dan ook aan de vele mensen die mis­bruik hebben onder­gaan buiten de kerk: in gezinnen, in in­stel­lingen, op school, jeugd- of sport­clubs. Velen van hen lopen al jaren rond met een groot geheim. Ik hoop en bid dat er voor alle slacht­of­fers – waar het mis­bruik ook heeft plaats­ge­von­den - erken­ning en gene­zing mag zijn.

Binnen de katho­lie­ke kerk gaat het niet meer om de internaten, die zijn er niet meer, maar er zijn nog wel andere terreinen die verbeterd kunnen wor­den. Daar wordt aan gewerkt: gedrags­co­des wor­den aan­ge­scherpt, antece­denten wor­den nauw­keuriger onder­zocht, er wordt meer in­for­ma­tie gedeeld, daders wor­den aange­ge­ven en ver­volgd, het lan­de­lijk meld­punt, de be­ge­lei­ding en vergoe­ding voor slacht­of­fers wordt verbeterd. Sommige punten moeten nog wor­den uit­ge­werkt en geïmple­men­teerd, op een aantal terreinen is de ver­be­te­ring al dui­de­lijk merk­baar.

Toela­tingseisen, be­ge­lei­ding en vor­ming

Wat betreft de toela­ting, be­ge­lei­ding en vor­ming van kan­di­da­ten voor het (gewijde) ambt in de kerk, is even­eens be­lang­rijk dat dit traject nog eens op dit punt wordt door­ge­no­men. Een aantal ver­be­te­ringen is ook hier reeds aan­ge­bracht (psycho­lo­gische test, per­soon­lijke be­ge­lei­ding in super­vi­sie, gees­te­lij­ke lei­ding en indien nodig door een ander staflid, cursussen, workshops).

Van groot belang blijft – zoals uit het onder­zoek van de com­mis­sie Deetman nog eens dui­de­lijk blijkt – dat oplei­dingen uiterst zorg­vul­dig en terug­hou­dend moeten zijn in het aannemen van een kandidaat die elders is weggezon­den. De kerk stelt daar regels voor en die moeten naar letter en geest wor­den nageleefd. De aanname­pro­ce­du­re zou meer gestan­daardiseerd mogen wor­den, zodat in elke oplei­ding dezelfde voor­waar­den voor aanname vervuld wor­den. Het canoniek recht vraagt niet voor niets dat jon­ge­ren die pries­ter willen wor­den gedurende hun vor­mings­tijd in een semi­na­rie (onder dit begrip valt ook een convict) ver­blij­ven of - in geval van nood­zaak, naar het oor­deel van de dio­ce­sane Bis­schop - tenminste gedurende vier jaar (CIC ’83, c. 235 par. 1). In geval van oudere kan­di­da­ten voor het pries­ter­schap zijn bij­zon­dere voor­zie­ningen moge­lijk en nood­za­ke­lijk, maar ook dan is wezen­lijk dat voldoende verant­woor­de­lijken de kandidaat goed hebben leren kennen en zij de normale 'scrutinia' (onder­zoeken, beoor­de­lingen) hebben gedaan, alvorens die kandidaat tot wij­dingen wordt toe­ge­la­ten.

+ J. Hendriks


Terug