Arsacal
button
button
button
button


Stafleden seminaries bijeen in De Tiltenberg

Overweging Preek - gepubliceerd: woensdag, 1 oktober 2014 - 635 woorden
binnentuin van De Tiltenberg
binnentuin van De Tiltenberg

Dit jaar wordt in De Tilten­berg in Vo­ge­len­zang de meer­daag­se staven­con­fe­ren­tie gehou­den voor de stafle­den van de Neder­landse pries­ter­oplei­dingen. Vooral rectoren en spi­ri­tu­aals waren naar het Haar­lemse semi­na­rie geko­men om zich te buigen over onder meer evangeli­sa­tie en contact met jon­ge­ren, onder meer met Harm Ruijter en mgr. Jozef Punt.

In de Eucha­ris­tie­vie­ring in de ochtend heb ik met de stafle­den gecon­ce­le­breerd en de volgende homilie gehou­den.

Homilie

Als wij jonge mensen tegen komen
die ons zeggen dat zij Jezus willen volgen,
zijn wij blij,
dat vervult ons met vreugde.
Nog groter is de vreugde als we merken
dat zij heel hun leven willen geven,
alles in dienst willen stellen
van Hem
die onze Schepper en Ver­los­ser is.
Des te groter is die vreugde
omdat wij­zelf hebben mogen bemerken en ervaren
dat Jezus Christus wer­ke­lijk
de moeite waard is
om voor Hem alles op te geven.

Na­tuur­lijk spreek ik regel­ma­tig pries­ters
van allerlei leeftij­den,
maar ook diakens en pas­to­raal werkers.
Het valt me op dat ook de ouderen onder hen
vaak nog vol vuur zijn
en hou­den van hun ambt,
zozeer dat zij het emeritaat vaak meer
als een drei­ging dan als een be­vrij­ding ervaren.
Veel pries­ters willen graag
een vorm van pries­ter­lijke inzet blijven geven
en ook de meeste pas­to­raal werkers en diakens
willen graag nog iets blijven doen.
Ik hoorde het dezer dagen ver­schil­lende keren
van emeriti:
ik mis de ge­meen­schap
waarin ik dienst­baar mocht zijn.

Ik vind dit eigen­lijk een mooi teken.
Ze zijn niet uitgeblust,
ook al hebben zij allen
met neergang te maken gehad,
met te­rug­lo­pende aantallen
en vragen over de toe­komst.
Integen­deel, hun pas­to­raal werk
heeft hun een diepe voldoe­ning en vreugde gegeven.

Die vreugde ervaren wij ook
en door de vreugde die wij­zelf ervaren
geeft het ons dank­baar­heid en vreugde
als iemand die­zelfde weg wil gaan.

Wij mogen geen enkele roe­ping ver­waar­lozen
en dat is na­tuur­lijk eens te meer waar
voor wie in de zorg voor roe­pingen is aan­ge­steld.
Er mag niet van ons wor­den gezegd
dat we de gaven van God,
de ge­schon­ken roe­ping, het verleende cha­risma
hebben ver­waar­loosd of vero­nacht­zaamd.

Niet wij zijn heer en meester,
maar als verant­woor­de­lijken voor de oplei­ding
is het onze taak
om te on­der­schei­den, te koes­te­ren en te be­ge­lei­den.

Dit betekent echter ook
dat we de motieven waarom iemand
met een roe­ping naar voren komt
moeten on­der­schei­den.
In veel lan­den van de wereld
geeft het pries­ter-zijn een status,
een positie boven andere mensen,
of een vast­heid en een bron van in­kom­sten.
Ook kan het een manier zijn
om alles wat er ooit ver­keerd was gegaan
in één klap goed te maken
en een goed en aanvaard­baar persoon te zijn;
het mag geen uitweg zijn,
geen manier om nog iets van het leven te maken.

Een roe­ping moet derhalve ook wor­den beproefd.
Het moet dui­de­lijk wor­den dat het geen bevlie­ging is,
dat iemand standvas­tig is
en er offers voor kan brengen.

Niet voor niets zegt de heilige Bene­dic­tus in zijn regel
dat een kandidaat die zich meldt
aan de poort van het klooster,
eerst een aantal malen
geweigerd en weg­ge­stuurd moet wor­den.

Ook Jezus stelt de kan­di­da­ten op de proef
die zich vandaag in het evan­ge­lie bij hem mel­den.
Zij moeten zich niet in een opwelling mel­den,
maar zich rea­li­se­ren dat er veel wordt gevraagd:
dat de Mensen­zoon geen steen heeft
om zijn hoofd op neer te leggen;
dat iemand die Jezus wil volgen
vrij moet staan tegen­over
men­se­lijke ban­den en men­se­lijk opzicht,
de veilige thuis­si­tua­tie
en die gewone men­se­lijke levens­ga­ran­ties
van een huis, een baan, geld en relaties
los moet durven laten.

De vreugde zal er des te groter om zijn
als iemand wer­ke­lijk durft te geven wat hij heeft,
durft los te laten
en met heel zijn hart
in de navol­ging van Christus gaat staan.

Van harte wens ik ons allen toe
dat we daarin mogen kunnen voor­gaan
om zo voor anderen die er weleens over denken
om Christus te volgen
en Zijn Kerk, Zijn volk te dienen,
een in­spi­ra­tie te kunen zijn.
amen

Terug