Arsacal
button
button
button


Stafleden seminaries bijeen in De Tiltenberg

overweging_preek - gepubliceerd: woensdag, 1 oktober 2014
binnentuin van De Tiltenberg
binnentuin van De Tiltenberg

Dit jaar wordt in De Tiltenberg in Vogelenzang de meerdaagse staven­con­fe­ren­tie gehouden voor de stafleden van de Nederlandse priester­oplei­dingen. Vooral rectoren en spirituaals waren naar het Haarlemse seminarie gekomen om zich te buigen over onder meer evangelisatie en contact met jongeren, onder meer met Harm Ruijter en mgr. Jozef Punt.

In de Eucha­ris­tie­viering in de ochtend heb ik met de stafleden geconcelebreerd en de volgende homilie gehouden.

Homilie

Als wij jonge mensen tegen komen
die ons zeggen dat zij Jezus willen volgen,
zijn wij blij,
dat vervult ons met vreugde.
Nog groter is de vreugde als we merken
dat zij heel hun leven willen geven,
alles in dienst willen stellen
van Hem
die onze Schepper en Verlosser is.
Des te groter is die vreugde
omdat wijzelf hebben mogen bemerken en ervaren
dat Jezus Christus werkelijk
de moeite waard is
om voor Hem alles op te geven.

Natuurlijk spreek ik regelmatig priesters
van allerlei leeftijden,
maar ook diakens en pastoraal werkers.
Het valt me op dat ook de ouderen onder hen
vaak nog vol vuur zijn
en houden van hun ambt,
zozeer dat zij het emeritaat vaak meer
als een dreiging dan als een bevrijding ervaren.
Veel priesters willen graag
een vorm van priesterlijke inzet blijven geven
en ook de meeste pastoraal werkers en diakens
willen graag nog iets blijven doen.
Ik hoorde het dezer dagen verschillende keren
van emeriti:
ik mis de gemeen­schap
waarin ik dienstbaar mocht zijn.

Ik vind dit eigenlijk een mooi teken.
Ze zijn niet uitgeblust,
ook al hebben zij allen
met neergang te maken gehad,
met teruglopende aantallen
en vragen over de toekomst.
Integendeel, hun pastoraal werk
heeft hun een diepe voldoening en vreugde gegeven.

Die vreugde ervaren wij ook
en door de vreugde die wijzelf ervaren
geeft het ons dankbaarheid en vreugde
als iemand diezelfde weg wil gaan.

Wij mogen geen enkele roeping verwaarlozen
en dat is natuurlijk eens te meer waar
voor wie in de zorg voor roepingen is aangesteld.
Er mag niet van ons worden gezegd
dat we de gaven van God,
de geschonken roeping, het verleende charisma
hebben verwaarloosd of vero­nachtzaamd.

Niet wij zijn heer en meester,
maar als verant­woor­de­lijken voor de opleiding
is het onze taak
om te onderscheiden, te koesteren en te begeleiden.

Dit betekent echter ook
dat we de motieven waarom iemand
met een roeping naar voren komt
moeten onderscheiden.
In veel landen van de wereld
geeft het priester-zijn een status,
een positie boven andere mensen,
of een vastheid en een bron van inkomsten.
Ook kan het een manier zijn
om alles wat er ooit verkeerd was gegaan
in één klap goed te maken
en een goed en aanvaardbaar persoon te zijn;
het mag geen uitweg zijn,
geen manier om nog iets van het leven te maken.

Een roeping moet derhalve ook worden beproefd.
Het moet duidelijk worden dat het geen bevlieging is,
dat iemand standvastig is
en er offers voor kan brengen.

Niet voor niets zegt de heilige Benedictus in zijn regel
dat een kandidaat die zich meldt
aan de poort van het klooster,
eerst een aantal malen
geweigerd en weggestuurd moet worden.

Ook Jezus stelt de kandidaten op de proef
die zich vandaag in het evangelie bij hem melden.
Zij moeten zich niet in een opwelling melden,
maar zich realiseren dat er veel wordt gevraagd:
dat de Mensenzoon geen steen heeft
om zijn hoofd op neer te leggen;
dat iemand die Jezus wil volgen
vrij moet staan tegenover
menselijke banden en menselijk opzicht,
de veilige thuissituatie
en die gewone menselijke levens­ga­ran­ties
van een huis, een baan, geld en relaties
los moet durven laten.

De vreugde zal er des te groter om zijn
als iemand werkelijk durft te geven wat hij heeft,
durft los te laten
en met heel zijn hart
in de navolging van Christus gaat staan.

Van harte wens ik ons allen toe
dat we daarin mogen kunnen voorgaan
om zo voor anderen die er weleens over denken
om Christus te volgen
en Zijn Kerk, Zijn volk te dienen,
een inspiratie te kunen zijn.
amen

Terug