Arsacal
button
button
button


Overwegingen over de Kerk

50 jaar Lumen Gentium

overweging_bezinning - gepubliceerd: vrijdag, 17 oktober 2014
Overwegingen over de Kerk

Op 21 november van dit jaar zal het vijfitg jaar geleden zijn dat het voornaamste document van het tweede Vaticaans concilie werd aangenomen en afgekondigd. De dogmatische constitutie over de Kerk, Lumen Gentium, heeft zeer veel bijgedragen aan een verdieping van de visie op de Kerk, een visie die nog steeds meer gestalte moet krijgen in het leven van de Kerk.

In de periode voor deze herdenking zal ik een aantal over­we­gingen publiceren die beogen te helpen bij een biddend-mediterende over­we­ging van dit fantastische en fundamentele document. De over­we­gingen zijn bij­ge­werkte inleidingen die ik tijdens de priester­retraite voor de priesters en diaken van het bisdom Roermond heb gehouden. Die concrete ‘setting’ zal vanzelf nogal eens doorklinken in de teksten. Hieronder volgt de eerste aflevering over de Kerk als geloofsgeheim.

Het mysterie van de Kerk (de Kerk als geloofsgeheim)

We willen gehoor geven aan de oproep die de Heer aan Zijn apostelen deed toen die zich bij Jezus voegden en Hem verslag uitbrachten over alles wat zij gedaan en onderwezen hadden: “Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit” (Mc. 6, 30-31).

Bidden en verstrooingen

Vooral het Lucas-evangelie vestigt er de aandacht op dat Jezus bidt. Hij bidt op belangrijke momenten van Zijn leven, bij­voor­beeld wanneer Hij door Johannes gedoopt is (Lc. 3, 21), voor de keuze van de twaalf apostelen (Lc. 6, 12) of voor Zijn lijden (Lc. 22, 41-44) en natuurlijk mogen we de grote retraite van Jezus niet vergeten die Hij hield in de woestijn, voordat Hij zijn openbaar optreden begon (Lc. 4, 1-13; Mt. 4,1-11 en Mc. 1,12-13). Lucas meldt ons dat de Heer zich geregeld terugtrok om te bidden: “Hij trok zich telkens terug in de eenzaamheid om te bidden” (Lc. 5,16; vgl. Lc. 9,18. 28-29). Het is dit voorbeeld dat we dus op uit­no­di­ging van de Heer zelf willen volgen.

Nu kan het ons in geestelijke zin vergaan zoals de apostelen. Na de uit­no­di­ging om naar een eenzame plaats te gaan, werden zij op die eenzame plek overvallen door de aanwezigheid van een grote menigte mensen, die als schapen zonder herder waren (Mc. 6, 34). Zo kan het ook ons overkomen dat we - eenmaal binnen­gegaan in de stilte - als het ware overvallen worden door allerlei gedachten, die we ook wel verstrooi­ingen noemen. Dit kunnen gedachten en fantasieën zijn die met ons gebed niets te maken hebben en die we beter terzijde kunnen stellen, door ons opnieuw te concentreren op ons gebed. Die zogenaamde ‘verstrooi­ingen’ kunnen echter ook de vele schapen zonder herder zijn, waar de apostelen op stuitten toen zij met Jezus naar die eenzame plek gingen. Het eerste waar de apostelen op kwamen, was “Stuur hen weg...” (Mc. 6, 36), maar Jezus nodigt Zijn leerlingen dan uit om hun te eten te geven, het overvloedig voedsel dat de Heer hun geeft uit het weinige dat de leerlingen Hem kunnen brengen (Mc. 6, 37). Ook hierin ligt een uit­no­di­ging aan ons om degenen voor wie wij zorg dragen en die in ons gebed bij ons komen, niet weg te sturen, maar hen juist bij Jezus te brengen om door Hem onze armzaligheid tot overvloedig voedsel te laten worden. Als gebed op de eerste plaats een ontmoeting is met de Heer, dan ontmoeten wij Hem zoals we zijn, met de zorgen die we hebben, met de vragen waar we mee zitten, met de mensen voor wie wij zorg dragen.

Graag wil ik U uit­no­di­gen om te doen wat Jezus deed en U telkens weer terug te trekken in de eenzaamheid om te bidden.

In deze inleidingen wordt telkens een gedeelte van de Dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen Gentium, van het tweede Vaticaans concilie ge­pre­sen­teerd, omdat het dit jaar vijftig jaar geleden is dat de Constitutie werd aanvaard en afgekondigd, op 21 november 1964.
Bij iedere inleiding worden enkele teksten van de Constitutie aangegeven die U voor het per­soon­lijk gebed kunt gebruiken; voor wie liever met het evangelie bidt, wordt ook een bijbelpassage aangeduid, die enigszins aansluit bij de thematiek van de inleiding.

Beelden van de Kerk

Ik denk dat ieder van ons wel een beeld heeft waaraan hij als eerste denkt als het over de Kerk gaat. Wat is het beeld dat U als eerste in gedachten komt bij het woord “Kerk”? Misschien dat sommigen van ons allereerst denken aan de paus en de Bis­schop­pen, het hiërarchisch aspect en de structuur; anderen hebben wellicht allereerst de universaliteit van de Kerk voor ogen: het volk van God dat over de hele aarde verspreid is en dat in allerlei ver­schil­lende omstandigheden leeft: in situaties van vervolging, van secularisatie, van uitbreiding of inkrimping, van lauwheid of van vuur en kracht, van armoede of rijkdom enzovoorts.

Een nederige dienaar in de wijngaard...

We kunnen ons vermoedelijk bijna allemaal nog wel herinneren aan welk beeld van de Kerk paus Benedictus XVI herinnerde toen hij voor het eerst na zijn verkiezing op 19 april 2005 op het balkon van de Sint Pieter verscheen: “Na de grote paus Johannes Paulus II hebben de kardinalen mij gekozen, een eenvoudige en nederige werker in de wijngaard van de Heer.”

Wat roepen deze woorden voor beeld op van de paus en van de Kerk? Ze geven ons allereerst aan dat degene die in de wijngaard werkt niet heer en meester is. Hij is een dienaar. De wijngaard is van de Heer, die de eigenaar is en de wijnstokken geplant heeft. De arbeider heeft tot taak te snoeien en te verzorgen opdat die wijnstokken groeien en bloeien en vrucht dragen. Dit beeld van de Kerk als de wijngaard van de Heer, wordt ook door de Constitutie gebruikt (LG 6).

“Als een uitgelezen wijngaard is zij door de hemelse Wijngaardenier geplant (vgl. Mt. 21, 33-43 en parallel­plaatsen; vgl. Jes. 5,1vv.). De ware wijnstok is Christus, die leven en groei­kracht schenkt aan de ranken, dat wil zeggen aan ons, die door de Kerk in Hem blijven en zonder wie wij niets kunnen doen (vgl. Jo. 15,1-5)”.

Paus Benedictus XVI haalde dit beeld aan omdat hij diep overtuigd was van de ontoereikendheid van zijn eigen krachten. Hij was zelf slechts een eenvoudige, nederige dienaar, bovendien een man op leeftijd die er juist aan dacht om nu met emeritaat te kunnen gaan. Hoe zou hij opgewassen kunnen zijn tegen de grote taak die nu op zijn schouders was gelegd? Er was maar één antwoord: de Kerk is van de Heer; Hij heeft de wijngaard geplant en het is een uitgelezen wijngaard: rijk aan gaven, rijk aan kracht, rijk aan de verlossende en leven gevende genade van onze Heer Jezus Christus, die de ware wijnstok is. Hij is degene die leven geeft en kracht om te groeien in het geloof. Dit beeld van de Kerk als de wijngaard van de Heer is bemoedigend waar wij zelf onze kleinheid en onmacht ervaren: ik kan het niet, Hij alleen kan het; ik mag - als priester of diaken of als geëngageerde leek in de Kerk­ge­meen­schap of in de kleine kerk van het gezin - meehelpen om voor­waarden te scheppen door te snoeien en te bevloeien, maar Hij alleen kan groei­kracht geven, het vruchtbaar maken. Het is ook een beeld dat nederig maakt: de Heer heeft de wijngaard aangelegd en Hij is de ware wijnstok. Niet ik, maar Hij. Ik mag er niet over beschikken, ik heb niet het recht die naar mijn hand te zetten, ik ben geroepen om te dienen.

Lumen Gentium 6 vermeldt ook het beeld van de landbouwgrond, Gods akker en Gods bouwwerk (vgl. 1 Kor. 3,9). Deze beide beelden maken duidelijk dat we inderdaad nederige dienaars zijn omdat het de Heer is die uit­ein­de­lijk het huis moet bouwen - “als de Heer het huis niet bouwt, werken de bouwers vergeefs” (Ps. 127, 1) -, maar dat we tegelijk wél Gods mede­wer­kers zijn (1 Kor. 3,9). Juist in onze nederigheid is onze grootheid gelegen.

Dienend karakter van het priester­schap

Die beide aspecten van nederigheid en grootheid zijn ver­bonden in het priester­schap en het diaconaat. De constitutie over de Kerk onderstreept het dienend karakter van het hïerarchisch priester­schap door dat priester­schap als “sacerdotium ministeriale” aan te duiden, waarbij het bijvoeglijk naamwoord “ministeriale” aangeeft dat het gaat om een dienst aan het volk van God en tegelijk om de voortzetting van het heilswerk van Christus. Het woord ministerium is daar in de traditie van de Kerk de uitdrukking van: het wordt gebruikt voor de bediening van het heilswerk, het verlossingswerk van de Heer. Dit is niet zomaar een dienstwerk alsof aan de priester bij zijn priester­schap een bepaalde opdracht of taak, een werk wordt gegeven, maar dit ministerium van de priester vloeit voort uit het feit dat hij alter Christus is, een andere Christus en zijn dienen is het voortzetten in de tijd van het dienstwerk van Christus, in Hem, door Hem en met Hem. Juist omdat de priester helemaal aan Christus toebehoort en Hem te­gen­woor­dig stelt, is hij helemaal en wezenlijk ten dienste van de mensen. “We zijn gewijd om nederig en gezagvol het algemeen priester­schap van de gelovigen te dienen”. Mutatis mutandis geldt datzelfde ook voor de gewijde diakens, die dienstbaar zijn waar de Bisschop en de priester hun verkondingstaak, hun heiligingstaak en hun herderlijke taak uitoefenen (vgl. LG 29). Ook de andere christen­ge­lo­vigen hebben door hun doopsel en vormsel op hun wijze deel aan deze drie taken van Christus.

Bruidegom, bruid en huwelijk...

De priester en diaken zijn geroepen om te dienen op grond van een nieuwe titel, omdat zij door de genade van het wijdings­sa­cra­ment op een eigen wijze aan Christus gelijkvormig zijn geworden. Voor de priester komt dat natuurlijk het meest krachtig tot uiting als hij de heilige Eucha­ris­tie viert en de consecratie-woorden uitspreekt. Hij handelt “in persona Christi” (LG 10), in de persoon van Christus, hij spreekt er als de bruidegom van de Kerk: “Neemt, dit is mijn lichaam... Drinkt, dit is het bloed van het nieuwe en eeuwig ver­bond”, zegt hij tot zijn bruid, de Kerk. Duidelijk kan zijn ”Alter Christus”-zijn niet tot uitdrukking komen! Het beeld van de Kerk als de bruid van het on­be­vlekte Lam (vgl. Apc. 19,7; 21,1 en 9; 22,17), waarover het in het laatste gedeelte van LG 6 gaat, heeft daarom voor de priester een bijzondere betekenis. Iedere dag opnieuw herhaalt de priester in de persoon van de Bruidegom van de Kerk de consecratiewoorden, die in feite de woorden van zijn trouwbelofte zijn, die hem herinneren aan zijn eens gegeven woord: “Christus heeft haar ‘liefgehad... en Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen’ (Ef. 5,25-26). Door een onverbreekbaar ver­bond heeft Hij haar met zich verenigd en onophoudelijk ‘voedt en koestert’ Hij haar (Ef. 5,29)”(LG 6,3). Ja, ik heb je lief - al ben je misschien oud en een beetje lelijk -, ik geef mij voor jou om je te heiligen, ik blijf je altijd trouw. Dat zegt de bruidegom-priester in de Eucha­ris­tie tot zijn bruid-de Kerk. Uit dit geestelijk huwelijk van Christus en Zijn bruid, de Kerk, komt veel goeds voort, zozeer dat we de Kerk met een ander beeld ook moeder noemen, onze moeder de heilige Kerk. Ook dit beeld wordt in LG 6 genoemd. De Kerk is onze moeder omdat zij leven geeft, ons voortbrengt als kind van God. De bruid wordt moeder en de bruidegom wordt vader. En weer komt dan in beeld hoezeer de priester deelgenoot in dienst­baar­heid mag zijn in het schenken en doorgeven van al die grote gaven die de Bruidegom aan Zijn bruid de Kerk geeft. De priester deelt in het vader­schap van God en stelt dat te­gen­woor­dig; niet ten onrechte wordt hij in veel landen “padre”, “father” genoemd.
Dit alles maakt ook duidelijk waarom de Kerk opkomt voor de heiligheid en onverbreekbaarheid van het sacramentele huwelijk, dat een te­gen­woor­dig­stel­ling is van het geheim van het ver­bond tussen Christus en de Kerk en van het moeder­schap van de Kerk en dat een opdracht, een prachtige zending inhoudt.

Kerk als een sacrament

In dit verband is het goed nog te verwijzen naar het eerste beeld - als ik dat zo mag noemen - dat Lumen Gentium al in de inleiding van de Constitutie voor de Kerk gebruikt: “In Christus is de Kerk als het ware het sacrament, dat wil zeggen het teken en het instrument, van de innige vereniging met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht” (LG 1). De Constitutie gebruikt niet het woord “oer-sacrament”, “grond-sacrament” of “bron-sacrament”, want het gaat hier niet om het feit dat de sacramenten voortvloeien uit het wezen van de Kerk, sacramenten van de Kerk zijn, maar het gaat om een vergelijking: “als het ware”, de Kerk gelijkt op een sacrament. Later, in LG 48,2 zal de Constitutie de Kerk ook het universeel heils­sa­cra­ment noemen (“universale salutis sacramentum”) en in Lumen Gentium 9 wordt aangegeven dat de Kerk voor allen en ieder afzonderlijk een zichtbaar sacrament is van de heilzame eenheid die Christus ons is komen brengen (LG 9,3). Dit zijn uitdrukkingen die al dichter bij een verstaan van de Kerk als “oer-sacrament” komen.

In Lumen Gentium 1 gaat het dus om een vergelijking van de Kerk met een sacrament. De kortste definitie van een sacrament is “signum efficax”, werkzaam teken. Er is een teken - brood en wijn, zalfolie, water - en dat teken is tegelijk het instrument waardoor wordt bewerkt wat erdoor wordt aangeduid. Dat geldt ook voor de Kerk: heel haar zichtbare verschijningsvorm en haar universaliteit zijn een teken van vereniging met God en van mensen met elkaar en de Kerk bewerkt die vereniging ook. Lumen Gentium zal hier in zekere zin op terugkomen in nummer 8, waar de Constitutie de Kerk vergelijkt met Jezus Christus: het Woord is mens geworden en die zichtbare, menselijke natuur werd het heilsinstrument: we zijn verlost door het lijden en sterven van Jezus Christus in diens lichaam. Zo is het ook door de zichtbare structuur van de Kerk dat het goddelijk leven ons geschonken wordt. Dat is wat wel het “incarnatorisch beginsel” wordt genoemd: God heeft in de menswording van Zijn Zoon het goddelijke en het menselijke ver­bonden en zoals Hij in en door Jezus’ lijden ons heeft verlost, zo geeft Hij ons Zijn genade, Zijn gaven door de zichtbare Kerk, door een zichtbaar teken in de sacramenten.

In Lumen Gentium 1 wordt dit beeld van de Kerk als werkzaam teken van vereniging van mensen met God en met elkaar nog in een algemene zin gebruikt: de Kerk is in Christus een grote wereldwijde gemeen­schap, een teken dat alle mensen geroepen zijn tot eenheid en broeder­schap, en zij bewerkt die eenheid met God en mensen ook inderdaad.

Kerk (en wijzelf) als bewerk(st)er en teken van eenheid

En dus is dat ook de taak van de priester en van de diaken: mensen bij God brengen en bij elkaar, dienaar van eenheid zijn. De Constitutie plaatst dit meteen in een wereldwijd perspectief: “de eenheid van heel het menselijk geslacht”. Dit heeft gevolgen voor de opdracht van een priester of diaken. Zij zijn geroepen om eenheid te scheppen, verbindend te zijn. Dit komt nog in een ander beeld van de Kerk tot uiting, dat in nummer 6 van Lumen Gentium wordt genoemd: de Kerk is de schaapsstal, waarvan Christus de toegangsdeur is, en de kudde waarvan Hijzelf de goede herder is (vgl. Jo. 10,1-18). Dit beeld van de Kerk roept natuurlijk ook de parabel van de goede herder in gedachten die heel de kudde - de negenennegentig - achterlaat om dat ene verloren schaap te zoeken (Lc. 15, 3-7; Mt. 18, 11-14). Te­gen­woor­dig is dat omgekeerd: er lopen er negenennegentig verloren, terwijl er maar één terecht is. Des te meer reden om erop uit te gaan!

Het komt nogal eens voor dat ik een priester moet bellen, nogal eens krijg ik dan de voice-mail en het valt me op hoe ver­schil­lend de bood­schap is die je dan krijgt: dat varieert van een telefoonstem die het nummer herhaalt dat je gekozen hebt en toevoegt dat je niets kunt inspreken tot de stem van een priester die zich uitvoerig in meer talen verontschuldigt dat hij even niet bereikbaar is, maar belooft zo spoedig mogelijk terug te bellen als je je nummer inspreekt. Hoe bereikbaar ben je? We zijn niet geroepen om mensen weg te jagen of af te wijzen, maar juist om hen aan te trekken, uit te nodigen, tot eenheid en saamhorigheid te brengen. We dienen de eenheid van heel het menselijk geslacht door de innige vereniging met God en dat moet onze woorden en onze houding bepalen, zoals onze paus Franciscus ons dat vóórleeft: ga erop uit, wees ‘universeel’ in je optreden, herder voor allen, open, toegankelijk, mensen niet afschrijvend, maar bemoedigend en uit­no­di­gend om dat stapje vooruit te zetten naar Christus toe. In hoeverre is de herder op zijn kudde betrokken?

De Kerk is er voor allen en wil mensen tot eenheid brengen met God en met elkaar. Lumen Gentium 3 nodigt ons uit om ons die universele dimensie bewust te zijn vooral wanneer wij de Eucha­ris­tie vieren:

”Telkens wanneer wij het kruisoffer, waardoor ‘ons paaslam, Christus, is geslacht’(1 Kor. 5,7), op het altaar vieren, wordt het werk van onze verlossing voltrokken. Terzelfder tijd wordt door het sacrament van het eucharistisch brood de een-wording van de gelovigen die in Christus één lichaam vormen (vgl. 1 Kor. 10,17), uitgebeeld en bewerkt. Alle mensen zonder uitzondering worden tot deze eenheid met Christus geroepen: Hij is het licht van de wereld; van Hem zijn wij uitgegaan, door Hem leven wij, naar Hem zijn wij op weg”

Zie het geheim...

Juist in onze tijd is het van belang om alles in de breedte en in de ruimte te bezien, niet te blijven steken in het hier en nu. Het is goed om bij alle ont­wik­ke­lingen die we in de Kerk zien en meemaken vooral een bovennatuurlijke blik te behouden. We mogen ons er in ons priesterlijk of diaconaal dienstwerk niet op fixeren dat mensen God loslaten en niet meer naar de kerk gaan. Dat zou ons gemakkelijk in een negatieve spiraal kunnen brengen en ons eigen hart en onze verkondiging kunnen verzuren. Laat je niet opslorpen door het hier en nu, maar zie het in de breedte en de diepte van Gods plan met de mensen en van Zijn Voorzienigheid. We worden geroepen om alles te zien in dat kader van Gods liefde voor de mensen en uit te nodigen. We zijn niet heer en meester van het geloof van de mensen, God gaat met elk van hen Zijn eigen weg en onze zending is het mensen te helpen God te ontvangen in hun leven, Zijn stem in hun hart te verstaan en Zijn gaven te ontvangen. Hij heeft na de zondeval van de eerste mensen een nieuwe weg voorbereid, de weg van de Kerk en dat heeft Hij voorbereid in een weg van vele, vele eeuwen. Dit laat ons zien in welk perspectief wij moeten denken: we moeten niet te veel in het hier en nu blijven steken en al helemaal niet in wat er nu wel of niet goed gaat. God is eeuwig, Hij heeft de tijd geschapen en overziet die; alles past uit­ein­de­lijk in het liefdevol plan dat Hij met de mensheid heeft.

De Constitutie begint na de inleiding onmiddellijk met deze invalshoek: de Kerk is door God de Vader voorbereid, Hij heeft alles vanaf het begin al voorzien; al in de tijd van het Oude Testament heeft Hij mensen geroepen en is met hen op weg gegaan. Alle rechtvaardigen die de stem van God in hun hart en hun geweten hebben vernomen en daarop zijn ingegaan, zullen deel uitmaken van die universele Kerk in heerlijkheid, want die Kerk is niet de Kerk van het hier en nu, maar zij omvat heel de communio sanctorum, met allen die ons vanaf het begin van de schepping zijn voorgegaan; de Kerk is de kiem en de aanvang van het rijk van God (LG 5). Dat is wat Lumen Gentium met een woord van paus Gregorius de Grote noemt: “Ecclesia ab Abel” (Kerk vanaf Abel, de eerste rechtvaardige). Door Jezus de Heer is vervolgens een begin gemaakt met de Kerk en de heilige Geest werd uitgestort om de Kerk te heiligen en voor de gelovigen de toegang tot de Vader te openen (LG 3-5). Deze benadering is een uit­no­di­ging om de werkelijkheid van vandaag te bezien onder het licht van de eeuwigheid! De Kerk is de Ecclesia de Trinitate (LG 4), de Kerk die deelheeft aan de eenheid van de drieëne God, zij is de heilige tempel, het Jeruzalem van omhoog, om nog enkele beelden van de Kerk te noemen, die Lumen Gentium hier gebruikt.

Lezen: Lumen Gentium 1-6

Terug