Arsacal
button
button
button
button


Hoe ziet jouw dag eruit? (5e zondag door het jaar B)

Emmausparochie, Uithoorn - 5 februari 2012

Overweging Preek - gepubliceerd: maandag, 6 februari 2012 - 1030 woorden

Jezus komt in het evan­ge­lie van vandaag uit de synagoge; Met nog twee van Zijn leer­lin­gen gaat Hij op bezoek bij de broers Simon en Andreas, die in één huis wonen. Daar ligt de schoon­moe­der van Simon Petrus ziek op bed. Gezien die woon­si­tua­tie en het feit dat over een vrouw niet wordt ge­spro­ken, was Petrus dus waar­schijn­lijk weduw­naar. En het kan ook nog zijn dat het eigen­lijk geen schoon­moe­der was want het Griekse woord wat in de ori­gi­nele tekst staat kan ook op een andere familielid slaan. Het is voor ons eigen­lijk een heel bekend tafereel: Je komt uit de kerk en je gaat koffie drinken bij je familie, je schoon­moe­der. Zo herinner ik het me uit mijn eigen jeugd: Uit de kerk gingen we naar opa en oma. Dat was gewoon van­zelf­spre­kend. Maar die schoon­moe­der van Simon Petrus – of wat zij ook was – was ook nog eens ziek, dus dat bezoek zal wel bij­zon­der op prijs zijn gesteld, zeker ook nog eens omdat de Heer haar beter maakt. Ik denk dat we bijna allemaal wel hebben ervaren hoe be­lang­rijk en fijn het is als je in zo’n periode van ziekte niet vergeten wordt.

Ik stond eens bij een erns­tig zieke die in coma was, toen enkele kin­de­ren van die zieke binnenkwamen. Even later kwam ook de arts eraan en nog voordat ik had kunnen vragen of ik soms even weg moest gaan, had één van die kin­de­ren – dui­de­lijk een zakenman – al aan de arts gevraagd of het nog lang ging duren. Het moest vóór maan­dag wel afgelopen zijn, zei hij erbij, want eind volgende week moest hij beslist weer naar Duits­land. Je weet nooit wat iemand in coma nog meekrijgt. In dit geval hoopte ik dat de zieke het niet had verstaan. Jaren gele­den kwam ik vaak bij een zieke vrouw, ze was wel wat gelovig, maar niet erg kerks. Ze had haar ziekte rede­lijk kunnen doorstaan tot het moment kwam dat haar man zich niets meer van haar aan­trok, hij het zat was en gewoon zijn eigen ding ging doen. Zij raakte in de put, wilde niet meer leven en vroeg de arts om eutha­na­sie. Na­tuur­lijk heb ik ge­pro­beerd haar daar­van af te brengen, maar ze was in een negatieve spiraal terecht geko­men, doordat zij zich zo in de steek gelaten voelde. Maar een andere vrouw, een moeder en oma, kikkerde gees­te­lijk juist helemaal op toen zij in het verpleegtehuis werd opgeno­men, omdat het thuis niet meer ging. Ze had daar geen ongezellige aan­spraak en iedere dag kwamen kin­de­ren of klein­kin­de­ren op bezoek, veel meer dan thuis en bracht ik haar thuis één keer per week de heilige communie, in dat ver­pleeg­huis kwam de diaken zeker wel twee maal per week en ook ik – als ik kwam – nam de heilige communie voor haar mee. Ik had haar in jaren niet zo opgewekt gezien.

Het evan­ge­lie van vandaag was eigen­lijk een soort dag uit het leven van Jezus. Die dag bestaat uit bid­den en werken; of je zou ook kunnen zeggen: uit contacten met allerlei mensen en uit het contact met Zijn hemelse Vader in de synagoge en in het per­soon­lijk gebed. Je zou kunnen zeggen: Zoals Jezus zich laat dopen om ons als het ware een voor­beeld te geven, zo geeft Hij ons ook een soort voor­beeld van een goede dagin­de­ling: aan­dacht en liefde voor anderen om je heen en aan­dacht en liefde in het gebed voor je hemelse Vader.

Na­tuur­lijk denken we er allemaal weleens aan hoe ons leven zal gaan, of we gezond zullen blijven of niet, hoe het eind van ons leven zal zijn, wat op onze weg zal komen. We weten het niet, niemand kan ons garanties geven, we kunnen de hoofd­prijs winnen in de loterij of thuis een misstap maken die ons in het zie­ken­huis brengt, ik noem maar wat, we weten het gewoon niet, we hebben het niet in onze hand en ieder moment van ons leven is toch echt een gave.

Ik hoor weleens de reclamespotjes van de humanisten -mis­schien heb ik u dit al eens gezegd –, Ik vind ze eigen­lijk een beetje zielig: Hun reclame is: ik geloof in de kracht van mensen en: ik geloof in een leven vóór de dood. Maar we weten allemaal en we beseffen dat ook: Na­tuur­lijk mag ik blij zijn als ik nog gezond en krach­tig ben, maar dat gaat na­tuur­lijk wel voorbij, dat is betrekke­lijk; en het is na­tuur­lijk ook bij­zon­der fijn als je een mooi leven hebt vóór je dood, maar driekwart van de mens­heid leeft in slechte omstan­dig­he­den en ook in ons eigen land: als we zou­den weten wat er zich afspeelt in de levens van mensen, wat mensen moeten lij­den, wat ze moeten meemaken, dan komt die reclame van de humanisten toch wel heel onwer­ke­lijk op je over.

Aan het einde van ons leven blijft er niet zoveel over, allerlei zaken verliezen hun belang: een mooie verre reis, een gou­den arm­band, een slee van een auto, het kan je niet meer bekoren… Maar de liefde die blijft, wat kun je dank­baar zijn als er op het moment dat je deze aarde moet verlaten iemand is die naast je staat, die je hand vast houdt, die er voor je is, de liefde maakt heel veel pijn en moeite goed. En dan komt het moment dat we ook van die dier­ba­re mensen afscheid moeten nemen en dan is er nog maar Één die overblijft, Hij die ons geschapen heeft En die ons ook weer opwacht aan het einde van onze aardse tijd. Hij neemt ons dan bij de hand en leidt ons naar huis.

Ja, eigen­lijk mag je best wel dank­baar zijn als je geleefd hebt voor de liefde, in ver­bon­den­heid met anderen, aan­dacht voort elkaar als je het geloof hebt mee­ge­kre­gen, als dat leeft in je hart, en je een band met God hebt opge­bouwd. Geen wonder dus dat Jezus zegt dat de liefde het grootste gebod is, de liefde tot de naaste en dat eerste en uit­ein­delijke gebod: de liefde tot God.


Terug