Arsacal
button
button
button
button


Vriendschap met de armen

Herkenbare caritas: een (gedeeltelijk) antwoord op maatschappelijke uitsluiting

Nieuws - gepubliceerd: vrijdag, 16 januari 2015 - 2107 woorden
tijdens een pause, in het midden dhr. Adrie Winkelaar
tijdens een pause, in het midden dhr. Adrie Winkelaar

Op donder­dag 15 januari hield het dekenaat Haar­lem-Am­ster­dam een nieuw­jaars­re­cep­tie in Heems­kerk in de Esplanade­zaal van de Maria­kerk, waar deken Ton Cassee woont. Diezelfde avond vond een bij­een­komst plaats bij gelegen­heid van het tien­ja­rig bestaan van het Regio­naal Diaco­naal Centrum IJmond-Noord, waar ik de lezing heb gehou­den die hier­on­der is weerge­ge­ven.

De nieuw­jaar­re­cep­tie bracht bijna honderd mensen uit het dekenaat bij elkaar aan het bnegin van dit nieuwe jaar. Het zijn bij­een­komsten die de onderiinge band ver­ster­ken. Ook de bij­een­komst van het RDC bracht een flinke groep mensen bijeen om te luis­te­ren naar de muziek van Huub Vossen en Adrie Winke­laar, die ook een van de zeer betrokken vrij­wil­li­gers van het RDC is, een in­spi­re­rende inlei­ding door Marius Buiting van de Bewe­ging van Barm­har­tig­heid, die door de Fraters van Tilburg in gang is gezet en de pre­sen­ta­tie van "Verle­den, heden en toe­komst van het RDC IJmond-Noord, waarin onder meer ver­slag wordt gedaan van de ac­ti­vi­teiten, zoals Voedsel­bank, Schuld­hulpmaatje, project WMO en Kerken en een vooruit­blik wordt gegeven naar de toe­komst. Niet alles lukte, maar de inzet is er en de in­spi­ra­tie vanuit de licha­me­lijke en gees­te­lij­ke werken van barm­har­tig­heid, die door een lokale kunste­naar waren afge­beeld op schilderijen die in de zaal waren geëxposeerd. Aan het begin van de avond heb ik de volgende inlei­ding gehou­den

Lezing

Dames en Heren,

Aller­eerst mijn zeer harte­lijke felici­ta­ties bij de vie­ring van dit tweede lustrum: tien jaar regio­naal Diaco­naal Centrum IJmond Noord. In dit Centrum hebt U de licha­me­lijke en gees­te­lij­ke werken van Barm­har­tig­heid centraal gesteld en daar­mee geeft U al heel dui­de­lijk aan dat U zich wilt inzetten vanuit een authen­tiek evan­ge­lische, chris­te­lijke in­spi­ra­tie.

U heeft mij gevraagd om iets te zeggen over caritas en diaconie in deze tijd en de plaats van caritas en diaconie in de Kerk. Dat wil ik heel graag doen.

pau­se­lijke in­spi­ra­tie

Er is dit jaar nog iets dat tien jaar bestaat en dat alles met caritas te maken heeft: het is dit jaar tien jaar gele­den dat de En­cy­cliek Deus caritas est (DC) verscheen van de hand van paus Bene­dic­tus XVI (25 de­cem­ber 2005). Daarin gaat deze paus in op de bete­ke­nis van de caritas en ik zal dus graag enkele gedachten aan deze En­cy­cliek ontlenen. Onze hui­dige paus Fran­cis­cus heeft daarna nog een Apos­to­lische Exhor­ta­tie ge­schre­ven die Evangelii Gaudium (EG) heet en die vooral in het tweede en vierde hoofd­stuk even­eens ingaat op de aan­dacht voor de armen. Ook dat do­cu­ment is een grote in­spi­ra­tie­bron voor ieder die zich met caritas bezig houdt, even­zeer als de daden die de paus steeds weer stelt en waardoor hij zijn aan­dacht voor de armen laat blijken en hun nabij is. Zijn eerste reis was naar de vluch­te­lingen in Lampedusa, ge­han­di­capte kin­de­ren uit heel Italië wer­den uit­ge­no­digd en kwamen met een lange trein naar Vati­caan­stad, dak­lo­zen in Rome kregen een slaap­zak en douches, op witte donder­dag waste hij de voeten van de gedetineer­den in een jeugdge­van­ge­nis, in Brazilië wilde hij niet alleen komen voor de Wereld­jon­ge­ren­da­gen, maar ookk naar de sloppenwijken toe, enzo­voorts, enzo­voort. De kar­di­naal die naast Fran­cis­cus zat tij­dens het conclaaf toen die tot paus gekozen werd, fluisterde hem toe: “Vergeet de armen niet”. Daar heeft paus Fran­cis­cus inder­daad goed naar geluisterd.

Het is intussen heel bekend dat paus Fran­cis­cus een Kerk wil die erop uitgaat (EG 24). “Erop uit­gaan” zit al in kleine dingen. Zo zegt de paus dat we niet met een gezicht moeten rondlopen alsof we van een begrafenis komen (EG 10). We moeten de Kerk tonen als een moeder met een open hart (EG 46 vv.) en niet bang zijn om vuil te wor­den: “Ik geef de voor­keur aan een Kerk die gekneusd, gewond en vuil is, omdat zij langs de straten is getrokken, boven een Kerk die ziek is, omdat zij gesloten is en uit gemak­zucht zich vastk­lampt aan eigen zeker­he­den…. Ik hoop dat wij, meer dan door de angst om fouten te maken, wor­den bewogen door de angst ons op te sluiten in de struc­tu­ren die ons een valse bescher­ming bie­den, in de normen die ons ver­an­de­ren in onverzoen­lijke rechters, in de ge­woon­ten waarbij wij ons gerust voelen, terwijl er buiten een hongerige menigte is, en Jezus onophou­de­lijk tegen ons herhaalt: ‘Geef gij hun maar te eten’” (EG 49).

economie van de uit­slui­ting

Paus Fran­cis­cus ziet vele noden in onze wereld en vraagt daar oog voor. Zo noemt hij een ‘economie van uit­slui­ting’ als probleem van onze tijd, waardoor mensen overal buiten komen te staan en een dak­loze oudere op straat kan doodvriezen zonder dat iemand er aan­dacht voor heeft, terwijl een waardever­min­de­ring op de beurs met twee punten wél de aan­dacht trekt. Zo wor­den mensen ge­mar­gi­na­li­seerd, tot vuilnis, afval van onze maat­schap­pij (EG 53). Daar­mee samenhangt de rol van het geld en van macht en de onge­lijk­heid die weer leidt tot geweld en jon­ge­ren doet radi­ca­li­seren. In­te­gra­tie staat haaks op een economie van uit­slui­ting. Paus Fran­cis­cus wijst erop dat maat­schap­pe­lijke onge­lijk­heid vroeg of laat geweld voort­brengt (EG 59-60). Dit is één van de oor­zaken van radi­ca­li­sering en terrorisme, die nu mondiaal zo’n enorm probleem vormen, zoals we de afgelopen week weer pijn­lijk hebben ervaren.

het gaat om de liefde die erachter zit...

Wij mogen niet doof blijven voor de kreet van de arme (EG 187), het luis­te­ren naar hun roep behoort tot het wezen van het evan­ge­lie. Dat houdt in: je laten raken door het verdriet van anderen. Het gaat bij de caritas niet alleen om ac­ti­vi­teiten, om hulp en onder­steu­ning, maar ook om aan­dacht die voort­komt uit liefde. Echte liefde, zo zegt de paus, heeft iets con­tem­pla­tiefs; “dit houdt in: de arme waar­de­ren in zijn eigen goed­heid…”(EG 199). De ergste dis­cri­mi­na­tie waar­on­der de armen lij­den is gebrek aan gees­te­lij­ke aan­dacht (EG 200), een echte gees­te­lij­ke open­heid voor hen. Toen ik deze woor­den van de paus las, moest ik denken aan Sant’ Egidio. Sant’ Egidio is een leken­be­we­ging die ontstaan is in de zes­tiger jaren onder stu­den­ten in Rome en die ook in ons bisdom actief is (in sep­tem­ber 2014 zijn de Mozes en Aäron­kerk en het Mozeshuis aan het Waterloo­plein in Am­ster­dam aan hen toe­ver­trouwd). Het doel van deze bewe­ging is: vrien­den wor­den van de armen. Dat is veel meer dan iemand iets geven of een bepaald pro­gram­ma van hulp­ver­le­ning uit­voeren. Het is kijken met liefde en barm­har­tig­heid! Toen de Neder­landse Bis­schop­pen ruim een jaar gele­den in Rome op Ad Limina bezoek waren, zei de paus over de gese­cu­la­ri­seerde situatie en de jon­ge­ren in Neder­land: “Breng hen naar de armen. In de armen zullen zij het gelaat van Jezus Christus ontdekken”. Dat is eigen­lijk al een heel oude gedachten. De heilige Au­gus­ti­nus zei al: “Als je de liefde ziet, zie je de aller­hei­ligste Drie-een­heid”.

Barm­har­tig­heid, de aantrek­kings­kracht van de liefde

U heeft de werken van barm­har­tig­heid terecht als kern en doel van Uw inzet geno­men. Die barm­har­tig­heid staat ook in het hart van het pon­ti­fi­caat van deze paus, die als wapen­spreuk en motto heeft gekozen: “Miserando atque eligendo”, “zich erbarmend en uitverkiezend”. Het zijn woor­den die slaan op de liefde­volle blik waar­mee Jezus naar Matteüs keek en hem uitno­digde om op te staan en Hem te volgen. Die barm­har­tig­heid is ook het wezens­ken­merk van de chris­te­lijke caritas: kijk naar de mensen die mis­schien je hulp goed kunnen gebruiken, met harte­lijke liefde, benader hen als vriend, dat hebben ze vaak nog meer nodig dan de concrete hulp die we hen bie­den.

Hier komen we bij de kern van chris­te­lijke caritas, waarover paus Bene­dic­tus heeft ge­schre­ven. Caritas is geen middel tot proselitisme, geen zieltjeswinnerij. Paus Fran­cis­cus heeft trouwens al vaker gezegd dat de Kerk niet groeit door proselitisme, door zieltjeswinnerij, maar door aantrek­kings­kracht. Caritas is liefde (dat betekent het ook let­ter­lijk) en de liefde is gratis, om niet; die zuivere liefde is het beste ge­tui­ge­nis voor God (DC 31), omdat die mensen aantrekt, omdat je in en door de liefde God ontdekt.

Daar ligt dus de kern van de chris­te­lijke caritas: noden opsporen, ja zeker, maar niet alleen in je eigen kringetje, niet alleen bij de mensen die we toch al kennen of die zich­zelf weten te mel­den aan ons loket, maar we moeten erop uit­gaan om in contact te komen met mensen en wer­ke­lijk­he­den die we nog niet kennen. Het doel van de caritas is daarbij niet aller­eerst om mooie dingen te doen voor mensen, maar om mensen te leren kennen en hen lief te hebben, aan­dacht voor hen te hebben. Wat we doen aan goeds is dan een uitdruk­king van een hou­ding, een liefde, een ver­bon­den­heid.

In onze samen­le­ving waar een­zaam­heid het grootste probleem is, wordt dat steeds be­lang­rijker. Vele mensen hunkeren naar een harte­lijk contact.

een wezen­lijke opdracht voor heel de Kerk

Iedere gelo­vi­ge en de kerk­ge­meen­schap als geheel heeft de opdracht tot naasten­liefde, zei paus Bene­dic­tus al in zijn En­cy­cliek. Oor­spron­ke­lijk bezaten de gelo­vi­gen alles gemeen­schap­pe­lijk (Hand. 2,44-45); dat kon na­tuur­lijk geen stand hou­den bij de uitbrei­ding van de kerk, maar wel bleef de over­tui­ging dat er in de kerk­ge­meen­schap geen armoede mag bestaan in de zin van gebrek aan wat voor een mens­waar­dig bestaan nodig is (DC 20).

In de Han­de­lin­gen van de apos­te­len leidde dit tot de keuze van zeven mannen - de oorsprong van het diaken­ambt - die voor ‘orde­lijk beoefende naasten­liefde’ moesten zorgen; zo werd deze diakonia verankerd in de basis­struc­tuur van de Kerk zelf (21). Diaconie, caritas hoort tot het wezen van de Kerk, net zo zeer als liturgie en ver­kon­di­ging.

In de loop van de tijd bleef de caritas geves­tigd als wezen­lijk terrein van de dienst van de Kerk. Justinus ver­telt over de verbin­ding tussen Eucha­ris­tie en caritas (22). Als je Jezus ont­vangt die zich­zelf uit­deelt en geeft, moet je ook jezelf uit­de­len en geven. Overal kwamen in de kerk in­stel­lingen voor armen­zorg. Denk maar aan Lau­ren­tius (+ 258), de diaken van Rome die de zorg had voor de armen. Toen hij door de Romeinse over­heid gevraagd werd naar de schatten van de Kerk, vroeg hij alle armen van Rome bijeen te komen op een plein en hij zei tot de Romeinen: “Dit zijn de schatten van de Kerk” (DC 23

In de negen­tien­de eeuw wilde het marxis­tisch denken geen lief­da­dig­heid maar ge­rech­tig­heid. Op zich was dat ook wat de Kerk voorstond in haar streven naar een recht­vaar­dige sociale orde (DC 26). Als een katho­liek, chris­te­lijk ant­woord op dit streven naar ge­rech­tig­heid ont­wik­kelde de katho­lie­ke kerk een sociale leer, gebaseerd op de waar­dig­heid van iedere mens: dat ieder mens geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God en dat hij een sociaal wezen is.

De wereld is kleiner gewor­den en dat vraagt een nieuwe bereid­heid tot soli­da­ri­teit met de armsten (DC 30a). Chris­te­lijke caritas moet onaf­han­ke­lijk zijn van ideo­lo­gieën. De christen moet han­de­len vanuit het hart dat ziet waar liefde nodig is (DC 31b).

Geloof, hoop en liefde horen bij elkaar: het geloof doet liefde in je hart ontstaan en de hoop die daaruit voortvloeit, helpt je te volhar­den ook als je niet veel re­sul­taat ziet (DC 39).

concrete voor­beel­den

De heiligen hebben de liefde voorgeleefd: de heilige Martinus van Tours (+ 397) deelde zijn man­tel met een arme voor de poort van Amiens. De monniken voelde in de be­schou­wing van God de nood­zaak hun leven tot dienst te maken en zo ontston­den scholen, zieken­hui­zen, hospitia en armen­hui­zen naast de kloosters. Vele reli­gi­euze ordes en con­gre­ga­ties zijn hierin gevolgd en veel heiligen zijn beroemde voor­beel­den van lief­da­dig­heid: Fran­cis­cus van Assisi, Ignatius van Loyola, Johannes de Deo, Camillus de Lellis, Vin­cen­tius a Paolo, Johannes Bosco, Luigi Orione, moeder Teresa van Calcutta en vele, vele anderen (DC 40).

Besluit

Het is dus een mooie en wezen­lijke taak die wordt vervuld in de caritas. Het gaat er niet om zieltjes te winnen, maar wel is be­lang­rijk dat mensen in het werk dat we doen die diepere laag kunnen herkennen waardoor onze inzet zo waarde­vol wordt: het wordt gedaan niet als een werk, maar uit liefde, uit eerbied voor een mens, geïnspireerd uit het evan­ge­lie. Zo biedt de caritas wel een kans dat mensen in de praktijk, in concreto zien wat het geloof in Jezus Christus eigen­lijk inhoudt, waar het voor staat. Daarom is het ook be­lang­rijk dat ons werk voor de armen zicht­baar is en herken­baar als uiting van chris­te­lijke caritas. We dringen niemand iets op, stellen geen voor­waar­den aan onze liefde, maar het is wel vanuit een mooie in­spi­ra­tie­bron en het zal ons een vreugde zijn als ook anderen zich tot die bron voelen aange­trok­ken. Daarom moet die bron herken­baar zijn.

Nogmaals van harte proficiat!

Terug